Aangepast zoeken

Naar beginpagina
Naar overzicht VD AMOKs

VD AMOK
tijdschrift voor antimilitarisme en dienstweigeren
jaargang 8, nummer 3, 1999


Inhoudsopgave



Colofon

VD AMOK
Tijdschrift voor antimilitarisme en dienstweigeren,
jaargang 8, nummer 3, 1999.

VD AMOK verschijnt vijf maal per jaar en wordt uitgegeven door de Vereniging Dienstweigeraars (VD) en het Antimilitaristies Onderzoekskollektief (AMOK). Voor de inhoud van met naam ondertekende stukken zijn de auteurs verantwoordelijk.

Copyright
Overname van artikelen uit het lopende nummer is uitsluitend toegestaan na toestemming van de redactie. Overname van artikelen uit eerder verschenen nummers is toegestaan onder bronvermelding en toezending van een bewijsexemplaar aan de redactie.

Adres redactie en abonnementenadministratie
VD AMOK
Obrechtstraat 43
3572 EC Utrecht
tel: 06-14127779
e-mail: vdamok"at"antenna.nl

Redactie
Sylvester Hoogmoed (fotoredactie), Kees Kalkman, Karel Koster, Guido van Leemput, Stijn van der Putte, Tjark Reininga

Fotografen en illustratoren
Sandra de la Combé, Marleen Daniëls/HH, Martin Roemers/HH, Eltjo Thijs/HH, Teun Voeten/HH

Vormgeving
René Oudshoorn

Drukker
Drukkerij De Dageraad, Den Haag

Verder werkten aan dit nummer mee
Martin Broek, David Jan Donner, John Feffer, Bart Horeman, Bas van der Plas, Clemens Raming, Jan Schaake, Frank Slijper, Fred van der Spek

Abonnementen
Een abonnement is minimaal ¦ 30,- per jaar.
Een steunabonnement is minimaal ¦ 40,-.
Over te maken op giro 1308126 t.n.v. VD AMOK, Utrecht.
Nieuwe abonnementen schriftelijk aanmelden. Wacht met betaling op toezending acceptgiro.
Opzegging uitsluitend schriftelijk vóór aanvang van het kalenderjaar.
Losse nummers kosten ¦ 6,50 (¦ 8,90 inclusief porto).

Advertenties
Tarieven en opgave bij de redactie.



Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Redactioneel -

Kosovo en humanitaire oorlog

Belangrijke kenmerken van de NAVO-luchtoorlog om Kosovo waren het oorlogvoeren zonder mobilisatie en het concept van de humanitaire oorlog.

Een zeer opvallende nieuwigheid was dat de NAVO-lidstaten deze oorlog hebben gevoerd zonder hun burgermaatschappij te mobiliseren. Er was geen oproep tot persoonlijke en financiële opoffering, geen officiële discussie over de zin van de oorlog en geen probleem met de kosten. Hoogstens moet een aantal posten op de defensiebegroting worden verhoogd om de extra uitgaven te dekken. Het gevolg was dat de burgerbevolking in de oorlogvoerende landen zich amper betrokken voelde bij de oorlog; althans niet zoals die betrokkenheid vroeger was. Er bestond in Nederland bijvoorbeeld geen enkel risico dat de vijand de Van Brienenoordbrug zou bombarderen.

Er was wel een ander soort deelname door de burgerbevolking. Centraal daarin staat het begrip humanitaire oorlogvoering. De wreedheid en de slachtingen door de extreem-rechtse Servische milities zouden alleen door oorlog kunnen worden stopgezet.

Het betreft hier het idee dat de mensenrechten universeel zijn, niet in het vaarwater van keiharde machtspolitiek terecht mogen of zelfs kunnen komen. Deze sterk levende idee maakt het de machtspolitici mogelijk de goedgelovige aanhangers van de mensenrechten voor hun karretje te spannen. Dat is in de oorlog om Kosovo gebeurd: het vechten voor mensenrechten behoorde tot de kern van de propaganda en het bijbehorende vijandbeeld over de Serviërs.

Oorlogen, ook die op de Balkan, worden inmiddels alom gezien als plaatselijke rampen. Ze lijken in deze opvatting nooit iets te maken te hebben met de buitenlandse of handelspolitieke krachten die op de wereld heersen en de dominante positie van het Westen daarin. Wie deze gedachtengang eenmaal accepteert, al is het impliciet, zal ook de oplossing voor elke ramp zien in termen van interventie vanuit het `verlichte' Westen.

De twee belangrijkste kenmerken van deze oorlog komen tezamen in het verschijnsel dat de Westerse maatschappij wil dat een oorlog geen bloedige gevolgen heeft. Het thuisfront, het electoraat, dat in een democratische en welvarende maatschappij de grenzen van de interventieoorlog bepaalt, eist dat van haar leiders. Daarbij ontstaat echter een merkwaardig onderscheid. In eerste instantie wil men geen doden aan eigen kant: de jongens en meisjes moeten veilig thuiskomen. Ook wil men liever geen burgerslachtoffers bij de vijand; de oorlog wordt immers gevoerd om goed te doen, met minimale wreedheid.

Beide kenmerken van de moderne oorlog komen voort uit een Eurocentrisch wereldbeeld, dat echter ook in de welvarende samenlevingen van Noord-Amerika en Japan dominant is. Voor de aanhangers van humanitaire oorlogvoering is 'het goede' vanzelfsprekend in Fort Europa te vinden. Het kwade bevindt zich altijd ergens buiten de kasteelmuren van deze burcht.

Deze opvattingen leidden tot een beeldvorming die vergaande gevolgen voor de aard van deze oorlog heeft gehad. Het minimaliseren van de eigen doden door de NAVO betekende in de luchtoorlog boven Joegoslavië dat elke operatie werd gevoerd op een manier die risico's voor de eigen mensen uitsloot. Daarbij werden vergissingen en ineffectiviteit op de koop toegenomen. Het was tevens een uiterst sterke rem op het beginnen van een grondoorlog.

Deze nadruk op de luchtoorlog betekende ook dat de strategie van het behalen van een politieke overwinning vanuit de lucht werd nagestreefd. Omdat de militaire machine van Joegoslavië niet afdoende kon worden getroffen, leidde dit - onvermijdelijk - tot een aanval op de industrie van dat land. Dit had tot gevolg dat er een stiekeme (want onzichtbare) oorlog tegen de Joegoslavische burgerbevolking werd gevoerd. De gevolgen daarvan zullen pas op langere termijn zichtbaar worden: werkloosheid door vernietigde fabrieken, geblokkeerde handelswegen en een aanslag op het milieu en dus de gezondheid van de bevolking.

In ieder geval is de NAVO erin geslaagd haar macht verder op de Balkan te vestigen, daarbij gebruikmakend van de waanidee van de humanitaire oorlog.

De redactie



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Kosovo-discussie -

Je mag niet meer voor vrede kiezen

De hele Westerse wereld, en met name de NAVO, feliciteert zichzelf met het succes van het optreden in Kosovo. Milosevic heeft zijn troepen teruggetrokken en de verdreven bevolking lijkt te kunnen terugkeren. Maar is het resultaat van deze luchtoorlog wel een felicitatie waard? En betekent dit "succes" nu ook, dat in de toekomst opnieuw militair geïntervenieerd zal worden? En, zo ja, waar zou een volgende interventie kunnen, of moeten, plaatsvinden? De redactie legde deze, en andere vragen, voor aan een vijftal linkse mensen.

De Joegoslavische regering heeft de eerste stap naar een etnische zuivering van Kosovo gezet. Vervolgens hebben de bombardementen en de harde reactie van de Joegoslavische - lees Servische - autoriteiten een gigantische stroom vluchtelingen over de grenzen van Kosovo gejaagd. De terugkerende Kosovaren van Albanese origine lijken nu de volgende stap te zetten, ten koste van vluchtende Servische Kosovaren ditmaal.
Het conflict was duidelijk, de positie die daarbij ingenomen moest worden minder. In alle gevallen immers vallen er slachtoffers en dreigt een onaanvaardbare situatie te ontstaan. Is de beslissing om vanuit de lucht in te grijpen wijs geweest? Was de informatie waarop deze keuze is gemaakt wel voldoende? En was het wel goede informatie?

Felicitaties?

"Er zijn alleen maar verliezers," zegt SP-kamerlid Harry van Bommel, die geen enkele aanleiding ziet om wie dan ook te feliciteren. "Het zou veel te vroeg zijn te zeggen dat het goed gegaan is. Er is een zeer broos bestand met allerlei afspraken, waarvan maar de vraag is of ze nagekomen zullen worden. In de komende maanden kan er van alles misgaan en als het mis gaat zijn wij daar mede voor verantwoordelijk. Dan zitten we er midden in." De bombardementen hebben in zijn ogen de aanzet gegeven tot een grootscheepse etnische zuivering, die voordien weliswaar ook plaatsvond, maar op veel kleinere schaal.
Ook polemoloog Leon Wecke ziet geen reden voor felicitaties. Het effect van de bombardementen op het tot stand komen van de regeling (er is geen sprake van een oorlog die gewonnen zou zijn) is niet objectief vast te stellen, daarbij hebben vele factoren een rol gespeeld. "Niet de bombardementen hebben de doorslag gegeven, maar het gemeenschappelijk belang van de NAVO en Milosevic: er mocht geen onafhankelijk Kosovo komen en ze wilden geen grondoorlog. En het akkoord biedt Milosevic aanmerkelijke verbeteringen ten opzichte van Rambouillet: geen referendum over onafhankelijkheid, geen NAVO-troepen in heel Joegoslavië."
"Het NAVO-offensief heeft alleen maar negatieve gevolgen gehad," zegt Egbert Wever van het Balkan Peace Team. "Het land is niet veilig, vervuild en economisch verwoest; de oppositie ligt in puin, de politiek en de diplomatie zijn dood." Hij wijst op de honderdduizenden vluchtelingen als gevolg van de bombardementen, terwijl dat er tot 24 maart een paar duizend waren, en op de dreiging voor Montenegro en Macedonië.
Geen felicitaties ook van PvdA-kamerlid Thanasis Apostolou. "Wie eerlijk is moet toegeven, dat er feitelijk niets is opgelost." Hij wijst erop dat het doel van de operatie gaandeweg is verschoven, weg van het brengen van vrede en het voorkomen van een monoculturele samenleving in Kosovo. Apostolou betreurt de steun van het Westen aan het extreme nationalisme van de UCK, dat in Kosovo aan Serviërs geen plaats biedt. "Dat is een vorm van apartheid waaraan het Westen geen steun mag bieden," zegt hij.
Alleen Marijke Vos ("Ik ben blij dat deze oorlog afgelopen is, maar ik voel me niet thuis bij de mensen - de NAVO - die vinden dat ze gewonnen hebben.") komt tot iets, wat op een felicitatie lijkt. Het kamerlid voor GroenLinks was begin juli op de Balkan en merkte, dat de meeste vluchtelingen blij zijn dat ze weer terug kunnen naar Kosovo. Vos gelooft dat er een kans is voor een vreedzame toekomst en hoopt dat de vlucht van de Serviërs gekeerd kan worden. "Maar we zijn er nog niet; Milosevic zit er nog."

Opletten

Geen van deze vijf ziet enige reden om alsnog het standpunt in de Kosovo-crisis te veranderen. Marijke Vos komt daar nog het dichtst bij: "Het was een afschuwelijke oorlog, er zijn ontzettend veel doden gevallen. De bombardementen hebben dat niet kunnen voorkomen en het misschien wel versneld. Ik had die moordpartijen niet verwacht; ik vind dat de NAVO de mensen in Kosovo had moeten beschermen en dat bleek ze niet te kunnen. De ernst van die situatie was echter snel duidelijk en heeft de discussie heel intensief gemaakt. Ook nu nog vind ik, dat we niet anders konden. Maar in de toekomst moeten we wel beter opletten."
Apostolou vindt het "heel ongelukkig, dat degenen die zich tegen deze oorlog hebben uitgesproken meteen als voorstander van Milosevic werden ingedeeld. Je mag niet meer voor vrede kiezen. Dat was het klimaat waarin mensen terechtkwamen die niet met de lijn meegingen. Het pijnlijkst heb ik dat in de kamer ervaren, toen een SP-motie tegen deze oorlog door mij en enkele anderen gesteund werd: de minister van Buitenlandse Zaken interpreteerde dat direct als steun aan Milosevic."
"Het resultaat heeft me gesterkt in de oorspronkelijke beoordeling van de situatie," zegt Harry van Bommel. "Het verdrag van Rambouillet was een dictaat waarover niet te onderhandelen viel. Ik stel nuchter vast dat er onderhandelingsruimte over was op het moment dat men besloot te gaan bombarderen. Uiteindelijk is er tijdens de bombardementen verder onderhandeld. En ik ben zeer tevreden dat het initiatief nu weer bij de VN-Veiligheidsraad ligt."
Egbert Wever legt veel verantwoordelijkheid bij de NAVO: "Het Westen was zeer ongeduldig, wilde een volledige capitulatie. Alleen Rambouillet was acceptabel, maar dit was een dictaat; de eis dat er één Albanese delegatie zou zijn heeft in het voordeel gewerkt van de UCK. De UCK beschermde de bevolking echter niet. Hun guerrillataktiek heeft zeer negatieve gevolgen gehad voor de Albanese burgers."

Tabak

Voor en vooral tijdens de luchtoorlog is van verschillende kanten de vraag opgeworpen, of deze interventies navolging verdienen. Dat roept de vraag op of ingrijpen gewenst is, maar ook of het eigenlijk wel verantwoord is op deze manier in te grijpen. Ook werden de voorwaarden voor internationale interventies aan de orde gesteld. En wat is er op dit gebied in de nabije toekomst te verwachten?

Leon Wecke vermoedt, dat de NAVO voorlopig "wel even tabak heeft" van humanitaire interventies. Daarvan zijn de grenzen bereikt. In Europa ziet hij geen conflicten meer en in andere gebieden staan altijd Rusland en China met hun atoomwapens achter de hand klaar om te voorkomen dat de NAVO dit soort operaties opnieuw uitvoert. Hij is overigens optimistisch over de toekomst: "Over een halve eeuw worden conflicten niet langer militair opgelost. Als gevolg van de complexe interdependentie van staten zullen conflicten - die als zodanig nog zeker zullen bestaan - op economisch, politiek en diplomatiek niveau worden opgelost. De grootste tegenstander daarvan blijven de strijdkrachten, die overbodig worden."
Egbert Wever koppelt de vraag aan de gekozen aanpak. "De verhouding tussen een interventie om de gevechten te stoppen en investeringen in ontwikkeling is zoek. In naam van de democratie wordt geld aan militaire zaken besteed. De Westerse landen hebben te weinig geïnvesteerd in conflictpreventie. Van de toegezegde 2000 OVSE-waarnemers werden er uiteindelijk maar 900 gestationeerd. Er zijn genoeg voorbeelden dat deze waarnemers deëscalerend werkten."
Marijke Vos pleit voor economische steun aan de regio, een Balkanpact dat de hele regio, ook Servië, perspectief biedt op deelname aan de Europese Unie. "Economische steun is hard nodig, niet in de laatste plaats om de schade te verhelpen die ontstaat door de economische problemen in Servië, waarvan Macedonië economisch afhankelijk is. Ik ben het dan ook niet eens met de harde opstelling tegen Servië en geloof niet in het isoleren van Milosevic. We moeten nadenken over meer hulp, over steun aan de oppositie en aan lokale overheden." Aan voorspellingen over een volgende interventies waagt ze zich niet: "We moeten ons inzetten om dat te voorkomen."
Ook Apostolou zoekt het in andere middelen, in "een interventie die vertrouwen tussen volkeren bevordert, geen haat en eng nationalisme aanwakkert, die geen mensen uit elkaar drijft maar ze ertoe ziet om samen te leven met al hun verschillen in etniciteit, taal en godsdienst", zoals hij een PvdA-conferentie half mei in Utrecht voorhield. "Bij deze interventie," zegt hij begin juli, "was het humanistische aspect voor mijn gevoel een façade om het ingrijpen te verdedigen. Ik kan de echte redenen niet doorgronden, maar zie wel de belangen van de NAVO en de militaire industrie."
De SP gelooft niet in het argument van de humanitaire interventie. Van Bommel: "Omdat legitimiteit buiten de Verenigde Naties wordt gezocht, wordt het humanitaire aspect aangevoerd: om de operatie een positieve lading te geven, terwijl het gewoon een oorlog is. Het nieuwe strategisch concept van de NAVO is in Kosovo uitgeprobeerd, maar het valt moeilijk te voorspellen of dat nogmaals zijn beslag zal krijgen. De situatie in Macedonië zou daartoe kunnen leiden. In ieder geval vrees ik dat de K-FOR troepen een langdurige operatie in Kosovo tegemoet gaan. Het is belangrijk dat Kosovo een Joegoslavische provincie blijft en er geen etnische zuivering plaatsvindt, omdat Serviërs aan het plaatselijk bestuur moeten kunnen deelnemen. Als dat niet gebeurt steven je af op een Albanese provincie met sterke sentimenten om van Joegoslavië af te scheiden. Dat levert een zeer moeilijke situatie op voor de vredestroepen."
De SP is akkoord gegaan met het sturen van Nederlandse troepen naar Kosovo onder drie voorwaarden: Kosovo moet een autonome provincie van Joegoslavië blijven, de ontwapening van UCK moet doorgaan maar wordt niet door K-FOR afgedwongen, en er moet een bevredigende regeling komen met Rusland.

Doorvragen

De vrijheid van informatie is veelal het eerste slachtoffer van militair optreden. Ook in de kwestie Kosovo gaat deze stelling op. Afgaand op Apostolou gaat het zelfs verder: "Er heerste een soort klimaat - in de pers, maar ook in de Kamer - dat het moeilijk maakte om tegen dit ingrijpen te zijn. Ik voelde beperkingen aan onze vrijheid van meningsuiting, waardoor ook de democratische controle in het gedrang gekomen is. Ik zie dat als een vorm van decadentie in onze democratie. We hebben nooit besloten tot deze expeditie - en eigenlijk heeft geen enkel parlement dat. Tekenend is de vraag, die ongeveer een week na het begin van de bombardementen door een van mijn collegae werd gesteld: "Zijn wij eigenlijk in oorlog?"
"Wat mij het meeste is opgevallen is de ontluisterende toestand van het publieke debat. Er wordt hier," zegt Harry van Bommel, "gedebatteerd op basis van wat er in de krant staat, meer dan op basis van wat de regering ons meedeelt, en dat is buitengewoon onbevredigend. Wij kregen rond Kosovo steeds vaker enkele uren voor een debat een brief waarin nog minder stond dan in de ochtendkrant. Dat betekent dat je het debat ingaat met veel feitelijke vragen en met een minister, die ook niet goed geïnformeerd is. Daarnaast is door onze medewerkers veelvuldig op Internet naar alternatieve nieuwsbronnen gezocht; en Internet is zeer informatief over Kosovo."
Ook Marijke Vos is allesbehalve tevreden over de verstrekte informatie. "Op de briefings die Defensie ons gaf werden heel normale vragen niet goed beantwoord; verschuivingen in de eigen opstelling - zoals de keuze van doelen voor de bombardementsvluchten - werden gebagatelliseerd of weggemoffeld. Zelf had ik veel aan de informatie op Internet en wat ik van allerlei organisaties kreeg. Ik vind het moeilijk in te schatten of we voldoende en goede informatie hadden. We kregen te weinig informatie van het ministerie van Defensie, maar dat kreeg zelf ook te weinig informatie. Nederland hobbelt dan toch achter de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Frankrijk aan; vooral de dominantie van de VS is daarin niet goed. Ik heb niet het gevoel dat ik niet kon oordelen; maar de informatie had beter gekund en beter gemoeten."
Het Balkan Peace Team haalt zijn informatie via e-mail, maar klaagt over pogingen van de overheid die stroom te onderbreken, bijvoorbeeld door het telefoonverkeer met Servië van de satelliet te halen. Wever: "Het hoofdnieuws in de Nederlandse media is gebaseerd op NAVO-bronnen. Ander nieuws wordt als opinie gezien en moet bewezen worden, terwijl officiële bronnen per definitie als betrouwbaar gezien worden. Allerlei relevante nieuwsfeiten met betrekking tot de bombardementen die niet in het straatje van de NAVO passen, komen niet naar voren. Geldige argumenten worden gebruikt voor een verkeerde zaak."


Tjark Reininga, m.m.v. Guido van Leemput en Stijn van der Putte



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Servische deserteurs -

Een grote gevangenis

Op 16 juni was er in het ACU in Utrecht een bijeenkomst rond het thema desertie in Servië. Er waren mensen van de Steungroep Deserteurs en twee Joegoslavische sprekers. Een verslag.

Deserteur Alexander: "De oorlog heeft tien jaar van mijn leven weggenomen. Toen ik in 1991 werd gekeurd was ik 18. Er was geen school, je kon niet reizen, er was geen werk. Het land is een grote gevangenis. Ik wil niet terug. Joegoslavië komt m'n strot uit."

Egbert Wever van de Steungroep Deserteurs schetst in het kort de situatie. De deserteurs zitten in een lastig parket. De Westeuropese staten zouden hen volgens het oorlogsrecht moeten interneren. Maar deze landen laten hen niet toe. De mannen zouden veilig zijn in de gebieden waar de meesten van hen nu verblijven, zoals Srpska, Kroatië, Hongarije en Bosnië. Daarnaast argumenteert de overheid dat er in klein-Joegoslavië een rechtsorde is, waarbinnen desertie bestraft wordt met maximaal vijf jaar gevangenisstraf (in de praktijk meestal vier jaar). Dit geldt overigens alleen in vredestijd: op dienstweigering in oorlogstijd staat de doodstraf.

Alexander is op een toeristenvisum Nederland binnengekomen en verblijft hier al ruim een jaar, deels als dakloze. In maart werd zijn asielverzoek geweigerd omdat hij een vervalst paspoort had, maar ook nadat hij zijn identiteit had bewezen, weigerde de overheid zijn verzoek in overweging te nemen. Zijn procedure loopt nog steeds, maar hij heeft al een tijd niets gehoord. Uit veiligheidsoverwegingen zoekt hij geen contact met andere Serviërs, vaak nationalisten. Hij krijgt nu weliswaar wel steun van lokale groepen, zoals de steungroep, maar hij wil maatschappelijke erkenning zodat hij een nieuw leven kan beginnen.

Alexander is in mei 1998 gevlucht, toen de situatie in Kosovo verslechterde. Hij wist dat een nieuwe mobilisatie niet lang op zich zou laten wachten en dat het dan onmogelijk zou zijn het land te verlaten. In 1991 was hij afgekeurd voor de militaire dienst op grond van een psychische aandoening, maar eind 1992 ontving hij alsnog een oproep. In de ochtend van 28 september 1993 werd hij door de militaire politie van zijn bed gelicht. Een maand lang was hij bulldozerchauffeur achter het front in Banja Luka, tot hij genoeg oorlogsellende gezien had en de wijk nam naar de Vojvodina (noordelijk deel van Joegoslavië), waar hij onderdook in een vakantiehuisje. Pas met het akkoord van Dayton in 1995 kon hij zich weer vrij bewegen, maar in 1998 dreigde alles weer van voren af aan te beginnen.

Uitzichtloos

Uit de videobeelden op de bijeenkomst en de verhalen van Anna, die sinds 1995 in Nederland gekomen is, en van Alexander, komt naar voren hoe uitzichtloos de situatie is. Al sinds 1991 mogen mannen in de leeftijdsgroep van 16 tot 65 jaar niet reizen zonder een militaire pas. De militaire politie is alomtegenwoordig - ze luistert de telefoon af, pakt mannen op op straat enzovoort. Hoewel er nooit officieel een oorlog is verklaard, verkeert het land in staat van oorlog.

De deelname aan demonstraties brengt allerlei risico's met zich mee. Anna: "Je woning kan vergeven worden aan vluchtelingen, je kun een baan verliezen waarvan vier, vijf, zes mensen afhankelijk zijn, je wordt in elkaar geslagen. Hoe lang houd je dat vol?" Alexanders autowasserette moest na zijn vertrek worden gesloten omdat de autoriteiten van zijn moeder een bedrag aan overnamekosten vroegen wat zij met haar minieme inkomen nooit kon opbrengen.

In het begin van de oorlog, in 1991, was de situatie gunstiger. In Belgrado was bijvoorbeeld de grootste studentenpopulatie in de Balkan en er waren kritische media, zoals de B92-radio die voornamelijk in Belgrado ontvangen kon worden. De toestand in Kroatië was veel slechter. Nu is de situatie omgekeerd. Na de bombardementen zijn er nog maar drie van de tachtig vredesorganisaties overgebleven. Er zijn eenvoudigweg geen middelen meer om bijvoorbeeld elektriciteit of telefoonrekeningen te betalen.

Vijandig

De deelname aan de oorlog heeft ook weerslag op de stemming in Nederland. Zowel Anna als Alexander worden vijandig bejegend alleen omdat ze Serviërs zijn. Anna: "Ik heb in Joegoslavië al meegemaakt hoe mensen in hokjes gestopt worden, als Serviër, Kroaat of Albanees, en nu zie ik het opnieuw, maar nu in Nederland. Het is beangstigend." Alexander vertelt hoe afwerend potentiële kopers van de daklozenkrant reageren als ze horen dat hij Serviër is. Anna: "Een vriendin van mij kreeg ruzie met haar familie en vrienden om haar standpunt ten aanzien van de oorlog. De manier waarop macht werkt is overal hetzelfde. Het is makkelijker om mee te gaan, om te denken: ze weten toch wel wat ze doen."

Stijn van der Putte


De tekst van het pamflet dat door de NAVO boven Kosovo zou zijn afgeworpen:

Een waarschuwing aan de Joegoslavische strijdkrachten. U kunt zich verstoppen, maar de NAVO zal u altijd weten te vinden. Blijft u in Kosovo, dan zal de dood zeker uw deel zijn. Of u verlaat uw eenheid en vlucht uit Kosovo, zover uw voeten u kunnen dragen. Als u besluit te blijven, dan zal de NAVO u met alle mogelijke middelen aanvallen, zowel op de grond als vanuit de lucht. Als u doorgaat de bevelen van Milosevic uit te voeren, dan maakt u zich schuldig aan genocide en andere gruweldaden tegen de bevolking van Kosovo. U bent zelf verantwoordelijk voor uw daden en uiteindelijk zult u zich persoonlijk moeten verantwoorden. Aan u de keus.

Bronnen:
Frankfurter Rundschau, 26 april 1999
Jane's Defence Weekly, 28 april 1999




Dienstweigering en desertie in Joegoslavië

Een deserteur in de Federale Republiek Joegoslavië riskeert een gevangenisstraf van een half tot vijf jaar, als hij deserteert in vredestijd (art. 217 Federale Strafrecht). Als hij het land verlaat, is de straf minimaal een jaar cel. In oorlogstijd kan de straf oplopen tot twintig jaar gevangenis (art. 226). Vanaf 24 maart 1999 was Joegoslavië officieel in staat van oorlog.

Al ver voor de NAVO-bombardementen begonnen, vond in Joegoslavië op grote schaal mobilisatie plaats. Deze had tot gevolg dat de oproepen massaal ontdoken werden, met name in Montenegro en in de Vojvodina. In Niksic bijvoorbeeld werden in februari 1999 600 reservisten opgeroepen, waarvan volgens berichten slechts 5 of 6 kwamen opdagen. In Montenegro werd zelf door politieke partijen aangezet tot ontduiking van de oproepen.
Eind maart kwamen er berichten van gevangenissen die uitpuilden met deserteurs en dienstplichtontduikers. De eerste veroordelingen logen er niet om: sommigen werden tot vijf jaar cel veroordeeld. Ondanks dat de grens gesloten was voor mannen tussen 18 en 60 jaar, vluchtten velen naar de naburige staten Bosnië, Kroatië en Hongarije. In Sarajevo werd het aantal op 6.000 geschat; in Boedapest kwamen ook enkele duizenden terecht.
Het Europese parlement heeft in een besluit over Kosovo op 6 mei 1999 haar lidstaten opgeroepen deserteurs en dienstweigeraars uit het Joegoslavische leger een tijdelijke verblijfstatus te geven. Geen enkel lid van de EU heeft hieraan gevolg gegeven, maar in Duitsland heeft de minister van Buitenlandse Zaken Joschka Fischer er persoonlijk voor gezorgd dat een deserteur uit Joegoslavië asiel heeft gekregen! Tegelijkertijd zijn er gevallen bekend van deserteurs die na hun asielaanvraag in Duitsland meteen zijn teruggestuurd. In Nederland zijn volgens Justitie alle asielvragen van Joegoslavische asielzoekers aangehouden. Maar de kans op asiel voor een weigeraar is zo goed als nul.
In tegenstelling tot het Dayton akkoord is er nu in de overeenkomst met Joegoslavië geen woord gewijd aan amnestie voor weigeraars. Aangezien de verjaringstermijn voor dienstplichtontduiking en desertie in Joegoslavië in vredestijd 10 jaar is en in oorlogstijd 25 jaar, lopen gevluchte dienstplichtigen nog tot 2024 de kans om achter de tralies te worden gezet - tenzij er voor die tijd een machtswisseling plaatsvindt en de nieuwe regering een amnestie afkondigt.

Bart Horeman



Bronnen:
Refusing to bear arms, WRI, 1998;
Rundbrief KDV im Krieg, 4/99;
Volkskrant, 23 juni 1999.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Rusland en de NAVO -

K-FOR betekent geen nieuwe toenadering

Wat betekent de aanwezigheid van het Russische leger in Kosovo voor de verhouding met de NAVO? "De komst van Russische officieren naar het NAVO-hoofdkwartier betekent niet dat Rusland terugkeert naar het niveau van onderlinge samenwerking en vertrouwen dat volgde op de ondertekening van de Grondakte NAVO-Rusland in mei 1997," zei het hoofd van de Russische delegatie, vice-admiraal Valentin Kuznetsov, bij aankomst in Brussel op 28 juni j.l. Hij benadrukte dat de samenwerking zich slechts zal beperken tot de K-FOR missie in Kosovo.

Uit deze woorden bleek nogmaals hoe hard de NAVO-bombardementen ook in Moskou zijn aangekomen. Het begin van de NAVO-acties in Joegoslavië betekende het (voorlopige?) einde van de prille relatie tussen Rusland en de NAVO, een relatie die toch al wankel was. Zeker na de recente toetreding van Polen, Hongarije en Tsjechië tot het bondgenootschap.
Met het optreden in Joegoslavië stelde de NAVO zich ten doel door militaire interventie "de veiligheid en vrede te herstellen". Deze actieve houding kenmerkt het vernieuwde bondgenootschap. Behalve deze taak heeft de NAVO zich nog een andere opdracht gesteld. Toen in 1991 het Warschaupact werd opgeheven, zag zij mogelijkheden het in Oost-Europa ontstane vacuüm op te vullen. Vanaf dat moment was uitbreiding naar het Oosten een belangrijk thema binnen de alliantie. Het hoogtepunt werd bereikt in juli 1997, toen tijdens de NAVO-top in Madrid formeel besloten werd Polen, Hongarije en Tsjechië als lid toe te laten.
Anderhalve maand eerder was in Parijs al een document ondertekend over "wederzijdse betrekkingen, samenwerking en veiligheid tussen de NAVO en de Russische Federatie". Dit document, de zogenaamde Grondakte NAVO-Rusland, voorziet in een toekomstige NAVO-Rusland raad, die betrokken zou moeten worden bij alle vraagstukken met betrekking tot de Europese veiligheid.

Touwtrekken

Volgens de NAVO is het doel van de uitbreiding in Oost-Europa "meer stabiliteit en veiligheid in het Euro-Atlantische gebied". Door ondertekening van de akte ontstond de mogelijkheid van samenwerking met Rusland binnen een gezamenlijke Europese en Transatlantische vredesordening. Bovendien werd bij potentiële nieuwe lidstaten in Oost-Europa de verwachting gewekt dat 'horen bij de NAVO' hetzelfde betekent als 'horen bij Europa'. Doordat het hervormingsproces en de economische ontwikkeling zich niet in alle landen gelijkmatig voltrekken, zijn niet alle staten aantrekkelijk voor zowel de NAVO als de Europese Unie. Toen op de NAVO-top in Madrid een aantal landen voorlopig op de wachtlijst werd geplaatst, leidde dit dan ook tot de nodige frustraties. Het was niet verwonderlijk dat onmiddellijk na de top het touwtrekken begon voor de volgende uitbreidingsronde. Vooral Roemenië, Bulgarije, de drie Baltische staten (Estland, Letland, Litouwen) en Slovenië laten geen gelegenheid onbenut te wijzen op hun belang voor de NAVO. Roemenië en Bulgarije sloofden zich tijdens de bombardementen op Joegoslavië als buurlanden dan ook uit de NAVO alle mogelijke faciliteiten te bieden.

Tweedeling

Tot nu toe heeft de EU geen duidelijk standpunt over deze ongelijkmatige ontwikkelingen in Oost- en Zuidoost-Europa. De sterkere landen worden 'beloond' met een NAVO- en EU-lidmaatschap, terwijl de zwakkere landen voor twee gesloten deuren staan. Een grotere tweedeling binnen Europa is hiervan het gevolg. Een groeiende kloof tussen arm en rijk, tussen dubbel beloonde en dubbel uitgesloten landen zal het Europese integratieproces doen stagneren. Een antwoord hierop heeft Europa evenwel niet.
De beslissingen over NAVO-uitbreiding in Oost-Europa, gedomineerd door de Amerikanen, houden geen rekening met deze Europese ontwikkelingen. De Grondakte NAVO-Rusland had de Russen stroop om de mond moeten smeren om een aantal landen uit het vroegere Warschaupact in te lijven in de rangen van de 'nieuwe wereldorde' die gedomineerd wordt door de Verenigde Staten. De Russen hebben nu openlijk afstand van de NAVO genomen. Het is echter de vraag of, ook los van het NAVO-geweld in Joegoslavië, de ondertekening door Jeltsin van de akte de Russen wel voldoende garanties gaf om het verzet tegen de NAVO-uitbreiding naar het Oosten op te geven. De Russische politiek is sterk gepolariseerd. In het door communisten en nationalisten gedomineerde parlement, de Doema, bestaat sinds 1997 een 'anti-NAVO blok', waarbij zich meer dan de helft van de parlementariërs heeft aangesloten. Nog voordat Jeltsin uit Parijs was teruggekeerd waren uit deze kringen al opmerkingen als 'landverraad' en 'een schande voor Rusland' te horen. Daarom besloot het Kremlin al in de laatste fase van de onderhandelingen met de NAVO geen bindend contract volgens het volkenrecht af te sluiten. Men besefte dat er in het Russische parlement geen meerderheid voor te vinden zou zijn.

Uitslaande brand

Een grote fout is dat niemand de anti-NAVO stemming bij zowel de bevolking als de politici in Rusland serieus heeft genomen. Door de formele breuk met de NAVO is dit nu al vele jaren smeulende vuurtje in een uitslaande brand veranderd. De achtergrond van de Russische weerzin tegen de NAVO-uitbreiding wordt gevormd door een politiek-psychologisch fenomeen: het verliezerssyndroom. De ondergang van de Sovjet-Unie als voormalige supermacht betekent voor de meeste Russen niet alleen een dramatische verandering van de wereldkaart, maar vooral een nu al meer dan acht jaar durende verslechtering van de eigen levensomstandigheden. 25 miljoen Russen wonen ineens in een nadere staat: de republieken van het 'nabije buitenland', het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS). In één klap hebben zij al hun privileges verloren.
Anders dan bijvoorbeeld in Polen en Hongarije, waar de levensstandaard flink gestegen is, zet de afbraak van de Russische economie zich jaar na jaar voort. Het Russische leger, eens de trots van het land, wordt nu door de eigen leiding als 'gevechtsonbekwaam' neergezet, waarbij het Tsjetsjeense trauma een belangrijke rol speelde. Dit alles biedt een vruchtbare bodem voor speculaties en complottheorieën, iets dat in de Russische geschiedenis regelmatig de kop opsteekt.
Veel Russische politici geloven dat het Westen, en dan vooral de Verenigde Staten, de huidige zwakte van Rusland misbruikt om hun 'enige concurrent' voor eens en altijd uit te schakelen. Zij komen dan met onloochenbare voorbeelden: in de aanloop naar de Dayton-akkoorden over Bosnië werden veel besluiten over het hoofd van Rusland heen genomen, hoewel Rusland een partner in de contactgroep was. Pas na heel lang aandringen hebben de deuren van de G7 en de Wereldhandelsorganisatie zich een klein stukje voor Rusland geopend. En tenslotte heeft de Amerikaanse wapenindustrie een deel van de traditionele Russische markten overgenomen.

Amerikaanse scenario's

De Amerikaanse politiek ten aanzien van Rusland wordt gekenmerkt door twee stromingen. De eerste wil de huidige zwakte van Rusland gebruiken om geopolitieke veranderingen door te voeren en de vroegere wereldmacht definitief aan banden leggen, voordat Rusland weer tot imperialistische gedachten komt. De andere stroming ziet in de strijd om de NAVO-uitbreiding naar het Oosten en de daaruit voortvloeiende bereidheid tot compromissen van Russische zijde de mogelijkheid om tot een nieuwe vorm van samenwerking te komen, die uiteindelijk gebaseerd moet zijn op erkenning van de wederzijdse (kapitalistische) belangen
De balans tussen beide scenario's leek door te slaan in de richting van het eerste, onder de toenemende invloed van de Republikeinen in de Amerikaanse politiek. Met de onmiddellijke Russische stopzetting van de samenwerking met de NAVO is men weer terug bij af. De komende tijd zal moeten leren in hoeverre Rusland nog bereid is zich als 'vernederde partij' neer te leggen bij de Amerikaanse machtspolitiek. Het politieke gemanoeuvreer van Jeltsin tijdens de Kosovocrisis heeft hierin geen duidelijkheid gebracht. Pro-westerse hervormers in Rusland lijken evenwel een moeilijke tijd tegemoet te gaan, terwijl voor nationalisten en communisten de deuren wijd openstaan. De parlementsverkiezingen aan het einde van dit jaar in Rusland zullen duidelijk moeten maken welke invloed Kosovo en de NAVO op het Russische volk hebben gehad.

Ironie van de geschiedenis

Nu zijn er dan Russische troepen in Kosovo. De eerste troepen kwamen uit Bosnië-Hercegovina, waar zij onderdeel uitmaakten van de S-FOR. Hun aanwezigheid daar was al ingegeven door de Russische wens om te laten zien dat het een grootmacht blijft, zeker in het geval van de Balkan. Voordat de NAVO-troepen in Kosovo waren bezetten de Russen al het vliegveld van Pristina. Een akkoord over de Russische rol in Kosovo werd pas later bereikt. De ironie van dit alles is dat een van de hoekstenen van de Westerse politiek in de laatste tientallen jaren was om Sovjet- en Russische troepen buiten de Balkan te houden. En dan verlaten 200 para's hun door de NAVO gedomineerde 'vredesmissie' in Bosnië om zich een rol in Kosovo toe te eigenen.
Op 26 juni keurt Jeltsin het besluit goed om 3616 Russische militairen aan de K-FOR te leveren, voorlopig tot 10 juni 2000. Een enquête onder de Russische bevolking maakt intussen duidelijk dat 55% tegen stationering van Russische militairen in Kosovo is, en dat slechts 28% voorstander is.
En intussen woeden de tegenstellingen tussen Rusland en het Westen voort. Jeltsins speciale afgevaardigde voor Joegoslavië, ex-premier Viktor Tsjernomyrdin, verklaart op 26 juni dat "de aanklacht door het tribunaal in Den Haag tegen Slobodan Milosevic een niet-serieuze aanpak" is en dat het tribunaal dit besluit nam "zonder ernstige beoordeling van de situatie". Hij bekritiseerde ook de Verenigde Staten vanwege de bereidheid daar tot betaling van 5 miljoen dollar voor informatie die leidt tot Milosevic's arrestatie. Volgens Tsjernomyrdin is Milosevic "op dit moment de legaal gekozen president van Joegoslavië. Wij vinden dat het Joegoslavische volk zelf deze kwestie moet oplossen." Ook sprak Tsjernomyrdin er zijn 'verbazing' over uit dat het tribunaal nog niet begonnen is met een onderzoek naar mogelijke oorlogsmisdaden door het UCK.


Bas van der Plas
InSudok, informatie- en documentatiecentrum over de voormalige Sovjet-Unie en het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS)



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Kernwapenpolitiek -

Kernwapens verdelen NAVO een beetje

In zes NAVO-lidstaten, waaronder op de Nederlandse luchtmachtbasis Volkel, liggen nog steeds Amerikaanse kernwapens opgeslagen en worden nog steeds onderdelen van de luchtmacht opgeleid om die bommen te gebruiken.
Recentelijk heeft de NAVO haar kernwapendoctrine opgepoetst. Daarbij kon niet verhuld worden dat er barstjes in de korst ontstonden. Enkele NAVO-leden willen de functie van kernwapens in de militaire strategie verkleinen. Maar dat is niet gelukt en kan de wereldwijde politiek van non-proliferatie bedreigen.

Het had wellicht voor de hand gelegen om na het einde van de Koude Oorlog en het tot stand komen van een reeks nucleaire ontwapeningsverdragen af te zien van de optie om kernwapens te handhaven. Sterker nog, in een in 1996 afgegeven uitspraak van het Internationale Gerechtshof, wordt dit type wapens illegaal genoemd.
In het al langer bestaande Non-Proliferatie Verdrag (NPV), ondertekend door alle NAVO-lidstaten, wordt zelfs plechtig beloofd dat men zal streven naar nucleaire ontwapening. Het voortbestaan van de nucleaire slagkracht van de NAVO is dan ook in de ogen van een groot deel van de wereld in flagrante tegenspraak met de bedoeling van de ondertekende verdragen.

Doctrine en persbericht

Die foute opstelling werd ook voortgezet op de NAVO-top in Washington, eind april j.l., waar de strategie van de NAVO in het algemeen en de nucleaire doctrine in het bijzonder, werd herformuleerd. Uit het Strategische Concept, het beleidsdocument waarvan een nieuwe versie tijdens de top werd aangenomen blijkt dat de NAVO onverminderd vasthoudt aan kernwapens als centraal onderdeel van haar militaire slagkracht, inclusief de kernwapentaak van Nederland en daarmee de kernbommen op Volkel. (noot 1)
In het tegelijkertijd door de NAVO uitgebrachte perscommuniqué (NAC-S(99) 64, 24 april 1999) worden nieuwe stappen aangekondigd, waaronder het bestuderen van opties voor nucleaire ontwapening. (noot 2) Volgens een anonieme woordvoerder van de NAVO zal deze taak aan de High Level Group worden toevertrouwd. Dit is een bestaande werkgroep die adviezen formuleert voor de Nuclear Planning Group, waar nucleaire strategie wordt besproken.
In een verslag van de NAVO-top in de Tweede Kamer op 26 april 1999 beloofde minister Van Aartsen te werken aan vertrouwenwekkende maatregelen in de lijn zoals de Tweede Kamer dat wenst. (noot 3)

Openbaar meningsverschil

De merkwaardige verschillen tussen het document en het perscommuniqué weerspiegelen een meningsverschil tussen de VS, en Duitsland en Canada over de nucleaire doctrine van de NAVO. Deze strijd werd tussen de herfst van 1998 en de lente van dit jaar uitgevochten.
In juni 1998 hadden een aantal staten onder de noemer Nieuwe Agenda Coalitie hun ernstige zorgen over de stagnering in nucleaire ontwapening uitgesproken en gepleit voor verdergaande maatregelen. Het ging dit keer niet om de bekende niet-gebonden landen die kritiek hebben op het beleid van de kernwapenstaten, maar om een coalitie waar Zuid-Afrika, Nieuw-Zeeland, Egypte, Zweden, Ierland en anderen deel van uitmaakten. Toen die kritiek werd omgezet in een resolutie in de Verenigde Naties in november 1998, was dit reden voor twaalf van de (toenmalige) zestien NAVO-lidstaten om zich te bezinnen door zich van stemming te onthouden. Alleen de VS, Engeland, Frankrijk en Turkije stemden tegen. Aangezien het gebruikelijk is voor de kernwapenstaten en hun bondgenoten (dus ook de NAVO) om tegen zulke resoluties te stemmen, kan men spreken van een opmerkelijke gebeurtenis.

Tegen gebruik als eerste

Tegelijkertijd begonnen Duitsland en Canada een openbaar debat over het no first use-principe. Ze wilden dat de NAVO in haar nucleaire beleid afstapte van het eventueel als eerste gebruiken van kernwapens. Daartoe is de NAVO verplicht als gevolg van afspraken die zijn gemaakt in het kader van het Non-Proliferatie Verdrag. Maar het Atlantische bondgenootschap handhaaft nog steeds de optie om kernwapens als eerste te gebruiken. Het was het principe waar volgens de Duitse minister van buitenlandse Zaken Fischer (van de Grünen) aan getornd mocht worden. Hevig geschrokken door dit vloeken in de nucleaire kerk, lanceerden de drie NAVO-kernwapenstaten (VS, Groot-Brittannië en Frankrijk) een diplomatiek tegenoffensief om de schade te beperken. In februari 1999 verdween het debat uit de openbaarheid en eind april werd duidelijk waarom. De toezegging van de NAVO als geheel om in ieder geval te praten over opties voor vertrouwenwekkende maatregelen, zoals dat in het perscommuniqué werd geformuleerd (zie noot 2).
Indien deze verklaring ooit meer moet worden dan wat vage beloften, zal er de komende maanden meer druk op de betrokken regeringen moeten worden uitgeoefend. Voor een deel is die druk er al, van de Nieuwe Agenda Coalitie en de tientallen andere ondertekenaars van het Non-Proliferatie Verdrag die het faliekant oneens zijn met het nucleaire beleid van de NAVO (dus ook dat van Nederland) en bij meerdere gelegenheden hun ontstemming daarover hebben uitgesproken.

Belangrijke bijeenkomst

In april 2000 moet het NPV geëvalueerd worden. Men zal kijken of de afspraken over proliferatie van kernwapens en nucleaire ontwapening ook daadwerkelijk worden nageleefd. Voor alle activisten die actief zijn tegen kernwapens is dit een belangrijke bijeenkomst. Duidelijk zal worden of de ondertekenaars nog geloof hechten aan de beloftes van de kernwapenstaten of dat ze ervanuit gaan dat die niets te betekenen hebben. Het voortbestaan van een nog steeds tot de tanden bewapende nucleaire wereld zal dan tot ernstig gevolg hebben dat een aantal landen besluit dat ze uit het non-proliferatie verdrag stappen en zichzelf ook nucleair bewapenen.

Karel Koster
Werkgroep Eurobom/ PENN-Nl



Noten

  1. In paragraaf 62 van het Strategisch Concept (NAC-S(99 (65) 24 April 1999) staat: "De uiteindelijke garantie van de veiligheid van de geallieerden wordt gegeven door de strategische atoomstrijdkrachten van de Alliantie ..."
    In paragraaf 63 staat: de "Alliantie handhaaft adequate nucleaire strijdkrachten in Europa" en in paragraaf 64: deze "zullen bestaan uit 'dual-capable' vliegtuigen en een klein aantal Trident-atoomkoppen van het Verenigd Koninkrijk".
    Terug naar tekst
  2. In paragraaf 32 van het door de regeringsleiders uitgebrachte communiqué staat: "Alle bondgenoten zijn ondertekenaar van de centrale verdragen verbonden aan ontwapening en non-proliferatie van massavernietigingswapens, het nucleaire Non-Proliferatie Verdrag, de Biologische en Giftige Wapens Conventie en de Chemische Wapens Conventie, en zijn gebonden aan de volledige uitvoering van deze verdragen." En: in "het licht van de algemene strategische ontwikkelingen en de verminderde rol van kernwapens, zal het bondgenootschap opties beschouwen voor vertrouwen- en veiligheidbevorderende maatregelen, verificatie, non-proliferatie en wapenreducties en ontwapening. De Raad in permanente vergadering bijeen zal in december aan de ministers een proces voorstellen om zulke opties te bekijken. De verantwoordelijke NAVO-lichamen zouden dit moeten uitvoeren."
    Terug naar tekst
  3. Van Aartsen zei: "verdere opties op het gebied van non-proliferatie, wapenbeheersing, verificatie en vertrouwenwekkende informatie zullen worden besproken, zulks ook in lijn met de motie Koenders/Hoekema (21 april 1999, 26.600 V nr. 66)." Deze motie verzoekt de Nederlandse regering om "zich zo actief mogelijk in te zetten voor een initiatief in NAVO-kader dat identificeert hoe de NAVO kan bijdragen aan versterking van het NPV, waarbij de aangekondigde discussie over actualisering van de nucleaire strategie en de politiek-militaire rol van kernwapens, alsmede versterking van bestaande wapenbeheersingsregimes betrokken worden".
    Terug naar tekst



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Hague Appeal for Peace -

Een wereldburgerconferentie voor vrede?

In 1899, werd op de drempel van een nieuwe eeuw, op initiatief van tsaar Nicolaas II van Rusland in Den Haag een vredesconferentie gehouden voor staatshoofden en hun gevolmachtigde vertegenwoordigers. Afgelopen mei vond, honderd jaar later, het Hague Appeal for Peace plaats, waaraan vooral burgers en hun organisaties deelnamen. Deze groots opgezette conferentie heeft echter niet geresulteerd in een echte Agenda voor de Vrede vanuit het gezichtspunt van de civiele samenleving.

De conferentie van 1899 had ten doel om dreigende conflicten te voorkomen, toendertijd een nieuwe benadering. Tijdens de Eerste en Tweede Haagse Vredesconferentie (1907) werden afspraken gemaakt over zaken die nog steeds gezien worden als belangrijke peilers voor conflictpreventie. Er is een basis gelegd voor het Internationaal Hof van Arbitrage en het Internationaal Gerechtshof die beide nog steeds in Den Haag zetelen. Een derde thema dat meermalen terugkwam was ontwapening. Grote resultaten bleven uit (de wapenwedloop in Europa ging gewoon verder) maar het verbod op het gooien van bommen uit luchtballonnen was wel een eerste voorbeeld van de lijst wapensystemen die in de loop van de afgelopen eeuw in allerlei internationale verdragen met meer of minder succes zijn verboden.

Dit waren een aantal kleine, voorzichtige stappen in de goede richting, die evenwel niet konden voorkomen dat in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, waardoor de geplande Derde Haagse Vredesconferentie (1915) niet door kon gaan. Overigens slaagden tientallen vrouwen vanuit de hele wereld er toen wel in om in Den Haag bij elkaar te komen. Ook bij de Tweede Haagse Vredesconferentie was de plaats van de burgers al veel belangrijker geworden. Oorlog is in de loop van de afgelopen eeuw steeds minder een zaak geworden die uitsluitend aan staatshoofden is voorbehouden. Dat geldt natuurlijk ook voor de gevolgen van oorlogen in deze eeuw. In tegenstelling tot het klassieke beeld van oorlogsvoering komen er bij moderne oorlogen veel meer burgers dan militairen om; burgers waren ook steeds vaker het belangrijkste doelwit.

HAP

Toen een paar jaar geleden het initiatief tot een grote herdenkingsconferentie werd genomen, stond ook al meteen vast dat de betrokkenheid van burgers centraal moest staan. Het zou geen conferentie voor staatshoofden zijn (die werd rond 20 mei hun eigen feestje in de Ridderzaal gegund), maar een vredesconferentie voor en door burgers waarop een Agenda for Peace geformuleerd zou worden dat vervolgens aan de staatshoofden zou worden aangeboden als een oproep voor vrede vanuit de civil society: The Hague Appeal for Peace.
Deze conferentie vond van 11 tot en met 16 mei jl. plaats in Den Haag. Het was een groots gebeuren met in totaal 8000 deelnemers en met op alle dagen tenminste twintig parallelle workshops of paneldiscussies van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Het is echter de vraag wat er eigenlijk terecht is gekomen van het idee dat de (wereld)burger en de al even internationale civil society centraal moesten staan.

Gemiste kansen

Het initiatief tot en de coördinatie van deze conferentie lag heel nadrukkelijk in de wereld van de Niet-Gouvernementele Organisaties, met name bij het International Peace Bureau, de Wereldfederalisten en de Medici en Juristen tegen Kernwapens. Andere NGO's werden allervriendelijkst uitgenodigd zitting te nemen in het breder samengestelde Organisatie Comité (OC) dat verantwoordelijkheid zou nemen voor de inhoud van de conferentie en de resulterende documenten. Om ook organisaties van buiten de harde kern van de internationale vredesbeweging, zoals bijvoorbeeld Amnesty International, in dit OC te kunnen krijgen, werd besloten dat aangesloten NGO's niet verantwoordelijk hoefden te zijn voor het gehele programma, maar voor een bepaald, door hen te onderschrijven gedeelte. Al met al ontstond een weinig doorzichtige besluitvormingsstructuur rond de conferentie en werden veel, niet zelden beeldbepalende aspecten besloten door het Coördinerend Comité, bestaande uit de vier initiatiefnemende NGO's.

Het meest in het oog springende en ook meest bekritiseerde beeldbepalend aspect dat op die manier besloten werd, was de uitzonderlijk hoge toegangsprijs. Allerlei alternatieven, zoals die met name door de organisatie For Mother Earth werden voorgesteld, werden niet opgepikt, en de camping met maaltijdverstrekking in het Zuiderpark bleef een marginaal gebeuren. Voor veel grassroots vredesactivisten was de toegangsprijs een te hoge drempel om aan de conferentie deel te nemen. Om mensen toch nog naar de conferentie te trekken, nodigde het Coördinerend Comité een hele rij belangrijke mensen uit, die natuurlijk ook uitvoerig het woord mochten voeren, met name tijdens de plenaire sessies. Dit ging duidelijk ten koste van het ondersteunen van mensen (met name afkomstig uit het Zuiden) om een visum voor Nederland te bemachtigen en was zo een gemiste kans om de vredesconferentie er echt een van burgers wereldwijd te laten zijn.

Rol van burgers

Aanvankelijk hadden de initiatiefnemers besloten om de conferentie toe te spitsen op de drie strands of themavelden van de Eerste en Tweede Haagse Vredesconferentie: ontwapening, internationaal recht, en conflictpreventie. Naar aanleiding van een breed ondersteund verzoek vanuit de andere NGO's werd daaraan nog een strand toegevoegd waarin juist de sterk toegenomen rol van de burgermaatschappij centraal werd gesteld. Het ging hier om de rol die de media, het onderwijs, de vrouwenbeweging, religieuze stromingen, kortom: de cultuur, spelen ten aanzien van oorlog en vrede. Behalve ontwikkelingen op het gebied van ontwapening, internationaal recht en conflictpreventie heeft de wereld gedurende de afgelopen eeuw ook voorbeelden kunnen zien van de kracht van de media of al dan niet religieus gemotiveerde volksbewegingen om zich naar een oorlogssituatie te laten leiden of juist op geweldloze wijze een verandering in te zetten in de richting van vrede en rechtvaardigheid.

Hoewel iedereen het er wel in zekere mate over eens is dat de rol van de burger en van de civiele samenleving steeds belangrijker wordt (denk alleen al om het draagvlak dat nodig is voor militaire interventies, maar juist ook voor ervaringen die de laatste jaren zijn opgedaan met actieve betrokkenheid van burgers bij conflicten over de grenzen heen), bleef de invulling van deze strand een zorgenkindje. Het blijkt nog steeds moeilijk om de rol van burgers in het geheel van oorlog en vrede te onderkennen. Zo werd tijdens de laatste OC-vergadering vlak voor de conferentie door iemand voorgesteld om als The Hague Appeal for Peace een beroep te doen op mensen als Jimmy Carter en de paus om een eind te maken aan de Kosovo-oorlog. En dat terwijl vrede veel te belangrijk is om aan politici over te laten!

Er waren in mei veel inspirerende workshops en mensen van over de hele wereld om ideeën uit te wisselen en strategieën uit te zetten. Maar dat is al snel het geval als je ergens 8000 mensen gedurende een aantal dagen bij elkaar brengt. Tot een echte Agenda voor Vrede in de volgende eeuw, geformuleerd vanuit het gezichtspunt van de burger en de civiele samenleving heeft dit alles echter helaas niet mogen leiden.

Jan Schaake



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Zuidoost-Azië -

Zuidoost-Azië: economische crisis en de wapenhandel

"Activisten uit Azië en Europa komen vaak dezelfde problemen tegen. Ten eerste loopt men in beide regio's tegen de aanwezigheid van de VS op. Wapenhandel is een ander onderwerp dat beiden raakt." Aldus de inleiding op een rapport over vijf werkgroepen die werden gehouden op de Hague Appeal for Peace met deelname van activisten en onderzoekers uit (Zuid)Oost-Azië, West-Europa en Hongarije.

De financiële crisis heeft volgens Walden Bello veel negatieve gevolgen voor de ontwikkelingen in Zuidoost-Azië. Het waren niet alleen de economieën die schade ondervonden. Een ander slachtoffer van de crisis was "het Aziatische model van economische ontwikkeling," een staatsgeleide, op export gericht model van snelle groei. Dit model tartte zowel de VS als de doctrine van een vrije markt die wordt opgelegd door het IMF en delen van de Amerikaanse regering.

De crisis kon vervolgens door het IMF gebruikt worden om economieën in de regio te reorganiseren, en door de VS om zijn eigen agenda er door te drukken. Het IMF heeft in sterke mate samengewerkt met Indonesië, Thailand, Korea en de Filippijnen waarbij een model werd opgelegd dat een terugtredende overheid in de economie en een vrije financiële sector voorstaat en waarbij handelsbeperkingen worden afgebroken. In de tussentijd pikken Amerikaanse bedrijven de koopjes in van sterk in prijs gedaalde Aziatische bedrijven en bezittingen. Overigens zijn het niet alleen Amerikaanse bedrijven. De ABN-AMRO bank maakte onder meer van de crisis gebruik om zich in de stevig beschermde financiële wereld van Thailand te nestelen.

Gevolgen crisis

Deze economische verschuiving heeft verschillende gevolgen voor de veiligheid in de regio. Ten eerste zijn er interne conflicten door ontstaan of versterkt. Deze conflicten, zo benadrukt Bello, zijn niet altijd negatief. De economische crisis versterkte bijvoorbeeld de democratiseringsbeweging in Indonesië die Soeharto verdreef. Aan de andere kant versterken interne conflicten de mogelijkheid van interventie van buitenaf, speciaal door de Verenigde Staten en vooral in strategische landen als Indonesië. De economische crisis heeft ook de conflicten tussen landen versterkt. Deze conflicten konden worden onderdrukt tijdens de periode van voorspoed, maar komen nu aan de oppervlakte.

Tenslotte heeft de economische crisis tot gevolg dat ASEAN werd verzwakt. De verzwakking van ASEAN betekende ook een verzwakking van de ASEAN Regional Forum (ARF). Het ARF is in 1994 door ASEAN opgericht als eerste inter-gouvernementele politieke en veiligheids organisatie in oostelijk Azië. Lidmaatschap omvat landen uit Noordoost-, Zuidoost- en Zuid-Azië en tevens de VS en Europese Unie. Als platform voor het oplossen van conflicten werd ARF in de ogen van Bello belangrijker. Het promootte bijvoorbeeld de Zuidoost Aziatische Nucleair Vrije Zone, tegen oppositie van de VS in. Door de economische crisis zijn de mogelijkheden van ARF om op te treden als bemiddelaar tussen bijvoorbeeld China en de VS afgenomen.

Militarisering

Het resultaat is dat de belangrijke militaire krachten in de regio terugvallen op militaire methodes van conflict 'preventie' zoals containment en afschrikking. De Verenigde Staten, Japan en Zuid-Korea hebben hun militaire samenwerking versterkt. China toont haar spierballen bij het oplossen van het conflict om de Spratly's. China is echter niet Bello's belangrijkste zorg. "Ik ben bezorgd over de manier waarop de VS in dit vacuum is gesprongen," stelde hij. Onder Clinton heeft de VS een krachtige militaire strategie laten zien, vooral sinds 1995: de Amerikaanse troepensterkte bleef gehandhaafd; een nieuwe overeenkomst met de Filippijnen is bekrachtigd om het verlies van de Filippijnse basis eerder dit decennium goed te maken. In de tussentijd drukt de VS er een afweersysteem tegen ballistische raketten (TMD) door als bescherming tegen een vermeende dreiging van Chinese en Noordkoreaanse raketten. Tegen TMD, zo benadrukte Bello, moet oppositie gevoerd worden, omdat de installatie ervan strijdig is met een diplomatieke oplossing.

Defensie deskundigen uit de VS hebben zich het argument van Samuel Huntingdon's "Botsende beschavingen" eigen gemaakt en zien de mogelijkheid van een samenwerking tussen Islamisme en Confucianisme als de belangrijkste bedreiging van de belangen van de VS. De overeenkomst met de Filippijnen maakt het voor de VS mogelijk deze te gebruiken als basis voor een interventie in Indonesië. Bello besloot met te zeggen dat de containment van China in Noordoost-Azië en van het islamisme in Zuidoost-Azië de belangrijkste strategische doelen van de VS zijn.

Wapenhandel

Van 1993 tot 1997 namen de wapenimporten van ASEAN landen toe van $559 miljoen tot 2,9 miljard. Heel Azië importeerde voor 12 miljard aan wapens in 1997 (bijna 50% van wereldwijd alle import). De financiële crisis heeft dit veranderd. Met uitzondering van Singapore en Brunei hebben alle landen in Zuidoost-Azië en Zuid-Korea de waarde van hun valuta zien dalen. De uitgaven voor defensie namen daardoor sterk af en wapens werden aanzienlijk duurder op de wereldmarkt. De defensiebegrotingen van China en Taiwan werden slechts marginaal beïnvloed door de crisis. De wapens in Azië komen uit verschillende bronnen. De Verenigde Staten blijft de belangrijkste leverancier aan de regio (meer dan 40% van het totaal), gevolgd door de landen van de Europese Unie (sterk groeiend en nu al meer dan 30%) en tenslotte Rusland.

Martin Broek legt uit dat ondanks de recente ontwikkelingen de moderniseringsprogramma's vooral worden vertraagd door de crisis en niet verdwijnen. Maleisië en de Filippijnen in het bijzonder gaan door met hun voorgenomen moderniseringen. Zuid-Korea, waar de nationale valuta zich wat herstelt, heeft al een 6% toename van het defensiebudget genoemd voor 2000. China blijft zijn defensiebegroting verhogen en de VS verkoopt strategische wapens aan Taiwan. Duidelijk is dat de economische crisis de onderliggende redenen voor de onveiligheid in Azië niet weg heeft genomen, zoals ook al eerder in dit artikel werd opgemerkt.

Koreaanse escalatie

Het Koreaanse schiereiland is een belangrijk voorbeeld van onveiligheid in de regio, vooral door de scheiding van de beide Korea's. Deze scheiding heeft een escalatie van de militaire uitgaven veroorzaakt. "Japan versterkt zijn leger door te wijzen op een Noordkoreaanse dreiging met raketten en nucleaire wapens, legt Chang Soo Kim uit Korea uit. "Zuid-Korea beweert dat het zijn krijgsmacht moet versterken met onderzeeers, AWACS, patrouille vliegtuigen e.d. om zich te weren tegen de toegenomen sterkte van de Japanse krijgsmacht. Noord-Korea benadrukt vervolgens dat het zijn leger moet versterken vanwege het gevaar van een aanval door Zuid-Korea en de Verenigde Staten.

Francis Daehoon Lee uit Korea gaf een illustratie van de wijze waarop de Verenigde Staten er wapenverkopen door drukken. In december 1997 meende het IMF dat de Zuidkoreaanse regering zijn defensiebegroting moest verminderen en uitgaven voor sociale zekerheidsprogramma's moest verhogen. De Amerikaanse staatssecretaris voor Defensie Cohen reageerde onmiddellijk met de waarschuwing dat in zo'n geval Noord-Korea "vreemde dingen zou gaan doen." De discussie in Zuid-Korea verschoof daarna en de regering kondigde een stijging van 6% van het militaire budget aan voor de komende vijf jaar.

Het Nederlandse bedrijf Hollandse Signaal Apparaten was er als de kippen bij om voor 120 miljoen gulden apparatuur aan Zuid-Korea te leveren. De Duitsers zullen staan te dringen om de volgende onderzeeërs te verkopen. Het is goed om te weten dat aan de andere kant van de wereld mensen zijn die dit ook niet zien zitten (ook al lijkt hun kritische blik zich vooral op de VS te richten).

John Feffer (bewerking door Martin Broek)



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Turkije en de PKK -

Het lot van Öcalan en Turkije

Met het doodvonnis voor PKK-leider Öcalan staan zowel de republiek Turkije als de Koerdische bevrijdingsbeweging voor een beslissende keuze ten aanzien van hun politiek op de lange termijn. De executie van Öcalan, die is uitgegroeid tot een symbool van het Koerdische verzet tegen onderdrukking, zal zeer grote problemen in Turkije en daarbuiten veroorzaken. Verdere militaire acties van de PKK zullen de situatie van de Koerdische bevolking verergeren, zonder uitzicht op politieke winst. Het hernieuwde en gematigde vredesvoorstel van Öcalan biedt evenals de verkiezingswinst voor de Koerdische HADEP-partij wel perspectief. De Turkse politiek is hier echter vooralsnog niet klaar voor.

De machtspositie van Turkije is de laatste zes maanden aanzienlijk versterkt. Ten eerste heeft het Syrië in oktober tot uitwijzing van Öcalan gedwongen, ten tweede was (in samenwerking met de VS) Rusland eveneens tot uitwijzing te bewegen, toen Öcalan daar tijdelijk verbleef. Ten derde heeft steun van de VS en een boycot van Italiaanse producten en firma's door Turkse bedrijven en consumenten geresulteerd in de Italiaanse uitwijzing van Öcalan. Dit leidde in februari uiteindelijk tot diens arrestatie in Kenia.
De affaire Öcalan leverde een verdere verwijdering op tussen Turkije en de landen van de EU, een ontwikkeling die versterkt is door de oorlog tegen Joegoslavië. Niet alleen deed Turkije mee aan de bombardementen op dat land, maar kon in het kader van de K-FOR troepen in Kosovo stationeren. Dat is een bijzondere historische gebeurtenis omdat de voorganger van de Turkse republiek, het Ottomaanse rijk, tot 1908 heerste in de Balkan. Turks is op dit moment nog steeds de derde taal van Kosovo.

Verschillende posities

De Turkse politieke elite staat momenteel voor de strategische keuze hoe zich te oriënteren. Concentreert zij zich met haar Turks-nationalistische visie op de binnenlandse politiek en wat de buitenlandse politiek betreft op de voormalige Ottomaanse gebieden, of richt zij zich op het Westen en staat zij open voor kritiek op de Turks-nationalistische politiek, die zowel in binnen- en buitenland wordt geuit, en gaat zij over tot een milder beleid?
Alle belangrijke partijen van deze elite zijn voorstander van een politiek en militair sterk Turkije. Zij verschillen echter van prioriteit. In het komende jaar zal hun onderlinge machtsstrijd van groot belang zijn voor het lot van de Koerden en de politieke betrekkingen tot Europa.
Hoewel de relatie met de EU op dit moment slecht is en Turkije op zeer goede voet met de VS staat, is het voor toekomstige betrekkingen ongunstig voor Turkije om Öcalan te executeren. De EU is daarom momenteel bezig Turkije over te halen om haar gedrag te beteren. De beloning is vroeg of laat een EU-lidmaatschap.

Toekomst Koerdische beweging

De arrestatie van Öcalan is een zeer belangrijk feit in de beteugeling van de Koerdische opstand. De grote vraag is of deze arrestatie en de eventuele executie de Koerdische beweging vernietigen zal. Voordat een dergelijke confrontatie wordt aangegaan zal de Turkse regering hoe dan ook trachten de overige leiders van de PKK in handen te krijgen.
Daartoe heeft zij op 3 juli een nieuwe grote inval in Noord-Irak gedaan. Deze operatie duurde tien dagen en is gevoerd met steun van de onderling rivaliserende Iraakse Koerden van zowel de KDP als de PUK. Bij voorgaande operaties was kritiek van de EU te horen, die tot 1995 zelfs nog tot wapenboycots heeft geleid. Maar inmiddels moet, net als de Iraakse Koerden, ook Europa in deze invasies berusten om haar positie ten opzichte van Turkije niet verder te verslechteren.

Jacht op PKK gaat verder

De PKK-guerrilla heeft het grootste probleem. Zij heeft zich officieel gehoorzaam aan Öcalan verklaard. Maar ook Öcalan heeft laten weten dat er snel politiek resultaat moet komen, omdat hij anders zijn leger niet meer in de hand heeft. Dat resultaat zal er, als het aan de Turkse staat ligt, zeker niet (snel) komen, zodat de PKK zich gedwongen voelt zich te verwijderen van haar leider.
De Turkse staat probeert Öcalan en zijn generaals tegen elkaar uit te spelen. Half juli heeft de zevenkoppige militaire raad van de PKK verklaard alleen militaire en geen burgerdoelen in Turkije te zullen aanvallen. Dat verbetert in ieder geval de positie van Öcalan niet, maar heeft het ook positieve gevolgen voor de Koerdische beweging en bevolking in Turkije?

Gemeenteraadsverkiezingen

Een opvallend positieve ontwikkeling is de winst van 39 HADEP-burgemeesters en de overwinning van de HADEP bij de gemeenteraadsverkiezingen in Turks-Koerdistan. De Koerdische bevolking bewijst daarmee haar steun aan haar eigen politieke vertegenwoordigers, ondanks de zware tegenwerking van leger en politie. Deze gemeentebestuurders moeten bovendien functioneren onder de noodtoestand, die door het Turkse leger met harde hand wordt gehandhaafd.
De HADEP-gemeentebestuurders willen in de komende vier jaar een sociale politiek gaan voeren voor de Koerdische bevolking. De verkiezing van de bestuurders geeft een strategische orintatie voor zowel de Koerdische bevolking, de internationale solidariteitsbeweging als de Turkse regering. Hoewel Turkije in het verleden alle parlementariërs die opkwamen voor de rechten van de Koerdische bevolking heeft vervolgd, kan in deze HADEP-politici een legitieme partner voor de Koerdische rechten worden gezien.

Dilemma voor PKK

De vraag of de PKK de situatie van de Koerdische bevolking momenteel versterkt als het militaire doelen aan gaat vallen, lijkt negatief beantwoord te moeten worden. Militair gesproken wint de PKK niets als het eigen mensen in acties opoffert - politiek gezien nog minder, omdat het de tegenstelling met de Turkse gemeenschap in Turkije vergroot en evenmin werkelijke steun verwerft voor de zaak van de Koerdische burgerbeweging in Turks-Koerdistan. Vergroting van die steun is juist nodig om Öcalan te sparen en diens vredesvoorstellen aangenomen te krijgen.
In zekere zin staat de PKK-taktiek tot de executie van Öcalan los van de rest van de Koerdische beweging. De Koerdische bevolking heeft in de verkiezingen bewezen dat zij de Koerdische politieke partijen op grote schaal steunt. Als de PKK in de komende jaren militair volledig verslagen zou worden, wat helemaal niet zeker is, blijft deze politieke beweging in steden en dorpen bestaan. Maar het paradoxale en problematische is dat als de Turkse staat erin slaagt de PKK in het komende jaar militair terug te dringen, ook andere pro-Koerdische bewegingen harder zullen worden onderdrukt. Zo kan ze de HADEP verbieden en de verkozen vertegenwoordigers arresteren.

Nieuwe ronde onderdrukking

Een grootschalige bestrijding van de beweging vereist een nieuwe ronde van ernstige onderdrukking door het Turkse leger. In feite zal er nog harder moeten worden opgetreden dan de laatste vijftien jaar al is gedaan. Het verjagen van miljoenen Koerden en de vernietiging van duizenden dorpen hebben echter niet kunnen voorkomen dat de HADEP, die voor het eerst aan de gemeenteraadsverkiezingen deelnam, in de Koerdische gebieden als sterkste uit de bus kwam.
Op termijn kan hier de sleutel voor de Koerdische beweging liggen. De uitlatingen van Öcalan dat hij binnen de Turkse staat politieke en culturele rechten voor de Koerden wil - een logische voortzetting van eerdere uitspraken - kunnen het uitgangspunt zijn voor een vredesproces waarin een partij als de HADEP een rol speelt.

Turkse posities

Vanuit het perspectief van de Turkse regering zijn er de volgende posities. Premier Ecevit lijkt tegenstander van executie, maar kon voor de arrestatie van Öcalan niet regelen dat de doodstraf bij wet werd afgeschaft. Inmiddels zijn de verhoudingen in de nieuwe Turkse regering verhard en is de officiële afschaffing van de doodstraf zeer onwaarschijnlijk. Dat betekent dat het doodvonnis alleen nog in hoger beroep, dan wel door het Turkse parlement of in laatste instantie door president Demirel kan worden voorkomen.
Ecevit heeft verder aangekondigd dat er een wet voor spijtoptanten van de PKK komt. Inmiddels is een wetsontwerp onder druk van de fascistische MHP-partij, die ook deel uitmaakt van de regering, beperkt tot de laagste regionen van de partij.

Turkije en het Westen

Daarnaast is Ecevit erop gebrand de contacten met de Europese Unie sterk te verbeteren. Daarom schreef Ecevit begin juni een brief aan bondskanselier Schroeder, die op dat moment voorzitter van de EU was. Tegen de achtergrond van een EU-lidmaatschap van Cyprus, het doodvonnis van Öcalan als voorbeeld van de slechte mensenrechtensituatie, en het toegenomen belang van Turkije op de Balkan en in het Midden-Oosten richt Turkije opnieuw de aandacht op het Westen. Voor de toekomst op middellange en lange termijn heeft Turkije het Westen nodig voor kapitaal en technologische kennis. De verhouding met de VS is uitstekend, maar die met de EU moet nog sterk verbeterd worden.
In Europa is er momenteel om diverse redenen de bereidheid ontstaan Turkije mettertijd toe te laten tot de rangen van de EU. Daartoe zijn drie scenario's zichtbaar.
In de eerste plaats is er de motie van het Italiaanse parlement waarin gevraagd wordt om amnestie voor Öcalan en politieke en culturele rechten voor de Koerden in ruil voor het EU-lidmaatschap voor Turkije. Deze publieke vertoning was wederom aanleiding voor grote woede in Turkije.
Ten tweede wordt in Finse kringen, momenteel voorzitter van de EU, gedacht over het loskoppelen van het lidmaatschap van de WEU (Westeuropese Unie, de nog zwakke defensiepoot van de EU) van het lidmaatschap van de EU. Dat zou aanleiding kunnen zijn Turkije als NAVO-lid, lid te maken van het Europese strategische defensie-initiatief (ESDI). Deze ESDI zou voor Turkije de brug tussen NAVO en EU kunnen zijn, die uiteindelijk met tal van tussenstationnen tot het EU-lidmaatschap kunnen leiden.
In Duitsland probeert minister van Buitenlandse Zaken Fischer Turkije zachtjes te kneden door in het openbaar geen al te controversiële uitspraken te doen. Daarmee moet dit najaar Turkije officieel kandidaat voor het EU-lidmaatschap worden. Tevens zal er dan een tijdschema moeten komen dat tot het volwaardige lidmaatschap moet leiden.

Extreem-rechts, pers, links en leger

De grote nieuwkomer in de Turkse regering is de ultranationalistische, of fascistische, MHP. Deze partij is een groot voorstander van daadwerkelijke executie van Öcalan. Meer dan Ecevit en andere Turkse toppolitici oriënteert zij zich op de Turkstalige gebieden buiten Turkije, vooral in Centraal-Azië. De MHP is een zeer activistische, groot-Turkse partij. Zij loopt in haar programma harder en is luider dan de overige krachten in Turkije, zoals Ecevit, Demirel, de pers en de legerleiding.
De grote pers is ten opzichte van Öcalan bloeddorstig en zeer Turks-nationalistisch. Ze heeft een eigen functie in het binden van de Turkse politieke opinie aan het Turks-nationalistische idee. De opvattingen van alle grote kranten, die in handen zijn van slechts een handjevol magnaten met eigen politieke programma's, komen overeen op het vlak van de rol van Turkije in de wereld en de Koerdische beweging. De pers is de megafoon van de regeringspartijen en de legerleiding.
De rol van linkse groepen is verwaarloosbaar in dit spectrum. Er zijn naast de HADEP nog enkele partijen van Turks-links die zich tegen executie en voor vredesoverleg uitspreken, zoals de ÖDP en de EMEP, maar hun rol is zeer klein. Indien het tot een vredesproces komt zouden zij ruimte kunnen krijgen om in belang te groeien.
De rol van de legerleiding is zoals altijd cruciaal voor het lot van de Koerdische beweging in het algemeen en Öcalan in het bijzonder. Maar zij is zeer moeilijk te doorgronden. Abdullah Öcalan en de PKK stellen dat zij sinds 1993 in onderhandeling zijn geweest met bepaalde sectoren van de legerleiding. Ook de in oktober 1998 aangeboden wapenstilstand van de PKK was gecommuniceerd met delen van de legerleiding. Wie dat zijn is niet duidelijk en hoe sterk hun positie is, laat zich gezien de stand van zaken raden.

Öcalans contacten

Turkije zal het komende jaar dus trachten de PKK verder in het defensief te dringen en haar leiders te pakken te krijgen. Daarmee wordt Öcalans positie nog zwakker. Het is weliswaar waarschijnlijk dat hij in contact staat met delen van de legerleiding, maar die willen hem gebruiken als ledepop om de Koerdische beweging te verdelen en te verzwakken. In hoeverre Öcalans gesprekspartners van de legerleiding daadwerkelijk iets in te brengen hebben is onduidelijk. Feit is dat deze contacten, die tot een akkoord zouden kunnen leiden, zeer zorgvuldig moeten worden behandeld. Een lek naar de pers zou alles stukmaken. Öcalans politieke hoofddoel lijkt dat hij aan zijn vredesaanbod in ieder geval een openlijke erkenning van de PKK als onderhandelingspartner wil overhouden. Hij is bereid daartoe zeer veel in te leveren. Als dat eenmaal is gelukt, zou dat resultaat kunnen worden uitgebouwd.
Ook als er een toegeving van de Turkse staat aan de Koerden komt, waarvoor het nu gezien de stemming in de Turks-nationalistische beweging veel te vroeg lijkt, moet een dergelijk akkoord zeer goed gebracht worden, omdat deze Turkse tegenkrachten in de maatschappij immens zijn. Daarvoor is op zijn minst veel tijd nodig. Voor de Turkse staat zou het beter uitkomen als daarvoor een andere partner in de onderhandelingen dan de PKK voorhanden is.
De rol van HADEP in combinatie met het voorstel van Öcalan zou door buitenlandse regeringen en solidariteitsgroepen moeten worden aangegrepen om er bij de Turkse regering op aan te dringen tot erkenning te komen van politieke en culturele rechten van de Koerden. Indien de Turkse staat echter tot executie van Öcalan overgaat is de deur naar vrede voorgoed dicht.
De Koerden zullen executie op geen enkele wijze accepteren. Öcalans positie onder de Koerden in de hele wereld is tijdens het laatste half jaar aanzienlijk verbeterd. Hij wordt aanvaard als de leider en het symbool van het verzet tegen de onderdrukking van het Koerdische volk.

Guido van Leemput



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Koerdistan -

Nederland medeplichtig aan dood dienstweigeraar

Op maandag 12 juli kregen de ouders van Suleiman Aksoy uit Malatya in Turks-Koerdistan het bericht dat hun zoon zelfmoord had gepleegd. Suleiman Aksoy was als dienstplichtige in het militaire ziekenhuis GATA in Ankara gelegerd. Toestemming voor autopsie werd niet gegeven, omdat de militaire officier van justitie de officiële doodsoorzaak al had vastgesteld. De familie Aksoy werd gewaarschuwd de kist niet te openen. Toen zij dat toch deden bleek het lichaam volledig verminkt. De bange vermoedens dat hij was doodgeslagen lijken daarmee bevestigd.

Suleiman Aksoy vluchtte in 1995 als twintigjarige naar Duitsland. Hij wilde ontkomen aan de militaire dienst die hij in het Turkse leger moest vervullen.
In oktober 1998 werd zijn asielverzoek in Duisburg afgewezen. Om aan uitwijzing naar Turkije te ontkomen vluchtte hij naar Nederland. Op 28 oktober 1998 werd hij met 17 andere Koerdische vluchtelingen in Rotterdam opgepakt. Op 30 oktober vroeg hij asiel aan, omdat hij niet in het Turkse leger wilde dienen. Suleiman Aksoy kwam beslist voor asiel in aanmerking. De Haagse rechtbank heeft immers in juli 1998 beslist dat ze dienstweigerende Turkse Koerden als gewetensbezwaarden erkent als zij niet tegen de eigen bevolking willen vechten.
Aksoy had zulke gewetensbezwaren, maar de rechtbank oordeelde op 8 april jongstleden dat hij onvoldoende betrokkenheid had bij de Koerdische strijd en onvoldoende Koerdisch sprak om hem als Koerd te kunnen aanmerken. Het vraagstuk van gewetensbezwaren ontweek zij daarmee. Op 28 april werd Suleiman Aksoy na een verblijf van zes maanden in de Willem II-vreemdelingengevangenis in Tilburg naar Turkije gestuurd.
Nadat hij bij aankomst in Istanboel twee dagen hard is verhoord, werd Suleiman Aksoy overgebracht naar zijn kazerne om zijn militaire dienst te vervullen. Binnen enkele weken was hij dood.
Vreemde zelfmoordgevallen onder Turks-Koerdische dienstplichtigen komen vaak voor. Uit een onlangs door het Studiecentrum Turkije verspreidde (Turkstalige) studie over de mensenrechtensituatie in het Turkse leger in 1998, blijkt dat in dat jaar 21 gevallen van zogenaamde zelfmoord onder Koerden in het Turkse leger voorkwamen.

Guido van Leemput

Türkiye'de Ordu ve Insan Haklari Ihlalleri.
Dit (turkstalige) boek (150 pagina's) is verkrijgbaar via het Studiecentrum Turkije, Postbus 94802, 1090 GV Amsterdam
Prijs ¦ 30,- inclusief porto.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Inlichtingendiensten -

Spionagewet terug naar Raad van State

De behandeling van de nieuwe Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (zie VD AMOK 98/4) in het parlement lijkt aanzienlijke vertraging op te lopen. Dit geeft meer ruimte voor maatschappelijk debat. Op een bijeenkomst in de Balie in Amsterdam bleek dat de politieke discussie zich vooral op de controle gaat toespitsen.

Begin maart heeft minister Peper een brief aan de Tweede Kamer gestuurd (nr. 25877 en 26158 nr. 6) waarin hij wijzigingen aankondigde in het wetsontwerp. Een aantal daarvan waren dermate ingrijpend dat een nader advies bij de Raad van State moest worden ingewonnen. In de brief kondigde de minister nog aan dat hij na een spoedavies van de Raad het gewijzigde wetsontwerp 'niet eerder dan eind april' naar de Kamer zou sturen. Maar bij het begin van het zomerreces was er nog geen enkele beweging te bespeuren.

De minister was vrij vaag over wat de voorgestelde veranderingen nu precies inhouden. Het gaat onder meer om een wijziging in de taakstelling van de AIVD (de huidige BVD) en de MIVD (nu de MID). Op de aanmerkelijke taakuitbreiding die het nieuwe wetsvoorstel voor deze diensten impliceert, was vorig jaar al vrij veel kritiek gekomen, ook van de toen nieuw gekozen kamerleden. Dat had bijvoorbeeld betrekking op de letterlijk onbegrensde mogelijkheden voor offensieve spionage en geheime acties in het buitenland in het nieuwe wetsontwerp. Daarbij werd ook nog eens geconstateerd dat het werkterrein van beide diensten onvoldoende was afgebakend, zodat de mogelijkheid dat men elkaar in de haren zou vliegen niet denkbeeldig was.

Een tweede wijziging heeft in elk geval betrekking op de zogenaamde notificatieplicht. Dat is de mededeling achteraf aan de burger dat hij of zij gedurende enige tijd object van onderzoek is geweest. De notificatieplicht (nu niet in het wetsontwerp opgenomen) is een eis die door het Europese Hof voor de Mensenrechten wordt gesteld aan nationale wetgeving. Hij is van groot belang voor de betrokkenen om zich te verweren tegen onterechte snuffelarij door de diensten. Daarvoor moet je immers eerst weten dat je bespied bent.

De vertraging in de behandeling van de wet geeft iets meer ruimte voor maatschappelijk debat. Dat bleek ook op een goed bezochte bijeenkomst in de Balie in Amsterdam op 22 maart jl. die was georganiseerd door Buro Jansen en Janssen en VD AMOK. Daar debatteerde een panel bestaande uit Gerrit-Jan van Oven (PvdA), Ab Harrewijn (GroenLinks), Atzo Nicolaï (VVD), Tom Barkhuisen (NJCM) en ondergetekende over het wetsvoorstel.

Hun eigen agenda

De kamerleden uitten zich af en toe tamelijk kritisch. Overigens moet men zich wat betreft het bestaansrecht van de diensten hier ook weer niet al te veel illusies van maken. Van de kamerleden sprak alleen Harrewijn zich uit voor een veel kleinere kerndienst die zonodig deskundigheid in kon kopen bij gespecialiseerde wetenschappers. Hij was er bovendien voor dat informatie die publiekelijk vergaard wordt ook verantwoord wordt in openbare rapportages.

Van Oven achtte de inlichtingendiensten een noodzakelijk kwaad waarbij controle en toegankelijkheid van gegevens zo goed mogelijk geregeld zou worden. De combinatie van openbare en geheime bronnen in rapportages, die dan dus automatisch geheim blijven, vond hij juist aantrekkelijk. Wel maakte hij zich zorgen over de ontwikkeling op Europees niveau waar de samenwerking tussen de geheime diensten steeds intensiever wordt in combinatie met een steeds duidelijker gebrek aan parlementaire of anderszins democratische controle. Overigens bleek Van Oven tot grote hilariteit van de zaal de afgelopen zomer stage te hebben gelopen bij de BVD.

Parlementaire enqêteurs

Wat de methoden betreft maakten de kamerleden zich niet al te veel zorgen behalve op het punt van de criminele burgerinfiltranten 'die per definitie hun eigen agenda hebben.' Men was het met Harrewijn eens dat de grens met uitlokking gemakkelijk kan worden overschreden. Overigens bleek Harrewijn een ervaringsdeskundige: in zijn studententijd was hij door de BVD benaderd om mee te gaan inbreken. Verontwaardigd had hij de lokagent de deur gewezen. Ook Nicolaï vond dat het gevaar voor uit de hand lopen van dit soort acties juist bij een geheime dienst erg groot was. Toch was hij ook weer niet zonder meer tegen infiltratie door criminele burgeragenten. Men werd het uiteindelijk alleen eens over betere controle op dit middel.

Voor ondergetekende was dit aanleiding om op te merken dat de officiële terughoudendheid ten aanzien van het plegen van delicten door infiltranten, zoals die door opvolgende ministers is beleden, met dit wetsontwerp definitief verlaten wordt. De methode wordt geestdriftig omhelsd, terwijl de beslissingen ook nog eens naar een zeer laag niveau in de organisatie van de geheime dienst worden gemandateerd. Dat zou over een jaar of tien wel eens flink wat werk voor parlementaire enqêteurs kunnen opleveren. Want de ellende met de criminele burgerinfiltranten en hun agenda's verschuift nu naar de inlichtingendiensten.

De meeste ruimte voor nieuwe voorstellen lijkt er te zijn op het punt van de controle. De door de overheid zelf benoemde controlecommissie werd allerwegen onvoldoende gevonden. Ook Nicolaï vond controle van buitenaf door een onafhankelijke commissie noodzakelijk, hoewel hij geen voorstander was van openbare controle op de geheime dienst ('een contradictio in terminis'). De vraag of de VVD dan voor een andere benoemingsprocedure voor de commissie was dan de in de wet genoemde, ontweek hij voorlopig nog. Van Oven vond een onafhankelijke commissie van toezicht naar Duitse snit de beste weg. In Duitsland heeft deze commissie besluitvormende bevoegdheden; ze kan tegen een dienst zeggen wat wel en niet mag. Zo'n commissie hoort in zijn visie door het parlement te worden verkozen.

Vanuit de zaal bleef advocaat Jurjen Pen sceptisch. De controleurs komen toch uit hetzelfde circuit als de fractievoorzitters en ministers die verantwoordelijk zijn voor het huidige gebrek aan controle. Als zo'n dienst de deuren sluit voor de externe controleurs krijg je er zeker geen greep op. Hij pleitte voor verschuiving van zoveel mogelijk taken naar de in elk geval nog door de rechter gecontroleerde politie.

Kees Kalkman




BVD-Inzagebeleid opnieuw veroordeeld

De rechtbank in Arnhem heeft in een uitspraak van 13 juli 1999 de wijze waarop de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) documenten voor inzageverzoeken selecteert, veroordeeld.

Deze uitspraak betekent een nieuwe fase in de steeds succesvollere strijd om inzage in BVD-dossiers. De Vereniging Voorkom Vernietiging (VVV) heeft voor haar leden al meer dan 150 inzageverzoeken in persoonsdossiers gerealiseerd.

Bij inzageverzoeken maakt de BVD op basis van het zogeheten moederdossier een selectie. Deze selectie wordt als inzagemap verstrekt. De BVD selecteert onder meer op basis van actualiteit. Actuele gegevens worden niet verstrekt.

De uitspraak valt de BVD aan op het niet motiveren van de selectie naar de eiser en naar de rechtbank zelf. De rechtbank vindt dat per geweigerd document de reden van weigering moet worden aangegeven, zodat de rechtbank een verantwoorde beslissing kan nemen. De uitspraak betekent dat de BVD in deze zaak alsnog de motivering moet geven of in hoger beroep moet gaan.

Bron: Persbericht VVV




Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- India-Pakistan -

Een explosief mengsel van kernwapens en wapenhandel

Ruim een jaar na de kernproeven is er weinig aanleiding voor een positief geluid over de Zuidaziatische regio. Het oplaaien van het conflict in Kashmir in mei dit jaar betekent de ernstigste crisis in de relatie tussen India en Pakistan sinds 1971, het jaar dat de twee landen voor het laatst met elkaar in oorlog waren. De vertroebelde verhouding heeft nu een bijzonder dodelijke lading gekregen. De dreiging van een kernoorlog in Zuid-Azië speelt niet langer met een waanidee, maar met een reële mogelijkheid.

Veel kernwapencritici zien de kernproeven in India en Pakistan als directe oorzaak van de zorgwekkende ontwikkelingen van het afgelopen jaar. De proeflanceringen van nieuwe middellangeafstandsraketten die daar in april van dit jaar op volgden hebben die ongerustheid alleen maar vergroot. Een jaar na het behalen van de dubieuze status van officiële kernmacht maakten vredesactivisten in Utrecht de balans op. Zij waren te gast op een door AMOK, de Landelijke India Werkgroep en Kerk & Vrede georganiseerde bijeenkomst. Onder voorzitterschap van Stan Termeer, hoofdredacteur van Onze Wereld, spraken Praful Bidwai, I.A. Rehman, Karamat Ali en Karel Koster over de situatie in India en Pakistan en de internationale dimensies van een nieuwe kernwapenwedloop.

Kernproeven

Terugkijkend op de kernproeven meent Praful Bidwai, gerespecteerd columnist en een van de oprichters van MIND (Movement in India for Nuclear Disarmament), dat zelfs de meest enthousiaste aanhangers van de nucleaire politiek onmogelijk enige winst kunnen claimen. "Zij hadden bijvoorbeeld gehoopt dat kernbewapening de status van India en Pakistan in de wereld zou verhogen. Zij hadden gehoopt dat India's claim op een permanente zetel in de VN Veiligheidsraad zou worden versterkt. Zij hadden gehoopt dat India en Pakistan een genormaliseerde relatie zouden kunnen aangaan. En zij hadden gehoopt dat kernwapens stabiliteit zouden creëren in de veiligheidssituatie van de regio als geheel. Niets van dit alles is gebeurd. India en Pakistan hebben de veiligheid juist verminderd in plaats van verbeterd." De oplopende spanning rond Siachen, het gletsjer gebied in de Himalaya's waar de bestandslijn die Kashmir in tweeën deelt stopt, is het meest recente bewijs daarvan. Bidwai: "Al dat soort confrontaties kunnen nu een buitengewoon gevaarlijke nucleaire dimensie krijgen. We weten dat het hebben van kernwapens nog niemand echte veiligheid heeft gegeven." Al sinds 1984 staan Indiase en Pakistaanse troepen tegenover elkaar in Siachen, een onherbergzaam gebied in Kashmir, gelegen op een hoogte variërend van drie- tot zevenduizend meter.

Ook hebben de kernproeven de diplomatieke positie van de twee landen ernstig ondermijnd. In vrijwel ieder internationaal gezelschap worden ze nu terechtgewezen. Niet alleen door de grootmachten van de G-8, maar ook in eigen kring. De SAARC, het verbond van Zuidaziatische staten, keurde de proeven af en ook de organisatie van niet-gebonden landen, waarin India altijd een leidende rol heeft gespeeld, heeft de kernproeven veroordeeld. Het heeft bovendien de invloed van de niet-gebonden landen op het gebied van de nucleaire ontwapening geschaad. Juist de niet-gebonden landen hebben altijd gehamerd op een koppeling van verdragen als het Non-Proliferatie Verdrag (NPV) aan een tijdschema voor de ontwapening van de kernwapenstaten. En dus kwamen zij die hadden gedacht dat de kernproeven een protest waren tegen de nucleaire wereldorde van een koude kermis thuis. Bidwai: "Ze probeerden de nucleaire club niet uit te dagen, ze wilden er juist bij horen. Als ondergeschikte, tweede-, derderangs leden. En daar zijn ze in geslaagd, maar tegen een enorme prijs wat betreft hun status en hun veiligheid." Daar dient de kanttekening bij te worden geplaatst dat een groot deel van de kritiek die India en Pakistan over zich heen kregen een hypocriete bijsmaak had.

Karel Koster van de Werkgroep Eurobom, de Nederlandse partner in het internationale Project on European Nuclear Non-proliferation (PENN), noemt in dit verband juist Nederland, dat als zelfbenoemd gidsland weer vooraan stond in de verontwaardiging van de internationale gemeenschap, terwijl het als NAVO-partner zich wel het recht toekent zelf kernbommen op te slaan op de luchtmachtbasis in Volkel. Wat dat betreft heeft vooral India zich altijd met recht verzet tegen kernwapenverdragen waarin niet duidelijk een tijdschema voor de ontwapening van de bestaande kernwapenlanden was opgenomen. Karel Koster: "In artikel 6 van het Non-Proliferatie Verdrag (NPV) wordt door de ondertekenaars de belofte gedaan dat zij serieuze stappen zullen ondernemen in de richting van nucleaire ontwapening. Desondanks liggen er kernwapens op Nederlandse bodem die bedoeld zijn om onder bepaalde omstandigheden ook werkelijk gebruikt te worden. Nederland is lid van een alliantie, de NAVO, met een nucleaire doctrine, die tijdens de laatste NAVO-top weer is bevestigd. Daarom bestaat er nog altijd de mogelijkheid dat we in tijden van oorlog kernwapens zullen gebruiken. Dat maakt van de Nederlandse ondertekening van het NPV natuurlijk een volslagen schijnvertoning." India en Pakistan gebruiken het nucleaire beleid van de NAVO als rechtvaardiging voor hun eigen kernwapenstatus, onder het mom: "Wat goed voor jullie is, is ook goed voor ons". Daarom is het volgens Koster zo belangrijk om de krachten te bundelen in de strijd tegen kernwapens in Zuid-Azië en die in het Westen.

Economische gevolgen

Karamat Ali, vakbondsman en een van de drijvende krachten achter de vorig jaar opgerichte Pakistan Peace Coalition (PPC), ziet de kernproeven als een mislukte poging van de regering om het geloof in eigen kunnen te versterken. Volgens hem hebben structurele aanpassingsprogramma's van het Internationaal Monetaire Fonds, de totstandkoming van de GATT-overeenkomsten en de oprichting van de wereldhandelsorganisatie WTO steeds meer mensen in Pakistan het gevoel gegeven dat hun land hoe langer hoe meer een speelbal werd van grote internationale financiële instellingen. Tegelijk zag men investeringen van de overheid in ontwikkelingsprojecten dalen, in een land dat gekenmerkt wordt door grote sociale verschillen. "Er bestond dus een angst dat men op economisch terrein de soevereiniteit verloor." De kernproeven hadden moeten bewijzen dat het land nog wel degelijk de touwtjes zelf in handen had. Karamat Ali vermoedt dat de Indiase proeven de Pakistaanse regering niet slecht uitkwamen.

Los van militair-politieke overwegingen, hebben ze de tests gebruikt als middel om hun macht te handhaven. En aanvankelijk met succes, de euforie over de bom leek een ogenblik de economische malaise verdrongen te hebben. "Maar binnen een paar dagen begonnen de mensen zich te realiseren dat ze niet konden leven van dit soort dingen, ze beseften ook dat er geen winnaar is in het nucleaire spel in Zuid-Azië", zegt A.I.Rehman, werkzaam bij de Human Rights Commission of Pakistan (HRCP), een van de grootste ngo's (niet-gouvernementele organisaties) van het land. Het enige voordeel van dit alles is dat er een debat op gang gekomen is dat tien jaar geleden nog volslagen ondenkbaar zou zijn geweest. Rehman: "Het zal niet gemakkelijk zijn, maar er zijn tekenen van hoop, die er enkele jaren terug nog niet waren."

De kosten van de militaire machtspolitiek zijn enorm. Praful Bidwai rekent voor dat zelfs een beperkt kernwapenarsenaal, pakweg een vijfde van dat van China, India minimaal 12 miljard dollar zal gaan kosten. "Als we door de kernproeven in een kernwapenwedloop met China terechtkomen, zullen onze uitgaven de pan uitrijzen en totaal onbeheersbaar worden. We moeten ons realiseren dat China dertig jaar voorsprong op ons heeft als nucleaire en strategische macht, en een economie heeft die drie maal groter is dan die van India." Daarnaast zijn er nog de sociale kosten van het nucleaire avontuur. Bidwai: "Er was een explosie van mannelijk chauvinisme, van fundamentalistisch nationalistische ideeën, van het meest radicale soort jingoïsme. (...) Men wilde het radioactieve zand van Pokhran, de testplaats, verzamelen en ter verering ermee in een feestwagen door het land trekken. Met dat soort groteske vormen van hindoe nationalisme gingen de kernproeven gepaard."

Onderdrukking

Niet minder verontrustend zijn de ontwikkelingen in Pakistan, waar het leger nog altijd een belangrijke vinger in de pap heeft. De Taliban heeft zijn opmars in Afghanistan voor een groot deel te danken aan de steun die het van Pakistan kreeg en krijgt. Daarnaast winnen fundamentalistische moslims ook in eigen land terrein. Vorig jaar heeft premier Sharif islamitisch recht à la Afghanistan geïntroduceerd en naar verwachting zal de nieuwe wet volgend jaar door de Senaat worden aangenomen. Toch is Sharif geen fundamentalist, maar meer een op macht beluste industrialist. Volgens I.A. Rehman wil hij met de draconische wetgeving niet alleen het sektarisch geweld in het land beteugelen, maar ook de oppositie monddood maken.

Een week na zijn bezoek aan Nederland ondervond Rehman dat aan den lijve. De nieuwsbrief van de HRCP werd door de autoriteiten verboden. De maatregel is onderdeel van een grote schoonmaakoperatie waarbij half mei niet minder dan 1941 NGO's werden verboden. Officieel omdat ze vals en frauduleus waren of tegen het nationale belang indruisden. Een aantal activisten wordt met lastercampagnes zwart gemaakt of krijgt ongevraagd inlichtingendiensten op bezoek. Samen met enkele collega's verdween de bekende journalist Najam Sethi begin mei voor vier weken achter de tralies, omdat ze meegewerkt hadden aan een BBC-documentaire over corruptie in Pakistan. Niet ten onrechte toonde Rehman zich daarom in Utrecht weinig hoopvol: "Ik durf zonder twijfel te stellen dat de bevolking van Zuid-Azië in de vijf decennia sinds de onafhankelijkheid geen werkelijk democratisch bestuur heeft gekend. Toch is er altijd hoop geweest dat men in de loop van het politieke experiment de wensen van de bevolking zou leren respecteren. Maar dat is niet gebeurd en door de kernproeven zal het op korte termijn ook niet gebeuren."

India heeft toegezegd niet als eerste kernwapens te zullen gebruiken en dat het geen kernwapenwedloop wil, maar slechts een minimum afschrikking. Inhoudsloze beweringen volgens Bidwai. Juist Pakistan hecht aan de optie als eerste naar kernwapens te kunnen grijpen, ter compensatie van hun zwakkere positie op het gebied van conventionele wapens. Verder is het ook absoluut geen defensief gebaar van India, integendeel. "OK, we zullen niet de eerste zijn die kernwapens gebruikt, maar als we ze gebruiken, kunnen we ze op een verwoestende manier gebruiken, dan zullen we jullie volledig van de kaart vegen." Met een verwijzing naar de kernwapenwedloop tussen de Sovjet-Unie en de VS tijdens de Koude Oorlog geeft hij aan hoe rekbaar termen als "minimum afschrikking" zijn. Bovendien heeft nog geen enkele Indiase leider kunnen aangeven wat dat minimum dan is. "Het enige wat ze zeggen is dat het geen vaste waarde is. Wat een minimum is ten opzichte van Pakistan, zal niets zijn ten opzichte van China. Deze minima hebben geen betekenis. Een kernwapenwedloop wordt per definitie niet alleen bepaald door mijn beslissingen, maar ook door die van mijn tegenstander."

Praful Bidwai stelt dat de waarde van de 'busdiplomatie' van februari dit jaar, toen de Indiase premier Vajpayee per bus zijn Pakistaanse collega Sharif opzocht in Lahore, niet moet worden overdreven. Voor een belangrijk deel vond de top plaats onder druk van de internationale gemeenschap. Met in het achterhoofd een spoedige verzachting van de internationale sancties hadden allebei veel belang bij een positief diplomatiek signaal naar de buitenwereld. Maar om te stellen dat het overleg een positief gevolg was van de kernproeven is de wereld op z'n kop. Bidwai: "Alledrie hier (Ali, Rehman en Bidwai - FS) zijn we betrokken bij initiatieven als het Pakistan-India Forum for Peace and Democracy. We zeggen tegen onze regeringen: stop deze nonsens. We zijn niet geïnteresseerd in oorlog, we zijn niet geïnteresseerd in onderlinge vijandelijkheden, deze retoriek moet stoppen. (...) Er zijn vele problemen die opgelost moeten worden, maar betrek daar niet hele samenlevingen in door ze met een niet aflatende logica van wederzijdse rivaliteit te veranderen in gewelddadige instellingen. Dit hadden we jullie vijf jaar geleden ook kunnen vertellen. Zo'n topontmoeting zou toen net zo hartelijk zijn ontvangen door mensen uit India en Pakistan. Het vond nu deels gedwongen plaats en niet vanuit een meer evenwichtige benadering van de onderlinge verhoudingen."

Toch blijft Bidwai geloven dat ondanks de tests van vorig jaar de weg naar een vreedzame oplossing nog niet is afgesloten. Met steun van de internationale vredesbeweging moet het mogelijk zijn een breder gehoor te krijgen voor de niet-militaire optie. Karamat Ali, die regelmatig in Nederland verblijft, had ook nog een boodschap voor de Nederlandse vredesbeweging. "Het is zo triest te zien dat Holland niet meer aan Hollanditis lijdt. Die ziekte had moeten blijven. Ik heb zelf deelgenomen aan de anti-nucleaire demonstratie in Den Haag in 1983; dat was iets ongelofelijks. Vandaag de dag zullen er misschien nog twintig mensen op af komen, terwijl sommige van de leiders van die beweging nu volslagen haviken zijn. Het is daarom belangrijk hier een sterke vredesbeweging te ontwikkelen."

Frank Slijper




Handhaaf het wapenembargo!

Het wapenembargo dat Nederland na de kernproeven tegen India en Pakistan afkondigde staat van meerdere kanten onder druk. Niet zo raar: de twee landen zijn beide goede klanten van de Nederlandse wapenindustrie (zie VD AMOK nr.3/1998). Nu het embargo al meer dan een jaar duurt dreigen een aantal bedrijven nieuwe orders mis te lopen en wordt er dus stevig gelobbyd voor een versoepeling van de regels. Indiase en Pakistaanse vredesactivisten pleiten echter voor handhaving van het embargo. In tegenstelling tot economische sancties, die vooral de armen treffen, raakt een wapenembargo direct het militaire apparaat, zo stellen ze. Gelukkig lijkt een overgrote Kamermeerderheid (exclusief de VVD) nog steeds het wapenembargo te ondersteunen.

De Indiase premier Vajpayee is nog niet thuis van het bezoek eind februari aan zijn Pakistaanse buurman Sharif, of VVD-Kamerleden Van den Doel en Hessing trekken minister van Aartsen aan zijn mouw met de vraag of het overleg in Lahore niet "een voldoende basis is om de bestaande vergunningenstop op de export van militaire goederen naar India en Pakistan op te heffen en zodoende aan te sluiten bij het beleid van de andere lidstaten van de EU?" Een moeilijke vraag waar de minister van buitenlandse zaken tien weken lang het antwoord op schuldig moet blijven. In die tussentijd is van het optimisme over de topontmoeting, voor wie dat al bezat, nog maar weinig over. India en Pakistan hebben in april hun Agni en Ghauri getest, middellangeafstandsraketten die een dikke tweeduizend kilometer moeten kunnen afleggen eventueel bewapend met (kern)-bommen. Het tijdschrift Jane's International Defence Review noemt de tests "een grotere bedreiging voor de stabiliteit in Zuid-Azië dan de kernproeven van het jaar ervoor". Van Aartsen vindt echter niet dat "de proeflanceringen een fundamentele stap terug betekenen op het pad van nucleaire wapenbeheersing en regionale samenwerking tussen India en Pakistan." Op termijn, Van Aartsen noemt een periode van 3 maanden, wil hij uitzonderingen voor bepaalde vervolgorders overwegen. Nieuwe exportaanvragen blijven vooralsnog kansloos.

Maar met een beetje creativiteit zijn er altijd sluiproutes te vinden. In maart trekt het Alkmaarse Dynaf, fabrikant van onder andere aggregaten voor radarsystemen van Hollandse Signaal (HSA), aan de bel bij de ouderenfractie van Noordhollandse Provinciale Staten. Tien aggregaten plus reserveonderdelen (waarde: ruim anderhalf miljoen gulden) voor de Indiase landmacht staan klaar voor verscheping maar krijgen geen exportvergunning vanwege het lopende embargo. Het ministerie van economische zaken wil wel helpen, maar buitenlandse zaken ligt dwars. Verder dreigt het bedrijf een nieuwe Indiase order voor nog eens 70 aggregaten (ter waarde van tien miljoen gulden) mis te lopen, waardoor de werkgelegenheid gevaar loopt. De noodkreet valt in goede aarde. Eind mei onthult het radioprogramma 'VPRO aan de Amstel' dat Dynaf met hulp van Gedeputeerde Staten en een districtsbestuurder van FNV Bondgenoten een voor de regering aanvaardbare oplossing heeft bedacht. Via een zogeheten 'u-bocht-constructie' worden de gereedstaande aggregaten ondergebracht bij een al voor het embargo verstrekte vergunning aan HSA en kunnen zo alsnog de deur uit. Met de nieuwe spanningen tussen India en Pakistan in Kashmir ziet Dynaf het voorlopig echter somber in voor de nieuwe miljoenenorder.

Ondertussen heeft de Indiase marine begin juni de destroyer Mysore in de vaart genomen. De Mysore is de tweede in een serie van drie in India gebouwde oorlogsschepen. De drie schepen hebben ieder een tweetal door HSA geleverde radarsystemen aan boord; nog een derde type radar is door het Indiase Bharat Electronics ontwikkeld op basis van HSA-technologie. Uit een ander marineproject rolt binnenkort de eerste van drie fregatten; ook hier zijn de radarsystemen weer van HSA afkomstig. De mogelijke rol van de marine in het Indo-Pakistaanse conflict is weinig belicht. Toch zijn beide marines sinds juni in opperste staat van paraatheid gebracht. De Indiase admiraal Sushil Kumar heeft zijn land verzekerd dat de marine een nucleaire aanval af kan slaan en in staat is met gelijke munt terug te betalen.

In afwachting van betere tijden blijft de Nederlandse industrie zo goed en zo kwaad als het kan de contacten warmhouden. Het embargo verbiedt bedrijven immers niet om wapenbeurzen in de regio af te lopen. Zo was HSA in november vorig jaar te gast op de luchtvaartbeurs Aero'98 in het Indiase Bangalore en een paar maanden later op de grootste wapenbeurs van de buren. Op de Pakistan Naval Defence Show'99 staat Signaal onder de paraplu van Thomson in het Franse paviljoen. Het bedrijf bevindt zich in Karachi in bekend gezelschap: een eindje verderop staat de stand van het laboratorium van Abdul Qadir Khan, de voormalige atoomspion van UCN.

Frank Slijper


Bronnen:
Aanhangsel Handelingen Tweede Kamer 1998-1999 Nr. 1335 en 1337
Jane's International Defence Review, mei 1999, p. 57




Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Column -

Spektakel

Eenzijdig ingrijpen in de binnenlandse aangelegenheden van onafhankelijke staten, vooral in Latijns Amerika en Midden-Amerika, is al meer dan honderdvijftig jaar een gebruikelijk onderdeel van de buitenlandse politiek van de Verenigde Staten. Veelal is er sprake van indirect actie, zoals bij de machtsgreep van de fascist Pinochet in Chili in 1973. Dikwijls gaat het echter om rechtstreeks militair ingrijpen. Meestal is het doel om linkse of linksige regimes te breken, zoals in Chili. Maar niet altijd. In 1989 werd Noriega, het dictatoriale staatshoofd van Panama (destijds zelf als CIA-agent door de Amerikanen daar neergepoot), wegens drugsactiviteiten gepakt. Daarvoor was een invasie nodig van 25.000 Amerikaanse mariniers met als 'collateral damage' 4.000 doden in de armenwijken van Panama-stad.

Op de jaarvergadering in juni jongstleden van de Organisatie van Amerikaanse Staten werd door de VS een plan voor een diplomatieke interventiemacht gelanceerd. De reacties hierop waren dan ook behoorlijk negatief. Allicht blijft zo een ingreep niet tot diplomatieke middelen beperkt. En zou het echt gaan om de bescherming van de democratie, zoals de Amerikanen beweerden, of om een voortzetting van de aloude interventiepolitiek in een nieuw jasje? Nieuw was namelijk de gedachte om niet alleen in te grijpen maar samen met enkele bevriende staten.

Zou het toeval zijn dat de Amerikanen met dat voorstel kwamen enkele dagen nadat Milosevic instemde met het G8-voorstel tot beëindiging van de oorlog om Servië? Die oorlog was een geval van eenzijdig militair ingrijpen in de binnenlandse aangelegenheden van een onafhankelijke staat, hoezeer ook gemotiveerd door humanitaire schijnargumenten. Amerika deed het niet in zijn eentje maar samen met de NAVO vrienden. Wie weet ligt daar de verklaring voor deze NAVO-aanval op Servië. Die schiep een goede voedingsbodem voor het verkopen van militaire interventie (moderner dan vroeger dus met een groepje) als een normale en succesvolle politiek.

Het wordt trouwens hoog tijd om de veelvuldige bewering te ontmaskeren dat democratie en vrije markt een soort twee-eenheid vormen. Onder Pinochet bloeide het particuliere ondernemen in Chili als nooit tevoren. In Hitler-Duitsland evenzeer: neem alleen al IG Farben.

Fred van der Spek



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina




Recensies Recensies Recensies
Recensies Recensies Recensies
Recensies Recensies Recensies




Global Trade, Local Impact
Arms Transfers to all Sides of the Civil War in Sudan

Human Rights Watch Report, augustus 1998
ISSN: 1079-2325
55pp.


Money Talks: Arms Dealing with Human Rights Abusers
Human Rights Watch Report, april 1999
ISSN: 1079-1876
54pp.


Kort na de Koude Oorlog dreigt voor Bulgarije het economisch faillissement. De door de staat gecontroleerde industrie is in veel gevallen totaal onrendabel. Veel bedrijven moeten hun personeel op straat zetten en de poort sluiten. Zo ook de Bulgaarse wapenindustrie, die begin jaren negentig vijftigduizend arbeiders heeft moeten ontslaan. Om de malaise het hoofd te kunnen bieden voert Bulgarije een agressief wapenexportbeleid waarbij het er weinig toe doet waar de wapens uiteindelijk terechtkomen. Als er maar harde valuta voor terugkomen. De Bulgaarse staatsfirma's als Teraton en Kintex mogen daarom jarenlang wapens leveren aan landen als Rwanda, Sierra Leone, Irak, Angola, Libië en het voormalige Joegoslavië, wapenembargo of niet. In een aantal gevallen (zoals Angola) doen zowel staatsleger als verzet zaken met Bulgarije. Hoe erg de economie ook mag kwakkelen, in 1996 verdient nog altijd twaalf procent van de beroepsbevolking het brood in de wapenindustrie. Het flexibele wapenexportbeleid geeft Bulgarije ook de reputatie een vrijhaven te zijn voor allerhande buitenlandse wapenhandelaars en hun stinkende zaakjes. Deals die elders op problemen stuiten kunnen altijd nog via Bulgarije hun einddoel vinden. Vanaf Oostende, thuishaven van veel wapentransporteurs, wordt opvallend veel gevlogen op Bulgaarse luchthavens. Via een Israëlische agent levert Bulgarije eind 1998 tanks aan Oeganda. Het leger voert daar al jaren oorlog met een aantal Oegandese guerrillaorganisaties, waarbij alle partijen zich schuldig maken aan grove schendingen van de mensenrechten. Volgens sommige bronnen zijn de tanks echter gekocht voor inzet in Zuid-Soedan, waar Oeganda lokale rebellen ondersteunt; anderen suggereren weer dat ze voor het eveneens door Oeganda gesteunde anti-Kabilaverzet zouden zijn bestemd.

Geen goede reputatie als je ook verwoede pogingen doet om lid te worden van de NAVO en de EU. De jongste Bulgaarse regering heeft daarom aangekondigd schoon schip te maken. Het stuit alleen op een ander probleem: veel wapensystemen zijn te verouderd om binnen de NAVO mee te kunnen doen. Omdat verschroten geen optie is voor een arm land ligt doorverkoop aan de hoogstbiedende het meest voor de hand. In 1994 verkocht Bulgarije een voorraad overbodig geworden wapens aan de Zuid-Jemenitische afscheidingsbeweging. Wat niet in de zakken van handige militairen verdween moet op den duur zijn weg weer vinden naar westerse wapenfabrikanten die reikhalzend uitkijken naar de Bulgaarse omschakeling tot NAVO-standaard. Bulgarije is niet de enige met een dergelijke reputatie als wapenexporteur.
In de rij landen die Soedan de afgelopen decennia van wapens hebben voorzien lopen de grote wapenleveranciers als de (ex-)Sovjet-Unie, de Verenigde Staten en China voorop. Soedan is het trieste voorbeeld van een eindeloze, mede door koude oorlogspolitiek gevoede burgeroorlog. Sinds de onafhankelijkheid in 1956 hebben Soedanezen slechts elf jaar de smaak van vrede mogen proeven. Afhankelijk van de politieke kleur van de macht sluisden Amerikanen en Sovjets jarenlang om beurten enorme ladingen wapens naar Soedan en Ethiopië, van oudsher de uitvalsbasis van de Zuidsoedaneze separatisten. De laatste jaren verdient vooral China aan de voortdurende oorlog. Iran ziet de regering in Khartoum als Afrikaanse springplank voor de verbreiding van de Islamitische revolutie en levert op grote schaal militaire steun.
Het geval Soedan laat duidelijk zien hoe diepe sporen wapenleveranties trekken. Met de bestaande wapenvoorraden in de regio kunnen zowel rebellen als het reguliere leger nog jarenlang doorvechten. De oorlog dreigt bovendien naar de rest van de regio over te slaan. Zowel Eritrea, Ethiopië als Oeganda steunen het Soedanese verzet, terwijl Soedan op zijn beurt ook weer onderdak biedt aan rebellen uit die drie landen. In 1997 mengde de VS zich opnieuw in de regio. Het startte een militaire hulpprogramma aan Ethiopië en Oeganda, mede om zich weer te kunnen bewapenen tegen aanvallen van rebellen vanuit Soedan.
Onderzoek naar de handel en wandel van landen waar het wapens betreft, kunnen een schat aan informatie opleveren. Zo ook deze twee rapporten van mensenrechten waakhond Human Rights Watch (HRW). Ze werpen een licht op de relatie tussen schendingen van de mensenrechten en wapenhandel. Het rapport over Soedan onderzoekt vanuit de 'vraagkant' de bewapening van alle partijen in de burgeroorlog. Het andere rapport geeft een uitgebreid overzicht van de betrokkenheid van Bulgarije bij de door- en uitvoer van wapens naar notoire schenders van mensenrechten.
Beide rapporten zijn ook te vinden op de website van HRW: www.hrw.org
(MB/FS)



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina





Wapenhandel
Samenstelling: Frank Slijper

Voor meer informatie over Nederlandse wapenhandel en -industrie: ga naar www.stopwapenhandel.org



HSA en de Indonesische president

In mei 1999 werd bekend dat Hollandse Signaal Apparaten (HSA) de maand ervoor - na druk van president Habibie - toestemming had gekregen om voor 81 miljoen gulden wapensystemen aan Indonesië te leveren. De leverantie kent een lange voorgeschiedenis.

De huidige president Habibie is tevens de wapenbaron van het eilandenrijk. In de jaren zeventig werd hij door zijn voorganger Soeharto teruggehaald uit Duitsland om in Indonesië een moderne defensie-, scheepsbouw-, en vliegtuigindustrie op te bouwen.

Op marinegebied is het belangrijkste project de bouw van patrouilleschepen bij de werf PT Pal in Soerabaya. Pal bouwt met Duitse technologie al enkele jaren zogenaamde snelle aanvalsboten. Het belangrijkste deel van de schepen (het geschut, de commandosystemen en andere militaire elektronica) komt echter vooral uit Zweden en Nederland. Eind 1994 tekenden HSA en PT Pal een contract voor de verkoop van vuurleidingssystemen, optische technologie en commandocentrales. De order werd belangrijk nieuws toen Jan Pronk zich eind 1995 tegen de levering uitsprak. De toenmalige minister van ontwikkelingssamenwerking vond dat het Indonesische leger niet in staat moest worden gesteld nog meer te doen wat niet mag. Zijn bemoeienis werd hem in Den Haag niet in dank afgenomen. Toch waren er aanwijzingen dat de levering doorging, hoewel er nog altijd geen exportvergunning was verstrekt. In 1996 vertelt minister Van Mierlo zijn Indonesische collega Alatas dat hij niet verwacht dat de levering op bezwaren zal stuiten, tenzij er belangrijke veranderingen optreden. Op vragen van de SP en GroenLinks antwoordt Van Mierlo dat de inzet van de Indonesische marine om binnenlandse opstanden de kop in te drukken geen beletsel is, omdat dit al jarenlang de taak van het Indonesische leger is en daarom niet nieuw en dus "geen belemmering voor een potentiële levering".

De berichten in de jaren erna bevestigen de voortgang van het project. In 1997 meldt een directeur van HSA's moederbedrijf Thomson dat Signaal bezig is het project uit te voeren. Vervolgens blijken ook de Zweedse kanonnen, die door HSA apparatuur aangestuurd moeten worden, geleverd te zijn. In september van dat jaar valt op de website van PT Len, de Indonesische producent van defensie-elektronica, te lezen dat ze bezig zijn met het opzetten van de hard- en software produktie voor vuurleidingsapparatuur, een onderdeel van het contract met Signaal. In 1998 gaat het militaire jaarboek Jane's Fighting Ships er van uit dat de patrouilleschepen al zijn uitgerust met een speciaal voor de Indonesische marine ontworpen versie van Signaals LIOD-vuurleidingssysteem.

Door gezamenlijk onderzoek van VPRO's radioprogramma Argos en AMOK kwam aan het licht dat in de periode 1995 tot 1998 een aantal exportvergunningen aan HSA zijn verstrekt voor leveranties aan Indonesië. Het lijkt erop dat de order in mootjes is gehakt en in 1999 uiteindelijk toestemming is verkregen voor leverantie van de grote systemen uit het contract.

Voor dit deel vraagt HSA pas in april 1998 een exportvergunning aan. In november dat jaar wordt deze op een tweetal gronden geweigerd. De aanschaf van dure wapensystemen door een land dat zojuist is getroffen door een economische crisis is ongepast. Bovendien zou de levering een verkeerd signaal zijn aan de strijdkrachten van Indonesië. Het zou uiteindelijk de druk van Habibie en PT PAL zijn die Buitenlandse Zaken op de knieën dwingt om een positief advies af te geven. Daarnaast zou HSA hebben gedreigd de schade van het mislopen van de order (naar verluidt 122 miljoen gulden) op de overheid te verhalen. Dat laatste roept vragen op. HSA en Pal hadden zelf alles rond de order al geregeld, inclusief de financiering, vóórdat er een exportvergunning was afgegeven. Het Hengelose bedrijf weet zelf ook dat een vergunning altijd kan afketsen op de richtlijnen van het Nederlandse wapenexportbeleid. Dat dit maar zelden gebeurt is wat anders, maar formeel is er met zo'n weigering niks mis. Het argument van de schadeclaim is dan ook uit de lucht gegrepen, tenzij er onder tafel andere afspraken zijn gemaakt.

Op basis van de schijnbaar positieve ontwikkelingen in Indonesië onder Habibie zijn april dit jaar de bezwaren tegen de leverantie van tafel verdwenen. Kamerleden Koenders (PvdA) en Hoekema (D66) vinden de situatie in Indonesië echter nog altijd veel te instabiel. Alleen al de rol die verschillende facties van het Indonesische leger achter de schermen op Oost-Timor spelen geven hen daarin gelijk. Bovendien is Indonesië de economische crisis nog lang niet te boven.
Dat patrouilleschepen nog steeds ingezet kunnen worden voor repressieve taken is ook voor Paars 2 geen beletsel gebleken.
(MB)

Bronnen:
Wapenhandel met Indonesië, Rode Emma, Amsterdam 1997
Antwoord op Kamervragen, 22 juni 1999



Nederland zesde wapenexporteur

Al jaren was Nederland volgens berekeningen van het Zweedse SIPRI na de VS, Rusland, Groot Brittannië, Frankrijk, China en Duitsland de zevende wapenexporteur ter wereld. In het nieuwste jaarboek van het onderzoeksinstituut is ons land nu ook China voorbijgestreefd en doorgestoten naar een zesde plaats. SIPRI waardeert de Nederlandse wapenexport op ruim een miljard gulden. Dat is nog altijd vijfentwintig maal minder dan wat de VS exporteert, maar veel meer dan landen als Italië, Israël en Spanje, die ieder een grote wapenindustrie hebben. De vooruitzichten blijven goed voor de Nederlandse wapenboeren. In het Midden-Oosten stegen de militaire budgetten ondanks de lage olieprijs vorig jaar met een miljard gulden. Wereldwijd gaat nog altijd 2,3 procent van het Bruto Nationaal Produkt (BNP) op aan militaire uitgaven.

Bron: Trouw, 17 en 23 juni 1999



'Meeting the challenge of joint/combined warfare'

Onder dit motto vindt in het Engelse Surrey van 14 tot 17 september de Defence Systems Equipment international (DSEi) Exhibition & Conference plaats, de grootste Europese wapenbeurs van dit jaar. Onder de crème de la crème van de militaire industrie bevinden zich stands van onder andere de scheepswerf Damen, munitiefabrikant Eurometaal, Hollandse Signaal, KPN, Logica, Stork Bronswerk, Sun Microsystems, TNO en Wärtsilä NSD. Daarnaast is er een speciaal Nederlands paviljoen. De toegang tot de beurs is gratis, maar "all applications will be submitted to the Ministry of Defence Security Section for clearance". Voor het conferentiegedeelte staan maar liefst zes Nederlandse sprekers geprogrammeerd. Vier legermannen en twee wetenschappers van TNO zullen hun visie geven op de nieuwste uitdagingen waarmee onze jongens worden geconfronteerd. In de London Docklands ligt het Nederlandse fregat Van Amstel ter bezichtiging voor anker. "Dress: Serving personnel are requested to wear uniform."



Stork vaart wel bij militaire erfenis Fokker

De overname van de Fokker boedel is een gouden greep geweest van Stork. Onder de noemers Stork Aerospace (onderdelen) en Stork Technical Services (onderhoud/modernisering) hebben de oud-Fokkerbedrijven de best gevulde orderportefeuilles van het concern. Sinds de overname in 1996 is het aantal werknemers bij de divisie Aerospace gestegen van 2300 naar 3000. Militaire handel is nog altijd een zeer lucratieve business en Stork kan het weten. De afgelopen maanden kocht het 43% van de aandelen in het Belgische SABCA over van de Fokker-curatoren. SABCA maakt onderdelen voor o.a. de F-16. Het andere deel is in handen van de Franse vliegtuigbouwer Dassault, waarmee Stork een opening naar nieuwe afzetgebieden voorziet. In mei nam het ook de militaire poot van Wärtsilä NSD Nederland over. De afdeling Special Products in Zwolle bouwt en onderhoudt bijvoorbeeld motoren voor de Leopard tank.

Veel orders krijgen de Stork-bedrijven uit compensatieopdrachten. Wanneer Nederland in het buitenland wapens aanschaft verplicht het de fabrikant Nederlandse bedrijven te betrekken bij de produktie. Vooral de Fokkerbedrijven hebben altijd flink van deze compensatieorders geprofiteerd. Het Amerikaanse Boeing plaatste in mei vervolgorders ter waarde van 170 miljoen gulden bij Stork voor de produktie van onderdelen voor Apache gevechtshelikopters en C-17 militaire transportvliegtuigen. Verder hoopt Stork hoge ogen te gooien met de fabricage van vleugelonderdelen voor de Joint Strike Fighter (JSF), de gedoodverfde opvolger van de Nederlandse F-16. Eenmaal toegelaten als producent liggen honderden miljoenen guldens omzet in het verschiet.

Bronnen:
de Volkskrant, 20 maart 1999
Financieel Dagblad, 11 mei 1999
Jaarverslag Stork N.V. 1998



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina





Korte berichten
Samenstelling: Kees Kalkman



Oostenrijk verbiedt kernwapens

In een wet die op 1 juli door de Oostenrijkse Nationale Raad (het parlement) werd aangenomen is de plaatsing, opslag en het transport van kernwapens over het grondgebied van Oostenrijk verboden. Omdat het NAVO-lidmaatschap nauw verbonden is met het (mogelijke) gebruik van kernwapens (zes lidstaten waaronder Nederland hebben zelfs een kernwapentaak) is hiermee de kans op het lidmaatschap voor Oostenrijk bij de verdragsorganisatie tot dichtbij nul gedaald.

De wet, bedoeld om een 'atoomvrij Oostenrijk' te bewerkstelligen, behelst de volgende punten:

Veiligheidsexpert Dr. Georg Schoefbäncker van het Informationsbureau Sicherheitspolitik und Rüstungskontrolle in Linz verklaarde dat "zelfs in het onwaarschijnlijke geval dat Oostenrijk NAVO-lidstaat zou worden, het vanwege deze wetgeving geen toestemming zou geven voor het 'co-gebruikerschap' van kernwapens of zelfs voor overvluchten in verband daarmee."
Onder co-gebruikerschap wordt verstaan het gereed houden van Amerikaanse atoomwapens om die in geval van oorlog in te zetten als onderdeel van de nucleaire politiek van de NAVO. Alle lidstaten worden geacht dat beleid te steunen.
Veel niet-gebonden landen, zoals Zuid-Afrika, Zweden en Ierland zien deze nucleaire politiek als tegenstrijdig met het door alle NAVO-lidstaten ondertekende Non-Proliferatie Verdrag. Daarin wordt verklaard dat men streeft naar nucleaire ontwapening.

Bron: Persbericht Werkgroep Eurobom 7.7.1999



Rectificatie dienstplicht wereldwijd

In het artikel "De schimmige praktijk van de dienstplicht" dat in het vorige nummer van VD AMOK verscheen, staat vermeld dat dienstweigeraars in Kirgizië aan het begin van hun vervangende dienst een schietoefening krijgen. Dit is echter de praktijk in het aangrenzende Oezbekistan. In Kirgizië bestaat wel een vergelijkbaar systeem van vervangende dienst. Leden van (niet nader gespecificeerde) religieuze groepen die hen het dragen van wapens verbieden, en mannen die een familielid tijdens de dienst hebben verloren of zorg dragen voor een gezin met jonge kinderen, komen hiervoor in aanmerking. In Kirgizië is het aantal tewerkgestelden in de afgelopen jaren toegenomen tot maar liefst 14,975 in 1997. Dat is hoger dan het aantal militaire dienstplichtigen (11,000). Hoewel de vervangende dienst niet in de grondwet is opgenomen, zoals in Oezbekistan, is deze wel bij wet geregeld en is er mogelijkheid om beroep aan te tekenen tegen een ongunstige beslissing bij een civiel gerechtshof.
(SvdP)

Bron: Refusing to bear arms, Bart Horeman en Marc Stolwijk, WRI, september 1998



OSVE steunt Nikitin

De jaarlijkse parlementaire vergadering van de OVSE heeft een resolutie aangenomen waarin staat dat de Russische voortgang naar een rechtsstaat te langzaam verloopt. Als voorbeeld wordt het geval Nikitin aangehaald. Nikitin is een Russische milieuactivist tegen wie al vier jaar een onderzoek loopt wegens schending van staatsgeheimen en spionage. Hij had meegewerkt aan een publikatie waarin de schadelijke gevolgen van de nucleaire vervuiling door de Russische Noordelijke Vloot voor het milieu en de volksgezondheid werden uiteengezet. Het proces sleept zich voort tussen verschillende rechtbanken. Op 2 juli werd Nikitin voor de achtste maal aangeklaagd wegens hoogverraad. Inmiddels heeft de chef van de veiligheidsdienst FSB (de opvolger van de KGB), Wladimir Putin verklaard dat buitenlandse inlichtingendiensten in Rusland in ruime mate gebruik maken van milieugroepen. Daarom zullen deze organisaties onder strikt toezicht van de FSB blijven staan. In een vergelijkbare zaak in het Russische Verre Oosten, de zaak tegen Grigory Pasko, eiste de aanklager een, zoals hij het uitdrukte 'matige straf' van twaalf jaar gevangenis.
Laatste nieuws: De rechtbank van Wladiwostok heeft Pasko slechts schuldig verklaard aan een beperkt vergrijp. Omdat hiervoor bovendien een amnestie gold, werd hij onmiddellijk op vrije voeten gesteld. Er loopt nog wel een hoger beroep van de FSB.

Bronnen:
Nikitin Update 9.7.1999
Trouw 21.7.1999
website: www.bellona.no



MID zelf op de korrel

Het is weer Srebrenica-tijd. En terecht want zolang in deze massamoord op vermoedelijk 8000 moslimmannen de onderste steen niet boven is gekomen, zullen de geesten van de verslagenen ons in en buiten onze dromen blijven achtervolgen.
Deze keer jaagt het Srebrenica-spook op minister van defensie De Grave, in de woorden van het Reformatorische Dagblad 'een ambitieuze VVD'er, die zijn ministerschap op Plein 4 [het adres van defensie in Den Haag - KK] hooguit ziet als een opstap naar verdere politieke roem.' Met een snelle rapportage door de commissie van Kemenade dacht de minister vorig jaar een einde te hebben gemaakt aan de voortdurende geruchten rond de val van de onder de bescherming van Nederlandse Dutchbat-militairen staande Bosnische enclave in juli 1995.

Maar ook dit jaar zijn er weer onthullingen. De Militaire Inlichtingendienst (MID) blijkt tussen februari 1996 en februari 1997 een onderzoek te hebben ingesteld naar rechts-extremistisch gedrag van enkele Dutchbat-militairen. Resultaat van het onderzoek waren een viertal gespreksverslagen, zonder dat uiteindelijk rapport werd opgemaakt. Het incident was noch aan De Grave, noch aan zijn voorganger gemeld, terwijl de minister augustus vorig jaar nadrukkelijk om alle relevante informatie had gevraagd.

Als reactie heeft De Grave nu het hoofd van de MID, commodore A. Vandewijer, en zijn plaatsvervanger R. Wielinga gedwongen hun functie ter beschikking te stellen. Daarnaast ligt ook het vorige hoofd van de MID bij de landmacht, brigade-generaal Van Bokhoven onder vuur. Van Bokhoven is nu contingentscommandant van de Nederlandse troepen in Kosovo, hetgeen de zaak extra precair maakt. Hij was ten tijde van het extremisme-onderzoek verantwoordelijk en speelde ook een rol bij het eerste verdwenen filmrolletje, waarop de bewijzen voor (hulp bij) oorlogsmisdaden te zien zouden zijn. Verbazingwekkend is dat de top van de landmacht tot nu toe buiten schot blijft. Het is onwaarschijnlijk dat de MID een dergelijk gevoelig onderzoek zou hebben afgesloten zonder dit (op zijn minst mondeling) te bespreken met hogere regionen.

Resultaat van de zuivering bij de MID is daarentegen wel dat Wielinga, die de laatste tien jaar vergeefs probeerde de veiligheidstak van de MID onder controle te krijgen nu opstapt. Twee vogels in één klap geschoten?
Laatste nieuws: Brigadegeneraal van de mariniers J. van Reijn is per 1 augustus benoemd als nieuwe directeur van de MID.

Bronnen:
Reformatorisch Dagblad 14.7.1999
Brieven van de minister van defensie aan de Tweede Kamer 13.7.1999 en 16.7.1999



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Berichten van de basis -

Berichten van de basis



The Changing Face of the Military

Van zondag 8 tot dinsdag 10 augustus 1999 organiseert War Resisters International een internationaal seminar over de ontmaskering van het militarisme als taak van de vredesbeweging

Locatie: Steinkimmen/Bremen (Duitsland).
Kosten van deelname DM 300,-, inclusief eten en slapen. Er is kinderopvang.
Organisatie: War Resisters International ism. Patchwork
Informatie: telefoon 0044-171.278.4040.
Email: warresisters"at"gn.apc.org.
http://warresisters.gn.apc.org/



Wereld Federalisten Beweging Nederland

Zaterdag 21 augustus
Verdiepings- en diskussiedag
locatie: Pax Christi Centrum, Godebaldkwartier (Hoog Catharijne), Utrecht.
Organisatie en informatie: WFBN, telefoon 070-3478196, e-mail: wfbn"at"wfbn.nl.



Beraadsdag over lokale vredesinitiatieven op de Balkan

Vrijdag 24 september
Locatie: Doopsgezinde Kerk, Singel 452, Amsterdam.
Organisatie en informatie: Kerk en Vrede, 030-2316666.



HAP-Brochures Werkgroep Eurobom

Op 14 mei vond op het Hague Appeal for Peace een door Werkgroep Eurobom georganiseerd debat plaats over het kernwapenbeleid van de NAVO. Sprekers waren een NAVO-functionaris en twee vertegenwoordigers van NGO's die zich inzetten voor kernontwapening. Na de inleidingen was er een uitgebreide discussie met de aanwezigen in de zaal.
Over deze discussie heeft de Werkgroep Eurobom een brochure gemaark. Deze brochure bevat een integrale weergave van inleidingen en discussie en is op aanvraag verkrijgbaar.
Er is ook een verslag beschikbaar van de aan de vooravond van het HAP georganiseerde discussie-avond over de kernwapenwedloop tussen India en Pakistan (zie pp.26-30 van dit nummer).

Voor inlichtingen en bestellingen: Werkgroep Eurobom, telefoon 06-14127779.



VD AMOK zoekt FOTOREDACTEUR (M/V)

Takenpakket
- Verzamelen foto's en illustraties bij de artikelen
- Bijhouden fotoarchief
- Onderhouden contacten met fotobureaus en fotografen
- Bijwonen redactievergaderingen (10 per jaar)

De werkzaamheden concentreren zich in vijf periodes van twee weken.
Voor informatie: redactie VD AMOK (Kees Kalkman), 06-14127779



HIROSHIMA, 6 augustus 1945 - 6 augustus 1999

Ik was zestien en gek op de oorlog toen Hiroshima verwoest werd. Zes jaar lang had ik dagelijks de krijgsverrichtingen gevolgd, waar die zich ook afspeelden, en er zelf nog een stel bijverzonnen. En ik werd helemaal warm van binnen en kwam ogen te kort wanneer op stralende dagen het ene eskader vliegende forten na het andere aan de blauwe hemel verscheen om bij de moffen dood en verderf te gaan zaaien. Wel werd ik doodsbenauwd als het geweld een keer mijn kant uitkwam.

Af en toe hoorde of las ik iets dat mijn liefde voor de geallieerde strijd tegen het nazi- en jappengebroed een opdoffer gaf. Zo stonden er in de zomer van 1943 ijzingwekkende berichten in de krant over het bombardement op Hamburg waarbij, evenals later in Dresden, tienduizenden mensen in de vlammen omkwamen. Als ik zoiets las flitste het door mijn hoofd dat ik fout zat met mijn oorlogsgedweep. Maar vervolgens merkte ik met een soort triomf dat dat besef niet bekleef. Het was mij om zo te zeggen gelukt mezelf te blijven.

Alleen de atoombom kreeg ik niet verstouwd. Het eerste wat door mij heenging toen het bericht over de verwoesting van Hiroshima mij bereikte was, heel ikkerig: 'dit is geen oorlog voeren meer'. En ik wist dat dit keer de ontnuchtering blijvend zou zijn. Vervolgens werd ik bang, wezenloos bang. Ik kreeg het gevoel dat de mensheid een pikzwarte toekomst tegemoet ging als er niet meteen op het wereldpodium stelling werd genomen tegen dit afschuwelijke wapen. Met stijgende verontrusting ploos ik de krant op reacties na. Overal bezorgdheid, maar geen staatshoofd, geen paus van Rome, zelfs geen nobelprijswinnaar die ronde taal durfde te spreken en de misdaad een misdaad noemen.
Zo zag het begin van mijn politieke bewustwording eruit.

Clemens Raming - brief aan Gerard Ramakers, juli 1999



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina