Aangepast zoeken

Naar beginpagina
Naar overzicht VD AMOKs

VD AMOK
tijdschrift voor antimilitarisme en dienstweigeren
jaargang 8, nummer 1, 1999


Inhoudsopgave



Colofon

VD AMOK
Tijdschrift voor antimilitarisme en dienstweigeren
Jaargang 8, nummer 1, 1999

VD AMOK
Verschijnt 5 maal per jaar en wordt uitgegeven door Vereniging Dienstweigeraars (VD) en het Antimilitaristies Onderzoekskollektief AMOK.
Voor de inhoud van met naam ondertekende stukken zijn de auteurs verantwoordelijk.

Copyright
Overname van artikelen uit het lopende nummer is uitsluitend toegestaan na toestemming van de redactie. Overname van artikelen uit eerder verschenen nummers is toegestaan onder bronvermelding en toezending van een bewijsexemplaar aan de redactie. Deze artikelen staan op onze website www.vdamok.nl

Adres redactie en abonnementenadministratie
VD AMOK
Obrechtstraat 43
3572 EC Utrecht
tel. 030-8901341
e-mail vdamok"at"antenna.nl

Redactie
Kasper Heijting, Sylvester Hoogmoed (fotoredactie), Kees Kalkman, Karel Koster, Guido van Leemput, Stijn van der Putte

Fotografen en illustratoren
Sandra de la Combé, Nick Hannes

Vormgeving
René Oudshoorn

Drukker
Drukkerij De Dageraad, Den Haag

Verder werkten aan dit nummer mee
David Jan Donner, Irene Houthuijs, Joost Jongerden, Henk Laloli, Fred van der Spek, Rutger Timmermans

Abonnementen
Een abonnement is minimaal € 14,- per jaar.
Een steunabonnement is minimaal € 18,-.
Over te maken op giro 5567607 t.n.v. VD AMOK, Utrecht.
Nieuwe abonnementen schriftelijk aanmelden. Wacht met betaling op toezending acceptgiro.
Opzegging uitsluitend schriftelijk vóór aanvang van het kalenderjaar.
Losse nummers kosten € 3,- (€ 4,- inclusief porto).

Advertenties
Tarieven en opgave bij de redactie.



Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Redactioneel -

Europa en de Koerdische kwestie

Met het vertrek van PKK-leider Abdullah Öcalan uit Rome lijkt de EU zich ontdaan te hebben van de Koerdische kwestie. Onder de druk van een Turks-Amerikaans één-tweetje was de zwakke EU-politiek niet bestand en werd Öcalan de Europese Unie uitgestuurd.
Turkije tracht onverminderd met alle middelen de Koerdische beweging te vernietigen. De VS steunt Turkije daarin omdat haar beleid ten opzichte van Irak op dit moment niet mag leiden tot de ongewenste groei van niet te controleren bewegingen. In de eerste plaats gaat het om de PKK. Maar ook de linkse Iraakse Communistische Partij, vanouds de grootste oppositiepartij in Irak, is uitgesloten van een ambitieus politiek sponsoringsprogramma van een zevental uitverkoren Iraakse groeperingen dat de Amerikanen hebben ontworpen. Dit programma is in september vorig jaar opgezet. Kort daarop zette Turkije met stilzwijgende steun van de VS de aanval op Syrië en de PKK in. Daarop vluchtte de PKK-leiding naar Rome. Deze episode is nu met het vertrek van de PKK-leider uit West-Europa afgesloten. Nu hebben de Amerikanen de bondgenootschappelijke handen aan de Iraakse noordgrens vrij om in het komende jaar de beweging te organiseren om Saddam Hoessein af te zetten.

De Koerdische kwestie in Turkije is absoluut niet opgelost. En Europa is evenmin bevrijd van dit probleem. Als gevolg van de onverminderde onderdrukking van de Koerden in Turkije zullen steeds meer van hen naar Europa vluchten. Een trend die zich daarbij al een aantal jaren aftekent, zal zich verder ontwikkelen. West-Europa zal in toenemende mate het toneel worden van het Koerdische nationalisme en de Turkse reactie daarop. De Westeuropese politiek ten opzichte van Turkije wordt een achterdeurpolitiek. Het vluchtelingen- en openbare ordebeleid zullen de instrumenten zijn waarmee West-Europa Turkije en de Koerdische kwestie benadert. Dit zal moeten veranderen in het belang van de democratie in Turkije, in het belang van de Koerdische bevolking en ook in het naakte eigenbelang van Europa.

In de afgelopen drie-en-een-half jaar heeft de campagne Stop de oorlog in Turkije als een samenwerkingsverband van VD, AMOK en aanvankelijk ook de stichting Azadî, zich tegen de oorlog gericht. We hebben daarvan in ieder nummer van VD AMOK melding gemaakt. Dit nummer sluit deze een periode af. Deze uitgave is geheel besteed aan de oorlog in Turkije. Belangrijkste bron is ons rapport, Oorlog, dienstplicht en mensenrechten in Turkije, van afgelopen zomer. Met zeker succes is met dit rapport getracht de vluchtelingenrechtspraak en het ambtsbericht van Buitenlandse Zaken te beïnvloeden. In dit nummer leggen we de nadruk op de dienstplicht in het Turkse leger en de problemen die daarmee gepaard gaan. In de eerste plaats zijn dat de mensenrechtenschendingen door het leger tegen de bevolking. Maar ook de mensenrechtenschendingen tegen onwillige soldaten. Voorts het lot van dienstplichtontduikers, dienstweigeraars en dienstweigervluchtelingen. In Nederland hebben we bijgedragen aan de oprichting van de Askere Gitme, een organisatie van Turks-Koerdische dienstweigeraars.
In de komende jaren zal een Turks-Koerdische anti-oorlogsbeweging van cruciaal belang worden om de oorlog te stoppen. Dat wil zeggen een beweging die antimilitaristisch is, én Koerden én Turken organiseert. In de eerste plaats in Turkije zelf, maar ook in West-Europa. Want niet alleen is de oorlog in Koerdistan een grote zweer in de Turkse maatschappij, ook de dictatoriale positie van de Turkse legerleiding is dat. Kortom, een Derde Weg in de politiek van de republiek Turkije is noodzakelijk. Daartoe blijven we groepen in Turkije die deze weg willen bewandelen onverminderd ondersteunen. In de komende nummers van VD AMOK zullen we daarover blijven berichten. De campagne Stop de oorlog in Turkije zal onder deze naam ophouden te bestaan, maar haar werkzaamheden voortzetten in Askere Gitme en het Studiecentrum Turkije.

De redactie

Mededeling
De redactie van VD AMOK dankt het Saamhorigheidsfonds voor haar financiële ondersteuning bij het tot stand komen van deze uitgave.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Vuile oorlog -

'Onbetrouwbare personen'

Er bestaat in Turkije geen recht op dienstweigering. Dienstweigeren als individuele daad, zoals wij het in Nederland kennen, was er tot voor kort onbekend. Ontduiking van de dienstplicht kwam altijd al voor, maar sinds de oorlog tegen de PKK heeft dit massaal vormen aangenomen. In november 1997 meldde het Turkse ministerie van Defensie dat 206.000 dienstplichtigen de dienstplicht nog niet vervuld hadden. Daarnaast komt desertie voor, maar over de omvang daarvan is weinig bekend.

De meeste dienstontduikers leven als illegalen in Turkije. Wanneer ze opgepakt worden, zullen ze alsnog hun dienstplicht moeten vervullen. Daarnaast valt hun een gevangenisstraf ten deel, waarbij ze het lot ondergaan van de vele politieke gevangenen in Turkije: ze moeten vrezen voor mishandeling, marteling en soms voor hun leven. Een aantal slaagt erin te ontsnappen naar het buitenland. Daar hebben ze in de meeste landen weinig kans op erkenning als vluchteling op basis van hun dienstweigering. In Nederland zijn er beperkte juridische mogelijkheden om als vluchteling erkend te worden op basis van dienstweigering. Je moet aantonen dat je onevenredig hoge straffen of discriminatie riskeert op basis van je ras, religie, nationaliteit of politieke overtuiging; of dat je ernstige gewetensbezwaren hebt; of dat je niet betrokken wilt worden bij militaire acties tegen je eigen groep of bij oorlogsmisdaden.

Motieven om in dienst te gaan

Alle mannen van 20 tot en met 46 jaar moeten een dienstplicht van 18 maanden vervullen. De eerste drie maanden krijgen ze een basistraining. Daarna vervullen ze op een andere plaats de rest van hun dienstplicht. Dan kunnen ze ook ingezet worden in Turks-Koerdistan tegen de guerilla's van de PKK.
Hoe kijken deze jongens tegen de dienstplicht aan?

Hamra Sirin, een Koerd: "Het leger ingaan is heel eervol in de Turkse en Koerdische traditie. Voordat je in dienst gaat denk je dat je een stap gaat maken naar volwassenheid en wijsheid." (noot 1)
Fikri, een Koerd uit Maras: "Je wordt gedwongen om in dienst te gaan. Ik begon te twijfelen toen ik hoorde dat ik in het zuidoosten [Turks-Koerdistan, H.L.] geplaatst was. Wilde deserteren. Op aandrang van de familie heb ik me toch in Gaziantep gemeld. Ik had daarvoor mijn streek nog nooit verlaten. Sommige mensen om me heen, die ook hoorden dat ze naar het zuidoosten moesten, begonnen te huilen. Ik had een commando-opleiding gekregen. Op een gegeven moment ga je dan ook denken aan zaken als de dood en juist omdat je commando bent, weet je ook dat je daar direct bij betrokken bent."
Ismael, van Turkse afkomst: "Mijn vader en moeder zeiden dat ik moest gaan. Omdat de buren en familie vinden dat je geen echte man bent als je niet gaat. Het is een taboe. De familie is gelukkig als een zoon naar de militaire dienst gaat. Het is feest, met een orkest. Mijn moeder was gelukkig met mij omdat ik ging. Men gelooft ook dat als je dood gaat, dat je dan in de hemel komt. Ik ontwikkelde mijn idee om niet in het leger te gaan op de middelbare school. In Adana, waar ik woonde, hadden wij veel Koerden als buren. Op school, in de buurt, in de straat konden wij goed overweg met elkaar, eten, drinken deden we samen, geen problemen. Vluchtelingen uit Zuidoost-Turkije komen naar Adana en spreken geen Turks, ze zijn net als de buitenlanders die naar Nederland komen. Mijn neef die in dienst was geweest vertelde mij hoe dorpelingen mishandeld werden. Ik wil niet het leger helpen, dat kan ik niet doen. Ik ben altijd principieel tegen oorlog geweest."
Salih, een Koerd uit Karakocan: "Ik ben een Koerd, ik wil niet tegen mijn eigen volk vechten. Ik heb aan de oproep geen gehoor gegeven."

Ideeën over de rol die de dienstplicht speelt in de overgang van jongen naar man en de druk van familie en buurt zijn van groot belang bij de beslissing om in dienst te gaan. Het sociale isolement en de illegaliteit die het gevolg zijn van ontduiking vormen een grote belemmering om niet in dienst te gaan. De oorlog in Turks-Koerdistan is daarentegen een reden om te weigeren. Volgens Ismael is de houding tegenover dienstplicht aan het veranderen: "Meer dan 50% van de jongeren wil niet naar militaire dienst. Ook de ouderen zijn niet gelukkig meer. Wanneer de jongens terugkomen met vakantie, dan is het huilen. Iedereen wordt een beetje wakker."

Opleiding en training

Doel van elke militaire opleiding is disciplinering: het accepteren van de militaire tucht, het vijandbeeld en de toepassing van geweld. De gevechtstraining is hier een klein onderdeel van en ontbreekt soms zelfs. De middelen om dienstplichtigen rijp te maken voor het leger zijn vaak heel andere: bevelen, straffen, exercities, isolatie van de burgermaatschappij, vernedering, en geweld.

Yavuz, een Turk uit Hatay, ging in 1989 in dienst nabij Ankara: "In de basisopleiding leerde ik hoe met de vijand moest vechten en hoe ik een wapen moest gebruiken. De opleiding bleef beperkt: ik heb maar drie keer geschoten. 's Nachts gingen we naar de bergen om te oefenen. Je moet goed lopen in een rij. Als je een fout maakt krijg je straf. Slaag. Lijfstraffen worden door de meerderen zonder veel aanleiding gebruikt. Ik werd steeds mishandeld door een sergeant. Ik raakte overspannen omdat ik mishandeld werd. Ik mocht een keer niemand binnenlaten in het gebouw. Dat was een bevel. Een sergeant zei: doe maar de deur open, ik ga even vijf minuten naar binnen. Ik zei: sorry, dat kan niet. Er was ook een soldaat, een bewaker, en die deed de deur open. De sergeant is meteen naar mij toe gegaan en is begonnen mij te slaan. Een tand is kapot gegaan, het begon erg te bloeden. Vijftien minuten sloeg hij, ik kon niet weg. Ik ben naar mijn commandant gegaan, ik zei: ik wil een klacht indienen. Die man die daar staat heeft mij geslagen. Mijn commandant is naar hem toegegaan. En de commandant vroeg hem: waarom heb je mijn soldaat geslagen? Jouw soldaat is geen goede soldaat. Mijn commandant zei: mijn soldaat is altijd een goede soldaat in garnizoen geweest. Deze twee hebben dezelfde rang. Op dat moment zei mijn commandant: ga maar een klacht indienen. De klachtbrief verdween echter."

De opbouw van een vijandbeeld is een ander belangrijk element van de opleiding.
Yavuz: "Er waren ook lessen. Het ging altijd over Atatürk. En over de hiërarchie in het leger. Elke dag na het eten kreeg je les. Over het ontstaan van Turkije. Als je een vraag niet kon beantwoorden, kreeg je straf. Er was geen discussie over. Ik had maar met een paar mensen contact. Met je beste kameraad praat je er wel over, maar je kunt niet alle soldaten vertrouwen. Je had bepaalde grenzen die je niet overschreed. Grieken werden als vijand gezien, ze noemen eigenlijk geen namen. Ze hebben het niet over landen of over Koerden. Over Oost-Turkije ging het niet. Het ging niet over Koerdistan.
Ayhan, van Turks afkomst: "In de lessen werd de PKK als de boze man voorgesteld. Zij voert een guerillastrijd die Turkije wil splijten. Zij zijn onmenselijk, die soldaten en broeders willen doden." (noot 2)
Salih: "We werden ook psychologisch geschoold, rijp gemaakt voor de oorlog. Om haat tegen de PKK te zaaien laten ze foto's uit de krant zien van vermoorde mensen, verminkingen enz. en wordt verteld dat de PKK dit gedaan heeft. Ook zeiden ze dat Öcalan een Armenïer was. Niet-opgeleide mensen geloofden deze dingen makkelijk."

Bestraffing dienstontduiking en desertie

Op ontduiking en desertie staan straffen. Dienstplichtontduikers kunnen met zes maanden tot drie jaar gestraft worden als zij na drie maanden opgepakt worden. Vluchten drie personen of meer te zamen dan valt een straf van twee tot vijf jaar te verwachten, en bij hun vlucht naar het buitenland vijf tot zeven jaar. Op desertie staat één tot drie jaar gevangenisstraf, maar personen die naar het buitenland vluchten, wacht een straf van drie tot vijf jaar. Op vluchten tijdens de uitoefening van de dienst staat vijf tot tien jaar gevangenisstraf.
Uit interviews en andere gegevens wordt duidelijk, dat er strafkazernes bestaan voor dienstontduikers die opgepakt worden. Die worden ook gebruikt voor politiek onbetrouwbare personen in het algemeen. (noot 3) Een politiek actieve familie is reden genoeg om tot deze categorie te behoren, zo blijkt uit de behandeling van Yavuz: "Omdat mijn broer in de gevangenis heeft gezeten vanwege politieke activiteiten, kreeg ik geen wapen maar civiele taken. Toen ik daar [in de kazerne] was, hebben ze gegevens van mij gevraagd. Toen hebben ze gezegd: jouw broer heeft in de gevangenis gezeten, daarom mag je geen wapen hebben. Maar ik was gelukkig: je hoeft niet wacht te lopen."
Deze kazernes kenmerken zich door zeer slechte levensomstandigheden en harde tucht met mishandelingen en vernederingen. Deserteurs en ontduikers, zo blijkt uit deze gevallen, moeten rekening houden met fysieke bestraffing, mishandeling, bedreiging en intimidatie gedurende de diensttijd. Bovendien kunnen zij nog verscheidene andere straffen krijgen, bijvoorbeeld voor 'ongehoorzaamheid' of herhaling van de weigering (maximum twee jaar).
Salih had in 1990 geen gehoor gegeven aan de oproep tot keuring en werd in 1991 opgepakt: "De deserteurs en de soldaten die niet vrijwillig kwamen, werden extra hard aangepakt. De gewone soldaten trainden van vijf uur 's ochtends tot drie uur 's middags en die hadden een pauze. Wij niet. We kregen geen water om ons te scheren en te wassen. Ik werd ingedeeld bij een groep die naar Koerdistan gestuurd zou worden. Het betrof Turken en Koerden. Ik werd naar de provincie Hakkâri gestuurd. De eerste twee weken werd uitgezocht uit wat voor soort familie ik kwam: haar politieke gezindheid en Koerdische standpunt. Ik had de pech dat ik een officier tegenkwam uit mijn regio, die mijn familie goed kende, als politieke activisten. Deze kapitein droeg mij op hem drie keer per dag te bezoeken en te groeten, daarbij sloeg hij mij telkens in elkaar. Ik kreeg geen wapen en er waren altijd twee soldaten bij mij om op te letten dat ik niet zou vluchten. Een vluchtpoging was echter onmogelijk. Als ik naar Irak was gevlucht dan zou ik ook opgepakt kunnen worden door het Turkse leger, want dat was daar aanwezig. Als ik buiten de kazerne opgepakt was, dan zou dat zeker mijn dood hebben betekend.

Inzet in Turks-Koerdistan

Het komt voor dat politiek onbetrouwbare lieden juist wel in Turks-Koerdistan gelegerd worden en zelfs in een gevechtseenheid worden opgenomen. Alp N., van Turkse afkomst, diende in 1994-'95 op verscheidene plaatsen in Turks-Koerdistan. Hij probeerde vast te houden aan een humanistische visie: "Mijn inzet werd op grond van kritiek op een militaire actie in twijfel getrokken. Mijn commandoteam werd daarop op bijzonder gevaarlijke opdrachten gestuurd." Kemal C. werd in 1989/90 onder andere in de Koerdische provincie Mardin ingezet en was voor zijn diensttijd een politiek gevangene. Zijn commando nam deel aan ondervragingen in dorpen: "Wat bij ons gebeurde was slaan, trappen en ophangen aan de armen aan een kruis. Zout water laten drinken. Dat werd in ons commando gedaan." Bij Ahmed N., een Turkse dienstontduiker, is het duidelijk dat de straf voor dienstontduiking inzet in de oorlog in Turks-Koerdistan was. Samen met andere ontduikers werd hij daarheen gestuurd en nam hij deel aan een inval in Irak in 1997. (noot 4)
Ook uit gevallen die de Zwitserse Vluchtelingenorganisatie SFH noemt, blijkt dat ontduikers en deserteurs bestraft kunnen worden door opneming in een eenheid die in Turks-Koerdistan is gestationeerd. (noot 5) Probleem is dat de bestraffing en behandeling van deze zaken niet openbaar is en binnen de legereenheden geschiedt. Het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken beweert dat het leger niets heeft aan politiek onbetrouwbare soldaten. Deze zullen volgens het Ministerie niet in Turks-Koerdistan worden ingezet of geen gevechtstaken krijgen. Zoals we boven zagen komt dit inderdaad voor, maar deze mensen krijgen een gewelddadige behandeling en onbetrouwbaarheid is niet altijd een reden om geen gevechtstaken op te leggen.
Het is heel goed mogelijk om ongemotiveerde soldaten in het leger te disciplineren en te dwingen dingen te doen waar ze niet achter staan, bijvoorbeeld vechten of optreden tegen de burgerbevolking. Er is een duidelijk verschil tussen de situatie in een strafkazerne en in een gevechtseenheid. In de strafkazerne richt het geweld zich naar binnen, tegen de soldaten. Ze worden door hun meerderen schandalig behandeld. In een gevechtseenheid gebeurt dat in het algemeen niet. Het geweld richt naar buiten tegen de 'vijand': de guerrilla's of dorpelingen. Het is niet zo onwaarschijnlijk dat ook politiek onbetrouwbare mensen in die eenheden terechtkomen. Het je onttrekken aan gevechtshandelingen in zo'n eenheid is moeilijk. Je eigen leven staat op het spel in een gevechtssituatie. Soldaten en officieren zijn van elkaar afhankelijk om te overleven.
Een recent voorbeeld van de praktijk om mensen te straffen voor ontduiking is dat van het parlementslid Bahattin Sheker, die ervan verdacht wordt dat hij de dienstplicht op onrechtmatige wijze ontdoken heeft (met valse papieren had hij de verkorte dienstplicht van een maand gedaan). Hij zal mogelijk in Turks-Koerdistan geplaatst worden en een zeer zwaar regime moeten ondergaan. Volgens de krant Hürriyet ziet het leger hem als een onbetrouwbaar persoon en zal hij daarom een harde opleiding door moeten maken in Amasya of Sivas. Er wordt daarbij vermeld dat deze bestraffing geldt voor ontduikers of deserteurs. Volgens bronnen in het leger zal hij daarna geplaatst worden in een eenheid, die actief betrokken is bij gevechten met de PKK in Turks-Koerdistan in Agri, Sirnak of Hakkârl. (noot 6)

De bestraffing van dienstontduiking en desertie, zo kunnen we concluderen, houdt naast de voorgeschreven celstraffen ook een speciale behandeling in waarvan mishandeling of marteling een kenmerk vormt. De heersende opinie in het Turkse leger over dienstweigering en de omgang met rekruten maakt gewelddadige bestraffing tot een veel voorkomend feit. Dit gewelddadig optreden kan ook makkelijk ontaarden en tot zware mishandeling of de dood van de rekruut leiden. Ook hiervan zijn een aantal gevallen bekend. Verwant aan deze problematiek zijn de dubieuze zelfmoorden van rekruten waarover herhaaldelijk bericht wordt.

Henk Laloli



Noten:

  1. Namen en plaatsnamen zijn gefingeerd om de geïnterviewden te beschermen
    Terug naar tekst
  2. Ik heb een aantal interviews gebruikt uit: A. Berger, R. Friedrich und K. Schneider, Der Krieg in Türkei-Kurdistan, Göttingen, 1988
    Terug naar tekst
  3. Zie A. Berger, P. 120-121 en 207
    Terug naar tekst
  4. Zie mijn artikel Érvaringen van soldaten in oorlog'in VD AMOK nr. 5, 1997, p. 4-6
    Terug naar tekst
  5. SFH Infobörse nr 1, 1998, p. 41-48, Schweizerische Flüchtlingshilfe
    Terug naar tekst
  6. Kirek Tüfek, sept. 1998
    Terug naar tekst



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Vuile Oorlog -

De oorlog in Turks-Koerdistan
Een succesvolle anti-guerrilla campagne

De oorlog in Turks-Koerdistan is een laboratorium voor anti-guerrilla-tactieken. De menselijke kosten zijn hoog. Kenmerkend voor een guerrilla-oorlog is het vervagen van het onderscheid tussen burgers en strijders. Dienstplichtige soldaten die hun menselijkheid in zo'n oorlog willen bewaren staan voor een onmogelijke opgave.

Het verloop van de oorlog

De guerrilla-oorlog die de PKK in 1984 begon, nam pas begin jaren negentig grote omvang aan. Profiterend van de uitvalsbasis die Iraaks-Koerdistan na de oorlog tegen Saddam bood, breidde de PKK haar aanvallen in Turks-Koerdistan uit. De PKK-guerrilla was erg succesvol in 1993 en 1994. Grote delen van Turks-Koerdistan werden door haar gecontroleerd. Aanvallen in steden namen toe. Het leger nam een afwachtende houding in en slaagde er niet in om de guerrilla's in te sluiten.

Om tot een actievere strijd tegen de guerrilla over te gaan, werden de speciale anti-terreureenheden (Özel Tim) in 1993 uitgebreid en liet men de gendarmerie (Jandarma) en het leger in een geïntegreerd commando opereren. Sindsdien heeft het leger de primaire verantwoordelijkheid voor de oorlog op zich genomen, omdat het burgerbestuur en de gendarmerie niet opgewassen waren tegen de tactieken van de PKK. De legertactiek komt er op neer dat de Turkse troepen een mobiele aanwezigheid in het terrein (hooggebergte) innemen. Na acties blijven ze in het gebied, ook tijdens de winter. Ze proberen de guerrilla's te lokaliseren en te vernietigen. De speciale eenheden worden per helikopter naar de plek gebracht waar de opgedreven en ingesloten guerrilla's gelokaliseerd zijn en proberen ze uit te schakelen. Daarbij is ook het doel de bevoorrading op te sporen en hoger gelegen gebieden te bestrijken. Om de infiltratieroutes af te snijden worden ook speciale eenheden met helikopters naar Irak gebracht, die daar de logistieke ondersteuning opsporen.

In de activiteiten van Kenan, een Koerd bij de commando's, komen deze tactieken naar voren: "Wij waren nooit op één plaats; altijd gingen we van de ene naar de andere plaats. Voorraden werden met de helikopter gebracht, wij met de auto, soms werden we opgehaald met de helikopter. Altijd op zoek naar guerrilla's. We wachtten buiten een dorp op guerrilla's die er naar toe kwamen. De opdrachten kwamen per mobilofoon van het provinciale commando. Er gingen ook soldaten mee die in een gebied gelegerd waren en de weg kenden. We brachten vaak 40 tot 60 dagen in de bergen door. Als we dan bij een kazerne kwamen, dan bleven we daar twee dagen om op te frissen, schone kleren aan te trekken en daarna weer de bergen in."

Veel commando's besteden hun meeste tijd met lopen, zoeken en wachten. Gevechtscontacten zijn schaars. Veel gevechten vinden in het donker plaats. De vijand is alleen te herkennen aan zijn vuursporen die licht geven.

Massale inzet van dienstplichtigen

In de speciale campagnes die in zomer 1994 startten, werden niet alleen de troepen uit het Tweede en Derde leger (in het zuidoosten) gebruikt, maar werden ook troepen uit West-Turkije ingezet. (noot 1) De nieuwe strategie om grote gebieden uit te kammen en guerrilla's weg te drijven of in te sluiten, behoeft een grotere hoeveelheid troepen. De diensttijd van de dienstplichtigen is daartoe in 1994 met drie maanden verlengd naar 18 maanden. Voor de operaties in zomer 1994 gebruikte het leger 240.000 soldaten en Jandarma-eenheden. (noot 2) Het hoogste aantal doden werd in 1994 gemeld en het is daarna jaarlijks gedaald. De bovengenoemde militaire tactiek had effect. De invallen in 1995 en 1997 in Irak hebben ook bijgedragen aan de verzwakking van de PKK. De guerrilla-acties zijn kleiner in omvang geworden. Dat heeft alles te maken met de 'totale oorlog' die het leger, Jandarma en politie tegen de Koerdische bevolking in het gebied voerden.

Burgers als doelwit

De burgerbevolking is op verschillende manieren het doelwit geworden van de anti-guerrillastrijd. Ten eerste begonnen de speciale eenheden (o.a. van de politie) een moord- en terreurcampagne tegen de Koerdische intellectuelen, politici, schrijvers, kunstenaars en activisten. Ten tweede werden de Koerdische dorpsbewoners massaal uit hun dorpen verdreven of onder druk gezet om zich als dorpswachter tegen de PKK te keren. Dit deden veiligheidstroepen primair om de steun die de dorpelingen aan de PKK zouden kunnen geven, te voorkomen en bestaande netwerken te vernietigen. In beide gevallen verloren de politieke autoriteiten de controle over de anti-guerrilla-eenheden en gingen deze zich te buiten aan diverse praktijken die hun eigenbelang dienden. Dit geldt zowel voor de speciale eenheden als de dorpswachters, die zich bezig gingen houden met het vereffenen van eigen rekeningen, drugshandel en wapentransporten en diverse corruptiepraktijken. Er valt veel voor te zeggen dat een deel van deze praktijken toegestaan of aangemoedigd werden.

Het leger zegt de militaire toestand in Turks-Koerdistan nu meester te zijn. In december 1997 werd de internationale pers in Turks-Koerdistan rondgeleid en werd door woordvoerders van het leger gesteld dat nu de tijd rijp is voor sociaal-economische maatregelen. De gevechten zijn in 1998 voortgegaan: er zijn weer tienduizenden man Turkse troepen ingezet en enige duizenden doden gevallen, wat aangeeft dat de strijd niet voorbij is. Recente officiële cijfers noemen een totaal aantal doden van 37.000 sedert 1984. De mensenrechtenorganisatie IHD spreekt van 40.000 doden.



Een van de weinige gedetailleerde opgaven van de Turkse troepensterkte in Turks-Koerdistan is die van de Amerikaanse mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch. Volgens deze schatting bestond het aantal Turkse militaire en politionele troepen dat in 1996 actief in Turks-Koerdistan was uit ongeveer 300.000 man. Hiervan waren de helft reguliere legereenheden. De rest bestaat uit 40-50.000 Jandarma (politie in landelijke gebieden en anti-guerrilla-eenheden), ongeveer 40.000 politie-eenheden (waaronder 15-20.000 speciale eenheden Özel Tim), 10.000 militairen van de luchtmacht en circa 77.000 dorpswachters. (noot 3) Volgens deze berekening zou meer dan een kwart en misschien zelfs een derde van het reguliere leger zich in Turks-Koerdistan bevinden, als de omvang van het Turkse leger op 590.000 manschappen wordt geschat.



Verlies van menselijkheid

Wat doet de oorlog met de soldaten? Is verzet mogelijk? Vele dienstplichtige Koerden en Turken zijn betrokken zijn geweest bij gruwelijke ervaringen.

Kenan: "Mijn commando-eenheid bestond voornamelijk uit Koerden. Wij hebben altijd geweigerd Koerdische burgers te mishandelen. We hebben dorpelingen opgepakt die de PKK eten hadden gebracht. We namen ze mee naar de kazerne. De officier beval ons hen met knuppels te slaan. We wilden dat niet. De officier dreigde ons maar deed niets. Met de walkie-talkie werd later politie opgeroepen, die deze mensen wel mishandelde. Ik heb ook mensen opgepakt uit een dorp waar de PKK zat en hen gevraagd mij te vertellen wat ze wisten. Daarbij beloofde ik dat hen niets zou gebeuren. Dat liep wel goed af."

Fikri, een Koerdische commando, was gelegerd in een commandopost van de Jandarma aan de grens met Irak bij een rivierdorp. Ze bestond uit ongeveer 60 man. De taak van zijn eenheid was surveilleren: "In het dorp waar onze commandopost vlakbij was waren 6-700 dorpswachters, voornamelijk uit de omgeving. De dorpswachters kregen de gevaarlijkste opdrachten. Zij moesten het gebied bewaken. Als er een aanval van de PKK was dan waren zij de eersten die de kogels konden opvangen. Dorpswachter word je onder druk of uit financiële noodzaak. De mensen waren te arm om te vluchten, daarom werden ze ook dorpswachter. Dorpswachters verkochten hun land, want ze hadden toch geen tijd meer om het te bewerken. Jongeren vluchtten naar de steden of sloten zich bij de PKK aan. Mensen die niet mee willen werken worden onder druk gezet, mishandeld. Ik heb dat ook gedaan. Onder de dorpswachters waren er ook die sympathie voor de PKK hadden."

Het eerste gevecht

Alp N., bevelvoerend officier van een commando-eenheid, beschrijft zijn eerste gevechtservaring: "We waren onderweg en vingen in de Dicle met handgranaten vissen en zwommen. Terwijl ik daar rond liep dook er ineens een persoon voor mij op in de beek. Hij was dertig of veertig meter van mij verwijderd. Ik had echt veel geluk. In zo'n situatie word je vaak gedood. De andere soldaten waren ervarener dan ik. Ze smeten zich allemaal op de grond en er werd geschoten. Ik bleef als versteend staan. Ik wist niet wat ik met mijn wapen in de hand moest doen. De man haalde de trekker over, maar zijn wapen weigerde. De man was al gewond en hij gaf zich over. Ik zei: hou op met schieten. Mijn soldaten riepen, doe dat niet, commandant. We namen hem gevangen en lieten de commandant van de compagnie komen. Hij werd naar een leegstaand huis gebracht in een ontruimd dorp. De man werd gemarteld voor onze ogen. Wij werden erbij geroepen. Ze braken hem alle vingers, de handpalmen werden opengesneden, en ze braken hem de armen en benen. De man was niet meer in staat om te spreken. Hij werd met een helikopter weggebracht. Ik heb gehoord dat ze hem er onderweg hebben uitgegooid.

"Daarna namen we in de bergen een man gevangen, die zei dat hij uit een dorp kwam en op weg was naar Siirt om medicijnen te kopen. Zijn vrouw en kinderen waren met hem mee gegaan, maar waren nu gevlucht. We geloofden hem niet. Ook hem hebben ze zwaar toegetakeld, gemarteld. 's Nachts werd hij op de top van een heuvel aan een boom gebonden. Wij werden door guerrilla's aangevallen. De volgende dag leefde de man nog en wij lieten hem achter. De man wist wel weg te komen, maar stierf 15 tot 20 dagen later. Wij kwamen onderweg een vrouw en twee meisjes tegen. Zij bleken inderdaad zijn vrouw en dochters te zijn. De man was dorpshoofd ergens in Siirt. Tsja, zo is het nu eenmaal ..." (noot 4)

Het verhaal van Alp N. maakt duidelijk dat het bewaren van de menselijkheid in een oorlogssituatie bijna onmogelijk is. Ook het onderscheid tussen burgers en strijders vervaagt en wordt niet meer in acht genomen. Zoals een soldaat zegt: "Diegene die daar op de berg is, is voor de soldaten een terrorist. Hij kan een herder of een dorpsbewoner zijn, maar daar wordt niet aan gedacht." Vele Koerdische soldaten die de bevolking geen kwaad willen doen, moeten ervaren dat hun menselijke benadering tekortschiet.

En ze moeten om zichzelf denken. Kenan: "We wilden niet tegen de PKK vechten. Maar je moet wel vechten, want anders ga jij dood. Als jij niet schiet, dan schieten ze op jou. Je kan je familie tegenkomen, je broer kan je doodschieten. Dat wil je niet, maar dat kan gebeuren. De militairen en de PKK zijn even slecht. De bevolking staat tussen twee vuren. De PKK heeft ervoor gezorgd dat wij moesten vluchten uit de dorpen. Ze zegt dat ze het voor ons doet, maar brengt alleen maar ellende. Iedereen is gevlucht."

De menselijke kosten zijn ook voor deze soldaten hoog. Kenan:
"Tijdens mijn vakantie gedurende de diensttijd mocht ik twintig dagen naar huis. Ik ga slapen in een kamer. Normaal slaap je met anderen in een kamer. Nu deed ik gelijk de deur op slot. Dit was na zes maanden diensttijd. Er komt een bus in ons dorp die 's ochtends gaat en 's avonds weer terugkomt. Mijn moeder klopte op de deur: kom eten, de bus gaat zo weg. Ik heb alle spullen achter de deur gezet. Ik deed de deur niet open. De buren kwamen ook. Ik huil daarbinnen. Vier uur lang. De dorpelingen zeiden: je bent zes maanden geweest, ga de rest ook doen, dan ben je er van af. Meer dan vijf uur later deed ik de deur open. Dan werd ik pas rustig. Ik huilde. Ik zweette, was helemaal nat. Ik zei: ik ga niet meer naar dienst."

Henk Laloli



Noten:

  1. T. Arbuckle. Jane's International Defense Review, Jan. 1997
    Terug naar tekst
  2. T. Arbuckle. Winter campaign in Kurdistan, International Defense Review nr 2, 1995, p. 59-61
    Terug naar tekst
  3. Weapons transfers and violations of the laws of war in Turkey. New York, 1997, p. 44
    Terug naar tekst
  4. Berger, A., Der Krieg in Türkei Kurdistan, Göttingen, 1998, p. 137-139
    Terug naar tekst



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Oorlogsrecht -

Wanneer wordt Turkije veroordeeld?

De Turkse veiligheidstroepen begaan in de oorlog tegen de PKK ernstige schendingen van de mensenrechten jegens de Koerdische bevolking. Ook de belangrijkste bondgenoot van Turkije, de Verenigde Staten, ontkent dit niet. Gezien de omvang van de gedwongen vluchtelingenstromen uit Koerdistan, het aantal ontruimde dorpen en de bijna volledige ontmanteling van de rechtstaat in het gebied is er een proces van etnische zuivering aan de gang, vergelijkbaar met dat in Joegoslavië, dat daarvoor door de Veiligheidsraad is veroordeeld. In het Turkse geval ontbreekt iedere zwaarwegende, internationale veroordeling.

Internationaal recht

Veroordelingen van Turkije zouden zich kunnen baseren op schendingen van het internationaal oorlogsrecht, zoals dat geregeld is in de Conventies van Genève van 1949 en de protocollen van 1977 bij deze Conventies.
Deze schendingen betreffen vooral:

Er zijn vele gedocumenteerde gevallen van aanvallen op burgers, bijvoorbeeld de bombardementen van steden en dorpen. Deze aanvallen hadden niet als doel de PKK uit te schakelen, maar waren bedoeld om de bevolking te straffen voor haar vermeende steun aan die PKK. Bekende voorbeelden zijn de aanvallen in augustus 1992 op Irnak en in oktober 1993 op Lice. Deze vonden plaats als vergelding na relatief kleine PKK-akties in of nabij deze centra. [noot1]
Dorpelingen die van steun aan de PKK beschuldigd worden, wacht niet zelden mishandeling, marteling of nog erger. Fikri, een Koerdische commando: "We sloegen mensen in opdracht van onze commandant in elkaar, waarvoor we speciaal stokken kregen aangevoerd. Bijvoorbeeld dorpswachters die niet wacht wilden staan of hun taken niet goed uitvoerden, of mensen die de commandant niet aanstonden. Dit gebeurde als er dorpen binnen werden gevallen op zoek naar guerilla's. Zo iemand werd dan gestraft omdat hij een wapen bezat (wat iedereen had)."
Taner L., een Koerdische dorpsbewoner: "Degenen die kinderen bij de guerilla hebben worden zeer slecht behandeld. Bij een man, wiens zoon een guerilla was, kwamen ze meerdere keren per jaar. Ze namen hem mee, martelden hem, of brachten hem valse overlijdensberichten van zijn zoon. Uiteindelijk werd zijn zoon echt gedood. Daarna lieten ze de vader nog niet met rust." [noot2]

Dorpsontruimingen

Begin 1998 verscheen in Turkije een opzienbarend rapport van de parlementaire migratie-commissie. [noot3] De conclusie van het rapport is, dat een grote hoeveelheid Koerdische dorpen zijn ontruimd als gevolg van arbitraire acties van de Turkse veiligheidstroepen. De vroegere staatsminister Alan Hacaloglu: "Ik heb gemerkt dat in Tunceli zelfs personen van de rang van sergeant konden besluiten dat een dorp vanwege veiligheidsproblemen ontruimd moest worden." De ontruimingen ontbeerden de wettelijk vereiste opdracht van de supergouverneur (verantwoordelijke regeringsgemachtigde voor het gebied waar de uitzonderingstoestand heerst). De huidige supergouverneur, Aydin Aslan, zegt: "Er is geen dorp dat door een wettelijk bevel van het Regionaal Bestuur werd ontruimd." De dorpen werden ontruimd, zo concludeert de commisie, omdat de veiligheidstroepen vonden dat de dorpen hulp aan de PKK zouden kunnen geven en omdat de dorpen geen dorpswachters wilden leveren, en dan niet beschermd konden worden. De druk van de PKK op de dorpen die wel dorpswachters leverden, nam toe.

De dorpsontruimingen door het leger kregen aan het einde van de jaren '80, een grote omvang. Gebieden grenzend aan Irak werden tot verboden zones verklaard, de bebouwing en het gebruik van de bergstreken voor het weiden van het vee werd verboden. De inwoners moesten toen wel vertrekken. Speciaal in de provincie Tunceli werd een taktiek van verschroeide aarde toegepast: bosgebieden werden in brand gestoken om schuilplaatsen voor de guerrilla's te vernietigen. In 1996 en 1997 is het aantal ontruimde dorpen sterk teruggelopen, omdat de militaire noodzaak afgenomen was. [noot4]

Volgens officiële opgaven zijn er 3.428 dorpen ontruimd, maar de parlementaire commissie zegt dat dit getal in werkelijkheid hoger ligt. Volgens de algemeen secretaris van de IHD, Nazmi Gür, zijn er sinds 1984, toen de oorlog begon, 4.000 dorpen ontruimd. De dwang van het leger wordt door de vele staatsvertegenwoordigers gebagatelliseerd. Turkije stelt dat de ontruimingen plaatsvonden ter bescherming van de dorpelingen of om de steun aan de PKK te ondermijnen. Volgens de vroegere supergouverneur, Unal Erkan zijn de dorpen onder invloed van de PKK ontruimd. De vroegere gouverneur van Diyarbakir, Dogan Hatiboglu, zegt echter: "het is onmogelijk en staat los van iedere realiteit dat de dorpen alleen onder druk van de organisatie [de PKK, H.L.] zijn ontruimd. De dorpsontruimingen zijn met kennis of op bevel van de veiligheidstroepen of verantwoordelijken van de staat ontruimd."

Het aantal verdrevenen wordt door de meeste Westerse onderzoekers en mensenrechtenorganisaties op minimaal 2 miljoen geschat. David McDowall noemt in zijn rapport The destruction of villages in South-east Turkey van 1996 een aantal van 2,5 à 3 miljoen mensen. De parlementaire commissie noemt een getal van drie miljoen migranten in de laatste tien jaar.

Nergens veilig

De moedwillige ontruiming van dorpen en de verdrijving van hun bewoners maakt deel uit van een anti-guerrilla strategie, waarin de Koerdische bevolking als mogelijke handlanger en ondersteuner van de PKK gezien wordt. Het gaat niet om de veiligheid van de burgers. Daarmee ontbreekt elke rechtvaardiging in het internationaal recht. Ook zorgde de Turkse regering niet voor opvang van de vluchtelingen. Zij worden nog altijd aan hun lot overgelaten.
Miljoenen Koerden zijn naar de steden in Oost- en West-Turkije gevlucht. Daar hebben ze chronisch gebrek aan behuizing, medische zorg, scholing en werk. Ook staan ze bloot aan intimiderende behandeling en vervolging door de autoriteiten. Ook in het westen van Turkije vinden ze geen veiligheid. Op de vraag hoe de situatie in West-Turkije is, antwoord Nazmi Gür: "In verscheidene steden in het westen van Turkije en aan de Zwarte Zee hebben burgemeesters Koerden tot ongewenste personen verklaard en de toegang tot de gemeenten verboden. In de gevangenissen in het westen van het land worden Koerden en oppositionelen precies zo mishandeld als in andere delen van het land. De stemming is zo opgefokt dat nationalisten leden van mensenrechtengroepen uit hun auto's halen en mishandelen. De politie ziet daarbij toe of doet zelfs mee." [noot5]

Dienstweigeren en mensenrechten

De weigering van militaire dienstplicht in Turkije moet gezien worden in het licht van de toestand in Turkije. In Turkije is een oorlog aan de gang en het Turkse leger schendt daarbij regelmatig artikelen van de vier Geneefse conventies. Het doodt Koerdische burgers, verwijdert ze uit hun dorpen, verminkt familie van PKK guerrilla-strijders en schendt de mensenrechten van het grootste deel van de Koerdische bevolking.
Onder deze omstandigheden is het niet alleen de vraag of de inzet van Koerden tegen Koerden legitiem is, zo zegt de Schweizerische Flüchtlingshilfe, maar kan men zich op de Volkerenmoordconventie en de Geneefse conventies beroepen om niet mee te werken aan deze praktijken door dienst te weigeren. [noot6]

De Nederlandse vreemdelingenrechtbank signaleert in zijn uitspraak van juni 1998 dat Turkije voor zijn daden in Turks-Koerdistan niet veroordeeld is door internationale organen. De Veiligheidsraad en de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties kunnen volgens de rechtbank als zodanig gelden, maar niet het Europees parlement of een commissie van de Verenigde Naties, die wel veroordelingen uitspraken. Turkije heeft verhinderd dat de Hoge Commissaris van de OVSE een onderzoek doet naar de situatie doordat in de Tweede Helsinki Conferentie van 1992 is afgesproken, dat hij minderhedensituaties niet zal onderzoeken als er 'daden van terrorisme' in het geding zijn. [noot7] Het ontbreken van veroordelingen wijt Van Genugten aan de machtige vrienden die Turkije heeft.

Het criterium 'schending van het internationaal oorlogsrecht', zoals bijvoorbeeld vastgelegd in de Geneefse conventies, is op de militaire akties van Turkije in Turks-Koerdistan van toepassing. Het wordt niet door de vreemdelingenrechtbank in haar uitspraak gebruikt. Verwijdering van de bevolking zonder militaire redenen en vernietiging van bestaansmiddelen zijn de meest in het oog lopende militaire acties waar Turkije verantwoordelijk voor is. Omdat het Turkse leger fundamentele mensenrechten schendt, lijkt het me dat er ook voor Turkse (naast Koerdische) dienstweigeraars redenen zijn om niet in dienst te willen en een beroep te doen op het Nederlandse asielrecht. Vanuit het oogpunt van de Nederlandse staat is dit echter ongewenst.

Henk Laloli



Noten:

  1. Zie ook: Jongerden, J. R. Oudshoorn en H. Laloli. Het verwoeste land: berichten van de oorlog in Turks-Koerdistan. 1997. p. 46-47.
    Terug naar tekst
  2. Berger, A. et al. Der Krieg in Türkei-Kurdistan. Göttingen, 1998. p. 157.
    Terug naar tekst
  3. Parlementarier der Türkei durchbrechen Tabu in der Kurdenfrage. Dialog Kreis, 1998.
    Terug naar tekst
  4. M. van Bruinessen, p. 31-32. In: Violations of human rights in Turkish Kurdistan, Stichting Nederland Koerdistan, 1996.
    Terug naar tekst
  5. Junge Welt, 26 nov 1998.
    Terug naar tekst
  6. SFH Infobörse (1998)1; p. 41-48.
    Terug naar tekst
  7. Zie voor de informatie in dit gedeelte: W. van Genugten, "The human rights situation in Turkey, recommandations for international legal and political action." In: Violations of human rights in Turkish Kurdistan. Stichting Nederland Koerdistan, 1996.
    Terug naar tekst


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Vuile oorlog -

Koerden in het Turkse leger

De dienstontduikers en deserteurs uit Turkije die hier asiel aanvragen zijn voor het grootste deel Koerden. De inzet van Koerden tegen hun eigen volk, met andere woorden: plaatsing in Turks-Koerdistan en betrokken kunnen worden bij acties tegen de Koerdische bevolking of de PKK, is een van de redenen die dienstontduikers kunnen aanvoeren om asiel te verkrijgen. In juni 1998 deed de Haagse vreemdelingenrechtbank de uitspraak: "Uit (...) algemeen bekende informatie met betrekking tot het gewapende conflict in zuidoost-Turkije is aannemelijk geworden dat, indien een dienstplichtige in het zuidoosten van Turkije wordt geplaatst, er een reële kans bestaat dat deze ook zal worden ingezet in de gewapende strijd."
Die uitspraak betekende een eerste stap naar erkenning van deze vluchtelingen.

Koerden tegen Koerden?

De praktijk om Koerden komend uit Turks-Koerdistan elders in Turkije hun dienstplicht te laten vervullen dateert van de jaren twintig. De Turkse staat wilde daarmee zijn Turkificeringspolitiek kracht bij zetten. De Koerdische dienstplichtigen leerden Turks en bleven vaak ook in het westen van Turkije wonen. In de recente rechtspraak met betrekking tot vluchtelingen die asiel aanvragen op grond van dienstweigering is de vraag aan de orde of deze politiek tot op vandaag voortduurt.

Het standpunt dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken in zijn ambtsberichten verkondigt, is dat het Turkse beleid is "dienstplichtigen bij voorkeur onder te brengen bij eenheden gelegerd in andere regio's dan het gebied van herkomst". In het ambtsbericht van maart 1998 gaf men deze positie al gedeeltelijk op en zei dat Koerden uit het westen van Turkije en 'betrouwbare' Koerden wel in Turks-Koerdistan ingezet worden. Deze twee beweringen worden in de ambtsberichten niet met feiten of bronvermelding geschraagd. De twijfel die aan deze stellingen is gerezen door de kritiek van de campagne 'Stop de Oorlog in Turkije' en een aantal vreemdelingenadvocaten is door de vreemdelingenrechtbank in het voordeel van de vluchtelingen uitgelegd.

De argumentatie van het Ministerie draait om twee zaken. Ten eerste: het beleid dat in de jaren twintig begon, geldt nog steeds. En ten tweede: "elke dienstplichtige" wordt "zorgvuldig gescreend" op betrouwbaarheid en motivatie met betrekking tot gevechtsacties. Met name zij die in Turks-Koerdistan worden ingezet in een gevechtseenheid. In gevechtsacties, zo stelt het Ministerie, zijn gemotiveerde soldaten nodig. [noot 1]

De jaren negentig hebben echter grote veranderingen gebracht. De ontmanteling van het Sovjetrijk, de problemen met Irak en de bestrijding van de PKK in Turks-Koerdistan, hebben het oosten van Turkije tot een belangrijker gebied gemaakt. Twee legers zijn permanent in Turks-Koerdistan gestationeerd. Op onderdelen van elders (uit West-Turkije) wordt constant een beroep gedaan. De praktijk om Koerden ver buiten Koerdistan te plaatsen is opgegeven sinds een toenemend aantal dienstplichtigen nodig is om de nieuwe strategie tegen de guerrilla uit te voeren. De vergrote inzet van het Turkse leger in Koerdistan sinds 1993, zowel van reguliere eenheden als speciale anti-guerrilla-eenheden, hebben tot de inzet van Koerdische dienstplichtigen in de oorlogszone geleid.

De laatste vijftig jaar zijn miljoenen Koerden naar west-Turkije geëmigreerd of gevlucht. Het Ministerie geeft toe dat Koerden uit West-Turkije of Centraal-Turkije (7,5 miljoen of 50-60% van de Koerdische bevolking volgens het Ministerie) volgens zijn criteria ingezet kunnen worden in het zuidoosten. Het Ministerie heeft het over plaatsing in een 'andere regio' dan Turks-Koerdistan, maar dit zou ook een andere provincie kunnen betekenen. Het geografische criterium beperkt zich waarschijnlijk tot een provincie-onderscheid: Koerden uit de ene provincie worden ingezet in een andere binnen het oorlogsgebied.

Betrouwbaarheid als criterium?

Hoe beslist wordt of iemand in het zuidoosten geplaatst wordt, is niet helemaal duidelijk. Dit gebeurt niet direct bij aanmelding. Er is een slecht registratie- en meldsysteem in Turkije met als gevolg dat de definitieve stationeringsplaats vaak toevallig tot stand komt. Een aantal dienstplichtigen vertellen dat in hun opleidingstijd een commissie uit Ankara kwam, die hen ondervroeg. De vragen hadden geen betrekking op betrouwbaarheid (daar zou bijna iedereen over liegen), maar op afkomst en geschiktheid ('waar kom je vandaan, wat is je beroep?'). [noot 2] Fikri, een Koerd bij commando's zegt: "Ik werd uitgekozen door het leger op grond van gesteldheid, medische toestand en incasseringsvermogen." Hij heeft echter familieleden die betrokken zijn bij activiteiten voor de Koerdische zaak. Wanneer de eenheid een gevechtstraining van drie maanden krijgt, dan is het vrij duidelijk dat die eenheid grote kans maakt in het zuidoosten te worden ingezet. Dit gebeurde bij Ayan B. 80% van zijn eenheid werd daar ingezet daar waren ook Koerden bij.

Het Ministerie denkt dat de gevechtseenheden uitsluitend uit politiek betrouwbare Turken of Koerden zullen bestaan. In werkelijkheid zijn betrouwbaarheid en motivatie geen absolute vereiste. De dienstplichtige soldaat heeft zich maar te schikken en verzet tegen opdrachten brengt grote gevaren met zich mee voor de eigen veiligheid. Bovendien heeft het leger niet de capaciteit en informatie om een screening door te voeren. Zoals het Ministerie in zijn ambtsbericht ook opmerkt: niemand zal zeggen dat hij achter de PKK staat. Is er een dossier waaruit politieke activiteit van de persoon of zijn familie blijkt of valt men op, dan kan iemand er uit gepikt worden. Maar het gevolg is niet te voorspellen. Politiek onbetrouwbare dienstplichtigen kunnen in het zuidoosten in gevechtseenheden terechtkomen als gevolg van een strafmaatregel. Als het politieke standpunt van tevoren bekend is bij de autoriteiten zijn zulke maatregelen te verwachten. In de zaak van Salih, wiens familie tot de politieke activisten behoorde en die de dienst ontdook, gaat de redenering van het Ministerie op: hij werd in Turks-Koerdistan geplaatst, maar kreeg geen gevechtstaken.

Salih werd na zijn basisopleiding gescreend (een dossier werd gevormd of nagekeken) en er werd op hem gelet. Berger: "In het oorlogsgebied wordt bij Koerden allereerst uitgezocht wat hun visie is en hoe ze zich gedragen. Officieren wijzen andere soldaten aan om ze uit te horen en te volgen om zekerheid over hun motivatie te verkrijgen." [noot 3] Ze worden dus niet vooraf gescreend, maar in de praktijk. Murat T., een Koerd gelegerd in Mardin als commando-officier (1987-88) vertelt dat hij de eerste maanden sterk gewantrouwd werd en dat gegevens hem niet bereikten. Dit veranderde later. Vele andere dienstplichtigen spreken over wantrouwen van officieren jegens Koerden.

Screening is niet altijd zorgvuldig: verschillende mensen die tot contra-guerrilla zijn opgeleid of in Turks-Koerdistan zijn ingezet, zijn gedeserteerd. Bovendien kunnen de ideeën van mensen tijdens de diensttijd veranderen: wie eens gemotiveerd was, of neutraal, is het misschien later niet meer. Hamra Sirin dacht eerst dat het in dienst gaan een nobele taak was, maar veranderde van mening. Hij deserteerde omdat hij niet wilde deelnemen aan contra-guerrilla activiteiten. Yalgin Doganay uit Kars (een stad in Koerdisch gebied) begon zijn militaire dienst in Samsun (een Turkse stad in het Zwarte Zeegebied), maar zou naar Noord-Irak zijn gestuurd voor acties tegen de PKK als hij niet gedeserteerd was. [noot 4]

Aantal Koerden in het leger

Over het aantal Koerden dat de dienstplicht in Turks-Koerdistan vervult, is niets bekend. In de zittingen van de vreemdelingenrechtbank heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) dit aantal willen kleineren. Het zou om een aandeel van 2-3% in Turks-Koerdistan gaan. De vertegenwoordiger van de IND moest echter bekennen dat dit een slag in de lucht is. De problemen zijn legio: het is niet bekend hoeveel Koerden in Turkije wonen, noch hoeveel er in het leger in Turks-Koerdistan geplaatst worden. De omvang van het leger in Turks-Koerdistan wordt door Human Rights Watch geschat op een vierde tot een derde van het totaal. Het aantal Koerden in Turkije wordt meestal op 20% van de totale bevolking geschat. Van officiële zijde wordt vermeld dat het aantal Koerden sneller groeit dan het aantal Turken. Gaan we uit van de schatting van de IND en 20% Koerden, dan is het percentage Koerden dat dienst doet in het Zuidoosten 15%.

Uit diverse bronnen blijkt dat Koerden in het zuidoosten terecht komen. Steeds vaker zijn er berichten, die grote aantallen Koerden melden in operationele eenheden. Advocaten in Nederland hebben de namen verzameld van meer dan honderd Koerden die in Turks-Koerdistan hebben gevochten of er gesneuveld zijn. De Turkse mensenrechtenstichting (TIHV) heeft op basis van overlijdensadvertenties lijsten met gesneuvelde militairen gemaakt, waarvan een deel uit Turks-Koerdistan afkomstig is. Amnesty International heeft die informatie overlegd. [noot 5]

De Zwitserse vluchtelingenorganisatie SFH noemt een eenheid in Kars met 50% Koerden. Onder de recente asielzoekers in Zwitserland bevinden zich Koerden afkomstig uit Kahraman Maras, Gaziantep, Adiyaman, Mersin en Adana, die in het gebied van de noodtoestand dienden. [noot 6] De dienstplichtige soldaat Ahmed N., zelf een opgepakte dienstontduiker op weg naar Irak in mei 1997, vertelde dat zich in zijn eenheid Koerden bevonden. Werden ze betrouwbaar gevonden dan kregen ze ook belangrijke opdrachten als het bewaken van commandanten, vertalingen maken, spionage en schrijfwerk. [noot 7]

Er zijn ook oudere gegevens. Kenan die bij de commando's van de Jandarma dienst deed van 1990 tot 1992 vertelde ons dat zijn eenheid (17 man totaal) uit dienstplichtige Koerden bestond, die tot taak hadden PKK eenheden op te sporen en te vernietigen. Zij waren actief in een groot aantal provincies van Turks-Koerdistan. Fikri uit Maras, die bij de commando's van de Jandarma diende, was gelegerd in Hakkâri in 1992 en 1993. In zijn commandopost van 60 man waren ongeveer 10 Koerden. Een Salih uit Elazi_, die in 1991 en 1992 gestationeerd was in Hakkâri, vertelde dat van zijn eenheid van ongeveer 550 man er ongeveer 350 van Koerdische afkomst waren. Een ander voorbeeld is dat van Osman Üçpinar, een Koerd afkomstig uit Konya. Hij ging in 1989 in dienst. Omdat hij Koerdisch sprak werd hij samen met twee andere Koerdische soldaten in Elazig opgeleid tot contra-guerrilla voor de Özel Tim. Onder leiding van een officier bezochten zij Koerdische dorpen vermomd als guerrilla's om informatie in te winnen en steun voor de PKK te lokaliseren. Dit is een bekende praktijk van de Özel Tim. Kwamen de Özel Tim tot de conclusie dat de dorpelingen de PKK steunden dan volgde meestal marteling van de betrokkenen en ontruiming en vernietiging van het dorp. [noot 8]

Discriminatie van Koerden

Discriminatie van Koerden wordt in het ambtsbericht afgedaan met de opmerking dat er niets over bekend is. Koerden en Turken worden gelijk behandeld, stelt het bericht. Dienstplichtigen doen hierover heel andere uitspraken. Ömer K.: "Er zijn lijfstraffen, beledigingen, vernederingen en Koerden krijgen daarvan een graad meer." De dienstplichtige Hamra Sirin, vertelde dat de Koerden in zijn eenheid gedwongen werden Turkse liederen te leren. Deden ze dat niet dan stond hen drie dagen cel te wachten op water en brood. De Koerdische soldaten die met wapens konden omgaan, werden verdacht van PKK-activiteiten en werden ondervraagd en gemarteld. De Koerdische dienstplichtigen werden niet vertrouwd en ze moesten vieze klusjes opknappen. [noot 9] In het bovenstaande vermelde verhaal van Ahmed N. wordt duidelijk dat Koerden ook op belangrijke posten terecht kunnen komen en geen bijzondere discriminatie hoeven te ondervinden. Maar het een sluit het ander niet uit. De reactie van veel Koerden op discriminerende situaties is vaak het verbergen van de afkomst en niet willen opvallen.

Er wordt in kranteartikelen gewezen op een toenemend aantal twijfelachtige zelfmoorden van Koerdische soldaten in het Turkse leger gedurende 1996, 1997 en 1998. In een aantal gevallen gaat het hierbij om dienstonduikers of deserteurs. Ali Çiçek Aydo_du uit Dersim, die commando was in het district Uzunkap_ in de provincie Edirne aan de Griekse grens, werd na zijn vierde vluchtpoging opgepakt en een dag later, op 24 januari 1996, gevonden met een kogel in zijn rug. [noot 10] Hasan Yesilova, een Koerd uit Gaziantep diende in A_ri-Patnos. Hij weigerde een bevel van zijn commandant op 8 mei, werd mishandeld en kwam terecht in het militair hospitaal in Erzurum op 9 mei. Belde nog met zijn familie op 13 mei. Daarna kreeg zijn familie bericht dat hij gestorven was aan 'ophouden van het ademhalen' en 'vergiftiging'. [noot 11]

Dorpswachters

Het Ministerie gaat in zijn ambtsbericht voorbij aan de inzet van Koerdische burgers als paramilitaire dorpswachters tegen de eigen bevolking. Officieel behoren deze dorpswachters hun dienstplicht vervuld te hebben, maar in de praktijk gebeurt dat vaak niet en is dit dorpwachterschap een alternatief voor dienstplicht. De inzet van dorpswachters tegen de PKK en ook ver buiten hun dorpen toont dat het Turkse leger geen problemen heeft met de inzet van Koerden in Koerdisch gebied. In 1997 waren er 63.000 betaalde dorpswachters en 15.000 zogenaamde 'vrijwillige dorpswachters', die voornamelijk in hun eigen omgeving blijven. De betaling is aantrekkelijk, maar er zijn vele berichten van dwang. Bij weigering is de sanctie vaak de vernietiging van het huis. Human Rights Watch heeft hiervan in zijn publikatie Weapons transfers and violations of the laws of war in Turkey diverse voorbeelden gegeven.

Koerden worden dus als dienstplichtigen in Turks-Koerdistan ingezet om een aantal redenen. Wegens het grote aantal dienstplichtontduikers heeft het leger een grote behoefte aan dienstplichtigen. Het beleid om (Koerdische) dienstplichtigen ver van huis te plaatsen is hierdoor in onbruik geraakt. Bij grotere acties tegen de PKK heeft het Turkse leger gebruik gemaakt van troepen uit west-Turkije, waaronder zich ook Koerdische dienstplichtigen bevonden. Onderdelen van eenheden die in het westen van Turkije gelegerd zijn, worden regelmatig in Turks-Koerdistan ingezet. Het Turkse leger heeft voor informatievergaring en infiltratie Koerdisch-taligen nodig. Ook dienstplichtigen kunnen bij de commando's of andere eenheden die speciaal met bestrijding van het Koerdische verzet bezig zijn ingezet worden: bijvoorbeeld commando-eenheden van de Jandarma, soms Özel Tim (speciale eenheden). De soms afgedwongen inzet van Koerdische dorpswachters maakt al duidelijk dat de Turkse staat geen bezwaar heeft om Koerden tegen de eigen bevolking en de PKK in te zetten.

Henk Laloli



Noten:

  1. Ambtsbericht Turkije/dienstplichtigen (nov. 1998)
    Terug naar tekst
  2. Berger, A., Der krieg in Türkei-Kurdistan. Göttingen, 1998, p. 161
    Terug naar tekst
  3. Berger, A., p. 161
    Terug naar tekst
  4. Özgür Politika, waarschijnlijk 1996
    Terug naar tekst
  5. Informatie advocate G. Later, Den Haag en brief 23-6-1997 van Amnesty international aan haar.
    Terug naar tekst
  6. Zie: SFH Infobörse 1998 nr. 1; p. 41-48
    Terug naar tekst
  7. Zie mijn eerder aangehaalde artikel in VD AMOK 1997 nr. 5
    Terug naar tekst
  8. Özgür Politika, datum onbekend, waarschijnlijk 1996
    Terug naar tekst
  9. Özgür Politika, juli 1995
    Terug naar tekst
  10. Özgür Politika, 1-12-1997
    Terug naar tekst
  11. Özgür Politika, 28-5-1998; Kirek Tufek, sept. 1998
    Terug naar tekst



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Dienstweigeren -

Leger, leger, leger...
en wapens kopen

"In Turkije bestaan geen mensenrechten, er bestaan alleen presidentiële rechten, legerrechten en maffiarechten. Sommige mensen in Turkije hebben een hoop rechten, dat wel, maar normale mensen hebben geen rechten. In Turkije is het altijd: leger, leger, leger en wapens kopen." Dat zegt Turan, initiatiefnemer van de dienstweigergroep, Askere Gitme.

Na de conferentie van Stop de oorlog in Turkije in februari '97 gaf Turan in augustus van dat jaar het startsein tot de oprichting van Askere Gitme. Een handtekeningenactie werd gehouden ter ondersteuning van de twee programmapunten van Askere Gitme. Het recht op dienstweigeren in Turkije en politiek asiel in Nederland voor dienstweigervluchtelingen uit Turkije. Askere Gitme is opgezet als een werkgroep van een tiental dienstweigervluchtelingen en is uitgegroeid tot een organisatie. Er hebben zich inmiddels 85 personen gemeld.

Naast Turan, behoren Mehmet, Enver en Gazi tot de actiefste leden. Enver en Mehmet hoorden in juli van 1998 van de Haagse rechtbank dat het niet willen vechten tegen de eigen Koerdische bevolking door de rechters als een gewetensbezwaar beschouwd wordt. En dat deze gewetensbezwaren reden zouden kunnen zijn voor politiek asiel. Daarover moet de Adviescommissie Vluchtelingen, zo oordeelde de rechtbank, een advies uitbrengen aan de staatssecretaris. Inmiddels zijn Enver en Mehmet gehoord door deze commissie over hun persoonlijke gewetensbezwaren. Het advies van de Adviescommissie Vluchtelingen aan de staatssecretaris van Justitie over een verblijfsvergunning is op moment van schrijven nog niet uitgebracht.

Karakocan

Alle vier zijn afkomstig uit het hart van Turks-Koerdistan. Enver, wiens verhaal elders in dit nummer beschreven wordt, komt uit de provincie Bingöl. De andere drie zijn afkomstig uit het nabijgelegen Karkocan. Allen hebben geweld en oorlog van jongs af aan van zeer dichtbij meegemaakt. Behalve Enver die in een asielzoekerscentrum verblijft, werken de drie als illegale arbeiders. Mehmet is lasser. Gazi en Turan werken in de tuinbouw in het Westland. Ze wonen in Den Haag.

Turan (29) heeft als kind geweld van dichtbij meegemaakt. "Als elfjarige moest ik al zelfstandig gaan wonen, omdat er geen middelbare school was in ons dorp, zo'n 30 km van de stad Karakocan. Karakocan is altijd een linkse en Koerdisch-nationalistische stad geweest. Aanvankelijk was de Koerdische kwestie nog niet dominant; er waren toen tal van linkse groepen actief. Ook gewapend. Onze school was pal achter het politiebureau. Op een ochtend in 1985 bleek dat het bureau beschoten was door de PKK. De school was ook beschadigd, want daar had de PKK zich verschanst. Verder zijn we op straat door fascisten aangevallen. Toen ben ik 's avonds nog de ruiten gaan ingooien van het huis waar ze verbleven. Dat zou ik nu niet meer doen, maar ja, zo ging dat. In 1987 ben ik vanwege de oorlog van school afgegaan en naar Den Haag gekomen. Ik ben sympathisant van de DBP, de pro-Koerdische partij voor Vrede en Democratie en enkele jaren geleden afgesplitst van de HADEP.

Discriminatie

Mehmet is 26 en komt oorspronkelijk ook uit Karakocan, niet zo ver van het dorp van Turan vandaan. "In ons dorp woonden zo'n 250 mensen. Op de lagere school bij ons in het dorp heb ik Turks geleerd. Thuis spreken we Koerdisch. Ik heb alleen de lagere school bezocht. Daarna ben ik bij mijn vader gaan werken die een winkel in textiel had.

"Toen ik 15 was zijn we vertrokken uit dat dorp, omdat we teveel te lijden hadden van de Speciale Eenheden van het Turkse leger die bij ons geld kwamen vragen. Daarom zijn we eerst naar Bingöl gevlucht omdat mijn ooms daar woonden. Mijn vader woont nog in Bingöl.

"Mijn familie was vooral aangesloten bij de islamitische partij. Hier in Den Haag, waar ik op mijn 17e heengekomen ben, ga ik niet vaak naar de moskee, alleen met Ramadan. In ons dorp was het niet gemakkelijk om over andere partijen te praten, linkse of zo. Als je een andere partij steunt, is het moeilijk. De Refahpartij zegt dat we allemaal moslims zijn, de Koerdische kwestie is niet belangrijk voor hen. Dat vind ik niet goed. In Turkije moet je Turks leren, Koerden worden gediscrimineerd. Mijn familie die nu in Bingöl woont is HADEP-aanhanger geworden. Mijn broer is actief. Ik heb geen familie bij de PKK, wel is mijn buurjongen 'naar de bergen gegaan.' Hoe het met hem is, weet ik niet.
"Ik werk nu als lasser. Daarvoor heb ik geen diploma's, ik heb het in de praktijk geleerd."

Graag iets doen

Gazi is 24. "Ik kom ook uit Karakocan. Ik heb de lagere school in mijn dorp doorlopen en na een jaar middelbare school ben ik op mijn 13e gevlucht naar Den Haag. In Turkije is dienstweigeren helemaal niet mogelijk. Ik zou best in dienst willen als er iets tegenover stond. Maar het enige wat je leert zijn slechte dingen: schieten, kapot maken.
"In Turkije is alles hetzelfde gebleven. Thuis huilen de mensen om een korst brood die ze niet hebben, en buitenshuis roepen ze om oorlog tegen de Koerden, tegen de Grieken, enz.
In België is het veel beter geregeld tussen de Vlamingen en de Walen. Ik wil wel iets voor mijn eigen land doen, maar niet alleen vechten."

Hard werken met ons hart

Ook Enver viert de net afgesloten Ramadan en gaat soms op vrijdag naar de moskee. Hij komt uit een islamitische familie. "Mijn vader is 70 jaar en sterk praktiserend moslim. Hij heeft niet zo'n politiek inzicht, mijn neven zijn bij de HADEP."

Sinds 15, 16 maanden is hij aan het studeren geslagen. "We moeten hard werken en met ons hart. Eerst meer leren, meer lezen over de problemen waarmee we moeten leven. Over het Koerdische volk, ieder moet weten over de geschiedenis. Voorts moeten we Osman Murat Ülke en de dienstweigeraars in Turken blijven steunen."

Mehmet is het met Enver eens. En hij is somber over de definitieve uitspraak van de Adviescommissie Vluchtelingen over een verblijfsvergunning. Hij vreest dat hij zich in Nederland als illegaal door het leven moet slaan, zonder inschrijving, zonder papieren, zonder ziekteverzekering, zonder bankrekening. Een bestaan dat nog verzwaard wordt door de angst voor politie-invallen op het werk en ook thuis, wat hij ook al eens heeft meegemaakt. Gazi stelt voor dat Askere Gitme naast studie- en discussiebijeenkomsten ook actiemethoden ontwikkelt die bekendheid geven aan Askere Gitme. De bekende dingen zoals demonstreren bij de Turkse ambassade, bijvoorbeeld op 1 september, internationale vredesdag. Of er bij de Koerdische politieke partijen die nu zijn gaan samenwerken, op aandringen de idee van Askere Gitme te versterken. Daarnaast, wordt opgemerkt, willen we ook nog leuke avonden met muziek en dergelijke organiseren. "Want oorlog brengt niets, alleen maar vuur en schade, schade, schade," zoals Turan het samenvat.

Inmiddels is door een groep activisten in Enschede, Nederlanders en Turken, een Turkstalig dienstweigerblad begonnen dat vier maal per jaar zal verschijnen.

Guido van Leemput



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Dienstweigeraars -

Zelfs als de oorlog voorbij is, ga ik niet in dienst

Enver Cig is een 25-jarige Turks-Koerdische dienstweigeraar die al op zeer jonge leeftijd hardhandig met het Turkse leger in aanraking kwam. Dat was een gebeurtenis die hem voor het leven tekende. Toen hij werd opgeroepen voor de militaire dienst hoefde hij niet lang te aarzelen om te vluchten. Enver Cig is actief lid van Askere Gitme en heeft als dienstweigeraar asiel in Nederland aangevraagd. Dit voorjaar wordt hierover definitief beslist.

Waarom hebt u in Nederland asiel aangevraagd?
Het heeft ermee te maken dat ik in Turkije in dienst moest en er een oorlog gaande is, die gericht is tegen mijn eigen volk, tegen het Koerdische volk. Omdat mijn bestaan niet veilig was, ben ik naar Nederland gekomen. Elke oorlog is zinloos en zeker de oorlog in ons land.

U bent Koerd. Is het niet mogelijk om in Turkije dienst te weigeren?
Nee, dat recht bestaat in Turkije niet. Al helemaal niet als je een Koerd bent. Je moet het niet wagen om zelfs maar te suggereren dat je zou willen dienstweigeren. Dan is je leven niet zeker.

U heeft in mei 1994 de eerste oproep gekregen en er is eind november '94 een tweede oproep gekomen. Dat klopt?
Ja. De eerste heb ik zelf in ontvangst genomen. De tweede heeft mijn vader in ontvangst genomen, ik was er toen zelf niet.

Toen u die oproepen kreeg om u te melden voor de militaire dienst, wat heeft u toen gedaan? Bent u daarna meteen gevlucht?
Iedereen die in militaire dienst moet, krijgt een oproep. Ik ben vòòr de tweede oproep al naar Istanboel gegaan; daarom heeft mijn vader die in ontvangst genomen. Ik wou het land uit. Ik had zelf geen paspoort en ik kon daar ook niet aan komen. Ik heb toen een vals paspoort geregeld en ben in eerste instantie naar Duitsland gegaan. Daar heb ik ruim drie maanden over gedaan, via Roemenië, Hongarije etc. Zonder geld. Dat was eind 1991 en ik heb in Duitsland een paar maanden op straat geleefd, met drugs en alles wat je maar kunt verzinnen. Op een gegeven moment ben ik opgepakt en heb ik zeventien maanden in de gevangenis gezeten, en ben ik naar Turkije teruggestuurd. Daarna ben ik om de dienstplicht te ontduiken, opnieuw uit Turkije vertrokken en ben ik in Nederland terecht gekomen.

U bent geboren in het oosten van Turkije, daar heeft u ook altijd gewoond. Was u daar politiek actief?
Ik kom niet uit een familie die in eerste instantie politiek actief was. Het waren gewoon dorpelingen, die een normaal leven leidden. In 1991, toen ik zeventien jaar was, kwam er een partij op die zich voor de eerste keer expliciet voor de rechten van de Koerden uitsprak. Deze partij vond dat de Koerdische cultuur vrij moest zijn. Die partij heette de HEP en ze wonnen veel aanhang bij ons. Er waren verkiezingen en iedereen raakte in de ban van die partij. Dat leidde bij de politie en het leger tot een veel harder optreden, ook tegen mij en mijn familie en de mensen in het dorp. Een aantal van mijn neven is opgepakt, omdat ze HEP-vlugschriften uitdeelden op straat en hebben daar gevangenisstraf voor gekregen.

U stottert en ik heb begrepen dat u dat vroeger niet deed, maar dat dat is gebeurd doordat u getuige bent geweest van een gruwelijk voorval. Kunt u vertellen wat u hebt meegemaakt?
Het is gebeurd in 1980, toen ik ongeveer zeven was. Eind jaren zeventig was er een soort burgeroorlog in Turkije tussen links en rechts. Het ging er hard aan toe. Een familielid van mij, die zelf links was (de Koerdische kwestie speelde toen nog niet zo heel erg, het was echt links tegen rechts), heeft toen iemand van de andere kant neergeschoten. Hij dook onder en het leger kwam in het dorp. "Jullie hebben hem verstopt. Vertel ons waar hij is." De dorpsbewoners werden uitgescholden. In die tijd was daar geen verzet tegen. Je had het maar te slikken. Op een dag kwamen ze weer en toen hebben ze een paar kleine kinderen eruit gepikt, waaronder ik. "Als jullie ons iets vertellen, dan krijgen jullie iets lekkers. Maar jullie moeten ons wel iets vertellen, anders pakken we jullie." De officier die er bij was, wees op een gegeven moment naar mij. Hij heeft mij meegenomen naar een verlaten huis of een lege ruimte en daar moest ik met hem naar binnen. Ik kende toen nog helemaal geen Turks, alleen maar Koerdisch. Hij vroeg "vertel op, waar is die man?" Ik kon helemaal niets zeggen in het Turks, dus ik haalde hulpeloos mijn schouders op. Hij pakte me op een gooide me tegen de muur aan. Wat er daarna gebeurd is weet ik niet meer. Het is geheel uit mijn geheugen verdwenen. Na een week begon mijn stem weer langzaam terug te komen, maar ik stotterde vanaf die dag en dat is altijd zo gebleven.

Gewoon in het dagelijkse leven ging het wel. Ik heb er altijd wel wat last van, maar er valt mee te leven. Maar als ik met de politie of met een soldaat te maken krijg, ook voor onschuldige dingen wordt het moeilijk. In Turkije is het normaal dat ze jouw identiteitsbewijs vragen of gewoon iets vragen. Elke keer als dat gebeurde dan kon ik absoluut niks zeggen, dan sloeg het zo erg toe dat er helemaal geen geluid uit me kwam. Terwijl er niks aan de hand was, ook voor die agent niet. Maat de politie dacht dat ik iets op mijn kerfstok had. Die begon me uit te schelden of ik kreeg klappen. Dat is in al die jaren tientallen keren gebeurd.

Is dat dan ook een reden om dienst te weigeren?
Dat heb ik eigenlijk al in mijn hoofd gezet toen ik zeven was. Ik heb ook altijd aan vrienden gevraagd, die al in dienst waren geweest, hoe het daar gaat en wat er gebeurt. Wat je altijd hoort is dat je alle logica moet vergeten. In het leger geldt de logica niet. Je moet gewoon doen wat je gezegd wordt. Of het nu ergens op slaat of niet. Daar wil ik absoluut niet aan meedoen, daar kàn ik ook absoluut niet aan meedoen. Al helemaal niet, nu er een oorlog is tegen de Koerden. Je moet mensen dood schieten, dat wordt van je verwacht, dat wordt van je geëist en helemaal als je een Koerd bent. Als je jezelf niet verdacht wil maken, word je al helemaal geacht om een andere Koerd dood te schieten. Zelfs als die oorlog voorbij zou zijn, zou ik nog niet in dienst willen of kunnen, vanwege mijn eigen ervaringen.

Nadat u naar Duitsland was gevlucht en daar gevangen hebt gezeten, bent u teruggegaan naar Turkije. Bent u toen gestraft voor het feit dat u gevlucht was?
Toen ik in Turkije terugkwam, hebben ze me ruim drie weken vastgehouden en ondervraagd. Ze wilden me gelijk doorsturen naar mijn afdeling en ik heb toen gesmeekt om mijn familie in te lichten. Dat wilden ze eerst niet, maar uiteindelijk... Het was in Bingöl waar het allemaal geregeld wordt. Naast het bureau woonde familie, die erbij werd gehaald, en die heeft er met wat smeergeld voor kunnen zorgen dat ze mijn ouders erbijhaalden. We hebben het zover kunnen krijgen dat ik een week had om me te melden bij mijn militaire afdeling. Dat was in het voorjaar van 1994. Ik ben ondergedoken en uiteindelijk ben ik naar Nederland gegaan. Ik heb nog meerdere oproepen gekregen, die mijn vader in ontvangst heeft genomen, maar toen was ik al naar Nederland vertrokken.

Wat denkt u dat er gaat gebeuren als u wordt teruggestuurd naar Turkije?
Daar durf ik eigenlijk niet eens over na te denken. Hoewel ik het wel weet: als ze mij zouden oppakken, dan weet ik zeker dat ik niet levend vrijkom. Wat heb ik nu eigenlijk gedaan? In hun ogen is het heel erg wat ik doe: als Koerd wegvluchten voor de militaire dienst.
Ik zou ook wat willen zeggen over Nederland. In Nederland ben ik heel erg veranderd. Ik ben nooit anders geweest dan een gemiddelde Koerdische jongen, maar in Nederland heb ik heel veel over mezelf geleerd, en zijn mijn ideeën over mezelf en over het leven veel duidelijker geworden. Ik ben me ook veel bewuster van het feit dat ik Koerd ben en van het idee van gewetensbezwaren tegen de militaire dienst. Ik wil bereiken dat iedereen - het gaat het me in eerste instantie vooral om Turkije, of het nu Koerden, Turken of watvoor mensen dan ook zijn - weigert in dienst te gaan, want dan zal de oorlog ook stoppen. En dat hoop ik te kunnen bereiken.

Guido van Leemput

Op basis van een gesprek met Enver Cig voor VPRO-radio, 16-4-1998. Met dank aan Irene Houthuys, VPRO-radio, en Rutger Timmermans, transcriptie.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Staatsmacht -

De oorsprong van de repressie:
overweldigende macht van de Turkse staat

Al vele tientallen jaren zijn in Turkije politieke moorden, onderdrukking van de vrijheid van meningsuiting, verboden van politieke partijen en verenigingen, en marteling van verdachten veel voorkomende schendingen van de mensenrechten. De Turkse staat is de belangrijkste verantwoordelijke hiervoor, maar ook linkse, rechtse en Koerdische partijen hebben er een duidelijk aandeel in.

Is Turkije daarom interessant en bijzonder? In dit opzicht wijkt Turkije niet af van andere landen in het Midden-Oosten. Sterker nog: het land behoort niet eens tot de repressiefste en meest dicatoriale staten in dit gebied. Turkije is in verhouding tot andere landen van het Midden-Oosten, zoals Irak en Syrië, het verst gevorderd in zijn democratische én kapitalistische ontwikkeling. (Noot) Dit is duidelijk als we kijken naar de diversiteit in het politieke stelsel en de ontwikkeling van de privé-industrie. Omdat er in Turkije meer verzet en meer openheid is, weten we meer van de repressie in Turkije dan in andere landen. Het is omdat Turkije een reeks van paradoxale verhoudingen herbergt, dat het land zo interessant is: de sterke gerichtheid op Europa gaat gepaard aan een extreem chauvinisme, een seculair staatsbestel dat meer dan het alomtegenwoordige islamisme een relict van het verleden is, een zwaar beleden democratische politieke gezindheid, die haar eigen wortels in mafiose praktijken blootgeeft. Kortom, een staat in crisis. Al sedert de jaren zestig, maar de verwachte ondergang blijft uit. Hoelang nog?

Een corrupte staat en maatschappij

Voor een verklaring van deze situatie in Turkije kan men het beste op de historisch gegroeide verhouding tussen de staat en zijn burgers ingaan. De Turkse Kemalistische staat (naar de stichter Kemal Atatürk) was de creatie van de ambtenaren van de Ottomaanse burocratie. Voor zijn autoritaire en allesbepalende invloed was geen tegenwicht van een middenklasse of een arbeidersklasse. Die bestonden niet (meer: na de verdrijving en uitmoording van de Armenen). In hun afwezigheid konden de staatsdienaren zich de voorhoede wanen van een te moderniseren samenleving die voornamelijk uit ongeletterde boeren bestond. De staat hanteerde geweld als middel ter sociale controle en had een allesoverheersende behoefte om de samenleving te controleren. Dit hield ook in dat voor kritiek of andere culturele organisatievormen of identiteiten dan de Turkse geen plaats was. Dit belemmerde de ontwikkeling van een civiele maatschappij en had discriminering van Koerden tot gevolg. De Turkse staat was een geforceerde eenheidsstaat waarin het bestaan van andere bevolkingsgroepen ontkend werd. Door middel van staatsindustrieën trok de staat de ontwikkeling van de economie naar zich toe en verwierf hij nog meer macht. Geen van deze praktijken was in het Westen ongebruikt, maar hier gingen al deze ontwikkelingen samen in een kort tijdsbestek en stonden zij geheel onder invloed van de staat.

De afwezigheid van controle vanuit de maatschappij, van gelijkheid voor de wet en van het besef van verantwoordelijkheid van ambtenaren leidt onherroepelijk tot corruptie, machtsmisbruik en onbetrouwbaarheid. Deze staat laat vele zaken aan de informele relaties van burgers met de staat over. Het zijn allereerst de machtige groepen en degenen die zich van geweld bedienen om hun zaken te regelen die hiervan profiteren. De relaties van drugshandelaren met politici en politie om de opbrengsten van drugstransporten, van geheime diensten met mafiosi om politieke opponenten uit te schakelen, de connecties tussen mafiosi, zakenlieden, en ministers om de verwerving van te privatiseren staatsbedrijven of de uitschakeling van zakelijke vijanden: ze laten allen zien dat de gebeurtenissen in economie en politiek niet aan democratische regels gebonden zijn en doordrenkt zijn van machtsuitoefening door middel van geweld.

Ontwikkelingen geremd

De vele sociale en politieke conflicten in Turkije worden niet door de staat bemiddeld, maar met geweld bestreden. Een van de belangrijkste conflicten berust op het buiten de wet stellen van het streven naar een Koerdische politieke en culturele identiteit. Ook een staatsonafhankelijke islamitische religie en partijvorming op klassenbasis werden verboden. Tijdens de vorming van de Turkse staat werden deze politieke en sociale bewegingen als een gevaar voor de eenheid gezien, waardoor grote groepen burgers tot staatsvijanden bestempeld werden. Om Turks-Koerdistan te controleren maakt de Turkse staat sinds de jaren vijftig gebruik van traditionele leiders in de Koerdische maatschappij (dorpshoofden, stamleiders, grootgrondbezitters). Zij werden in de bestaande politieke partijen opgenomen en konden zo voor stemmen zorgen. In Koerdistan bleven patroon-clintverhoudingen en stammenverschillen de dienst uitmaken. Dit kon doordat Koerdistan een onderontwikkeld gebied bleef. In zo'n maatschappij is geweld een veelvoorkomend middel om conflicten te beslechten. Dezelfde connecties werden in de jaren tachtig benut om de PKK te bestrijden en dorpswachtersmilities en contra-guerrillagroepen te vormen. Sinds de jaren zeventig werd de mafia ingeschakeld om links en de Koerden te bestrijden.

De voorwaarden voor een moderne, democratische kapitalistische staat ontwikkelden zich in beperkte mate. Turkije's westerse oriëntatie na de Tweede Wereldoorlog en de uiterst beperkte basis van de staatspartij maakten een meerpartijenstelsel nodig. Ook kende Turkije een sterke industriële ontwikkeling en in de jaren tachtig de opkomst van grote privé-ondernemers. Maar de afwezigheid van een rechtstaat, het nauwelijks bestaande staatsmonopolie op het geweld, de overheersing van corrupte relaties in de economie en met de burgers, en de strafbaarstelling van politieke en culturele afwijkende identiteiten zijn ervoor verantwoordelijk dat de ontwikkeling naar een moderne staat geremd is.

Naast deze fundamentele verhoudingen hebben de politiek gewelddadige conflicten tussen links en rechts in de jaren zeventig, de staatsgreep van het leger in 1980 en het conflict tussen de staat en de Koerdische guerilla van de PKK de democratische ontwikkeling geblokkeerd. Turks links en de PKK dragen een zware verantwoordelijkheid voor het gebruik van geweld als middel tot politieke verandering.

Militaire dominantie, politieke status-quo

De bijna onaantastbare macht van de militairen in Turkije berust op het feit dat het civiele staatsapparaat en de dominante partijen repressieve, corrupte en discriminerende relaties met de maatschappij hebben. Het is vooral het onvermogen van het Turkse politieke establishment om veranderingsgezind te reageren op maatschappelijke problemen, in het bijzonder het Koerdisch nationalisme en de Islamitische beweging, dat het leger zo'n grote politieke macht geeft. De politieke konflikten die hier het gevolg van zijn, bezorgen de militairen de aanleiding om zich in de politiek te mengen of zelfs staatsgrepen te plegen. Het leger moet de kwaden van het Turkse politieke systeem bestrijden, maar daarmee is tegelijkertijd een rem op politieke verandering gezet.

Het leger heeft een speciale positie in Turkije. Het wordt door velen in Turkije gezien als hoeder van de natie en staande boven de corrupte partijpolitiek. Het leger ziet zichzelf als bewaker van de erfenis van de stichter van de seculiere Turkse staat, Mustafa Kemal Atatürk. In juni 1997 dwong het de regering van de islamitische premier Erbakan tot aftreden. Het is ook de drijvende kracht achter een verbod van zijn partij geweest. De generaals en de leidende Turkse politici verwijzen telkens weer naar hun Westerse instelling om hun ingrijpen tegen de Islamisten te rechtvaardigen.

De macht van het Turkse leger is geïnstitutionaliseerd in de Nationale Veiligheidsraad, een orgaan dat officieel de regering van advies dient, maar in de praktijk een veel grotere invloed heeft. Zijn besluiten worden met voorrang op de agenda van de ministerraad geplaatst. Zitting hebben de hoofden van de onderdelen van de strijdkrachten, van de inlichtingendienst, de ministers van Buitenlandse en Binnenlandse zaken, van Defensie en de premier en de president. De belangrijke beslissingen op het terrein van de binnenlandse en buitenlandse politiek worden eerst in dit orgaan genomen. Zo was het daar dat de strategie voor de bestrijding van de PKK-guerrilla werd goedgekeurd, die een verdrijving van de Koerdische bevolking uit het oorlogsgebied inhield en een geheime oorlog met akties van moordkommando's tegen Koerdische politici, intellektuelen, journalisten.

De rol van de Nationale Veiligheidsraad kan nauwelijks worden overdreven. Ze stelt aan politici ultimata zonder enige mogelijkheid van democratische kontrole. Het is niet alleen via de Nationale Veiligheidsraad dat de Turkse militairen invloed uitoefenen. Alle parlementsleden letten op signalen van de militairen en wachten zich er wel voor, dingen te zeggen die bij de militairen verkeerd vallen.

Het leger heeft in de Turks-Koerdische kwestie doorslaggevende invloed. Het heeft de regie over de strijd tegen de Koerden verkregen door de keuze voor een militaire oplossing van de opstand van de PKK. Diverse politici en zelfs regeringsleiders hebben verklaard een politieke oplossing te willen voor het Koerdische vraagstuk. Telkens werden zij op hun vingers getikt door de legerleiding, of door hun politieke tegenstrevers. Zo is de Koerdische kwestie ook een politiek wapen geworden om elkaar af te troeven. De heersende politieke partijen en het leger hebben gemeen dat zij het Koerdische vraagstuk hoogstens als een probleem van sociale en ekonomische ontwikkeling van dit gebied zien. Niet als een vraagstuk van politieke of etnische identiteit.

Naast door deze binnenlandse oorzaken, wordt de macht van het leger ook verklaard door de steun die het vanuit het buitenland krijgt. Het Turkse leger krijgt vooral van de Verenigde Staten belangrijke militaire en politieke steun voor zijn rol in de Turkse maatschappij. Ondanks kritische rapporten over de mensenrechten in Turkije van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse zaken is de konklusie telkens weer dat Turkije een belangrijke strategische bondgenoot is. Deze dubbelzinnigheid geeft de Turkse politici de kans om hun geopolitieke positie tegenover de Westerse kritici als troefkaart uit te spelen.

De Koude oorlog heeft de democratische ontwikkeling in vele landen in de Derde wereld mede geblokkeerd. Ook in Turkije kan men deze invloed traceren. Zijn einde ontnam diverse dictatoriale, pro-westerse regimes de steun van de VS of de legitimatie voor hun bestaan. Dit geldt niet voor Turkije: de voortdurende vijandschap van de VS ten opzichte van Irak en Iran ondersteunt de positie van de Turkse militairen en Turkije's strategisch belang.

In de verhoudingen als hierboven beschreven is de vorming van een onafhankelijke civiele maatschappij, die grenzen stelt aan de macht van de staat, een uiterst moeilijke zaak. In de laatste jaren zijn er positieve ontwikkelingen in deze richting, zoals de kritische funktie van de pers, het programma voor constitutionele verandering van de Turkse ondernemersvereniging TUSIAD, de aktiviteiten van mensenrechtengroepen, en de kritiek van Turkse intellektuelen op de repressie van de vrijheid van meningsuiting en de behandeling van de Koerden. Net als in Latijns-Amerika kan de kapitalistische ontwikkeling in Turkije een democratiserende invloed hebben. Er zijn echter (net als in Latijns-Amerika nog steeds) grote blokkades te overwinnen. Daarnaast is duidelijk dat Westerse politieke en economische invloed in Turkije altijd een grote rol heeft gespeeld. Voortgaande integratie in de Europese Unie en een ontspanning in het Midden-Oosten zullen van positieve invloed zijn op de ontwikkelingen in Turkije, maar beiden zijn niet snel te verwachten.

Henk Laloli



Noot: Zie: S. Bromley. Rethinking Middle East politics: state formation and development. Cambridge, 1994.
Terug naar tekst



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Koerden -

Koerdische identiteit en de Koerdische kwestie in Turkije

Aan het begin van de twintigste eeuw culmineerden de pogingen de Ottomaanse staat te moderniseren naar Westers model in de vorming van een nationale, Turkse staat. De hervormers wilden die staat baseren op een Turkse etniciteit. Daarbij ontkenden ze al gauw het bestaan van andere etnische identiteiten (zoals de Armeense of Koerdische) en de islamitische identiteit, die voorheen de staatsreligie uitmaakte. Iedereen moest Turkse staatsburger worden. Maar de situatie was niet zwart-wit: onder de hervormers bevonden zich Koerden, die voor Turkificering waren. Andere Koerdische leiders kozen echter voor een multi-etnische staat waar ook plaats was voor een Koerdische identiteit. Weer andere Koerdische leiders keerden zich in de naam van de Islam tegen de seculaire ideeën van de hervormers. Ook waren er Koerdische grootgrondbezitters die hun invloed in een Westers, modern staatssysteem bedreigd zagen en zich daarom tegen een moderne staat keerden. Vanaf het begin van het Turkse nationalisme waren de Koerden verdeeld over hun plaats en identiteit.

Opkomst van het moderne nationalisme

Een etnische of nationale identiteit ontstaat niet vanzelf. De basis ervoor kan gezocht worden in een gemeenschappelijke taal, religie, afkomst en andere culturele aspecten, maar wezenlijk voor de vorming ervan is de strijd om politieke en sociale modernisering geweest, die in de 19e eeuw begon. (Noot 1) Wat we nationalisme noemen ontstaat door de uitbreiding van een elitair etnisch besef naar lagere bevolkingsgroepen. De ontwikkeling naar een Koerdisch nationalisme begint in de 20e eeuw en concurreerde met de Turkse. De Turkse identiteit verwerkelijkte zich echter als staatsnationalisme en verkreeg een territoriale en juridische basis. Toen verscheidene Koerdische stammen in de jaren twintig en dertig tegen de nieuwe Turkse staat opstonden, keerden zij zich tegen het secularisme van de staat. Zij zagen hun Koerdische identiteit eerder in religieuze dan in nationalistische vormen. Een nietsontziende repressie en een verbod van alle Koerdische uitingen was de Turkse reactie. De daarop volgende gedwongen assimilatie van Koerden in Turkije was, volgens Martin van Bruinessen, antropologisch onderzoeker van de Koerdische maatschappij, grotendeels succesvol. Maar andere antropologen benadrukken dat de hervormingen van de Turkse staat juist niet ver doordrongen in de Koerdische dorpen. (Noot 2) De middelen van de Turkse staat ter bevordering van de turkificering waren vooral de dienstplicht en het Turkstalig onderwijs. Van Bruinessen: "de Koerdische identiteit bleef echter ondergeschikt aan de nationale staatsidentiteit, met name in Turkije, tot in de jaren zestig en zeventig nationalistische Koerdische massabewegingen opkwamen. Ze ontstonden met name in Turkije als gevolg van de verbreiding van modern onderwijs en de urbanisatie, in grote steden, waar Koerdische studenten, intellectuelen en later migrantenarbeiders zich bewust werden van hun "anders-zijn" ten opzichte van de dominante ethnie, en van een zekere discriminatie." (Noot 3)

De PKK en de Koerdische massabeweging

Van een massabeweging die ook de Koerdische bergdorpen omvat kan men pas spreken als de guerrilla van de PKK zich in de jaren tachtig uitbreidt en de staat begint met dorpsontruimingen en massale repressie in Turks-Koerdistan. De keuze voor een Koerdische politieke identiteit of afwijzing daarvan is in de jaren negentig daarmee bijna onontkoombaar.

Een identiteit is volgens Van Bruinessen een keuze van personen die afhankelijk is van bepaalde sociale en politieke omstandigheden. Het antwoord op de vraag of Koerden een natie vormen en wie daartoe behoren, is volgens hem niet objectief te geven en bevat tevens een politiek program. De strijd van de PKK hield zo'n politiek program in: een nationale Koerdische identiteit, waarbij de onderlinge verschillen opzij gezet moesten worden. Door zijn consequente ontkenning van een Koerdische identiteit, de onderdrukking van alle niet-gewelddadige uitingen daarvan en de economische onderontwikkeling van Turks-Koerdistan, heeft de Turkse staat de PKK tot de belangrijkste Koerdische organisatie gemaakt.

Er zijn verschillende manieren om tegen de invloed van de PKK aan te kijken. Een Koerdische vrouw wier dorp door militairen platgebrand werd: "wij kenden eigenlijk alleen het boerenleven. We waren wat dat betreft arme dorpelingen. Arm omdat we niets wisten. Onze mannen kwamen elke winter zonder enige kennis terug. Pas toen de guerrilla kwam kregen we te horen over de rechten die wij als Koerden hadden, wat er honderden, duizenden jaren lang met Koerden was gebeurd. Ze vertelden ons hoe wij onze rechten konden winnen, hoe zij wilden vechten en wat het verschil was met andere Koerdische opstandelingen." (Noot 4)

De Turkse socioloog Dogu Ergil, een criticus van de Turkse staat: "voor een Koerdische jongere die geen zelfrespect of een doel om dat te verkrijgen had, betekent de PKK de enige organisatie die strijd voor een gezamenlijk doel. De risico's daarvan, de gewelddadige methoden en de hoge prijs die ervoor betaald moet worden zijn secundair voor een aantal Koerdische jongeren bij hun keuze voor een betekenisvol leven, hoe kort het ook is." (Noot 5)

De PKK wil de tribale, pre-moderne identiteit van de Koerden uitwissen en omvormen tot een moderne, nationale identiteit. Hun bevrijding van het Turkse juk en aanneming van een Koerdische identiteit heeft ze met geweld willen realiseren. Op dezelfde wijze als de Turkse staat de Turkificering. De Koerden zijn echter verdeeld en de PKK kan niet het recht opeisen hen allen te vertegenwoordigen. Er zijn Koerden die via een patronagenetwerk verbonden zijn aan het regeringskamp. Onder hen zijn vele dorpswachters die tegen de PKK vechten, maar zeker niet allen. In de provincies Van en Hakkâri gingen Koerdische stammen met dorpswachters juist achter de Koerdische partij HADEP staan. Ook zijn er Koerden die aan de islamitische partij hun stem geven. Toch is er door alle partijen heen bij Koerden afwijzing van de politiek van de Turkse staat. Alle grote partijen hebben politici van Koerdische afkomst, die regelmatig kritiek leveren op de bestaande politiek.

Gevolgen van de Koerdische massabeweging

Een aantal enquêtes wijzen ook op de Koerdische bewustwording (wel moeten we bedenken dat velen zich niet durven blootgeven vanwege de angst voor staatsrepresailles). Een enquête in opdracht van de Turkse Kamer van Koophandel uit 1995 toonde een zeer grote voorkeur van Koerden voor politieke hervormingen: 42% verklaart een voorstander van een federatie te zijn, 13 % wil onafhankelijkheid en 13% autonomie binnen Turkije. Over de identiteit verschillen de meningen: 40% van de Koerden ziet zich als Koerd, 22% als Turk, en 10% als islamiet. (Noot 6) De resultaten van de verkiezingen van 1995 toonden dat de HADEP de grootste partij in vele provincies en steden in Turks-Koerdistan was, maar in het gehele zuidoosten van Turkije behaalde de islamitische Refah partij toen 27.8% en de HADEP 20% van de stemmen. In verscheidene Koerdische provincies was de Refah sterker dan de HADEP. In de grote Turkse steden met substantiële Koerdische minderheden, Istanbul, Ankara, Izmir en Adana, behaalde de HADEP geen succes, wat er op wijst dat de Turkse assimilatie niet valt terug te draaien. Tekenend is dat vele nationalistische Koerden in Turkije geen Koerdische taal spreken en dat de PKK zich uitsluitend van het Turks bedient.

In het Turkse politieke establishment is men onder invloed van de gebeurtenissen van de laatste vijftien jaar gaan toegeven dat Turkije Koerdische inwoners heeft. De rigoureuze ontkenning van dit feit is niet meer vol te houden. Sinds 1991 is het gebruik van het Koerdisch in geschrift en muziek niet meer verboden. Er is zelfs een Koerdisch Instituut dat door de Staatsveiligheidsrechtbank om tolkdiensten wordt gevraagd. Tegelijkertijd heeft dit Instituut te lijden van politie-invallen en mag het zijn Koerdische talencursus niet uitgeven. De politieke elite beklemtoont dat Koerden en Turken in Turkije gelijk zijn. Onderwijs en televisie in de Koerdische taal en Koerdische partijvorming zijn nog steeds verboden. Veranderingen in die richting worden steevast afgewezen met een beroep op de eenheid van Turkije of beschuldigingen van 'separatisme' aan het adres van de betrokkenen. Volgens deze politici heeft Turkije geen Koerdische kwestie, maar een terrorisme probleem.

In een rapport over de dorpsontruimingen in Turks-Koerdistan kwam een parlementaire commissie begin 1998 met een aantal opmerkelijke voorstellen, die veel weerstand in het parlement opriepen (zie ook elders in dit nummer). Ze vraagt om erkenning van de Koerdische identiteit binnen de grenzen van het land. De commissie pleit voor een gezichtspunt waarin de boven-identiteit van de staat Turks is, maar die ruimte laat voor vele sub-identiteiten. Voor Koerden betekent dit: scholing, radio, televisie en gedrukte media in de eigen taal. Daarnaast doet de commissie de aanbeveling tot opheffing van het uitzonderingsbestuur in het gebied en het dorpswachterssysteem, en de terugtrekking van de speciale eenheden van het leger uit Turks-Koerdistan. (Noot 7)

Volgens diverse Turkse intellectuelen, vele ex-ministers en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven is de Koerdische kwestie nauw verbonden met de autoritaire en gewelddadige structuren van de Turkse staat. Zelfs de militaire dominantie is door hen aan de kaak gesteld. De doorbreking van deze structuren zal volgens hen voor het Koerdisch probleem ook een oplossing kunnen bieden. Toch zijn ook zij terughoudend in het spreken van politieke rechten voor Koerden of van een federatieve staatsvorm. De ruimte voor politieke verandering blijft gering.

Henk Laloli



Noten:

  1. Zie: McDowall, D., A modern history of the Kurds. London, 1996
    Terug naar tekst
  2. Poulon, H., Top hat, grey wolf and crescent: Turkish nationalism and the Turkish republic. London, 1997, p. 119-122
    Terug naar tekst
  3. Bruinessen, M. van, Koerdisch nationalisme en daarmee concurrerende etnische loyaliteiten. Soera, juli 1995, p 18-22
    Terug naar tekst
  4. Jongerden, J., R. Oudshoorn en H. Laloli. Het verwoeste land: berichten van de oorlog in Turks koerdistan. Uitgeverij Papieren Tijger, 1997, p.30
    Terug naar tekst
  5. Turkish Daily News, 10-11-1998
    Terug naar tekst
  6. De kwestie van het oosten. Kurdistan, nov-dec 1995, p. 12-15
    Terug naar tekst
  7. Parlementarier der Türkei durchbrechen Tabu in de Kurdenfrage. Dialog Kreid, 1998
    Terug naar tekst



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Solidariteit -

Stellingen over de Koerdische kwestie

Wat is de kern van de Koerdische kwestie? En in welke richting moeten oplossingen gezocht worden? Twaalf stellingen.

1) Oorlog biedt de Koerden geen politieke overwinning
De Koerdische beweging kan de oorlog van Turkije niet winnen en Turkije wil absoluut geen diplomatieke oplossing. Turkije wil dat de Koerden zich schikken naar de uitgangspunten van Ataturk. Dat zijn precies de uitgangspunten waar de Koerden onder lijden en vanaf willen. De Koerden willen een politieke oplossing, steun daarvoor uit NAVO-landen is noodzakelijk. Omgekeerd is het ook zo dat de Turkse staat er met militaire middelen niet in zal slagen de Koerdische bevolking te onderwerpen. De oorlog zal de komende jaren doorgaan.


2) Derde Weg
De belangrijkste en onontbeerlijke stroming voor een politieke dialoog tussen de Turkse staat en de Koerdische beweging is de Turkse bevolking. Helaas ontbreekt vanuit de Turkse bevolking noemenswaardige steun voor een politieke dialoog met de Koerden. Zonder een Derde Weg tussen het Turkse regime en de Koerdische beweging, zal het de Koerdische beweging niet lukken het Turkse regime voldoende onder druk te zetten. De Derde Weg is een beweging die bereid is de Koerden op hoofdpunten tegemoet te komen. De aanzetten in de Turkse maatschappij tot zo'n beweging worden door de PKK onvoldoende gewaardeerd.

PKK-leider Öcalan verwijst graag naar Yasser Arafat en diens transformatie van terrorist tot staatsman. Belangrijk verschil met de geschiedenis van het Palestijns nationalisme is dat die gesteund werd door de Arabische staten. Wat uiteindelijk van doorslaggevend belang bleek, was de wil van de Israëlische bevolking om tot een vredesakkoord met de PLO te komen. De Vrede Nu-beweging groeide uit tot een geduchte kracht in Israël. De Koerden ontbeert steun van buiten. Er zijn geen staten die het voor haar opnemen, en zij heeft weinig steun onder de Turkse bevolking.

De PKK verwijst naar de ontwikkelingen in Baskenland en Noord-Ierland waar het inmiddels tot een politieke dialoog met oude bevrijdingsbewegingen is gekomen. Helaas voor de Koerdische bevolking en de PKK zijn de historische omstandigheden voor minderheden in West-Europa geheel anders dan die in Turkije en het Midden-Oosten. Het belangrijkste verschil is dat de Westeuropese minderheden nu profiteren van de druk tot eenwording van de staten van Europa. Daarom kunnen ze nu tot een politieke dialoog met hun eigen staat komen. Turkije ondervindt deze druk helemaal niet.


3) Imagoprobleem
In de winter van '98-'99 heeft de PKK zijn hoop op West-Europa gevestigd om een politieke dialoog met Turkije te bevorderen. Het valt niet te ontkennen dat bij de mislukking hiervan het slechte imago de PKK parten heeft gespeeld. Als de Koerden in het algemeen en de PKK in het bijzonder een actieve rol van de Turkse bevolking en van Europa in de oplossing van de oorlog in Turkije willen bewerkstelligen zullen ze eerst af moeten komen moeten komen van het beeld dat het PKK een gewelddadige en autoritaire organisatie is. De PKK heeft in de 20 jaar van haar bestaan de grote prestatie geleverd het eigen Koerdische volk te mobiliseren en emancipatorische perspectieven te bieden. Aan de Koerdische verdrukten, ongeletterden en vooral ook vrouwelijke achtergestelden is de mogelijkheid geboden zich sociaal en persoonlijk te ontwikkelen. Maar zo rooskleurig als het hier staat ging het niet. Geweld was een veel gebruikt middel om deze bevrijding mogelijk te maken. Het gebruik van geweld doet echter veel andere mogelijkheden teniet. De PKK stimuleert geen publiek debat. Hiervan moet zij nu de zure vruchten plukken. Op militaire wijze is er geen overwinning te boeken en politiek-diplomatiek staat de PKK zwak in de schoenen. In plaats van de zo geliefde gewapende propaganda, moet er aan moderne Public Relations worden gedaan. Gewapende propaganda is contraproductief geworden.


4) Diplomatie
Hoezeer de PKK ook een produkt is van het gewelddadige Turkse systeem, tegen de hier beschreven achtergrond is het relatief gemakkelijk voor de Turkse overheid om een anti-PKK propagandacampagne te voeren. De directe politieke steun vanuit West-Europa is dan ook gering. Dat heeft te maken met het belang in de Westerse wereld dat aan Turkije wordt toegekend. Vroeger was Turkije een politieke vriend van het Westen tegen het communisme, nu tegen dictators in het Midden-Oosten en tegen islamitische fundamentalisten. Dit algemene Westerse belang valt tot nu toe niet effectief te bestrijden. Indien de PKK hierin aantrekkelijk wil zijn voor solidariteit vanuit Westerse regeringspartijen, dan zal het een geloofwaardig politiek programma moeten voorstellen waarin duidelijk wordt wat het te bieden heeft voor het Westen. De PKK zal daarbij niet alleen duidelijk moeten maken wat het met Turkije aan wil, maar ook hoe ze de statenstructuur van het Midden-Oosten ziet, als daarin een eigen Koerdische identiteit wordt ontwikkeld.


5) Autonomie
Te denken valt aan een Turks-Koerdische dubbelrepubliek, waarin de rechten van Koerden en andere minderheden zijn erkend. Daarvan zal een stimulerende en democratiserende werking uit gaan, die zal doorwerken in andere staten in het Midden-Oosten. De Koerden zullen zich dan wel in grote mate moeten schikken naar de eisen van het politieke statensysteem zoals zich dat sinds de Eerste Wereldoorlog heeft ontwikkeld. Een systeem van socialistische staten, die de olie en waterbronnen aan de kapitalistische markt onttrekken, is uitgesloten vanwege de Westerse oppositie. Zo een programma lijkt weliswaar een zeer grote opgave maar minder is niet mogelijk. Dat wordt in Koerdische kringen ook wel ingezien, maar het ontbreekt aan een goede diplomatie. Vooral stille diplomatie, waarbij niet gelijk met oorlog wordt gedreigd als het tegenzit.


6) Europees toneel
In toenemende mate wordt de Koerdische kwestie in West-Europa uitgevochten. Voor Westeuropese regeringspartijen moet dit een reden te meer worden om te streven naar een politieke oplossing in Turkije zelf. Indien dat niet gebeurt, en daar lijkt het momenteel op, zal de Koerdische kwestie in toenemende mate in Europa gaan spelen. Voor de Koerden is het noodzaak goodwill te kweken onder de bevolking. De Turkse bevolking in Turkije en West-Europa behoort daarbij tot de eerste doelgroep. Vooral in deze gemeenschap spelen bovengeschetste problemen een grote rol. De PKK heeft tot nu toe vooral geprobeerd de in Europa wonende Koerden voor haar doel te winnen. Grote groepen Turken accepteren het niet dat de Koerdische bevolking zich los maakt van de Turkse. Het zijn echter vooral de door de Turkse overheid opgejutte uiterst-rechtse bewegingen die een vrije discussie hierover verhinderen.


7) Europese politieke rol
Europa wordt gedwongen zich te beraden op een oplossing. Europa wordt in toenemende mate met lange afstandsnationalisme geconfronteerd. Dat wil zeggen nationalistische bewegingen die hier de strijd voortzetten die in het eigen land onmogelijk is gemaakt.
Met het vertrek van Öcalan uit Rome is duidelijk geworden dat de EU de handschoen (nu) niet oppakt. De kern van de oplossing vanuit Europa is natuurlijk de erkenning van de PKK en andere Koerdische organisaties. De tweede Europese taak is het bemiddelen bij het tot elkaar brengen van de diverse stromingen uit Turkije om tot een politieke oplossing te komen. Kortom: het voeren van bemiddelingsdiplomatie, waarbij de nadruk moet worden gelegd op een volwaardige behandeling van de Koerdische partners door de Turken. Tegelijkertijd mag van de Koerden worden verwacht dat ze afzien van geweld. We sluiten ons aan bij de oproepen van de Koerdische beweging aan de Turkse regering om de militaire operaties van het Turkse leger te beëindigen. Voorts wensen we dat Europa bij Turkije op de volgende maatregelen aandringt:


8) Basis solidariteitswerk
De vraag rijst waarom de Koerdische beweging tot nu toe zo weinig actieve solidariteit ontmoet heeft uit de Nederlandse maatschappij. Daarvoor zijn een aantal algemene problemen op te sommen, los van de eigenaardigheden van de Koerdische beweging of bevolking.

  1. Ten eerste het feit dat de Koerdische problematiek nog relatief kort bekend is in Nederland, en dat het een heel ingewikkeld vraagstuk is. Het Koerdische volk woont in diverse staten en is onderling ernstig verdeeld. Dat is geen gunstig uitgangspunt voor solidariteitswerk. In deze situatie is het niet makkelijk een partij naar voren te schuiven die de steun van de Nederlandse solidariteitsbeweging verdient.
  2. Als extra complicatie komt daarbij dat sinds het einde van de Koude Oorlog het solidariteitsconcept is veranderd. De solidariteitsbeweging was een politiek model dat in de Koude Oorlog tot wasdom kwam. Inmiddels is dat veranderd. Humanitaire solidariteit bestaat, maar politieke solidariteit is zeer zwak. Dit vindt zijn oorzaak in de crisis waarin de solidariteitsbeweging na de val van de Berlijnse Muur werd gestort. Weliswaar achten nog zeer veel mensen het zinnig te werken aan een idee van een menswaardig bestaan overal op de wereld, maar het inzicht dat daarbij een politiek systeem hoort dat anders is dan datgene waarin we leven, bestaat amper nog.
  3. Geconstateerd kan worden dat de belangrijkste kenmerken van politieke solidariteit bestaan uit het verdedigen van de mensenrechten, en als onderdeel daarvan het bestrijden van de bewapening door ons eigen Westeuropees land. Er bestaat in heel West-Europa een goede voedingsbodem voor een anti-wapenhandel campagne tegen Turkije.


9) Bondgenotenpolitiek
De meest geschikte methode om georganiseerde solidariteit een kans te geven is die van de bondgenotenpolitiek. Dat betekent dat de Koerdische organisaties bondgenoten zoeken op basis van een concreet programma en concrete werkmethoden. Dit programma zou bijvoorbeeld de politieke erkenning van Koerden en autonomie van Koerden in Turkije kunnen zijn. In de werkmethoden om dat te bereiken zou een grote mate van vrijheid moeten bestaan om zelf de solidariteit vorm te geven. Een bondgenotenpolitiek op basis van kritische samenwerking is zeer moeilijk gebleken. Tot nu toe is door de PKK getracht om van solidariteitswerkers satellieten te maken. Deze houding zal niet leiden tot een groei van de politieke solidariteit met de Koerden.


10) Vakantieboycot
Door de PKK wordt steeds aangestuurd op een massale vakantieboycot vanuit Europa. De Turkse staat profiteert financieel en ideologisch van de massa's toeristen die naar de stranden worden gelokt. Het is zonder meer juist dat indien een toerist zonodig in de zon wil liggen ook een ander goedkoop oord voorhanden is. Want Turkije verdient fors aan het toerisme en de toerist maakt daarmee de onderdrukking van het Koerdische volk financieel mogelijk. Maar in het streven naar een vakantieboycot spelen enkele problemen een rol om deze tot een succes te maken. Ten eerste is er het probleem dat de Turkse en Westeuropese gemeenschappen de laatste 30 jaar vergroeid zijn geraakt en verder vergroeid raken. De Turkse maatschappij is inmiddels deels onderdeel van de Europese geworden. Daarvan een boycot willen roept erg veel complicaties op. De banden van de Turkse bevolking met Europa zijn als gevolg van massale immigratie erg nauw geworden. Dat betekent dat een boycot van het massatoerisme door menig (a-politieke) Turk opgevat wordt als boycot van gewone Turken. Een belangrijk bijeffect van deze campagne is dat de kloof tussen Turken en Koerden in Europa eerder groter dan kleiner is geworden. Turkije is niet een geïsoleerd land ver weg, waar niemand banden en belangen mee heeft. Spanje onder de dictatuur van Franco was dat vroeger wel, en ook Zuid-Afrika onder het Apartheidsregime was ver weg en makkelijk te isoleren.


11) Informatie over de oorlog
Een groot probleem in het solidariseren met de Koerdische bevolking is het gebrek aan feitelijke informatie. Het gaat om informatie waar diegenen die uit solidariteit zelf actie willen ondernemen, wat mee zouden kunnen doen. Bijvoorbeeld over de oorlog in Koerdistan, over de vernietigingspolitiek van het Turkse leger tegen de Koerdische bevolking en over wapens van Nederlandse, Duitse en andere origine. Met zulke gegevens kunnen de Westeuropese regeringen in permanente staat van verlegenheid kunnen worden gebracht en dus ook onder permanente druk worden gezet.
Er heerst een strenge persbreidel in Koerdistan. Het kost de PKK echter weinig moeite soldaten het gebied in te sturen. Voor goed solidariteitswerk is concrete informatie over de oorlog noodzakelijk. Het moet niet moeilijk zijn om aan iedere gewapende PKK-eenheid een eigen cameraploeg mee te sturen die beelden maakt van de wapens die door het Turkse leger worden gebruikt. Dergelijke gefilmde berichten uit de oorlog zullen de Westerse bevolking beter mobiliseren, dan welke demonstratieoproep dan ook. Want de beelden daarvan zullen getuigen van medeplichtigheid van het Westen bij de oorlog tegen de Koerdische bevolking.


12) Boycot Turkse leger
Om het Turkse militarisme te ondermijnen lijkt het veel effectiever om een boycotcampagne van het Turkse leger te organiseren en zo het Turkse leger (in ieder geval ideologisch) te desorganiseren. Gebleken is dat de voedingsbodem voor zo'n boycot vruchtbaarder is dan tropische grond. Want niet alleen Koerden hebben een hekel aan meevechten in het Turkse leger, ook Turken hebben er niet veel trek in. Een non-coöperatie campagne tegen deelname aan het Turkse leger is waarschijnlijk effectiever dan het oproepen van gewapende Koerdische vrijwilligers. Het imago van de beweging zal erdoor verbeteren. Op die manier zal een Derde Weg in binnen- en buitenland opkomen. Een effectieve Koerdische diplomatie doet dan de rest.

Guido van Leemput



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Column -

Spektakel

Een van de gekste aspecten van de affaire-Clinton vind ik de verzuchting van diens tegenstanders dat het gelieg over seksuele avonturen de vraag oproept of hij wel steeds de waarheid spreekt wanneer het over staatszaken gaat.

Wat een verregaande onnozelheid. Het is namelijk evident dat een president of een minister die met grote eerlijkheid alle mogelijke seksuele handelingen volledig opbiecht, op het gebied van staatszaken een even grote leugenaar en verzwijger is als iedere collega die à la Clinton opereert. Het gaat dan vooral, maar niet alleen, om de zogenaamde staatsveiligheid en dus over militaire of semi-militaire zaken. Ik sluit natuurlijk die gevallen uit, waar persoonlijke belangen van bijvoorbeeld financiële aard de oorzaak van het liegen zijn.

Ik zal de verleiding weerstaan van een lange opsomming van dit soort gevallen, opgediept uit de historie en uit mijn geheugen aan persoonlijke ervaringen. Ik beperk me nu tot enkele recente voorbeelden, die een aardige indicatie geven van de frequentie van het verschijnsel.

Onlangs werden, wegens het aflopen van de geheimhoudingstermijn, Britse NAVO- documenten vrijgegeven. Daaruit bleek dat de NAVO in 1968, na de inval van de Sovjet-Unie en andere Warschaupact landen in het Tsjechoslowakije van Dubcek, heeft overwogen om kernwapens in te zetten.

In december ontdekte de pers dat al heel lang Israëlische militaire vrachtvliegtuigen in het geheim Schiphol aandoen en wel met grote frequentie.

Iets eerder onthulde de Washington Post dat de Amerikaanse autofabrieken General Motors en Ford in Wereldoorlog II op grote schaal handel dreven met Hitler-Duitsland en zelfs hun Duitse vestigingen steunden in de omschakeling op oorlogsproduktie en de tewerkstelling van dwangarbeiders.

In september was het weer de pers die onthulde dat de El Al-Boeing die in 1992 in de Bijlmer neerstortte 240 kilogram grondstof voor chemische wapens aan boord had. Veel eerder was al de aanwezigheid van ander militair materiaal uitgelekt, terwijl de Nederlandse regering die absoluut ontkend had.

De voortdurende stroom van leugens en geheimhoudingen in verband met de groei van Schiphol spreekt voor zichzelf.

Natuurlijk is het aantal lieg- en zwijggevallen heel wat groter dan uit de onthullingen blijkt. Niet alles wordt immers ontdekt. Conclusie: liegen over sex is waarschijnlijk, liegen over staatsbelang is zeker.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina





Wapenhandel
Samenstelling: Guido van Leemput

Voor meer informatie over Nederlandse wapenhandel en -industrie: ga naar www.stopwapenhandel.org



Wil Turkije kernwapens?

Nadat Pakistan en India vorig jaar hebben laten blijken over kernwapens te beschikken, verschenen diverse berichten in de Turkse pers dat Turkije ook belangstelling heeft voor een kernwapen. Op 11 mei 1998, één dag na de Indische kernproef, bood de Pakistaanse premier Nawaz Sharif de Turkse president Demirel samenwerking op het gebied van kernwapens aan. Volgens het Turkse blad Radikal zou een niet nader genoemde Turkse minister gezegd hebben dat ook Turkije binnen tien jaar "over deze technologieën" moet kunnen beschikken. "De noodzakelijke investeringen zijn daartoe onvermijdelijk."

Luitenant-generaal Oznal, ex-commandant van de luchtmachtbasis Balikesir, zei dat het als gevolg van de internationale situatie, met nabijgelegen atoomstaten als Israël, India en Pakistan, noodzakelijk is dat Turkije haar eigen atoompolitiek moet ontwikkelen.

De eerste aanwijzingen dat Turkije en Pakistan aan kernwapens werken dateren al uit 1981 toen Turkije elektronische onderdelen (converters) aan Pakistan leverde ten behoeve van een uraniumverrijkingsprogramma. Griekenland beschuldigde Turkije ervan de koerier te zijn van Pakistaans nucleair materiaal.

Pakistan en Turkije houden jaarlijks besprekingen over militaire samenwerking. Tijdens de laatste bijeenkomst in juni 1998 werd een overeenkomst gesloten om de samenwerking in de defensie-industrie en bij militaire oefeningen te verbeteren.

Daarnaast hebben Argentinië en Turkije in 1990 en '91 samengewerkt aan een proefreactor ter grootte van 25 Megawatt. Volgens deskundigen te groot om als proefstation te dienen en te klein om een rendabele stroomvoorziening te kunnen zijn, maar uitstekend geschikt voor de produktie van plutonium, de basisgrondstof voor kernwapens. Onder internationale druk is het van dat project uiteindelijk nooit gekomen, maar Turkijes belangstelling voor atoomtechnologie kwam ermee aan het licht.

Inmiddels heeft Turkije het plan opgevat om in de plaats Akkuyu aan de Middellandse zee (niet ver van de stad Adana, deze zomer nog bekend geworden vanwege de grote aardbeving) een kerncentrale te bouwen. Een drietal Westerse consortia concurreert met elkaar om de centrale van 700 Megawatt te bouwen.

Turkije exploreert sinds 1956 ook enkele gebieden waar uranium gedolven wordt en beschikt over enkele mijnen in West-Turkije (Kücükkuyu en Eskesehir) waar Thorium gewonnen wordt. Uranium en Thorium zijn grondstoffen in de militaire kernenergie-cyclus. Thorium kan in kerncentrales worden gebruikt. Daarbij wordt het omgezet in Uranium 233 dat op zijn beurt na opwerking bruikbaar is bij de produktie van atoomwapens.

Bronnen:
Dave Martin, Nuclear Awareness Project, Canada; Radikal 1 Juni 1998; NTV, Uitzending van 17 mei Turkse televisie, interview met luitenant-generaal b.d. Oznal; Jane's Defence Weekly, 1 Juli 1998; en diverse stukken via Laka (Documentatie- en Onderzoekscentrum kernenergie).



F-5 gift aan Macedonië

Het Macedonische ministerie van defensie acht het Turkse cadeautje van 20 tot 30 verouderde F-5 jagers (zie ook VD AMOK 1998-5) onacceptabel. De reden daarvan is dat Macedonië niet in staat is de opknapbeurt voor deze toestellen te betalen. Niet zo vreemd als je ziet wat Turkije daarvoor in Israël moet betalen.
Verder geeft Turkije Macedonië 1 miljoen dollar militaire hulp en tracht op deze manier meer politieke invloed op de Balkan te krijgen.

Bron: Macedonian Information & Liaison Service, 1 Juli 1998 en 12 November '98



Nederland en Turkije

De Nederlandse overheid heeft (voor het eerst) officiële cijfers gepubliceerd van de wapenhandel met Turkije:
Cijfers in miljoen guldens
Wapens & munitie Ander militaire apparatuur Totaal
1997 21 155 176
1998 (jan-jun) 1,1 80,3 81,4
Bron: www.parlement.nl
M.m.v. AMOK-campagne tegen wapenhandel



MKEK, de Turkse partner van het Eurometaal heeft in juli 1998 een open competitie geopend voor de heropbouw van het in juli 1997 afgebrande complex in Kirikkale. Waarde 65 miljoen dollar. Buitenlandse maatschappijen mogen voor 60% meedoen. Capaciteit moet het vullen van 500 bommen per dag gaan bedragen.



Afgesloten contracten van Nederlandse bedrijven met het Turkse ministerie van defensie:
* Stork Bronswerk heeft voor de Turkse marine een contract voor een climatic sys getekend. Dit klimatologisch systeem zal worden ingebouwd in zogenoemde C/G Boats of II. Package.
* Turhol Europa/Hollanda heeft met de Turkse marine een contract voor een Diesel generator gesloten. Deze generator zal eveneens ingebouwd worden in de C/G Boats of II Package.
* Eerder al is bekend gemaakt dat Holland Signaal Apparaten (n.a.v. een offerte van 16 december 1996) op 22 mei 1997 een contract had getekend van drie stuks van het zogeheten Multi Operational Consol.
Bron: Contracts Bulletin, no 31 van juli 1997, no 34 juli '98, no 35 oktober 1998.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Bibliografie en sites -



Bibliografie en sites


Barkey, Henri J. and Fuller, Graham E.
Turkey's Kurdish Question
New York : Carnegie commission on preventing deadly conflict
1998
238 p, Hfl 60,-

Turkey's Kurdish Question is een uitermate interessante 'beleidsstudie', zoals de auteurs het boek zelf noemen, over de Koerdische kwestie in Turkije en vooral de noodzakelijke hervormingen in het politieke bestel van Turkije om tot een vreedzame politieke oplossing te kunnen komen. Het boek start met een bespreking van de wortels van het Koerdisch nationalisme vanaf het moment dat de Koerden 'non-entities' worden in het moderne Turkije en gaat verder met de opkomst van de PKK, de vorming van een Koerdisch nationaal bewustzijn, de Koerdische kwestie in de publieke opinie in Turkije en de regeringspolitiek (waaronder de buitenlandse politiek van Turkije). Het boek besluit met een spectrum aan politieke oplossingen en de wijze waarop een vredesproces op gang gebracht kan worden.




Bruinessen, Martin van
Genocide of the Kurds
in: The Widening circle of genocide, vol. 3, 1994, p. 165-191
New Brunswick (USA), London (UK) : Transaction Publishers

Genocide of the Kurds is een ongeveer 25 pagina's tellend hoofdstuk over assimilatie, deportatie, chemische oorlogvoering, dorpsvernietiging en massamoorden in Koerdistan. Het hoofdstuk is voorzien van een uitgebreide bibliografie




Cengiz, Seyfi and White, Paul
Dynamics of the Kurdish & Kirmanc-Zaza Problems in Anatolia
Australië : Kurdish Study Group, Centre for the Study of Asia and the Middle East
1996
50 p.

Seyfi Cengiz behoorde in 1978 tot een van de oprichters van Tekosin en, nadat de organisatie in ballingschap gedwongen was, richtte hij met enkele van zijn kameraden de Kurdistan Komunist Hareket op. De brochure bestaat uit een interview met Seyfi Cengiz en vier artikelen van zijn hand, waarin hij zich ontpopt als een markant schrijver. De artikelen over de relatie tussen de vakbond DISK en de arbeidersklasse in Koerdistan zijn interessant, hoewel behept door klassiek-marxisme. Ook zijn mening over etniciteit en politiek in Turkije is provocerend, zowel naar de Kemalistische ideologie toe als het Koerdisch nationalisme. Volgens Seyfi Cengiz zijn de Kirmanc (Alevi) en Zaza geen Koerden, maar aparte nationaliteiten. Hij bestrijd dus zowel de claim van de Turkse staat dat de Kirmanc en Zaza Turken zijn en die van de PKK (en andere Koerdisch nationalistische partijen) dat zij Koerden zijn. Een interessante brochure voor degenen die zich willen verdiepen in de politiek van etniciteit in Turkije/Koerdistan. De Australische Kurdish Study Group heeft trouwens een eigen website, waar tal van artikelen en besprekingen te vinden zijn (www.deakin.edu.au/).




Gerger, Haluk
Crisis in Turkey
MERA occasional paper no. 28
Amsterdam
1997

Crisis is een brochure van 19 pagina's waarin de auteur nader in gaat op, de titel zegt het al, de crisis in de Turkije. Gerger schetst het verval van het universele project van het Kemalisme, het militarisme in Turkije en spreekt zich uit voor een los georganiseerd gemenebest van staten in het Midden Oosten, waarin Koerden, Turken, Iraniërs en Arabieren samenwerken.




Human Rights Watch Arms Project
Weapons Transfers and Violations of the Laws of War in Turkey
Human Rights Watch
1995

Het rapport is een uitermate goed verslag van de schendingen van het oorlogsrecht en schendingen van de mensenrechten begaan door het leger van Turkije. Op basis van een analyse van 29 gebeurtenissen verbinden de onderzoekers het gebruik van specifieke wapensystemen aan schendingen van de mensenrechten en het oorlogsrecht.




Jongerden, Joost; Oudshoorn, Rene; Laloli, Henk
Het verwoeste land, berichten van de oorlog in Turks-Koerdistan
Breda : Papieren Tijger
1997
112 p.

Het verwoeste land reconstrueert het verloop van de oorlog in Koerdistan, met name de contra-guerillastrategie van de Turkse staat. "In Het verwoeste land krijgen de ontheemde Koerden een gezicht. Als vreemdeling in Turkije vertelden elf gevluchte Koerden hun geschiedenis aan de auteurs. Het werden aangrijpende gesprekken" (achterflaptekst). Het boek kost 24 gulden.




McDowall, D
A modern history of the Kurds
London: Taurus
1996
472 p.

Met dit boek geeft McDowall waardevolle inzichten in de sociale en politieke faktoren die de ontwikkeling van de Koerden hebben beïnvloed. De nadruk ligt op de consequenties die vorming van de moderne staten Turkije, Irak en Iran hadden. Het boek is onder meer gebaseerd op onderzoek in Engelse archieven en interviews met hoofdrolspelers. In 1997 verscheen een herziene paperback versie.




Meisales, Susan
Kurdistan, in the shadow of history
New York : Random House
1998
408 p., with chapter commentaries by Martin van Bruinessen

Kurdistan, in the shadow of history is een buitengewoon boek over de moderne geschiedenis van Koerdistan. Meisales, lid van het gerenommeerde Magnum collectief, stelde aan de hand van foto's, kranteknipsels en herinneringen een fenomenaal boek samen over de Koerden ten tijde van het verval van het Ottomaanse Rijk en natievorming in het Midden Oosten tot en met het post-Koude Oorlog tijdperk. De foto's worden deels met korte interviews ondersteund. "The Turk is a naked sword: Whoever crosses him is cut apart," schreef Cumhuriyet op 18 april 1925 over (het neerslaan van) de Koerdische opstanden. Het boek beperkt zich niet tot de delen van Koerdistan in het huidige Turkije, maar haalt ook de geschiedenis van de Koerden in Irak en Iran uit de schaduw (plus een beetje voormalige Sovjet Unie, jammer dat Syrisch Koerdistan ontbreekt). Een absolute must voor wie de prijs van 180 gulden kan betalen. Wie dat niet kan en over internet beschikt moet een bezoekje brengen aan de website www.akaKURDISTAN.com.
Tot 14 februari [1999] kunt u overigens terecht bij het Nederlands Foto Instituut in Rotterdam, waar enkele van de foto's van Meisales hangen.




Olson, R. (red.)
The Kurdish nationalist movement in the 1990s: its impact on Turkey and the Middle East
Lexington : University Press of Kentucky
1996
208 p.

The Kurdish Nationlaist Movement bestaat uit een collectie van artikelen van de hand van Gulistan Gurbey, Aram Nigogosian, Michael Gunther, Henry Barkey, Robert Olson, PhilipRobins, Hamit Bozarslan, Yucel Bozdaglioglu en Mark Muller. Het boek start met een analyse van de ontwikkeling van de Koerdische nationale beweging in de jaren tachtig en gaat vervolgens in op de aardbeving in het politieke bestel in de jaren negentig. Zeer interessant is het hoofdstuk over de eliminatie van de Koerdische parlementaire politieke vertegenwoordiging in de jaren negentig. Maar ook degenen die meer willen weten over inter-Koerdische strijd (KDP-PKK) of over de impact van de Koerdische kwestie op de Turks-Europese betrekkingen kan met het boek goed uit de voeten. Het boek kost rond de 65 gulden.




Poulton, H.
Top hat, grey wolf and crescent: Turkish nationalism and the Turkish republic
London : Hurst
1997
350 p.

Zeer gedetailleerde en informatieve bespreking van diverse nationalistische bewegingen en ideeën in Turkije vanaf eind vorige eeuw. Ook uitgebreide aandacht voor de tegenstrevers: de Islamitische, Koerdische en Alevitische bewegingen.




Soeterik, Robert; Topbac, Mukaddes; Yesilgoz, Yucel; Zwaak, Leo
Turkije & Koerdistan, Koerdistan & Turkije
Amsterdam : MERA/SIM
1993

Turkije & Koerdistan en vice versa is al weer enkele jaren oud, maar met name door de bijdrage van Robert Soeterik en Yucel Yesilgoz de moeite van het lezen meer dan waard. Het boek schetst de opkomst van de PKK, de opstand bestrijding van de Turkse staat, de mensenrechten situatie en de internationale verplichtingen van Turkije.




Zuercher, Erik J.
Een geschiedenis van het moderne Turkije
Nijmegen : SUN
1995
445 p., fl 49,50

Algemene inleiding in de geschiedenis van de republiek Turkije en haar voorganger het Ottomaanse rijk. Verplichte studiekost.



Koerdistan is virtueel te bezoeken op internet. Er zijn tal van interessante sites. Hieronder een paar:

Het Kruisten Web (in maar liefst zes voertalen) is een encyclopedische site over de geografie, geschiedenis, socio-politieke kenmerken, economie, bevrijdingsstrijd etc. van Koerdistan. Te bezoeken via: www.humanrights.de/doc_en/countries/kurdistan/ (?)

The Centre for Kurdish Political Studies is te bezoeken op http://pkk.org en, zoals het adres al duidelijk maakt, levert links op naar de PKK en daaraan verbonden organisaties ERNK, ARGK en de YAJK. Verder is er nieuws en zijn er de updates over Öcalan te vinden.

De virtuele krant The Kurdish Tribune kan bezocht worden via www.kurdishtribune.org/ (?).

Kurdistan's Homepage is de bezoekersruimte van de PSK en KOMKAR. Het tijdschrift Informationsbulletin Kurdistan staat er integraal op. Te bezoeken via: http://members.aol.com/kurdis6065/page2.htm

De meest interessante site, al is het alleen vanwege de vele Turkse, Koerdische en Internationale links, is toch wel die van Kurds, Turks and Human Rights. Te bezoeken via: www.kjemi.unit.no/~sauar/kurdsturks.htmlhttp://www.kjemi.unit.no/~sauar/kurdsturks.html



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Brief aan Osman -

Brief aan Osman Murat Ülke

Osman Murat Ülke, Turkse dienstweigeraar, is op 13 november 1998 uit de burgergevangenis van Eski_ehir ontslagen en opnieuw naar de kazerne van Bilecik gebracht.
De commandant stelde voor hem dezelfde soort behandeling te geven als Jehova's Getuigen. "We geven je geen wapen, je trekt het uniform aan, en brengt je militaire diensttijd tot een goed einde". Osman antwoordde dat ie geen Getuige van Jehova is en als gewetensbezwaarde niet alleen het dragen van een wapen afwijst, maar ook tegen het dwangmatige karakter van het leger en alle militaire verhoudingen is.
Op 26 november werd Osman vervolgens weer naar de militaire gevangenis van Eske_ehir gebracht. Osman mag daar alleen post in Turks ontvangen. De ISKD, Osmans vredesorganisatie uit Izmir, heeft daarom een modelbrief in het Turks opgesteld. Deze kan worden gericht aan:

Osman Murat Ülke,
p/a 1 Taktik Hava Kuvvetleri Komuntaligi
Askeri Cezaevi
Eskisehir
Turkije



Brief in het Turks:

Sevgili Ossi,

Göstermis oldugun direnis bana güç veriyor. Çünkü, tüm dünyada egemen olan savasa ve siddete karsi senin gibi karalilikla karsi çikan çok az insan var. Çünkü, barisa ve özgürlüge olan inancinin gücüyle senin için en degerli seyden; özgürlügünden fedakarlik edebiliyorsun.
Vicdanin sesini dinleyerek gösterdigin `öldürmeme sorumlulugu'ile ayni zamanda `yasam hakki',`düsünce, vicdan ve inanç özgürlügü' gibi en temel hak ve özgürlüklerin degerini yükseltiyorsun. Insanlik ailesine örnek oluyorsun. Tüm destegimle her zaman yanindayim. En kisa zamanda özgürlügüne kavusman dilegiyle.

Seni seviyorum



Beste Ossi,

De weerbaarheid die je getoond hebt geeft mij kracht. Er zijn maar weinig mensen die zich met zo'n vastbeslotenheid als jij tegen het heersende geweld en de oorlog opstellen. Jij kan met de kracht van het geloof in vrede en vrijheid afzien van je eigen vrijheid.
Je hebt de stem van het geweten gehoord en ons de verantwoordelijkheid niet te doden getoond. Tegelijkertijd versterk je het recht op leven, de vrijheid van denken, geweten en geloof, die met de diepste vrijheden verbonden zijn. Met je consequente houding ben je een voorbeeld. Ik ondersteun je helemaal. Met de wens, dat je binnenkort de vrijheid verkrijgt,

met allerbeste groeten,

(vertaling van Duitse versie)



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina