Aangepast zoeken

Naar beginpagina
Naar overzicht VD AMOKs

VD AMOK
tijdschrift voor antimilitarisme en dienstweigeren
jaargang 9, nummer 4, 2000


Inhoudsopgave





COLOFON

VD AMOK
tijdschrift voor antimilitarisme en dienstweigeren jaargang 9, nummer 4, 2000.

VD AMOK
verschijnt vijf maal per jaar en wordt uitgegeven door de Vereniging Dienstweigeraars (VD) en het Antimilitaristies Onderzoekskollektief (AMOK). Voor de inhoud van met naam ondertekende stukken zijn de auteurs verantwoordelijk.

Copyright
Overname van artikelen uit het lopende nummer is uitsluitend toegestaan na toestemming van de redactie. Overname van artikelen uit eerder verschenen nummers is toegestaan onder bronvermelding en toezending van een bewijsexemplaar aan de redactie.

Adres redactie en abonnementenadministratie
VD AMOK
Obrechtstraat 43
3572 EC Utrecht
tel. 030-8901341
e-mail: vdamok"at"antenna.nl

Redactie
Hans Christian Bouton (fotoredactie), Kees Kalkman, Karel Koster, Guido van Leemput, Tjark Reininga

Fotografen en illustratoren
Hans Christian Bouton, Henk Braam/HH, Ali Jansen, Maarten Hartman/Zwart Zaad, Ed Hollants, Kadir van Lohuizen/HH, Hans Lucas, Prime Den Haag, propaganda-afdeling Ravage.

Vormgeving
René Oudshoorn

Drukker
Drukkerij De Dageraad, Den Haag

Verder werkten aan dit nummer mee
Martin Broek, Noam Chomsky, Peter Custers, David Jan Donner, Erik de Graaf, Ed Hollants, Jan Schaake, Frank Slijper, Fred van der Spek, Egbert Wever, Beate Zilversmidt

Abonnementen
Een abonnement is minimaal ¦ 30,- per jaar.
Een steunabonnement is minimaal ¦ 40,-.
Over te maken op giro 1308126 t.n.v. Vereniging Dienstweigeraars, Utrecht.
Nieuwe abonnementen schriftelijk aanmelden. Wacht met betaling op toezending acceptgiro.
Opzegging uitsluitend schriftelijk vóór aanvang van het kalenderjaar.
Losse nummers kosten ¦ 6,50 (¦ 8,90 inclusief porto).

Advertenties
Tarieven en opgave bij de redactie.

Sluitingsdatum volgend nummer
27 oktober 2000



Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Redactioneel -

Hoe te beslissen over oorlogvoeren

De Tijdelijke Commissie Besluitvorming Uitzendingen heeft een rijstebrijberg aan feilen opgelepeld in de besluitvorming over Nederlandse deelname aan internationale vredesmissies. Deze commissie Bakker concludeert, dat in het besluitvormingsproces strijdige, onwaarachtige en verzwegen motieven gelden, die leiden tot onheldere besluiten. Ze legt meningsverschillen en misverstanden bloot tussen de departementen van Buitenlandse Zaken (verantwoordelijk voor de politieke afwegingen in internationaal verband) en defensie (dat mensen en materieel voor een missie moet leveren) en wijst op de vaak zwakke rol van de minister-president in het proces. De commissie doet aanbevelingen om de besluitvorming in de toekomst helderder te maken en beperkt zich daarbij niet tot het politieke deel.

Dat er in de besluitvorming over Nederlandse deelname aan internationale missies het nodige misgaat is de laatste jaren met grote regelmaat gebleken en helaas gaan er dan ook dingen in de missie zelf mis. De commissie Bakker laat zien dat vredesmissies sedert de uitzending van UNIFIL naar Libanon steeds omstreden waren. Het ministerie van Buitenlandse Zaken wil bijdragen aan de internationale rechtsorde, belichaamd in Verenigde Naties, EU en OVSE. Het ministerie van defensie voert aan dat het is ingericht voor landsverdediging, niet voor de taken die vredesmissies vragen. Defensie kan de indruk niet wegnemen dat de militairen niet bereid zijn het risico te nemen bij de uitoefening van hun werkzaamheden het leven te laten. Terwijl dat toch een logisch gevolg is van hun beroepskeuze.

In het begin van de jaren negentig verandert de houding van defensie. Na het einde van de Koude Oorlog moet het ministerie bezuinigen opdat de politiek het "vredesdividend" voor andere doelen kan inzetten. In de argumentatie van defensie voor gewenste nieuwe wapensystemen komt meer aandacht voor vredesmissies, zozeer zelfs, dat dit ministerie voor inzet in internationale missies met krijgsmachtonderdelen gaat leuren.

De commissie Bakker signaleert ook, dat het Toetsingskader dat Kamer en Kabinet opgesteld hebben voor de besluitvorming over internationale missies naar willekeur gebruikt wordt. Dat leidt ertoe dat de besluitvorming rond verschillende missies grote verschillen, en soms grote gaten, vertoont. Stammenoorlogen binnen en tussen departementen hebben daarbij meer invloed dan de vraag of een missie de beoogde doelen dient. De besluitvorming over de luchtacties boven Servië en Kosovo, in 1999, laat zien dat de politieke wil om op te treden een grotere rol speelt dan technische, tactische en strategische militaire overwegingen en zelfs contraproductieve gevolgen kan hebben.

Duidelijk is dat niet effectiviteit, gevolgen of risico's (hoe ook gedefinieerd) bepalen of Nederland deelneemt. Als de regering zich daadkrachtig wil tonen of om andere redenen deelname aan een internationale missie nodig vindt, houden steekhoudende bezwaren geen stand. Die bezwaren zouden meer aandacht in de openbaarheid, waaronder de Tweede Kamer, moeten krijgen. De commissie Bakker concludeerde immers "in een aantal gevallen stemt de Tweede Kamer in met besluiten waarvan zij de reikwijdte op het moment van instemmen niet lijkt te onderkennen" (bevinding nr 47 van de commissie).

De strijdige, onwaarachtige en verzwegen motieven die er in de schoot van de diverse regeringsinstellingen speelden, in de afweging van deelname aan militaire operaties, dienen in een vroeg stadium aan Kamer en publiek duidelijk te worden. Tot nu toe is dat niet of amper gebeurd. Dit betekent dat druk en ook informatie van buitenaf (door de media, non-gouvermentele organisaties en actiegroepen) van groot belang kunnen zijn om de discussie over de bedoeling, het nut of de noodzaak van een geplande missie op tijd en op een wezenlijke manier aan de orde te stellen.

Als het hierdoor mogelijk wordt om tenminste een eerlijker debat over interventieoorlogen te krijgen, dan zal het wellicht niet meer noodzakelijk zijn om achteraf onderzoekscommissies in te stellen die twijfel opwerpen over de werking van de parlementaire democratie in deze zeer wezenlijke kwestie: het oorlogvoeren in het buitenland.


De redactie



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Timor -

Destabilisatie door milities

Begin september 1999 werd de uitslag van de volksraadpleging in Oost Timor die door de VN was uitgeroepen bekend gemaakt. Bijna 80% van de Oost-Timorezen koos voor onafhankelijkheid en verwierp autonomie binnen de staat Indonesië. Na deze bekendmaking barstte het geweld van milities en Indonesische legereenheden los. Ed Hollants verbleef in die weken op Oost-Timor als waarnemer namens IFET (International Federation for East Timor). Dit was een onafhankelijke groep internationale waarnemers voornamelijk afkomstig uit de wereld van Niet-Gouvernementele Organisaties. Sindsdien bezocht hij het eiland tweemaal en maakt, nu ook in West-Timor de conflicten oplaaien, de balans op.

Het afgelopen jaar is het relatief rustig geweest in Oost-Timor. Ik denk dat dit de komende jaren niet zo blijft. Vorig jaar vlak na de uitslag schreef ik dat het feit dat toch 20% van de mensen voor autonomie heeft gestemd het ergste doet vrezen voor de toekomst. Los van hen die uit louter angst voor milities voor autonomie hebben gestemd gaat het om tienduizenden mensen, die voor een groot deel deelnemen in milities. In een samenleving die sterk georganiseerd is op basis van familiebanden kun je ervan uitgaan dat er ook steun en bevoorrading is via die structuren, ook al is niet iedereen van de familie fanatiek militielid. Voeg hierbij de onstabiele situatie in Indonesië, waardoor delen van het leger hun eigen gang gaan en de milities blijven steunen en je ziet een somber scenario zich ontwikkelen.

Controle op VN

Het lijkt erop dat de internationale gemeenschap voor de derde keer de Oost-Timorezen in de steek laat. Tijdens de invasie door Indonesië in 1975, na de volksraadpleging in 1999 en nu bij de wederopbouw. De VN heeft niet het juiste apparaat om een klus als deze in Oost-Timor uit te voeren. Hetzelfde onvermogen, dezelfde onwenselijke ontwikkelingen en dezelfde kritiek daarop, hebben we eerder gezien in Bosnië en Cambodja. Naast een discussie over hoe het in de toekomst wel op een goede wijze is aan te pakken, is het meer dan nodig dat er een controle-orgaan komt op de werkwijze van de VN. Een analyse van hoeveel geld en tijd geïnvesteerd worden en welke kwaliteit wordt geleverd zou op zijn plaats zijn. Kwaliteit afgepast op de wensen en behoeften van de Timorezen waarbij de Timorezen niet alleen als hulpbehoevende slachtoffers worden gezien, maar ook als volwaardige partners met hun eigen ideeën over de opbouw van hun land.

Mijn indruk van het opereren van de internationale gemeenschap is er tijdens de twee bezoeken niet veel positiever op geworden. Het eerste bezoek was in oktober 1999 aan het midden en oosten van Oost-Timor, vlak nadat het weer mogelijk was het land in te komen. Het beeld buiten Dili was zo mogelijk nog erger dan de bekende tv-beelden van Dili zelf. Hele dorpjes waren weggevaagd, er was niets meer aanwezig wat nog bruikbaar was, zoals huisraad, elektra, telefoon, vrachtauto's - alles was weg.

Untaet

Het tweede bezoek was in april en mei 2000. Het verschil met oktober was nu vooral in Dili merkbaar. Daar is een zeer rijke bovenlaag ontstaan bestaande uit een aantal Timorezen, Australische zakenlieden en Untaet-personeel (United Nations Transition Administration East Timor) en daar tegenover een overgroot deel van de bevolking dat niets heeft, ook geen werk. Prijzen voor bijvoorbeeld overnachtingen in guesthouses, gerund door meestal Australische zakenlieden, zijn hoger dan een gemiddeld hotel in Amsterdam. Luxe auto's van de merken Mercedes en Volvo zijn geen vreemd verschijnsel meer in het straatbeeld van Dili. De voorspelbare problemen die dit oplevert voor de Timorese maatschappij liggen voor het oprapen. De scherpe tweedeling in arm en rijk, criminaliteit en frustratie. Veel jonge, kansloze, arme Timorezen willen binnen no time ook die zichtbare rijkdom bereiken.

Er is een gebrek aan communicatie tussen Untaet en Oost-Timorezen. De communicatie vindt vooral plaats via de Nationale Advies Raad. Het is het orgaan dat Untaet adviseert, en waarin Untaet en Oost-Timorezen samen plaatsnemen. Door het vele werk is de CNRT-top (koepel van de voormalige verzetsbeweging) vrijwel niet in staat om ook nog op goede wijze te communiceren met de samenleving. Uiteraard is het gebrek aan media en kritische vragenstellers één van de problemen, maar daarbuiten worden er ook weinig initiatieven genomen om op een andere wijze goede en duurzame communicatie op te zetten. Alles te zamen zorgt dit ervoor dat de bevolking niet het gevoel heeft deel uit te maken van de beslissingen die over haar toekomst genomen worden en staat ze dus eigenlijk buiten het gehele gebeuren.

Destabilisatie.... van West-Timor

Vanaf het moment dat de vluchtelingenkampen in West-Timor zijn ontstaan is er sprake van intimidaties in die kampen en training van milities. Teruggekeerde Oost-Timorese vluchtelingen, Timorezen die voor hulporganisaties gewerkt hebben en internationale hulpverleners vertellen allen dezelfde verhalen van moord, afpersing en intimidatie.
Honderden militieleden trainen net buiten de kampen onder toeziend oog of zelfs met hulp van de Indonesische militairen. Een jaar training en organisatie zal zeker haar vruchten hebben afgeworpen.
Met de moordpartij begin september jl. op drie internationale UNHCR-medewerkers en een onbekend aantal Timorezen is een grens overschreden. Bij al het geweld in Oost-Timor na de volksraadpleging werden buitenlanders met rust gelaten. Er was wel sprake van veelvuldige intimidaties, maar het leek erop dat de milities en het leger er niet op uit waren om buitenlanders te vermoorden. De laatste maanden zijn juist buitenlanders het doelwit geworden. Verschillende groepjes milities die de grens overstaken waren er bewust op uit om leden van de Peace Keeping Forces te vermoorden of verwonden. Nu zijn ook internationale hulpverleners het doelwit geworden.
Het sturen van speciale Kopassus-eenheden van het Indonesische leger naar West-Timor valt eerder als verslechtering te beschouwen dan als hoop op verandering. Deze eenheden hebben er vorig jaar voor gezorgd dat milities en leger-eenheden ongestoord hun 'werk' in Oost-Timor konden afmaken en hebben geholpen bij de deportatie van 300.000 Timorezen.

Destabilisatie.... van Oost-Timor

Op dit moment zijn de milities, gesteund door delen van het leger, niet in staat om een militaire confrontatie aan te gaan met de internationale troepenmacht. Een bekende strategie is in zo'n geval om een land te destabiliseren en uit de situatie die ontstaat politieke munt te slaan.
In de eerste plaats moet je de pottenkijkers zien te verdrijven. Deze tactiek is met succes toegepast in Oost-Timor vorig jaar en wordt op dit moment in West-Timor gehanteerd. Een ander veel beproefd middel is het gebruik van vluchtelingenkampen als uitvalsbasis en ook voor de recrutering van manschappen. Vanuit deze kampen zijn en worden momenteel groepen milities geïnfiltreerd in Oost-Timor, die daar door het opvoeren van geweld en terreur het proces van opbouw proberen te destabiliseren. Zelfs in het district Viqueque, dat ver van de grens af ligt, is een melding van een groep van vijf militieleden. Hoe meer onvrede er ontstaat bij de bevolking over het trage verloop van de wederopbouw, hoe meer kans dat er steun komt voor milities of dat mensen zich op een andere wijze afkeren van de weg naar een democratisch zelfstandig Oost-Timor.

Ook de vele conflicten over landeigendom en etnische verschillen geeft milities bruikbare handvatten om te gebruiken voor verdere destabilisering.
Daarnaast kan door het toenemende geweld en de intimidaties tegen hulpverleners het proces van wederopbouw extra bemoeilijkt worden. Hulpverleners wordt het bewegen bemoeilijkt waardoor er gebieden ontstaan waar milities hun gang kunnen gaan.
De laatste maanden is er in toenemende mate sprake van infiltratie door groepjes bewapende milities vanuit West-Timor. Er zijn geruchten dat delen van de CNRT geïnfiltreerd zouden zijn door milities en in Ainaro, niet ver van de grens, zijn al weer honderden mensen op de vlucht geslagen. Bij een sterk getraumatiseerde bevolking met gebrek aan goede nieuwsvoorziening heb je weinig nodig om paniek te zaaien. Al met al zijn het veelbetekenende signalen.

Regering van nationale eenheid

Een van de weinig middelen om het tij te keren is een snelle wederopbouw. Helaas vindt momenteel de opbouw juist op een trage werkwijze plaats. Het Untaet-apparaat is sterk bureaucratisch, er is onder Oost-Timorezen een enorme werkloosheid en in meer afgelegen gebieden is in een jaar tijd weinig veranderd. Het is daarom de vraag of snelle verkiezingen welkom zijn. De kans is groot dat door te snelle verkiezing en invoering van een parlementaire democratie een politisering ontstaat die op dit moment niet bevorderlijk voor de situatie is.

Parlementaire democratie werkt alleen als er sprake is van een groot aantal belangengroepen en een bloeiend politiek verenigingsleven. Deze ontbreken bijna volledig. Daarnaast heeft Oost-Timor geen enkele traditie in een parlementaire democratie. De vraag is of het niet beter is om een regering van nationale eenheid te vormen door de CNRT, kerk, Oost-Timorese NGO's en vertegenwoordigers van studenten, jongeren en vrouwen en verkiezingen en de vorming van politieke partijen uit te stellen totdat er sprake is van normalisering van de samenleving.

Hoop

De enige hoop voor de toekomst zie ik in de energie en de wilskracht bij veel Oost-Timorezen om hun land op te bouwen. Daarnaast heeft de internationale gemeenschap nu zover haar nek uit gestoken dat ze niet meer terug kan. Maar toch, we hoeven maar aan Srebrenica te denken en zien dat ook dit geen garantie is. Veel internationale druk op Indonesië kan helpen als daar de wil voor is en als er nog sprake is van een eenheid in Indonesië. Het lijkt erop dat verschillende krachten in Indonesië waaronder Soeharto en zijn kliek gesteund door delen van het leger hun eigen gang gaan en voordeel hebben bij destabilisatie in de regio. Ik hoop dat ik ongelijk krijg, maar we zullen de ogen niet mogen sluiten voor de gevaren die er zijn.


Ed Hollants
Autonoom Centrum in Amsterdam



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Contraguerilla -

Het Plan Colombia

In 1999 heeft Colombia de plaats ingenomen van Turkije als grootste ontvanger van militaire hulp en politiebijstand uit de VS (Israël en Egypte vormen een categorie apart). Na aanvaarding van Clinton's Plan Colombia zal de steun nog sterk toenemen: 1,6 miljard dollar 'noodhulp' in twee jaar. In de jaren negentig was Colombia de grootste ontvanger van militaire hulp uit de Verenigde Staten in Latijns-Amerika en had ook de slechtste reputatie op het gebied van de mensenrechten, een verband dat al vele malen is vastgesteld.

De door de VS getrainde en bewapende militairen hebben het binnenlands verzet niet kunnen verslaan, ondanks de grote jaarlijkse tol aan wreedheden. Elk jaar worden er zo'n 300.000 nieuwe vluchtelingen verdreven van huis en haard waarbij zo'n 3.000 doden vallen en verschrikkelijke massaslachtingen plaatsvinden. De meeste wreedheden worden toegeschreven aan de paramilitaire krachten die nauw verbonden zijn met het leger. In april 2000 meldde een VN-studie dat de Colombiaanse veiligheidsdiensten, die door het Plan Colombia versterkt moeten worden, een intieme relatie hebben met de doodseskaders en zo paramilitaire groepen organiseren. Ze doen ofwel mee aan de massaslachtingen, of maken het door niets te doen mogelijk, dat de paramilitaire groepen hun vernietigingsdoelen kunnen bereiken. De Colombiaanse Commissie van Juristen rapporteerde in september 1999 dat het aantal moorden met bijna twintig procent gestegen was vergeleken met het voorgaande jaar. Het aan de paramilitairen toegeschreven aandeel was gestegen van 46 procent in 1995 tot bijna 80 procent in 1998.

Intussen duren de schandalige sociaal-economische omstandigheden voort. Een groot deel van de bevolking leeft in misère in een land waar de concentratie van rijkdom en landbezit zelfs volgens Latijnsamerikaanse maatstaven hoog is. De situatie is in de negentiger jaren nog verslechterd als gevolg van de 'neoliberale hervormingen' in de grondwet van 1991. Het Plan Colombia wordt officieel gerechtvaardigd in het kader van de 'oorlog tegen drugs', een motief dat door weinig analisten serieus wordt genomen. De Amerikaanse Drug Enforcement Administration (DEA) rapporteert dat alle regeringsinstanties in Colombia betrokken zijn bij drugs-gerelateerde corruptie. In november 1998 vonden inspecteurs van de Amerikaanse douane en de DEA 415 kg coke en 6 kilo heroïne aan boord van een vliegtuig van de Colombiaanse luchtmacht dat in Florida was geland. Een aantal luchtmachtofficieren en manschappen werden gearresteerd. Andere waarnemers hebben ook bericht over intensieve betrokkenheid van de militairen bij de drugssmokkel. Ook Amerikaanse militairen doen eraan mee.

De paramilitairen verklaren openlijk dat ze afhankelijk zijn van de drugshandel. Amerikaanse en Latijnsamerikaanse kranten berichten tevens dat de door de VS gefinancierde aanvallen de gebieden vermijden die door de paramilitairen worden gecontroleerd. De leider van de paramilitairen, Carlos Castano heeft in een TV-interview openlijk erkend dat 70% van de inkomsten van zijn groep afkomstig waren uit de drugshandel. De doelwitten van het Plan Colombia zijn guerrillastrijdkrachten gebaseerd op de boerenbevolking. Ze streven naar een binnenlandse sociale verandering die de integratie van Colombia in het wereldsysteem onder Amerikaans voorwaarden zou bemoeilijken. Dat wil zeggen gedomineerd door elites verbonden met Amerikaanse belangen, die vrije toegang krijgen tot Colombia's natuurlijke hulpbronnen, inclusief olie.

Maar waarom verbouwen boeren in Colombia cocaïne en geen andere gewassen? De redenen zijn welbekend. De boeren verbouwen coca en papaver vanwege de crisis in de landbouwsector van de Latijnsamerikaanse landen, die nog verergerd wordt door de algemene economische crisis in de regio.
De contraguerrilla bataljons, bewapend en opgeleid door de VS, vallen de drugshandelaars niet aan, maar hebben als doel de zwakste en sociaal minst weerbare schakel in de keten: de produktie door boeren, landbezetters en inheemse volkeren.
Het plan van Clinton voor Colombia trekt slechts symbolische bedragen uit voor de financiering van alternatieve gewassen, en geeft helemaal niets aan gebieden onder controle van de guerrilla, hoewel leiders van de FARC-guerrilla herhaaldelijk de hoop hebben uitgesproken dat er alternatieven komen, zodat de boeren niet langer verplicht zijn om coca te verbouwen.

De regering Clinton staat er ook op - tegen de bezwaren van de Colombiaans regering in - dat elk vredesverdrag de vernietiging van gewassen en andere Amerikaanse drugsbestrijdingsoperaties in Colombia moet toestaan. Een constructieve aanpak is niet verboden, maar is andermans zaak. De VS zal zich concentreren op militaire operaties die overigens ten goede komen aan de militaire hightech industrie die betrokken is bij de uitgebreide lobby voor het Colombia plan, samen met onder meer Occidental Petroleum.

Elk jaar sterven er in de VS 400.000 mensen door tabaksgebruik. Drugsgerelateerde doden bereikten een record aantal van 16.000 in 1997. Slechts vier op de tien verslaafden die behoefte hadden aan behandeling kregen die ook, volgens een rapport van het Witte Huis. Dit roept de vraag op naar de motieven achter de oorlog tegen drugs. De behandeling van het Plan Colombia door een commissie van het Huis van Afgevaardigden illustreert hoe serieus de bezorgdheid over drugs te nemen is. De commissie verwierp een amendement, voorgesteld door de Californische Democraat Nancy Pelosi, waarin een pleidooi werd gehouden voor het financieren van activiteiten om de vraag naar drugs te verminderen. Het is bekend dat zulke maatregelen veel effectiever zijn dan dwang. Een onderzoeksrapport van de Rand Corporation betaald door het Amerikaanse leger en de Office of National Drug Control Policy stelde vast dat geld voor behandeling van druggebruikers in de VS zelf 23 maal zo effectief is als controle in de 'bronlanden', elf keer zo effectief als onderschepping van drugstransporten en zeven keer zo effectief als binnenlandse repressie. Maar deze goedkope en effectieve weg zal niet bewandeld worden. In plaats daarvan neemt de oorlog tegen drugs arme boeren in het buitenland en de arme bevolking in het binnenland op de korrel.

Zulke voor de hand liggende opmerkingen roepen de vraag op waarom er eigenlijk een drugsoorlog gevoerd wordt? Algemeen wordt erkend dat deze oorlog faalt in het bereiken van zijn gestelde doelen, terwijl de mislukte methodes vervolgens met des te meer ijver worden toegepast en effectieve wegen om de vastgestelde doelen te bereiken worden verworpen. Het is dus logisch om te concluderen dat de drugsoorlog, in de harde afstraffende gedaante die hij sedert 1980 heeft aangenomen, inderdaad zijn doelen bereikt en niet aan het mislukken is. Wat zijn die doelen? Een geloofwaardig antwoord is impliciet te vinden in een commentaar van Senator Daniel Patrick Moynihan, één van de weinige senatoren die aandachtig de sociale statistieken volgt. Door deze methoden te accepteren, stelde hij, "kiezen wij ervoor om een enorm criminaliteitsprobleem bij de minderheden te concentreren."
Men kan discussiëren over de motieven, maar de gevolgen in de VS en in het buitenland lijken redelijk helder.


Noam Chomsky, april 2000
Vertaling en inkorting door redactie VD AMOK



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Wereldwanorde -

Ongelijksoortige ruil en de Afrikaanse oorlogen

De bloedige oorlogen in Afrika (Angola, Sierra Leone, Congo) hebben opnieuw de aandacht gevestigd op het verband tussen oorlogvoering en grondstoffenroof. Peter Custers vindt dat de inmiddels klassieke benadering van de economische relaties tussen het Noorden en het Zuiden als een vorm van ongelijke ruil niet langer voldoet. In plaats daarvan stelt hij voor een nieuw begrip, ongelijksoortige ruil, te hanteren om de kwaadaardige combinatie te beschrijven van wapenhandel en handel in grondstoffen als olie en diamant. De theorie van de ongelijke ruil vestigde vooral de aandacht op het prijsniveau: goedkopere grondstoffen worden door het Zuiden geruild tegen duurdere eindprodukten waardoor de ruilvoet steeds verder verslechtert. De theorie van de ongelijksoortige ruil ontkent deze analyse niet, maar voegt een dimensie toe, die van de aard van de goederen die geruild worden. Het Noorden ruilt goederen die alleen maar verspild kunnen worden (wapens) tegen grondstoffen die een vorm van rijkdom vormen (olie, diamanten). Peter Custers stuurde ons een artikel over deze materie dat we hieronder samenvatten. De volledige tekst in de Engelse taal met notenapparaat is op aanvraag beschikbaar bij de redactie.

De beschouwing van Peter Custers neemt als uitgangspunt de kritiek op een spraakmakend rapport van de hand van directeur Paul Collier van de onderzoeksgroep Ontwikkelingsvraagstukken van de Wereldbank. Het rapport, dat in juni 2000 verscheen, schetst een 'theorie van het roofgedrag' als economische interpretatie van gewapende verzetsbewegingen. Wat ook de doelen zijn van de gewapende rebellen, aldus Collier, economen kunnen aangeven dat toegang tot grondstoffen, zoals diamanten, bepalend is voor de loop der gebeurtenissen.
Deze visie scheert ten onrechte alle guerrilla-bewegingen over één kam als 'manifestaties van de georganiseerde misdaad' onafhankelijk van de specifieke sociale en economische voedingsbodem. Bovendien maakt het rapport ten onrechte een tweedeling tussen ongewapende protestbewegingen - ontstaan vanuit sociale onrechtvaardigheid - en gewapende rebellen. Tevens negeert Collier het gegeven dat ook oorlogsinspanningen van staten binnen en buiten Afrika in hoge mate afhangen van de export van grondstoffen.
Een verder punt van kritiek is dat Collier de rol van externe economische krachten zoals transnationale ondernemingen in de burgeroorlogen op de Zuidelijke continenten geheel buiten beschouwing laat. Deze ondernemingen opereren echter wel degelijk op basis van een handelsstelsel dat toelaat dat oorlogvoerende partijen wapens ruilen voor grondstoffen. Toch wijst dit bedriegelijke rapport kritische economen en sociale activisten de weg. Collier kan wegkomen met zijn schamele analyse door het ontbreken van een onderzoeksrichting die zich systematisch bezighoudt met de verbanden tussen grondstoffenexport en wapenimport. Het ontwikkelen van een dergelijke theorie is van groot belang voor een goed begrip van de huidige oorlogen in Afrika.

Diamant en oorlogsfinanciering

De diamant is de grondstof die de laatste tijd het symbool is geworden voor de financiering van burgeroorlogen door middel van export van grondstoffen. De termen 'bloedstenen' en 'conflictstenen' verwijzen naar edelstenen die als luxegoederen verkocht worden aan welvarende consumenten in het Noorden. Een aantal van de meest gruwelijke conflicten in Afrika worden gevoerd vanwege de controle van de rebellen over de diamantgebieden. Voorbeelden zijn de burgeroorlogen in Sierra Leone en Angola en, in zekere mate, het over de grenzen uitgevochten conflict in Congo. Het voorbeeld van de bloedstenen is daarmee een cruciale toets voor de toepassing van de theorie van de ongelijksoortige ruil op burgeroorlogen.
Bovendien heeft de Angolese beweging UNITA de oorlogsfinanciering door middel van diamanthandel geïntroduceerd. Toen na het einde van de Koude Oorlog het contante dollargeld van de Amerikanen wegviel, was de UNITA in de jaren negentig in staat de oorlog tegen de Angolese regering voort te zetten dankzij de winning en verkoop van diamanten. Dit gebeurde met steun van de functionarissen van het diamantverwerkende bedrijf De Beers.
De toepassing door UNITA van de methode van de ongelijksoortige ruil is ook in kwantitatief oogpunt van belang. De opbrengsten voor de UNITA uit diamanthandel worden in een rapport van de organisatie Global Witness voor de periode 1992-1998 geschat op tussen de 200 en 700 miljoen dollar per jaar. Ze waren uitzonderlijk hoog in jaren waarin ook de aantallen doden in de burgeroorlog het hoogst waren. Global Witness schat het totaal van de inkomsten van UNITA uit deze handel voor de hele periode op 3,72 miljard dollar.

Structuur van diamantmarkt

Het meest opvallende kenmerk van de diamantsector in de wereldhandel is dat deze wordt gedomineerd door een enkele transnationale onderneming, het Zuid-Afrikaanse De Beers, die doorslaggevende invloed heeft op de winning van ruwe diamant en ook al tientallen jaren een strikte controle uitoefent op de handel in edelstenen. De Beers haalt uit de eigen mijnen in Zuid-Afrika en in joint-ventures met de regeringen van Botswana, Namibië en Tanzania vijftig procent van de wereldproductie van ruwe diamant in waarde. Daarnaast koopt het diamanten op 'externe markten' en verkoopt die via de handelsorganisatie Central Selling Organistion (CSO). Waarschijnlijk loopt tenminste zestig procent van de wereldhandel via CSO.
De CSO is een kartel in de zin dat het de marktprijs voor ruwe diamant controleert. Door manipulatie van vraag en aanbod wordt de prijs kunstmatig hoog gehouden.

De typering van De Beers als kartel nodigt uit tot een vergelijking met de internationale petroleumsector. Zowel op de markt voor ruwe olie als op die voor ruwe diamant bestaat een monopolistisch beheersingsmechanisme om de prijs te reguleren. In het eerste geval is dat het kartel van de olieproducerende landen, in het tweede een enkele transnationale onderneming. Deze gemeenschappelijke factor is van invloed geweest op het feit dat beide sectoren een sleutelrol vervullen in het internationale handelssysteem van ongelijksoortige ruil.

In tegenstelling tot de oliesector is de greep van de Zuidelijke landen op de internationale diamantmarkt betrekkelijk zwak. Terwijl bij de olie de Zuidelijke producenten via de OPEC gezamenlijk de marktprijs bepalen, wordt deze kartelfunctie op de diamantmarkt door een enkele transnationale onderneming vervuld die de perifere economieën kan domineren. Dus is de kans groot dat deze perifere staten worden leeggezogen door de ongelijksoortige ruil tussen diamanten en wapens.
Dit leidt tot de vraag in welke mate de voortzetting van de afgrijselijke burgeroorlogen in Angola en elders in Afrika verband houden met het monopolie in de diamantsector.

De laatste tijd zijn verschillende maatregelen voorgesteld waaronder het invoeren van een stelsel van certificaten van oorsprong, om de smokkel van ruwe diamant uit de door rebellen beheerste gebieden af te snijden. Ook is een verbod voorgesteld op handel in diamanten die afkomstig zijn uit landen die niet of nauwelijks een eigen diamantproductie hebben. De aanvaarding door het Wereld Diamant Congres van een voorstel voor certificering afgelopen juli is uitgelegd als een grote concessie van De Beers. Maar zonder een volledige reorganisatie van de werkwijze van de diamantsector zullen de producerende landen overgeleverd blijven aan de manipulatieve praktijken van De Beers en de onderhorigheid aan het systeem van ongelijksoortige ruil.

Olie en oorlogsfinanciering

Een andere grondstof die een strategische rol speelt in de burgeroorlogen in Afrika is olie. Opnieuw is het geval Angola onthullend. Er zijn meerdere draden die de Angolese olie-export verbinden met de invoer van wapens die gebruikt worden om de UNITA-rebellen te bestrijden. In de eerste plaats is er een indirect verband tussen beide handelsstromen via de begroting. Olie levert naar verluid meer dan negentig procent van het inkomen uit export van Angola. In de jaren negentig leverde dit de Angolese staat inkomsten op ter grootte van 1,8 tot 3 miljard dollar per jaar. Aan de andere kant zijn defensie en openbare orde de grootste uitgavenpost, tussen 1994 en 1997 ongeveer 35% van de begroting. Hieruit blijkt al dat de Angolese staat, net als haar tegenstander UNITA, onderworpen is aan het mechanisme van de ongelijksoortige ruil.

Bovendien is een groot deel van het geld dat de oliemaatschappijen aan de Angolese regering betalen voor ontginningsrechten 'geoormerkt' voor de aanschaf van wapens. In 1997 en 1998 sloot de regering ook nog een hele serie door olie gedekte leningen af bij buitenlandse financiers. De leningen ten bedrage van 900 miljoen dollar werden eveneens gebruikt voor wapenaankopen.

Voorzover bekend heeft de Angolese regering nooit overwogen om direct olie tegen wapens te ruilen zonder tussenkomst van geld. Maar in sommige gevallen zijn buitenlandse wapenleveranciers betaald met aandelen in olieconcessies die uitgegeven zijn aan transnationale ondernemingen. Formeel is hier geen sprake van ruilhandel maar omdat deze aandelen hun eigenaar recht geven op een aandeel in de winst uit oliewinning is de samenhang tussen wapenimport en olie-export wel bijzonder nauw. Een vergelijkbaar geval van ongelijksoortige ruil zijn de concessies voor diamantwinning die zijn gegund aan functionarissen van de transnationale huurlingenonderneming Sandline International in Sierra Leone in ruil voor wapens.

De oorlogswinst door olie helpt Angola uiteindelijk niet om zijn positie in de kapitalistische wereldorde te verbeteren. Omdat het land volledig vastgeketend is aan de handelsstructuur van ongelijksoortige ruil is het gevolg van elke uitbreiding van de olieproductie in de afgelopen 25 jaar alleen een groter verlies van waardevolle grondstoffenreserves, grotere wapenimporten en verdergaande economische terugval en vernietiging van mensenlevens.

De rol van huurlingen

Wil het model van ongelijksoortige ruil werken in de context van burgeroorlogen, dan zullen de transnationale mijnondernemingen de diensten moeten inhuren van betrouwbare beschermingstroepen. Ze moeten ervoor zorgen dat de winning van ruwe diamant zonder grote verstoringen kan verlopen en de beveiliging organiseren van de pijpleidingen vanuit de olievelden. Met name in Afrika, waar een aantal staten hun grondgebied niet volledig controleren, hebben ze een professionele huurlingenmacht nodig om de aanvoerlijnen te bewaken.

Huurlingen, dat wil zeggen beroepsvechters die hun militaire diensten aanbieden tegen een redelijke vergoeding, zijn natuurlijk geen nieuw verschijnsel. In de Koude Oorlog werden ze gebruikt door koloniale machten en hun cliëntèle en werden ingezet tegen succesvolle guerrillabewegingen die vochten voor nationale en sociale bevrijding. In het tijdperk van de globalisering hebben de huurlingenlegers bedrijfsmatige structuren gekregen met veel ruimere operationele mogelijkheden. Ze nemen op contractbasis activiteiten op zich die uiteenlopen van militaire training tot complete oorlogen bij volmacht. Aan het eind van de jaren negentig schoten de huurlingenlegers als paddestoelen uit de grond. Sommige, zoals het in Zuid-Afrika ontstane Executive Outcomes, hebben gelijktijdig operaties voor verschillende Afrikaanse regeringen uitgevoerd op basis van miljoenencontracten. Hun loyaliteit wisselt met de opdrachtgever.

In het tijdperk van globalisering en ongelijksoortige ruil is het dan ook niet langer mogelijk huurlingen af te schilderen als kruisvaarders tegen het communisme. Huurlingenoperaties ontberen de minste ideologische verpakking. Zo wordt over de Gurkha Security Guards bericht dat ze beschermingsopdrachten hebben uitgevoerd voor de Britse mijnbouwonderneming Lonrho in Mozambique. Het in Groot-Brittannië gevestigde Sandline International wordt verondersteld nauwe banden te onderhouden met kleinere bedrijven in de diamantindustrie. Een opvallend voorbeeld van het niet-ideologisch karakter van de hedendaagse huurlingencontracten zijn de taken die Executive Outcomes heeft uitgevoerd voor de Angolese regering. Van dit bedrijf wordt bericht dat het in 1992 diverse Angolese olievelden van transnationale ondernemingen heeft beschermd ten behoeve van de regering in Luanda. En terwijl het voordien voor UNITA gewerkt had heroverde Executive Outcomes midden jaren negentig diamantmijnen die De Beers op dat moment liever wilde bewerken onder het legale regime van de Angolese overheid.

Een publikatie van het Internationaal Comité van het Rode Kruis geeft een goede samenvatting van de nauwe verwevenheid die thans bestaat tussen grondstoffen, burgeroorlogen en huurlingen in Afrika. In de jaren negentig was de vraagkant in Afrika buitengewoon geschikt voor privatisering van de oorlog. Terwijl gevechtskracht van de reguliere legers beperkt was hadden de regeringen veelal toegang tot grondstoffenreserves, die ingezet konden worden om buitenstaanders te betalen voor hun militaire deskundigheid. Het omgekeerde is ook waar: particuliere militaire ondernemingen zijn niet in Afrikaanse conflicten betrokken wanneer daarbij geen grondstoffen in het spel zijn. Dit bevestigt dat huurlingenfirma's de militaire vleugel zijn geworden van de imperialistische handelsstructuren van ongelijke en ongelijksoortige ruil.

De uitputting van Afrika

Het geval Angola is een perfecte illustratie van de stelling over de op ongelijksoortige ruil gebaseerde handelsstructuur. Deze sluit aan bij de eerder geformuleerde theorie van de ongelijke ruilverhoudingen. Die stelde de permanente uitputting van de economie van de Zuidelijke landen aan de kaak als gevolg van hun afhankelijkheid van de export van grondstoffen, waarvan de prijs steeds verder verslechtert ten opzichte van de produkten die de landen van het Noorden verhandelen. Ongelijksoortige ruil, zoals in het voorbeeld Angola, leidt niet alleen tot uitputting van hulpbronnen, tot overdracht van rijkdom van het Zuiden naar het Noorden, maar daar bovenop tot verarming en verwoesting als gevolg van het gebruik van vernietigingsmiddelen, die door de oorlogvoerende partijen gekocht worden met de opbrengst van diamant, olie en andere rijkdommen.

Het Angolese voorbeeld staat geenszins op zichzelf. Ongelijksoortige ruil kenmerkt evenzeer de werkwijze van de partijen die in het westafrikaanse Sierra Leone worstelen om territoriale en economische macht. De aandacht van de wereldpers heeft zich geconcentreerd op de wrede tactieken van de verzetsbeweging RUF. Maar het is geen geheim dat de internationale verkoop van diamanten, via Liberia en andere buurlanden het land uitgesmokkeld, de oorlogsinspanningen van de RUF enorm ondersteunen. Ook de regering van Sierra Leone vertrouwt op de verkoop van grondstoffen om hun oorlogsmateriaal te financieren. Alleen gaat het hier niet alleen om diamanten, maar is de export meer gevarieerd van aard. Rivaliserende netwerken van ondernemingen, die strijden om mijnbouwconcessies, houden de militaire campagnes van beide partijen in de burgeroorlog in stand. En er is ampel bewijs dat ook in dit geval de ongelijksoortige ruil van grondstoffen voor wapens de welvaart van de bevolking ondermijnt.

De theorie over de ongelijke ruil, die sinds 1949 opgang maakte, stelde dat 'perifere' landen onderworpen zijn aan een continu proces van uitputting. Zij lijden verlies aan rijkdom en hebben een afnemend potentieel voor economische ontwikkeling. Dit is het gevolg van de steeds verslechterende verhouding tussen de prijzen voor goederen die door het Zuiden en door het Noorden verhandeld worden. Gegeven het feit dat Afrika's rol in de wereldeconomie grotendeels afhangt van de export van diamanten, olie, kobalt, bauxiet en andere grondstoffen, is het continent zwaarder getroffen door de veranderende ruilvoeten dan andere Zuidelijke continenten en regio's.

Maar nu hebben de Afrikaanse landen een nog veel grotere terugslag te verduren door het stelsel van ongelijksoortige ruil, dat zich de laatste jaren steeds verder uitbreidt en nu als een octopus het centrale Afrikaanse land Congo in zijn greep heeft. Naast economisch onrecht door uitputting van hulpbronnen en overdracht van rijkdommen brengt het stelsel van ongelijksoortige ruil voor de Afrikaanse bevolking schade met zich mee die alleen maar kan worden aangeduid als misdadig onrecht, veroorzaakt door de transnationale ondernemingen. Terwijl kostbare grondstoffen naar het Noorden worden gesleept om productieve en consumptieve behoeften te bevredigen worden in ruil daarvoor middelen van verwoesting in Afrika geïmporteerd om te worden 'geconsumeerd' in een steeds maar groeiende reeks regionale en burger-oorlogen. Het gevolg is een grootschalige verwoesting van natuurlijke en gekapitaliseerde rijkdom. Terwijl sommige landen in het Midden-Oosten in opkomst zijn ondanks de ongelijksoortige ruil, is in de Afrikaanse burgeroorlogen het saldo dan ook onverdeeld negatief.

Afrika's rol

De vergelijking tussen de twee regio's, het Midden-Oosten en Afrika, is nuttig. In het Midden-Oosten behouden de staten de controle over de cruciale natuurlijke hulpbron, de olie. Het handelssysteem op basis van ongelijksoortige ruil heeft daar voornamelijk geleid tot conflicten tussen staten onderling. Daarentegen is in Afrika het patroon van ongelijksoortige ruil voornamelijk uitgekristalliseerd via burgeroorlogen, die niet minder gewelddadig van karakter waren dan de Golfoorlogen in het Midden-Oosten, maar een geheel andere dynamiek laten zien.

Een tweede, daarmee samenhangend, verschil betreft de omvang van de wapenhandel naar de verschillende regio's. Terwijl het Midden-Oosten sinds de zeventiger jaren voortdurend een belangrijk aandeel heeft gehad in de wapenstromen van Noord naar Zuid, is Afrika's plaats in de internationale wapenhandel relatief gering. Landen als Zuid-Afrika en Angola gelden als belangrijke kopers. Maar de meeste staten en strijdende partijen beschikken over zo'n beperkte koopkracht dat zij alleen kleine wapens, munitie en mijnen aanschaffen.

Dit betekent dat het profiel van de transnationale ondernemingen die profiteren van het beleid van ongelijksoortige ruil duidelijk verschilt per regio. In het Midden-Oosten gaat het om belangrijke producenten van vernietigingsinstrumenten, wapenleveranciers uit de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Frankrijk en de seven sisters, de machtigste oliemaatschappijen. In Afrika zijn de profiteurs vooral ondernemingen die zich bezighouden met grondstoffenwinning zoals monopolist De Beers en oliegigant Elf Aquitaine. Hier zijn onder de begunstigden van de wapenhandel veel tussenpersonen, luchtbevrachters en middelgrote producenten (veelal uit Oost-Europa).

Toch zou het onjuist zijn te concluderen dat Afrika maar een onbetekenende rol speelt in de structuur van de ongelijksoortige ruil. Integendeel! De hier opgedane ervaring biedt een overvloed aan nieuwe mogelijkheden voor de verwoestende transnationale spelers die de wereld domineren. Naarmate de techniek van de 'parallelle exporten', legaal en illegaal, van grondstoffen door partijen in de burgeroorlogen effectiever blijkt te zijn; naarmate de mechanismen om mijngebieden en pijplijnen middels huurlingen te beschermen verder verfijnd worden; en naarmate de ideologie van de vrijhandel steeds overheersender wordt, zullen transnationale ondernemingen proberen hetzelfde handelssysteem in andere regio's te kopiëren. Hoe negatief het saldo van de Afrikaanse burgeroorlogen ook is voor de eigen bevolking, via deze ervaring heeft de ongelijksoortige ruil zich gevestigd als een levensvatbaar stelsel van hedendaagse uitbuiting ten behoeve van de krachten die de kapitalistische wereldeconomie domineren.


Peter Custers
Peter Custers is medewerker van het Bangladesh People's Solidarity Centre.
Met dank aan Martin Broek, Guido van Leemput en Remi Kempers.
Vertaling en samenvatting: Redactie VD AMOK



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Dubbelspel in Peru -

Anti-terroristenhelden handelen met FARC

De illegaal verkozen president Fujimori van Peru en diens naaste adviseur Montesinos, ex-legerofficier en hoofd van de Peruaanse veiligheidsdienst SIN hebben zich onlangs in een lastige situatie gemanoeuvreerd. Alles wijst erop dat onder verantwoordelijkheid van Montesinos hoge legerofficieren tot 1999 10.000 AK-47 kalashnikovs hebben verkocht aan de Colombiaanse guerrillabeweging FARC.

Zeer opzienbarend nieuws, want Fujimori's positie drijft grotendeels op zijn reputatie als bestrijder van de Peruaanse guerrillabewegingen Sendero Luminoso en MRTA, die beiden onder zijn regime ontmanteld werden. De strijd tegen het terrorisme staat nog steeds hoog in het vaandel van de hedendaagse regering en de machthebbers doen er alles aan om hedendaagse opposanten tot terrorist te bombarderen om hun strijd te legitimeren.

Kalashnikovs

Op 21 augustus jl. verklaarde Fujimori en Montesinos tijdens een persconferentie in het regeringsgebouw dat de SIN een internationale wapenbende had ontmaskerd die wapens smokkelde bestemd voor de FARC. De wapens zouden vanuit Jordanië via de Canarische eilanden naar Colombia gevlogen worden en vervolgens in het grensgebied van Peru met Colombia in oerwoud gedumpt. Direct daarna werden opsporingsbevelen voor twee Peruanen en een Spanjaard - 'vijanden van het land' - uitgevaardigd en door alle regeringsgebonden media verspreid.

De volgende dag echter weerlegden Jordanië, Spanje en Colombia de verklaring van Peru. Jordanië ontkende dat er sprake was van een wapenhandelbende en verklaarde dat de wapentransactie waren verricht door het Peruaanse leger, die de afgelopen jaren voor een bedrag van een half miljoen dollar 10.000 AK-47 Kalashnikovs hadden aangeschaft. De wapens waren volgens Jordanië vervoerd met Peruaanse legervliegtuigen. Spanje meldde dat er de afgelopen twee jaar geen vliegtuigen vanuit Jordanië op de Canarische eilanden waren geland en de Colombiaanse autoriteiten meldden dat reeds in het begin 1999 de Colombiaanse veiligheidsdienst haar Peruaanse collega's had gewezen op wapenhandel in het gebied.

Nippon Corporation

Terwijl Fujimori bezig was zich de woede van de betrokken landen op zijn hals te halen door te beweren dat de Jordaanse autoriteiten logen en zich af te vragen waarom de Colombiaanse autoriteiten in 1999 dan niet die wapenhandelaars uit de lucht hadden gehaald, bracht het persbureau Imediaperu aan het licht dat bij de wapenhandel betrokken bedrijfje Nippon Corporation een dekmantel was van de Peruaanse strijdkrachten. Daarnaast kwamen betrokken onderofficieren met verklaringen die wezen in de richting van Vladimiro Montesinos als verantwoordelijke voor de in nevels van het regenwoud gehulde wapenhandel met de FARC.
Ondertussen verklaarde een ex-generaal van het logistieke commando van het leger COLOGE dat zij Nippon Corporations had uitgekozen en goedgekeurd als leverancier van het leger in de periode van 1993 tot 1997.

Kofferbak

De poppenkast werd te dol toen op 3 september j.l. de hoofdverdachten van de wapenbende (bedrijfsleiders van Nippon Corporation) door de rijkspolitie werden aangetroffen in een auto in Lima, twee van hen verborgen in de kofferbak en de derde achter het stuur. Het mag duidelijk zijn dat het nogal wat verbazing wekte dat deze 'vijanden van het land' zich op deze manier in Lima lieten pakken. Bronnen van de politie verklaarden echter dat de verdachten reeds voor 21 augustus, de dag waarop de regering met de uitmuntende onthulling van de wapenmaffia naar buiten kwam, in handen van de inlichtingendienst waren.
Wat de verdere drijfveren zijn achter deze onbeholpen poging tot het oppoetsen van de reputatie van het Peruaanse regime is vooralsnog een raadsel.


René Oudshoorn



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Toen en nu -

Ik wil mensen bereiken

De grote vredesbeweging is in de jaren tachtig uit elkaar gevallen, maar de delen zijn niet minder actief. Neem bijvoorbeeld Vrouwen voor Vrede. Een gesprek met Tera Fopma uit Amsterdam.

In de jaren zeventig dreigde de wapenwedloop een nieuwe wending te nemen. Door de technologische ontwikkeling waren er nieuwe wapens ontstaan: de neutronenbom en de kruisraket. Maar het was juist die steeds perfectere techniek, die de mobilisatie van verzet mogelijk maakte, niet in de laatste plaats in Nederland.
Het begon met de neutronenbom. Dit stralingswapen, zoals wijlen G.B.J. Hilterman het consequent noemde, veroorzaakte een grote hoeveelheid (dodende) straling, maar relatief weinig druk. Daardoor zou de schade aan gebouwen en installaties beperkt blijven, terwijl de mensen die er leefden en werkten door straling stierven. Dit wapen was een ideaal doelwit in de propaganda van de Koude Oorlog: het werd afgeschilderd als kapitalistische vinding. De campagne 'STOP de Neutronenbom' was geboren.

De gedachte dat door de technische ontwikkeling een oorlog tussen beide grootmachten weer mogelijk zou worden kreeg in de jaren zeventig velen in haar greep. Uiteindelijk kwam het Interkerkelijk Vredesberaad (IKV) met de leuze die deze gevoelens verwoordde en de verontrusten een concreet doel gaf: 'Help de kernwapens de wereld uit, om te beginnen uit Nederland'. Er volgden grote vredesdemonstraties (21 november 1981 op het Museumplein in Amsterdam en 23 oktober 1983 in Den Haag) en een handtekeningenactie die ruim 3,5 miljoen handtekeningen opleverde (het Volkspetitionnement, 1985). Hoewel deze campagne grote invloed gehad heeft op de politiek kon zij een kamermeerderheid niet tot de gewenste uitspraak brengen.

Spandoek

Heel lang waren militaire zaken in Nederland voornamelijk een zaak van mannen; die moesten immers in dienst en konden dus weten waarover het ging. Tera Fopma schetst het huiselijke beeld: moeder gaat naar de deur als er 's avonds gebeld wordt en vader blijft televisie kijken. Op de vraag of ze het volkspetitionnement wil tekenen antwoordt moeder: 'dat moet ik even aan mijn man vragen'.
Vrouwen zouden beter dan mannen in staat zijn andere vrouwen te bereiken, dat was de gedachte waaruit Vrouwen voor Vrede is ontstaan. Lachend vertelt Tera Fopma op welke manier ze begin jaren tachtig zelf bij de vredesbeweging betrokken geraakt is.
"Een vrouw met wie ik in winkels wel eens praatte vroeg me: Tera, jij naait zo veel. Ik moet een spandoek maken met gaten er in. Maar zigzaggen kan ik niet; zou je me daarmee willen helpen? Ik zei dat is goed, maar waarvoor is het? En dat was voor "Stop de Neutronenbom". Ik vond dat prima, maar wist er heel weinig van. Ik wilde eigenlijk wel weten hoe het allemaal zat. Ik ben dus via een praktische weg betrokken geraakt."
Ze maakte vrij snel de overstap naar Vrouwen voor Vrede, mede omdat 'Stop', zoals ze het comité noemt, haar toch te 'manlijk' was. "Iemand vertelde me dat in Amsterdam een afdeling van Vrouwen voor Vrede was opgericht. Omdat ik dacht dat ik meer mensen zou kunnen bereiken via Vrouwen voor Vrede ben ik overgestapt. Bovendien sprak me aan dat Vrouwen voor Vrede een beweging is - waarbinnen iedere groep de accenten kan leggen die zij zelf wil - en geen organisatie. In Amsterdam is de groep heel actiebereid, terwijl groepen elders soms meer praatgericht zijn."

Penningmeester

Kort nadat ze actief werd in Vrouwen voor Vrede kreeg Tera Fopma een andere baan. En dat werd naast haar gezin - vijf dochters - wat veel. Om toch wat te doen werd ze penningmeester van het 21 November Komitee van Amsterdamse vredesgroepen, vakbonden en politieke partijen, dat de vredesdemonstratie van 21 november 1981 op het Museumplein georganiseerd had. Dit comité organiseerde ook de Amsterdamse inbreng voor de vredesdemonstratie van oktober 1983 en het Volkspetitionnement van 1985.
Het comité bracht het verzet tegen de kernwapens ook in Amsterdam onder de aandacht."Het 5 mei comité organiseert jaarlijks bevrijdingsfeesten," vertelt Fopma, "soms op het Leidseplein, soms op de Dam of in het Vondelpark. In de tijd van de kruisraketten hebben Hans Last, van Stop de Wapenwedloop, en ik namens het 21 November Komitee gevraagd of wij in het Vondelpark het bevrijdingsfestival mochten organiseren. Uiteraard verbonden wij ons verzet tegen de kruisraketten met de bevrijding. Het werd een groot succes en het bleef een groot succes. Dat bracht het 5 mei comité in een moeilijke positie: men vond het 'te politiek'. In het 5 mei comité zaten mensen die dachten dat een kruisraket ons beschermde; zij hadden de oorlog meegemaakt! De door vredesactivisten georganiseerde Vondelparkfeesten waren verleden tijd. Wij hadden echter geweldige feesten, en veel publiciteit gekregen."

Rug

Het 21 November Komitee organiseerde ook de inzameling van handtekeningen in het kader van het Volkspetitionnement tegen de plaatsing van kruisraketten. Landelijk werden 3,5 miljoen handtekeningen opgehaald, die tijdens een manifestatie in Den Haag officieel werden aangeboden. In de voorbereiding van die manifestatie is lang onderhandeld over de betrokkenheid van politieke partijen, in het bijzonder het Christen Democratisch Appel. Toen CDA-leider en premier Ruud Lubbers het podium betrad keerden veel aanwezigen hem demonstratief de rug toe.
Tera Fopma vertelt, dat de kiem voor die actie in het Amsterdamse comité ontstaan is, een paar dagen voor de afsluiting van het Volkspetitionnement. "We vonden dat we, als goed geïnformeerde vredesactivisten die samenkomen om iets anders te zeggen, het verhaal van Lubbers niet hoefden te horen; dat kenden we wel."
"De voorbereiding was nachtwerk. We hebben de pamfletjes 's morgens om zes uur naar Den Haag gebracht. We hadden veel vrouwen gevraagd vroeg te komen om die uit te delen. Sommige vrouwen hadden een wandelstok meegebracht om op de voorste rij te kunnen zitten. Toen Lubbers aan zijn toespraak begon stonden zij op en keerden hem de rug toe. Dat was voor de rest van de mensen het teken om hetzelfde te doen."

Er is over deze actie veel ophef geweest, vooral in de media. Lubbers was uitgenodigd door de organisatoren, het Komitee Kruisraketten Nee (KKN), en deze actie toonde geen respect voor zijn recht om zijn mening te uiten. Tera Fopma klinkt nog verontwaardigd over die kritiek, maar wellicht nog meer over het verwijt, dat dit gebaar het Volkspetitionnement in diskrediet gebracht heeft. "Het was een volstrekt geweldloze actie die zichtbaar maakte, dat we Lubbers' verhaal niet wilden horen. Dat was natuurlijk vervelend voor hem en hij had er moeilijk mee. Maar ik had KKN-voorzitter Sienie Strikwerda gebeld met de mededeling dat er een geweldloze actie zou zijn bij het optreden van de leider van het CDA en het kabinet, en dat KKN het risico liep dat Lubbers voor joker zou staan. Maar het KKN heeft daar niet op gereageerd en hem niet geïnformeerd."

Democratie

Hoewel de demonstraties en het Volkspetitionnement niet tot het beoogde resultaat leidden heeft de NAVO uiteindelijk van plaatsing van de kruisraketten in West-Europa, en dus in Nederland, afgezien. De aandacht in de media verslapte daarna en mede daardoor ontviel een belangrijk bindmiddel aan de vredesbeweging. Verschillende groepen gingen nieuwe doelen en werkterreinen zoeken. Het IKV bijvoorbeeld richtte zich op Oost-Europa en de IKV-leden trokken zich terug uit het 21 November Komitee, dat ontbonden werd.
Tera Fopma vertelt dat Vrouwen voor Vrede Amsterdam betrokken bleef bij acties, in het Breed Initiatief voor Verdergaande Acties tegen Kruisraketten (BIVAK). "Binnen Vrouwen voor Vrede landelijk was het daar een heleboel niet mee eens. Zij vonden dat er democratisch besloten was tot plaatsing. Maar wij vonden dat tegen zo'n besluit geen democratie opgewassen was. En het leuke van Vrouwen voor Vrede is dat zoiets kan. Dat is ook het moeilijke, omdat je dan discussies krijgt in de landelijke vergadering. Maar het is ook heel boeiend, omdat je dan een inhoudelijk gesprek krijgt over de democratie en wat dat inhoudt. En er zijn dingen die misschien wel democratisch besloten worden, maar waar ik me gewoon niet in kan vinden."

Hiroshima

Vrouwen voor Vrede in Amsterdam is doorgegaan. "We zijn altijd aanwezig op 5 mei," vertelt Fopma, "en we organiseren al 15, 16 jaar een Hiroshima-herdenking. Eerst deden we dat alleen, maar tegenwoordig zijn er zeven andere groepen bij betrokken. En dit jaar hebben Vrouwen voor Vrede in enkele andere steden de actie ook opgepakt. Bij die herdenkingen geven we informatie over kernwapens en houden een korte toespraak en een stilte, vaak op de Dam, maar ook op andere plekken. We hebben een keer onder de doorgang onder het Rijksmuseum schaduwen op straat getekend, zoals in Hiroshima en Nagasaki alleen de schaduwen zichtbaar bleven van de bewoners die verdampt waren."

Dit jaar zijn tijdens de herdenking handtekeningen opgehaald tegen de kernwapens. "Met die handtekeningen willen we proberen een gesprek te krijgen met minister Van Aartsen. Ik geloof niet meer in grote demonstraties," zegt Tera Fopma. "Ik geloof niet meer dat de politiek iets doet zonder dat ze geprikkeld wordt. Onze acties zijn er dan ook altijd op gericht het publiek te informeren. Te vertellen dat het aan ons is, aan hen en mij, om politici aan te sporen iets tegen de kernwapens te doen. Want die doen dat alleen als ze weten, dat het door hun achterban gedekt wordt. Daarom delen we altijd een informatieve tekst uit; en omdat er in Amsterdam natuurlijk altijd veel buitenlanders - toeristen - zijn, ook in het Engels."

Nederlands spreken

Vrouwen voor Vrede Amsterdam heeft een eigen ruimte in het Vrouwenhuis, waar ze maandelijks bijeenkomen om over ontwikkelingen en plannen te praten. Daar ligt ook het actiemateriaal en wordt de tweemaandelijkse Nieuwsbrief gemaakt. Bovendien worden er regelmatig themabijeenkomsten gehouden en is er eens in de zes weken een 'schrijfdag'. Tijdens zo'n schrijfdag worden er brieven en kaarten geschreven aan politieke gevangenen, als blijk van steun en medeleven, maar ook aan autoriteiten voor het bepleiten van velerlei doelen. Vrouwen voor Vrede zorgt voor de adressen en het schrijfmateriaal, maar ook voor koffie, thee en limonade.

Daar is ook een van Fopma's andere activiteiten ontstaan. "In 1991 belde VD (Vereniging Dienstweigeraars - red.) mij. Er waren veel dienstweigeraars uit Joegoslavië binnengekomen en ze hadden geen ruimte om te vergaderen, of dat bij ons kon. Ik heb daar koffie geschonken en enkele jongens gevraagd wat ze zo de hele dag deden. Ze waren tamelijk wanhopig: de krakersbeweging hielp fantastisch, net als VD, maar ze begrepen weinig van hun situatie. Ik vroeg waarom ze geen Nederlands spraken? Ja graag, zeiden ze, maar wie moet ons dat leren? Toen heb ik gezegd dan doe ik dat toch, en dat is bijna mijn dood geworden".

Die uitspraak corrigeert ze meteen: "Nee hoor, ik heb het verschrikkelijk leuk gevonden. De volgende dag kwamen er zes vragen wanneer we zouden beginnen. Toen heb ik via Vrouwen voor Vrede in de hele stad zo'n 35 groepen georganiseerd, allemaal van 6 a 7 personen, waar - niet betaald, niet professioneel maar gewoon - aan die mensen een beetje over de cultuur en de taal werd verteld. En daar ben ik razend trots op, want daar zijn zulke leuke contacten door ontstaan. Iedere maand komen we bij elkaar. We praten over de problemen die ze in Nederland hebben en over de problemen in hun eigen landstreek. En alles in het Nederlands!"


Vrouwen voor Vrede Amsterdam
Vrouwenhuis,
Nieuwe Herengracht 95
Telefoon 020-6260548
Dinsdag en donderdag 11.00 - 15.00 uur



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Wapenexportbeleid -

Meer woorden, minder beperkingen

Tijdens een parlementair overleg omtrent het Nederlandse wapenexportbeleid in november vorig jaar drongen verscheidene Kamerleden aan op een duidelijke definiëring van het begrip spanningsgebied, dat geldt als criterium bij de besluitvorming rond wapenexporten. Ook maanden parlementariërs de minister tot meer daadkracht bij het uitbreiden van het bestaande beleid met een nieuw criterium, dat landen die niet aan het VN-wapenregister rapporteren zou moeten uitsluiten van Nederlands wapentuig. Onlangs liet de regering haar huiswerk zien. Het verdient helaas een dikke onvoldoende.

Spanningsgebieden bestaan niet

Enige jaren geleden viel het VVD-kamerlid Van den Doel op dat "ondanks de tientallen brandhaarden en sluimerende conflicten in de wereld er bijna geen regio is waar Nederland geen strategische goederen en wapens naar toe exporteert." Een scherpe observatie die terecht de toepassing van het zogeheten spanningsgebieden criterium uit de Nederlandse en Europese wapenexportrichtlijnen onderuit haalt. Alleen met betrekking tot het Grote Meren gebied in Afrika handelt Nederland in lijn met de uitgangspunten zoals ze op papier zijn gezet. Het viel meer Kamerleden op dat er iets wringt tussen de uitgangspunten van het beleid en de praktijk van de exporten; reden waarom de regering verzocht werd dit spanningsgebieden criterium nader toe te lichten. De recent verschenen notitie geeft een weinig verheugend inzicht in de afwegingen die het ministerie van Buitenlandse Zaken maakt alvorens de levering van wapens toe te staan.

Het ministerie weegt af of te leveren materieel gebruikt kan worden voor agressie tegen een ander land of voor het onderstrepen van territoriale aanspraken. Het gaat dus niet om een absoluut verbod van wapenleveranties aan spanningsgebieden: alleen wapens die gebruikt kunnen worden in een potentieel conflict worden niet geleverd. Wie de bewijslast hiervoor levert is niet duidelijk. Buitenlandse Zaken bepaalt dit risico aan de hand van vier criteria.

Allereerst wordt bekeken of het land van bestemming in een gewapend conflict verwikkeld is, dan wel of het uitbreken daarvan waarschijnlijk is. "In het geval het bestemmingsland is betrokken bij een gewapend conflict, zal Nederland in principe een levering (..) ongewenst achten, tenzij sprake is van bondgenootschappelijke verplichtingen en de levering plaats vindt in het kader van het recht op zelfverdediging." Het al danig verwaterde algemene uitgangspunt wordt hier nog verder ontkracht; zelfs landen in oorlog kunnen volgens deze omschrijving nog wapens ontvangen van Nederland.

Om uit te maken of het waarschijnlijk is dat een conflict uit zal breken hanteert Buitenlandse Zaken een aantal meetpunten. Die zijn verdeeld in "negatieve en positieve factoren." Daartussen moet een afweging worden gemaakt. "Vanzelfsprekend is het mogelijk dat in concrete gevallen bijkomende, of andere factoren van belang blijken te zijn."

Vooral op het punt van de waarschijnlijkheid van een conflict kunnen de meningen nogal uiteenlopen. Het analysekader is in dit verband van groot belang en bepalend voor de uitkomst. Geen enkele organisatie kan zich echter beroepen op een feilloos inzicht in het al dan niet uitbreken van conflicten. Laat staan dat de aard van het conflict en de daarbij gebruikte wapens op voorhand vast zou staan. Reden waarom juist de geringste twijfel zou moeten leiden tot afwijzing van een wapenexportvergunning.

Het begrip 'land van eindbestemming' dat hier gehanteerd wordt is bovendien aan zware slijtage onderhevig. Als antwoord op de wapenhandelschandalen rond de Eerste en Tweede Golfoorlog werd een eindbestemmingsverklaring ingevoerd. Het bleek dat in verschillende gevallen wapens die op papier naar NAVO-bondgenoten Portugal en Griekenland gingen, uiteindelijk in Irak of Iran terechtkwamen.

Het systeem van eindbestemmingsverklaringen staat nu alweer op de helling. In het kader van de Europeanisering van de defensie-industrie neigen de lidstaten ertoe de controle over te laten aan het land van eindassemblage. Hiermee is het gevaar ontstaan dat het land met de soepelste toepassing van de EU-gedragscode het beleid gaat bepalen. Lijkt Nederland te gaan steigeren bij een leverantie van Hollandse Signaal, dan is het eenvoudiger de order via de Franse moeder Thomson te laten lopen.

De toch al boterzachte, want niet gesanctioneerde, eindbestemmingsmaatregel blijkt ook regelmatig geschonden te worden. Turkije leverde bijvoorbeeld tijdens het EU-embargo van vorig jaar Duitse wapens door aan Indonesië. Bahrein bleek onlangs Britse nachtzichtapparatuur en pantservoertuigen voor snelle interventie aan Algerije doorverkocht te hebben. Een niet zo elegante, maar wel handige oplossing, voor controversiële leveringen.

Als tweede criterium bekijkt Buitenlandse Zaken of het ontvangende land territoriale claims heeft op het buurland en deze in het verleden met (de dreiging van) geweld kracht heeft bijgezet. Ook hier is een verzachtende factor ingebouwd. Aanspraken op elkaars grondgebied tellen minder zwaar wanneer deze zijn "ingebed in een breed en overheersend kader van bilaterale samenwerking, (...) ook al zou in het verleden met geweld zijn gedreigd."

Het is voor activisten tegen wapenhandel geen onbekend fenomeen dat de overheid schermt met dit soort internationale contacten van kwalijke bestemmingslanden. Vaak blijken deze in het verloop van het conflict toch van minder betekenis dan in de visie van Buitenlandse Zaken.

Ten derde wordt beoordeeld of het waarschijnlijk is dat de geleverde wapens gezien hun aard ingezet zullen worden in een (eventuele) oorlog. Dit hangt vanzelfsprekend samen met de aard van het conflict en de ontwikkeling daarvan. Wederom een kwestie van analysekader en koffiedik kijken. Vaak wordt bovendien geschermd met de begrippen defensieve en offensieve wapensystemen. Een luchtverdedigingssysteem is defensief en aanvalshelikopters zijn offensief, volgens de notitie. Niet alleen wordt hierdoor de terughoudendheid bij levering aan conflictgebieden nog verder verzwakt, het is ook een kunstmatig onderscheid. Je kan evengoed stellen dat aanvalshelikopters defensieve taken kunnen hebben en dat luchtverdedigingssystemen essentieel kunnen zijn in een offensieve strategie. Daarnaast is deze omschrijving toegesneden op de wapensystemen van Nederlands belangrijkste wapenfabrikant Signaal. Ook met dit criterium kan men dus weer alle kanten op.

Ten slotte wordt ingegaan op het criterium dat de regionale stabiliteit niet negatief mag worden beïnvloed. Dit wordt van zoveel kanttekeningen voorzien dat het hele wegingsprincipe nutteloos is. De staat die de wapens aankoopt moet zich kunnen verdedigen tegen alle omringende landen of een combinatie daarvan, zo wordt gesteld. De kritiek ligt voor de hand. Door een dergelijke visie op het vierde criterium, worden wapenwedlopen mogelijk in de hand gewerkt, maar in ieder geval niet belemmerd. Buitenlandse Zaken is zich hiervan bewust en doet deze kritiek af met de dooddoener dat "hoe ongelukkig een bewapeningsspiraal op zich ook is," het leveren van de "gevraagde verdedigingsmiddelen" een vorm van militair evenwicht en stabiliteit kan zijn. Een uitspraak die gelogenstraft wordt door onderzoek waaruit blijkt dat staten in een potentieel conflictgebied, die veel wapens kopen juist een veel grotere kans hebben in oorlog te raken dan wanneer conflicterende landen niet in een wapenwedloop zijn betrokken.

Het stuk over het spanningsgebiedencriterium laat in alle vier de ijkpunten zoveel interpretatieruimte over, dat de uitvoering sterk af zal hangen van de politieke koers die Buitenlandse Zaken en de Kamerleden voorstaan. De positieve voorbeelden in het slot van de notitie geven dit duidelijk weer. De vergunningenstop naar India en Pakistan (beide belangrijke klanten voor Nederlandse wapens) werd van kracht door druk van het parlement op Buitenlandse Zaken. Terwijl de EU-verklaring over wapenexporten naar het Grote meren gebied (waar Nederland toch al nauwelijks of geen wapens aan leverde) tot stand kwam na inzet van Buitenlandse Zaken. Belangrijk is dat de notitie inzicht biedt in een aantal belangrijke wegingsgronden. Bij afwezigheid van een krachtige oppositie tegen leveranties zal er echter vooralsnog weinig veranderen aan het beleid, waarin het vooral anti-westerse landen en zwakke, arme en instabiele staten zijn die het zonder Nederlandse wapensystemen moeten stellen. Het spanningscriterium is daarom zo goed als overbodig, aangezien veel leveranties aan deze landen wegens andere criteria (mensenrechten en armoede) al verboden zouden moeten worden.

Het begrip 'spanningsgebieden criterium' dekt de lading van het beleid geenszins. Niet de situatie in regio's wordt beoordeeld, maar of landen in gevoelige regio's Nederlandse wapens kunnen krijgen of niet. De hele notitie ademt de sfeer van business as usual. De ook hier weer opduikende zinsnede dat terughoudendheid het kenmerk is van het Nederlandse wapenexportbeleid begint zo langzamerhand een meer dan versleten cliché te worden.

F-16's voor de Emiraten?

Niet alleen is het spanningsgebieden criterium verder uitgewerkt er is ook een nieuw criterium toegevoegd aan het Nederlandse wapenexportbeleid. Het regeerakkoord van Paars 2 beloofde al nieuwe accenten in dit beleid. Een van de veranderingen waar het hoog op inzette was de introductie van een nieuw criterium dat landen die weigeren te rapporteren aan het VN-wapenregister, zou uitsluiten voor levering van Nederlandse wapens.

Liefst zou de regering zien dat zo veel mogelijk EU bondgenoten het Nederlandse initiatief zouden volgen, zodat van een krachtig Europees signaal sprake zou zijn. Minister van Buitenlandse Zaken Van Aartsen kreeg helaas weinig bijval van zijn vrienden en dus zat men nogal met het nieuwe criterium in de maag. Vooral het kamerlid Apostolou (PvdA) vond dat de minister zijn regeringsbelofte diende na te komen, ook zonder EU-steun. Eind februari is door de druk van de Kamer aan die eis voldaan. In een brief aan het parlement kondigen Van Aartsen en staatssecretaris Ybema (EZ) het nieuwe criterium aan, maar doen meteen een flinke scheut water bij de wijn. Nederland gaat "rekening houden met de vraag of het land van eindbestemming deelneemt aan het VN-wapenregister" en dat is bepaald minder bindend dan wat aanvankelijk werd beloofd.

Een eerste test voor de hardheid van het criterium bood zich kort na de introductie aan. In de militaire pers was het bericht verschenen dat Nederland 20 tweedehands F-16's aan de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) aanbood, schijnbaar als trainingsvliegtuigen. De VAE is een van de landen in het Midden-Oosten dat z'n wapen aan- en verkopen niet aan het register meldt. In antwoord op Kamervragen van SP-er Van Bommel over de mogelijke deal, antwoordt defensieminister De Grave dat de VAE weliswaar niet rapporteert, maar dat het voor het overige een "betrouwbare partner in de internationale gemeenschap" is. Verder geeft het conflict met Iran over drie eilandjes in de Golf "geen aanleiding tot spanningen (...), die doen vrezen voor een gewapend conflict." Zoals de notitie van Van Aartsen over het spanningsgebieden criterium (zie boven) al deed vermoeden, is de regering niet snel bezorgd over het mogelijk uitbreken van een conflict. Tussen Iran en de VAE botert het echter allerminst. De problemen concentreren zich vooral rond het eiland Abu Musa, dat de VAE claimen, maar door Iran wordt bezet. Het is daarom onbegrijpelijk dat Nederland een eventuele confrontatie bagatelliseert.

Als uitsmijter merkt De Grave op dat de VAE "geen democratie in de westerse zin des woords" kennen. "Zo is het verboden om politieke partijen en vakbonden op te richten en is de vrijheid van meningsuiting beperkt. De vraag of een land een democratie in de westerse zin is, vormt echter geen apart criterium." "Alles afwegende" zal de regering een eventuele vergunningaanvraag daarom positief beoordelen. Het nieuwe criterium over het VN-wapenregister is in zijn huidige vorm daarom een lachertje.

Overigens is Duitsland op papier ook nog altijd in de race om de VAE tweedehands Alpha-Jet jachtbommenwerpers voor trainingsdoeleinden te verkopen. Grote weerstand in de Bundestag, waar wapenleveranties aan het Midden-Oosten altijd omstreden zijn, heeft dusdanige vertragingen opgeleverd dat de Emiraten hun hoop nu (mede) op Nederland hebben gevestigd.

Nederlandse wapenhandel in 1999

Naast alle treurnis zijn er ook positieve ontwikkelingen te melden. Zo wordt al weer sinds enige jaren wat meer openheid gegeven over de landen die Nederlandse wapens afnemen. In de jaren negentig waren de Verenigde Arabische Emiraten, Oostenrijk, Zuid-Korea, India, Egypte, Taiwan, Qatar, Indonesië, Chili en Zweden, buiten de NAVO, de tien belangrijkste afnemers van Nederlandse wapens. Voorwaar een respectabel rijtje als je denkt aan de mensenrechten en spanningsgebieden.

Voor leveringen aan NAVO-landen bestaan alleen cijfers vanaf 1997. Daaruit blijkt dat, in volgorde van grootte, de VS, Duitsland, Turkije, Groot-Brittannië en Griekenland sindsdien ieder voor meer dan 100 miljoen gulden aan Nederlandse wapens kochten. Heel veel zegt dit overigens niet. Vooral Duitsland en de Verenigde Staten nemen hier veel onderdelen af voor wapensystemen die vervolgens worden geleverd aan andere klanten. De Nederlandse wapenindustrie fabriceert bijvoorbeeld delen van F-16's, Apache gevechtshelikopters en Leopard tanks.

Niet alle aanvragen voor exportvergunningen worden door de Nederlandse overheid gehonoreerd. Nederland is een van de weinige landen binnen de Europese Unie dat een overzicht publiceert van geweigerde vergunningen. Niet tot ieders genoegen. Zo stelt het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken: "De Nederlandse regering moet zelf beslissen welke mate van transparantie hen past. Niettemin stelt de Gedragscode duidelijk dat 'lidstaten berichten van geweigerde vergunningen en consultaties geheim houden'."

In 1999 weigerde de Nederlandse overheid vergunningen aan Honduras, Colombia, Egypte (3), Israël (3) en Turkije (4), allemaal voor (onderdelen van) munitie en handvuurwapens en in het geval van Turkije onderdelen voor pantservoertuigen. In een niet nader genoemd geval heeft een andere lidstaat van de EU de levering overgenomen die het ministerie van Buitenlandse Zaken het jaar ervoor had tegengehouden. Hoogstwaarschijnlijk is het Frankrijk geweest dat geen bezwaren zag in het leveren van periscopen voor Turkse pantservoertuigen, waar Nederland die order tegenhield. Ondanks alle mooie woorden zit er dus nog altijd niet veel eenheid in het Europese wapenexportbeleid. Hoewel Nederland wapenhandel met India en Pakistan nog altijd niet toestaat, hebben de Britten eerder dit jaar hun exportstop opgeheven. Het jaren oude EU embargo tegen China is zo ruim gedefinieerd dat ieder land naar eigen goeddunken de grenzen ervan bepaalt. Voor Nederland betekent de Europese regelgeving, die wordt gedomineerd door grote wapenexporteurs als Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland, voornamelijk een uitholling van het nationale beleid. Daarnaast vergroot de Europeaniserende defensie-industrie de druk op een soepel Europees beleid.

Vanwege Benelux afspraken zijn België en Luxemburg van de Nederlandse rapportage uitgesloten. In deze leemte is sinds kort gedeeltelijk voorzien, omdat België in haar jaarrapport weergeeft voor welke waarde het wapens in het buitenland (waaronder Nederland) heeft gekocht. Voor 1999 was dit overigens geen schokkend cijfer: drie miljoen gulden. Deze weergave van importcijfers is een waardevolle bijdrage aan het Belgische rapport. Het Britse jaarrapport bevat weer andere gegevens die in Nederland ontbreken, namelijk welke categorie wapens aan welk land zijn geleverd. Hiermee ontstaat een veel beter inzicht in de wapenstromen, waardoor orders veel beter zijn te beoordelen. In Nederland blijft nog altijd onduidelijk wat welk land nu gekocht heeft; alleen vertrouwelijk mogen parlementariërs hier antwoord op krijgen. Het Nederlandse rapport kan dus nog aanzienlijk verbeteren.


Martin Broek en Frank Slijper



De tien belangrijkste Nederlandse wapenafnemers in 1999:
Duitsland 178,2 miljoen
Diverse NAVO-landen * 121,8 miljoen
VS 119,3 miljoen
Indonesië 81,5 miljoen
Engeland 74,2 miljoen
Turkije 38,4 miljoen
Canada 37,5 miljoen
Taiwan 18,8 miljoen
Griekenland 18,4 miljoen
Frankrijk 11,3 miljoen
Totaal alle landen 807,3 miljoen
* Dit betreft bulk exportvergunningen voor wapens
die voor meerdere NAVO-landen (m.u.v. Turkije en
Griekenland) zijn toegestaan



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Pacifisme -

Van monument tot fundament

Hoewel velen van ons kunnen zeggen dat zij onmiddellijk en voortdurend in touw zijn geweest tegen de oorlog rond Kosovo, moeten we als vredesbeweging constateren dat het ons in twee-en-een-halve maand niet gelukt is een brede beweging tegen deze oorlog te laten ontstaan. Op initiatief van oud-LBVO-voorzitter Henk Bos werd op 9 september jl. een interne beraadsdag van het Landelijk Beraad VredesOrganisaties gehouden om de mogelijke oorzaken voor dit falen niet alleen buiten ons, maar ook bij ons zelf en bij de ons bekende achterban te zoeken. "We hebben een rampenplan nodig," werd opgemerkt. Maar om een rampenplan te kunnen maken, zal je eerst het probleem verder in kaart moeten brengen. Waarom speelden wij als oorlogstegenstanders geen enkele rol in het publieke en politieke debat en werden we met onze acties en protesten vooral als folklore gezien? Het in kaart brengen van zulke problemen vergt een fundamentele analyse. De landelijke Monumentendag van 9 september werd voor dit doel herdoopt in Fundamentendag.

Solidariteitsgevoel

Als we zeggen dat gewelddadig ingrijpen niet helpt - eerder de zaak nog verergert -, krijgen we op een vrijblijvende manier gelijk. "Dat is wel zo, maar je moet toch wat?" wordt dan gezegd. Er is in onze cultuur kennelijk een hogere norm dan de afkeer van geweld. In zijn artikel Hoe om te gaan met conflicten in wereldverband, dat tijdens het ochtendgedeelte werd behandeld, wijst Hans Feddema op "solidariteit" als diepliggende notie. We leven in een cultuur waarin solidariteit met slachtoffers allesbepalend is: slachtoffers van rampen, van mensenrechtenschendingen en van geweld. Op zich is er niets mis met solidariteit, maar je moet het niet tot leidend beginsel in de politiek maken. Inmiddels zijn we zover dat die solidariteit ons blind maakt voor het karakter van de middelen waarmee de solidariteit wordt ingevuld. Het helpen zelf staat niet centraal, maar het oplossen van het probleem over de ruggen van de direct betrokkenen - slachtoffers èn daders - heen. Door een groep af te schilderen als slachtoffer wordt deze groep tot één enkel aspect teruggebracht en volstrekt hulpeloos verklaard.

We kennen het verschijnsel bij natuurrampen: net als de lokale bevolking weer tot eigen initiatieven komt, worden ze onder de voet gelopen door een leger hulpverleners. Wij zullen het wel eventjes voor hun opknappen. Inzake dit soort hulpverlening is de maakbaarheidsgedachte nog springlevend. We schijnen de slachtoffers ten koste van alles te moeten helpen. Het doel heiligt de middelen. En omdat solidariteit gepaard gaat aan partij kiezen, vervreemden wij ons van de partij die, omdat we de ene partij als slachtoffer herkennen, automatisch dader is geworden.

Partij kiezen helpt ons niet in het redden van slachtoffers noch in het oplossen van het probleem. Het is voor de vredesbeweging van belang om het machtsdenken dat het Westen (en alleen het Westen) alle problemen ter wereld op kan lossen èn het solidariteitsgevoel dat door zijn partijdigheid bruggen bouwen en vrede maken in de weg staat fundamenteel te bekritiseren. Dat is nog een hele klus, omdat maakbaarheid en solidariteit ons als progressief denkende mensen ook niet geheel vreemd is.

Compromispolitiek

Als vredesbeweging kregen we ook altijd te horen: "Jullie hebben geen alternatief." Het alternatief waar het LBVO de afgelopen jaren aan gewerkt heeft, de burgervredesteams, was kennelijk te weinig overtuigend om die kritiek daadwerkelijk te weerleggen. In hun artikel Op zoek naar een antwoord op de roep om 'humanitaire interventie', dat voor het middaggedeelte op de agenda stond, voeren Bram van der Lek en Jan Schaake aan dat burgervredesteams ook geen volwaardig politiek alternatief zijn. Naast het ontplooien van vredeswerk in de 'normale-mensen-samenleving', zullen we ook ideeën moeten ontwikkelen voor vredesopbouwprogramma's voor nationale en internationale overheden.

De afgelopen jaren is de belangstelling voor conflictpreventie en niet-militaire crisisbeheersing bij de verschillende overheden (nationaal, Europees, VN) sterk gegroeid. Daar zou veel meer op ingespeeld kunnen worden. Voorwaarde is dan wel dat vanuit de vredesbeweging tot in zekere mate met de overheid wordt meegedacht. Er zullen keuzen gemaakt moeten worden. Welke rol kennen we de Verenigde Naties toe als speler in het internationaal vredes- en veiligheidsbeleid? Accepteren we dat de VN een geweldsmonopolie zou kunnen hebben, al was het alleen maar voor peace-keeping operaties (blauwhelmen)? Wanneer we als vredesbeweging ingeroepen worden om bij zo'n peace-keeping operatie vredesprojecten uit te voeren (verzoeningswerk, vredesonderwijs, etc.), zijn we dan bereid om daarop in te gaan (met militaire peace-keepers samen te werken)?

Natuurlijk betekent het denken over een vredespolitiek, die gericht is op het voorkomen en beheersen van conflicten en crisissituaties elders in de wereld, niet automatisch een acceptatie van het militaire apparaat. Maar het van de grond tillen van zo'n alternatieve vredespolitiek kan op een gegeven moment toch strategische samenwerking met peace-keepers inhouden. En dat wrikt met de heldere geweldloze en antimilitaristische opstelling, die we toch het liefste uitdragen.

Vervolgdiscussie

Zowel de discussie als de hierboven gegeven schets ervan, zijn slechts een verkenning van een tweetal fundamentele zaken. De voorbereidingsgroep, waarin naast de reeds genoemde personen ook Jan Slop en Willemijn van der Werf zitten, werd door de aanwezigen dringend verzocht om deze op één of meer vervolgbijeenkomsten verder uit te diepen. De discussie moet voortgaan, graag ook binnen de eigen kring van de afzonderlijke vredesorganisaties. De lezers van VD AMOK worden dan ook van harte uitgenodigd om op de onderstaande stellingen afkomstig uit het stuk van Bram van der Lek en ondergetekende, te reageren.


Jan Schaake
stafmedewerker vereniging Kerk en Vrede




Stellingen interne beraadsdag van het Landelijk Beraad VredesOrganisaties

Stelling 1: Onze pacifistische visie is betekenisloos als zij niet weet te appelleren aan de overtuiging van de publieke opinie en van de politiek.

Stelling 2: De sferen moraal en politiek worden bij humanitaire interventie uit elkaar gehaald. Hierdoor wordt gesuggereerd dat goede bedoelingen zonder aandacht voor de effectiviteit voldoende zouden zijn voor politiek handelen.

Stelling 3: Net als in het artikel Hoe om te gaan met conflicten in wereldverband? van Hans Feddema, blijkt er in het gekozen en te kiezen instrumentarium om internationale crises te lijf te gaan feitelijk niet zo heel veel nieuws aan de hand te zijn. Alleen komt alles nu te voorschijn van achter het IJzeren Gordijn dat met de Muur gevallen is en het lijkt dus alsof we geconfronteerd worden met volstrekt nieuwe verschijnselen.

Stelling 4: Ondanks onze eigen bezwaren op onderdelen, moeten we als pacifistische vredesbeweging de Verenigde Naties als internationaal collectief vredes- en veiligheidsstelsel in ere houden en wijzen op het belang om vergaande beslissingen (zoals het gebruik van geweld) met een zo breed mogelijke instemming van een ieder te laten nemen. In die zin is ook het veto-recht van een aantal lidstaten verdedigbaar, zeker zolang de machtsverhouding tussen de afzonderlijke lidstaten op geen enkele manier in balans is.

Stelling 5: Het is strategisch beter om de Verenigde Naties een geweldsmonopolie toe te kennen en binnen die kaders de daadwerkelijke inzet van geweld te bekritiseren, dan het gebruik van geweldsmiddelen aan elke speler op het internationale vlak, en dus ook aan de VN, ten principale te ontzeggen.

Stelling 6: Het hele idee van 'humanitaire interventie' dient verworpen te worden omdat het het (zij het nog onvolkomen) internationale stelsel van collectieve veiligheid feitelijk vervangt door het aloude systeem van het recht van de sterkste.

Stelling 7: Elke fundering van een recht op 'humanitaire interventie' in een morele plicht om bedreigde groeperingen te hulp te snellen, stuit in de praktijk niet alleen op de "wetten" van het internationaal recht die in de weg staan, maar ook op "praktische bezwaren" zoals de internationale veiligheid, de vrede en de mensenrechten op de iets langere termijn.

Stelling 8: Elk ingrijpen van buitenaf ter voorkoming of ter de-escalatie van een oplopend conflict dient gericht te zijn op "het versterken van de maatschappelijke structuren om op een normale, dat is niet-gewelddadige manier met conflicten om te gaan." Het helpen van slachtoffers is een andere taak.

Stelling 9: We kunnen de media niet de schuld geven van de verwarring en de schuldgevoelens waarmee we het leed elders in de wereld gadeslaan, maar ze zijn een onderdeel van onze cultuur die de verwarring en de schuldgevoelens in zich heeft.

Stelling 10: Een eerste keuzemogelijkheid is direct handelen: protesteren tegen gewelddaden en geweldloze initiatieven elders ondersteunen. Dit is een reëel handelingsperspectief, maar het kan niet gepresenteerd worden als volwaardig politiek alternatief.

Stelling 11: Als een initiatief als burgervredesteams de status wil krijgen van een volwaardig politiek alternatief, dan zal het ook daadwerkelijk ingebed moeten worden in voor de politiek herkenbare en interessante strategieën.

Stelling 12: Bij de pogingen om onze geweldloze alternatieven in politieke kaders in te passen, is het van groot belang om ook de kritische taak van de vredesbeweging in de gaten te houden.




Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Nederland en Turkije -

Verdachte (zelf)moorden in het Turkse leger

Eind juni bezochten Suleyman Çiçek, Ali Aksoy, Coskun Usterci en Cafer Demir Nederland om te getuigen van de mensenrechtensituatie in het Turkse leger. Aanleiding van het bezoek was de dood van de zonen van Çiçek en Aksoy in de zomer van 1999. Tevoren was beide jongens los van elkaar de toegang tot Nederland ontzegd. Kort na terugkeer in Turkije kwamen zij in het Turkse leger om het leven. Beide vaders spreken van moord door onbekenden in het Turkse leger. Ze houden Nederland medeverantwoordelijk voor het lot van hun zonen omdat beide jonge mannen asiel in ons land hadden aangevraagd op grond van dienstweigering.

In de zomer van 1999 werd bekend dat zeker twee uit Nederland uitgewezen Turks-Koerdische asielzoekers de dood hebben gevonden in het Turkse leger. Daarbij bestonden sterke aanwijzingen dat de officiële doodsoorzaak 'zelfmoord' niet met de feiten overeenstemde. De Nederlandse regering beloofde een onderzoek in te stellen. In afwachting daarvan werd de uitzetting van uitgeprocedeerde Turks-Koerdische asielzoekers stopgezet.
Op 8 december 1999 maakte staatssecretaris Cohen bekend dat in het geval van één van de twee, Suleyman Aksoy, inderdaad sprake was van zelfmoord. Het onderzoek naar de dood van Savan Çiçek is nog steeds niet afgerond.
De Nederlandse regering besloot daarom de tijdelijke stop op het uitzetten van Turkse en Koerdische dienstweigeraars ongedaan te maken. De Tweede Kamer steunde deze beslissing. In de Tweede Kamerbijeenkomst van 16 december 1999 bleek dat het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken enkele niet bij naam genoemde mensenrechtenorganisaties in Turkije had geraadpleegd.

Bureaucratie

De voorbereidingen van het bezoek werden geplaagd door tal van (bureaucratische) hindernissen. Suleyman Çiçek verkreeg niet op tijd een paspoort van de Turkse autoriteiten om op 21 juni in Nederland aanwezig te zijn.
Op donderdagochtend 22 juni bezochten Ali Aksoy en Coskun Usterci van de ISKD (Izmirse Vereniging van Oorlogstegenstanders) de vaste kamercommissie voor Justitie in de Tweede Kamer. Dit bezoek was georganiseerd in samenwerking met de GroenLinks-fractie.
Ali Aksoy vertelde dat hij, in tegenstelling tot de officiële melding van december 1999 niet was benaderd door de Nederlandse autoriteiten om zijn visie op de dood van zijn zoon te geven. Hij klaagde over de slechte communicatie tussen de Nederlandse ambassade en de IHD. Voorts verklaarde Aksoy te willen weten wie de handtekening van zijn zoon had vervalst onder een verklaring waarin Suleyman Aksoy medewerking aan zijn uitzetting uit Nederland zou hebben gegeven. Suleyman Aksoy had zijn ouders laten weten zich slecht door Nederland behandeld te hebben gevoeld.

Medeverantwoordelijk

Een officieel autopsierapport is nooit opgesteld, er is alleen een overlijdensverklaring. Aksoy senior was te verstaan gegeven dat hij de kist met het lichaam van zijn zoon niet mocht openen. Met de familie, bijeengekomen in een alevietisch gebedshuis in hun woonplaats Istanboel, besloot hij de kist toch te openen. Gedeeltelijk, hij zag alleen het verminkte gezicht en had achteraf spijt het daarbij te laten en de kist weer te sluiten. De verwondingen aan de rest van het lichaam heeft hij nooit gezien. Desondanks leeft bij vader Aksoy sterk de indruk dat de verwondingen veroorzaakt zijn door mishandeling.
Voorts heeft hij grote twijfels bij de toedracht van de dood van zijn zoon. Suleyman Aksoy verbleef in een kazerne op het terrein van het militair hospitaal GATA in Ankara. In de nacht van zijn dood 12 juli 1999 zou hij in pyjama zijn bed hebben verlaten om naar een hoge brug op het terrein te lopen en daar vervolgens vanaf te springen. Aksoy senior verwondert zich over het feit dat zijn zoon daarbij de kamerwacht, etagewacht, en gebouwenwacht heeft kunnen passeren zonder gezien te worden. In het bijzijn van de kamerleden spreekt Aksoy zijn ongeloof uit over de zelfmoordversie van de dood van zijn zoon en stelt hij Nederland medeverantwoordelijk voor zijn dood.
Aksoy had eerder geen officieel onderzoek gevraagd omdat een tweede zoon nog dienst deed. Op het moment dat deze zoon was afgezwaaid, was de termijn om officieel onderzoek doen verlopen.

Structurele problemen

Coskun Usterci wees op de structurele problemen van de mensenrechten in het Turkse leger. In een onderzoek had hij de dood van 37 dienstplichtigen vastgesteld (zie ook VD AMOK 2000-3), waarbij opviel dat de meesten van deze slachtoffers van Koerdische komaf zijn, en velen onder hen in het buitenland geprobeerd hadden asiel aan te vragen.
De dag voor de bijeenkomst in de Kamer had de afdeling Istanboel van de IHD een verklaring uitgegeven, waarin 13 gevallen van zogenaamde zelfmoord in het Turkse leger zijn gedocumenteerd. Allen zijn Koerd en in alle gevallen werd de IHD benaderd door de familie om onderzoek naar de doodsoorzaak van hun zonen. Dit duidt op een structureel probleem, waarvan de op de genoemde lijsten vermelde gevallen niet meer zijn dan het topje van de ijsberg.

Recht op leven

Tegen het decor van een dertigtal Turks-Koerdische dienstweigeraars, waaronder een kennis van Suleyman Aksoy, werd op vrijdag 23 juni persconferentie georganiseerd. Aanwezig waren Vrij Nederland, Parool, Trouw, Volkskrant, Özgür Politika, Algemeen Dagblad.
Naast het relaas van Aksoy viel ook het verhaal van Cafer Demir, hoofd van de IHD-afdeling Elaznn op. Demir stelde naast de bekende gegevens over de 3000 door het Turkse leger vernietigde Koerdische dorpen en de drie miljoen van huis en haard verdreven dorpelingen, dat in de jaren 1997 en 1998 180 politieke moorden zijn gepleegd in Turkije, 169 mensen in detentie zijn gedood en dat marteling als legitiem middel door officieren van justitie en ook door invloedrijke politici wordt gezien om wettig en overtuigend bewijs te verzamelen. Kortom, het recht op leven wordt in Turkije nog steeds niet gegarandeerd en er zijn 152 wetten (met 303 artikelen) die de vrijheid van meningsuiting beperken, 13 artikelen met beperkingen voor de Koerdische bevolkingsgroep en andere minderheidsgroepen.

Spoeddebat Tweede Kamer

Naar aanleiding van deze gebeurtenissen werd op woensdagavond 28 juni een spoeddebat van de vaste kamercommissie van Justitie gehouden. De oppositie wilde met staatssecretaris van Justitie Cohen van gedachten te wisselen over de nieuwe feiten die door de heer Aksoy en de Turkse mensenrechtenvertegenwoordigers aangedragen.
GroenLinks, SP en D66 wilden opnieuw overgaan tot het opschorten van de uitzetting van Koerden naar Turkije. CDA en VVD waren daarmee niet akkoord en daarmee kwam de sleutel in handen van PvdA'er Middel. Middel wenste in tegenstelling tot in december 1999 nu inzage in het persoonlijk dossier van Aksoy junior om te kunnen bepalen hoe de Nederlandse autoriteiten het onderzoek naar zijn dood hadden uitgevoerd.
Staatssecretaris Cohen was bereid 'bij hoge uitzondering' en onder strikte geheimhouding inzage in het dossier van Aksoy junior aan de kamercommissieleden verlenen. Tot andere maatregelen wilde hij niet overgaan. Toch was dit voor Middel genoeg om de aangekondigde motie van GroenLinks niet te steunen.
Voorts werd naar aanleiding van het bezoek van vader Aksoy een nieuw ambtsbericht over de dienstplicht in Turkije uitgebracht door het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Gescheurd dagboek

Onverwacht had Suleyman Çiçek alsnog een paspoort van de Turkse autoriteiten verkregen en arriveerde op donderdag 29 juni, de laatste dag van het parlementaire seizoen. Laat in de middag volgde alsnog een gemproviseerd gesprek met De Wit (SP), Halsema (GroenLinks) en Hoekema (D66) in Den Haag.
Pogingen Bert Middel te spreken mislukten, ook al omdat die middag Nederland geleidelijk tot stilstand kwam, vanwege de voetbalwedstrijd Nederland - Italië. Ook het parlementaire werk werd tot negen uur 's avonds opgeschort, waarna de stemming over de motie van GroenLinks volgde. De motie werd afgewezen.
Çiçek vertelde dat het volgens hem technisch onmogelijk is dat zijn zoon Savan zichzelf met een G-3 geweer had gedood, zoals de officiële lezing is. De afstand van de trekker van het geweer tot het eind van de loop is 64 cm, de arm van zoon 62. Voorts bleek de huls van de kogel op 20 meter afstand teruggevonden, normaal gesproken springt de huls slechts enkele meters weg. Dat waren slechts enkele van de ongerijmdheden die hij had geconstateerd naar aanleiding het autopsierapport. Voorts bleken er pagina's uit Savan dagboek te zijn gescheurd toen het werd bezorgd bij zijn ouders. Vader Çiçek is inmiddels ook anoniem en telefonisch met de dood bedreigd.
Voor Suleyman Çiçek persoonlijk is nog onduidelijk wat het onderzoek van de Nederlandse autoriteiten naar de dood van zijn dood zal opleveren. Çiçek die in Turkije vakbondsleider van personeel van de PTT is, meldde een organisatie te willen vormen van familieleden van in het Turkse leger omgekomen dienstplichtigen.


Guido van Leemput



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Israël - Palestina -

Voor het beter wordt kunnen nog vreselijke dingen gebeuren

Volgens het Akkoord van Oslo dat in 1993 tussen Israël en de Palestijnse vertegenwoordigers werd gesloten, zou er uiterlijk 13 september 2000 een Palestijnse staat moeten bestaan. Maar zover is het nog niet, er dreigt zelfs een oorlog als de Palestijnen overgaan tot het eenzijdig uitroepen van hun staat, zonder dat er een definitief akkoord is met Israël over de grenzen van die staat. Beate Zilversmidt, activiste in de Israëlische vredesbeweging bericht.

De Yesh Gvul-beweging (Er is een Grens) van dienstplichtige reservisten van het Israëlische leger heeft tot hernieuwde activiteit besloten nu het uur der waarheid tussen Israëliërs en Palestijnen naderbij komt. In een alom gepubliceerd persbericht heeft Yesh Gvul laten weten dat, mocht het vredesproces mislukken en er oorlog van komt, de overheid op een actieve dienstweigerbeweging kan rekenen.
Bekomen van de eerste schrik na het falen van het vredesoverleg in Camp David, in augustus, dringt het besef door dat de onderhandelingen gewoon doorgaan. En met name over de kwestie Jeruzalem is de discussie allang niet meer of, maar hoe de stad te verdelen.
Jarenlange trouwe Vrede Nu-aanhangers verkeren op dit moment in een diepe depressie, verpletterd als ze zijn door het feit dat, dankzij de machtsverhoudingen in de Knesset die van te voren bekend waren, Peres het presidentschap niet ten deel is gevallen.

Twee taboes

En dan zijn er de uitlatingen van de Sefardische rabbi Ovadya Yoseph die twee taboes doorbrak op één dag, of eigenlijk maar een. Dat je met slangen geen vrede sluit was geen leuke verwijzing, maar men hoort hier ergere dingen, en dat de Here spijt zou hebben dat hij de "zonen van Ismael" had geschapen bleek een Godslastering waar alleen niet-gelovigen zich aan schenen te storen. Edoch, de uitlating dat de zes miljoen joodse slachtoffers van het nazisme gestorven waren voor hun zonden uit dit en vorige levens was een rake klap tegen het zere been van de Askenazische, de Noord-Europese, joden. Dat een dergelijke verklaring niet ongebruikelijk is in het theologische debat over hoe het kwaad in de wereld te rijmen valt met de volmaaktheid en almacht van het opperwezen werd naar voren gebracht door de altijd begrijpende professor Avi Ravitzky. Maar rabbi Yoseph - ervaren volksmenner als hij is - had hier wel degelijk bedoeld "hier heb je het bewijs: wij, de meer traditioneel ingestelde Oriëntalen zijn de betere joden."

Naar een doorbraak

De verzotheid van Israëliërs op schandalen en schandaaltjes komt de in moeilijkheden verkerende Barak maar al te goed uit. Het leidt de aandacht af van het feit dat hij met een minderheidskabinet afstevent op alsnog een doorbraak in het vredesproces, zijn laatste troef. Dat dat zo is tracht hij te verbloemen met allerlei schijnbewegingen. Op dit dieptepunt van zijn politieke bestaan heeft hij een commissie benoemd ter voorbereiding van een grondwet, die Israël nog steeds niet heeft, en die een einde aan de religieuze dwang zou moeten maken. Maar dit zal hem niet helpen als het inderdaad op verkiezingen aankomt. Na definitief gefaald te hebben in het vredesproces kan hij eenvoudig niet bij het eigen kamp terugkomen voor een tweede termijn.

Baraks tweede kans

In de komende twee maanden heeft hij nog een kans. Gedurende het zomerreces dat tot in oktober duurt is de Knesset vleugellam, en de pers is op het moment niet al te kritisch. De ommezwaai van Clinton, van zo onpartijdig mogelijke bemiddelaar tot zo partijdig mogelijke vriend van Israël - er werd zelfs over verhuizing van de ambassade van Tel Aviv naar Jeruzalem gesproken - heeft wat betreft Barak het gewenste effect gehad. De posities die hij heeft ingenomen in Camp David worden nu beleefd als datgene wat voor Israël de hechte relatie met de Verenigde Staten heeft teruggewonnen. En eerlijk gezegd, Arafat vaart er niet eens zo slecht bij. Hem heeft de "belediging" van Clinton opgeleverd dat hij niet meer als lakei van Barak en Clinton maar als kampioen van de Arabische zaak wordt gezien. En wie weet, met de plotseling zeer toegenomen steun uit de Arabische wereld voor Arafat moet Clinton haast wel weer een beetje een corrigerende beweging de andere kant op maken. Er zijn al geruchten dat hij het heeft over nog een ambassade in Jeruzalem. In Oost-Jeruzalem wel te verstaan, de Amerikaanse ambassade in de Palestijnse staat.

Routineuze onderdrukking

Anderzijds is er de hernieuwde relevantie van de Jeruzalem-campagne. Juist nu heeft het zin in pamfletten, ingezonden brieven, stickers, advertenties en stukken in de krant aan te dringen om de deur die opengebroken is ook werkelijk door te gaan en te werken aan een fair compromis juist ook waar het Jeruzalem betreft. Maar ook de dagelijkse praktijk van bezetting en onderdrukking vraagt nog steeds zijn tol, en zal dat zelfs in het meest gunstige geval van een akkoord voor het einde van dit jaar, op zijn minst nog maandenlang daarna blijven doen. Zolang het akkoord dat nog niet bereikt is, en waarvan het niet zeker is dat het bereikt zal worden, niet is uitgevoerd - en bij de uitvoering is er nog heel lang stof voor meningsverschillen die alles op kunnen houden - zolang gaat de "routinematige onderdrukking" door. Huizen worden ook nu nog "routinematig" vernield. Een paar dagen geleden nog sneuvelden er twee van kinderrijke gezinnen in het "bespreekbare" Oost-Jeruzalem. De bulldozers werden uitgestuurd op last van burgemeester Olmert zonder de minste waarschuwing vooraf. Al is het achteraf op zo'n moment niet genoeg om met een groepje er naar toe te gaan, er moet meer gebeuren. Daar is e-mail tegenwoordig de oplossing voor. Maar ook via dit "wondermiddel" kun je niet steeds weer aankomen met het verzoek om alweer een boze brief aan onze overheid. Daarom dit keer maar eens gevraagd aan iedereen in Israël en daarbuiten waarvan het e-mail adres in de computer voorkomt om een ingezonden brief naar de eigen krant te sturen, Jeruzalem gaat op dit moment tenslotte iedereen aan, en vervolgens een kopie van die ingezonden brief naar Barak, regelrecht of via de Israëlische ambassade.

Waar we op dit moment getuige van zijn is de keerzijde van de jarenlang aanwezige Jeruzalem paradox. Toen in 1995 Gush Shalom (Israëlisch Vredes Blok) begon handtekeningen te verzamelen voor de petitie "Ons gezamenlijk Jeruzalem, hoofdstad van twee staten" waren we volslagen pioniers. Maar de betrekkelijk snelle doorbraak die we in een paar jaar tijd mochten beleven is mede het gevolg van het beleid van Likud-burgemeester Ehud Olmert. Deze heeft met zijn contra-productieve brute optreden velen over de streep getrokken. Maar laten we niet te vroeg juichen. Een getergde Olmert kan nog zeer veel kwaad aanrichten. Misschien is het zo: voor het beter wordt kunnen er nog vreselijke dingen gebeuren.


Beate Zilversmidt
medewerker van de nieuwsbrief "The Other Israël"

The Other Israël
Postbus 2542
Holon 58125
Israël
otherisr""at"actcom.co.il

Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Kernwapens -

Nucleaire bewegingen

Wanneer dit nummer van VD/AMOK verschijnt, zal de burgerinspectie van de kernwapenbasis Volkel voor dit jaar al hebben plaatsgevonden. Opnieuw zullen actievoerders met symbolische actie de publieke aandacht vestigen op de voortgezette aanwezigheid van kernwapens in Nederland.

De atoombommen in Volkel zijn massavernietigingswapens, middelen om terreur uit te oefenen. Het is belangrijk ze te verwijderen. Maar ook al zou dat gebeuren, dan nog is er de kwestie van de nucleaire politiek van de NAVO, waaraan Nederland zich als NAVO lidstaat verbindt. Men zou de bommen immers in tijden van crisis weer kunnen invliegen. Dus moet er heel wat meer veranderen aan de Nederlandse betrokkenheid dan alleen haar rol als 'gastheer' en gebruiker van de Amerikaanse kernbommen. Wie zich bewust is van dit feit, moet een zekere optimisme koesteren bij het beluisteren van de debatten in de Tweede Kamer over deze problematiek. Daar wordt nog steeds (laatst nog begin september) een titanenstrijd geleverd over de officiële erkenning van de aanwezigheid van de kernwapens. Zelfs het toegeven van dit feit maakt deel uit van de diplomatieke manoeuvres rondom de kernwapens.
In het slotdocument van de toetsingsconferentie van het Non-Proliferatie Verdrag (NPV) dat in mei jl. tot stand kwam (zie het vorige nummer van dit blad) werd opgeroepen tot meer doorzichtigheid over de aanwezigheid van kernwapens. Dat is iets waar de Nederlandse regering wel werk van wil maken, mits in het kader van onderhandelingen over een algemene regeling hierover zodat ook de duizenden Russische 'tactische' kernwapens er onder vallen.
De grote vraag is natuurlijk; wat gebeurt er nadat er officieel is toegegeven dat er kernbommen bij ons liggen? Misschien komt dan de boven beschreven 'terugtrekoptie' in beeld. Als de NAVO in december vergadert staat ook een evaluatie van de nucleaire NAVO politiek op de agenda (het zogenaamde 'paragraaf 32' proces). Daarna zullen we meer weten over de toekomst.

Schild

Er is nog een nucleaire kwestie die de wereld en dus ook de NAVO-bondgenoten van de VS raakt; de plannen van de Amerikaanse regering om een anti-raketschild (de National Missile Defense - NMD) aan te leggen boven Noord Amerika. Zoals bekend is de uitvoering van dat plan begin september opgeschort door president Clinton. Een volgende president zal nu de beslissing moeten nemen. Daarvoor is aanpassing van een belangrijk Amerikaans-Russisch verdrag, het ABM-verdrag, noodzakelijk. Die overeenkomst schrijft beperkingen voor aan de aantallen anti-raket raketten die de VS of Rusland mogen opstellen. Dit past in de exotische logica van de nucleaire terreur, waarbij beide zijden zeker moeten zijn dat ze terug kunnen slaan als ze nucleair worden aangevallen. Het is deze zekerheid die door het schild ondermijnd wordt. Daarom bestrijden zowel China als Rusland de voortzetting van het programma.
De meeste Europese landen, waaronder Nederland, maken zich ook zorgen. Deels vanwege de Russisch/Chinese tegenstand (die immers in een nieuwe kernwapenwedloop kan uitmonden) maar ook over de gevolgen van zo'n schild voor de 'koppeling' van de Europese veiligheid met die van de VS. Het probleem is: als de VS een schild aanleggen waarachter ze zich veilig wanen, dan hebben ze wellicht geen zin om nog bij Europese conflicten betrokken te raken.
De meningsverschillen tussen de Amerikaanse en Europese regeringen zijn in één opzicht misleidend: mocht er een overeenkomst tussen de VS en Rusland over het ABM verdrag tot stand komen, dan zal de oppositie als sneeuw voor de zon verdwijnen.


Karel Koster



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Column -

Spektakel

De vuurwerkramp van mei jongstleden in Enschede heeft heel wat losgemaakt. Met grote klem betoogden vele politici dat voortaan de opslag van zulk gevaarlijk spul op een dergelijke locatie absoluut verboden moet worden.
Wat mij bevreemdde was dat niemand van hen ook de onmiddellijke verwijdering van de kernwapens in Volkel eiste. De risico's daarvan zijn minstens tienduizend maal zo groot als die van het Enschedese vuurwerk. Eigenaardig was ook dat geen enkele interviewende journalist op het idee kwam om dit probleem erbij te halen.
De geheimhoudingsgekte bij militaire zaken zal wel enigszins medeverantwoordelijk zijn voor dit grote verschil in attentheid, maar vormt allerminst een excuus daarvoor. Behalve het gebruikelijke argument dat de vijand het niet mag weten speelt allicht het voorkómen van onrust en verzet bij de eigen bevolking een rol.
Van tijd tot tijd worden er nieuwe gegevens bekend over vroegere activiteiten op bewapeningsgebied die in hoge mate geheimgehouden werden, hoewel (of juist omdat) ze grote gevaren en veel ellende met zich meebrachten voor de bevolking. Gevaren en ellende die tot op de dag van vandaag voortduren.
Zo werd onlangs meer bekend over het neerstorten in 1968 van een Amerikaanse B-52 bommenwerper bij de eigen basis op Groenland. Dat daar kernwapens lagen en dat ermee gevlogen werd hielden de Amerikanen geheim, ook voor de Deense regering. Toen die het te weten kwam ging ze meedoen met het liegen. Ook over het ongeluk van 1968 werd op grote schaal gelogen. Nieuwe gegevens wijzen erop dat er nog steeds een H-bom op de bodem van de zee ligt. Er wordt voortdurend gedraaid en gelogen over de risico's, met name van radioactieve besmetting.
Een ander voorbeeld betreft het eiland Diego Garcia, gelegen in de Indische Oceaan, ongeveer 1800 kilometer ten Zuiden van India. In 1967 heeft de Britse Labour regering dit eiland, tegen de wil van de bevolking, voor vijftig jaar verpacht aan de Verenigde Staten, ten behoeve van een enorme militaire basis. Die kwam er ook, maar werd bijna compleet geheimgehouden. De gehele bevolking van het eiland werd ervoor gedeporteerd naar Mauritius, over een afstand van 2000 kilometer. Nu blijkt dat hun ellende nog steeds voortduurt.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Korte berichten -



Korte berichten
Samenstelling: Kees Kalkman



Geheime kabinetsraad voor speciale operaties

Het kabinet gaat een ministeriële kerngroep vormen die toestemming moet geven voor geheime militaire operaties. De kerngroep bestaat uit tenminste één minister van elke partij in de coalitie. De Tweede Kamer krijgt eveneens in het geheim informatie over de acties. Voor deze regeringsperiode bestaat het uiterst geheime clubje uit Kok, de vice-premiers Borst en Jorritsma en de ministers De Grave van defensie en Van Aartsen van buitenlandse zaken. Dus behalve de premier van sociaal-democratische huize, één D'66-ster en drie VVD'ers.

Het bestaan van de commissie blijkt uit een brief van de minister van defensie aan de tweede kamer. De brief is een gevolg van een toezegging van minister De Grave tijdens de hoorzittingen van de onderzoekscommissie Bakker over militaire interventies. Kamerleden hadden om een duidelijke procedure gevraagd voor geheime acties.

Bij de geheime militaire acties gaat het om operaties door speciale eenheden met een hoog politiek-militair risico, zoals bijzondere arrestaties (bijvoorbeeld van oorlogsmisdadigers), aanvallen op bepaalde doelen (sabotage-acties achter de linies), evacuaties van landgenoten uit gevaarlijke situaties (gijzelingen in het buitenland) en terreurbestrijding. Gijzelingen en kapingen binnen het koninkrijk en bijstand aan de Antillen, vallen niet onder de regeling.

De kerngroep gaat eerst na of ze het zelf afkunnen of dat er meer ministers of misschien zelfs het hele kabinet bij betrokken moeten worden. Het parlement wordt "als het mogelijk is vooraf" maar "in de praktijk meestal pas achteraf" op de hoogte gesteld. Bovendien gaat het kabinet er vanuit dat de informatie op dezelfde manier wordt behandeld als in de geheime kamercommissie voor de inlichtingendiensten. Daar zitten alleen de fractievoorzitters van de grootste partijen in. Zoals bekend leidt dit tot een vrijwel ontbreken van effectieve parlementaire controle.

Hoeveel geheime militaire acties er tot nu toe zijn geweest vermeldt het bericht niet. Deze lijken geheel zonder controle van kabinet of parlement te zijn verlopen. Iets voor een nieuw parlementair onderzoek?

Bron: ANP-bericht in DC (Delftse Courant?) 29.8.2000



Te vuur en te zwaard

In het herfstnummer van het kwartaalblad over ontwikkelingswerk Vice Versa staat een artikel over websites met informatie over wapenhandel. Zowel kritische websites zoals die van AMOK-Maritiem, het European Network Against Armstrade (ENAAT), Human Rights Watch (HRW) en de Federation of American Scientists (FAS) als de pagina's van de Stichting Nederlandse Industriële Inschakeling (NIID), de lobby van de vaderlandse defensie-industrie, en dubieuze clubs als de Amerikaanse gunindex.com komen aan de orde.



Krans voor dienstweigeraars Wehrmacht

De Kampagne gegen Wehrpflicht, Zwangsdienste und Militär (Campagne tegen dienstplicht, dwangarbeid en militarisme) heeft op 20 juli 2000, de verjaardag van de mislukte militaire coup tegen Hitler, een krans gelegd bij het Duitse verzetsmonument in Berlijn ter nagedachtenis aan de deserteurs van de Wehrmacht. Ludwig Baumann, voorzitter van de vereniging van slachtoffers van de militaire nazi-justitie, en zelf Wehrmachtdeserteur hield daarbij een toespraak.

De deserteurs in Hitlers Wehrmacht weigerden vastbesloten mee te doen aan een misdadige oorlog. Tegen dienstweigeraars en deserteurs velde de militaire justitie van de nazi's 46.000 doodvonnissen, waarvan er meer dan 20.000 werden voltrokken. De Wehrmachtdeserteurs moeten tot de dag van vandaag vechten voor volledige rehabilitatie. Nadat de Bondsdag in 1998 de nazivonnissen had vernietigd moeten zij zich als enige groep overlevenden nog steeds onderwerpen aan een vernederende individuele toetsing om hun recht te halen.

Baumann verklaarde dat soldaten van de Bundeswehr de plicht hadden te deserteren als het nieuw Duitse leger eenzelfde oorlog als de Wehrmacht zou voeren. Of de Feldjäger (marechaussee) die zijn redevoering aanhoorden dit ook in hun oren hebben geknoopt mag worden betwijfeld. De majoor die hen aanvoerde betitelde Baumann tegenover actievoerders als 'crimineel'.

De kranslegging en de op dezelfde plek plaats vindende herdenking van de samenzweerders van de 20e juli door de Bondsregering vond plaats onder zware politie-inzet. Vanwege een eveneens geplande beëdiging van rekruten mochten belangstellenden de herdenkingsplaats slechts betreden na scherpe veiligheidsmaatregelen getrotseerd te hebben. Pamfletten en informatiemateriaal mochten van de marechaussee niet meegenomen worden naar het monument
(EdG).



Vredesactvist bedreigd met smaadproces

De Israëlische vredesactivist Teddy Katz (57), een kibbutz-bewoner die op latere leeftijd geschiedenis begon te studeren, zit in moeilijkheden. Katz is een bekende vredesdemonstrant die het opnam voor zijn Arabische buren die streden om hun land te behouden. Tijdens zijn geschiedenisstudie deed hij een onderzoek naar de gebeurtenissen in het Palestijnse dorp Tantura in 1948 tijdens de Israëlische onafhankelijkheidsoorlog. Het betreft een slachtpartij die in essentie weinig verschilt van die in het veel bekendere Deir Yassin. Katz interviewde overlevenden in hun vluchtelingenkampen en wist ook enkele daders van de Alexandroni brigade van de Hagana militie tot spreken te brengen. Katz' probleem ontstond omdat de Hagana later is uitgegroeid tot het Israëlische leger. Dat maakt het onmogelijk om deze daad zoals in Deir Yassin het geval was op het conto van extremisten te schrijven.

Katz kreeg daardoor de veteranenorganisatie van de Alexandroni brigade achter zich aan die hem nu een proces hebben aangedaan wegens smaad met als eis een miljoen dollar schadevergoeding. Omdat Katz een goede advocaat nodig heeft en vanwege het principiële belang van de zaak (vrijheid van wetenschapsbeoefening) is de Israëlische vredesgroep Gush Shalom een steuncampagne voor hem begonnen.


Gus Shalom
PB 3322
Tel Aviv 61033
www.gush-shalom.org

Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Wapenhandel -



Wapenhandel
Samenstelling: Frank Slijper

Voor meer informatie over Nederlandse wapenhandel en -industrie: ga naar www.stopwapenhandel.org



De olifant en het blaadje sla

Na de overname van De Schelde door Damen Shipyards zijn er nog maar twee werven in Nederland die grote marineschepen kunnen bouwen: Damen en de Rotterdamse Droogdok Maatschappij (RDM). De eerste houdt zich bezig met oppervlakteschepen (van patrouilleschepen tot fregatten), de tweede met onderzeeërs. Van de bouw van dit laatste scheepstype komt bij de RDM al bijna tien jaar niets meer terecht. In 1992 werd de laatste onderzeeboot voor de Nederlandse marine te water gelaten. Sinds de verkoop door Wilton-Fijenoord van twee Sea Dragon onderzeeërs aan Taiwan, begin jaren tachtig, zijn ze niet meer geëxporteerd.

Toch komt de RDM regelmatig in het nieuws met berichten over op handen zijnde exporten. Er is de afgelopen jaren sprake geweest van deals met Chili, Indonesië, Israël, Pakistan, Thailand en Zuid-Afrika. Vorig jaar zou een Egyptische order vrijwel rond zijn. Omdat de Egyptische duikboten in samenwerking met de Amerikaanse industrie worden aangeboden is deze transactie kansrijker dan de anderen. Vooral omdat Egypte de schepen met financiële steun van Washington kan betalen. Het is voorlopig echter nog onduidelijk of de Egyptische order doorgang zal vinden.

Recent werd bekend dat Maleisië een lease-contract heeft getekend voor gebruik van twee oudere Zwaardvis onderzeeërs, die de RDM in bezit heeft om potentiële klanten over te halen nieuwe onderzeeërs van de Moeraal-klasse te kopen. Ook hier moeten weer de nodige slagen om de arm worden gehouden. In 1990 was Zweden in een vergevorderd stadium voor verkoop aan Maleisië onder een vergelijkbare constructie: eerst levering van oudere onderzeeërs voor opleiding en training en vervolgens nieuwe.

Economische zaken heeft al laten weten dat een exportvergunning voor Maleisië niet op problemen zal stuiten. Opmerkelijk. Dat Maleisië partij is in een van de meest complexe en gevaarlijke conflicten van Zuidoost-Azië, het conflict om de strategische en energierijke Spratly-eilanden, weegt blijkbaar niet zwaar genoeg voor een terughoudend wapenexportbeleid. Ook andere, kleinere, grensconflicten waarin Maleisië is verwikkeld zijn van maritieme aard. China en Thailand hebben al laten weten dat de aankoop van onderzeeërs de vertrouwensrelatie tussen de landen in de regio verstoort en tot een nieuwe wapenwedloop kan leiden. De bevelhebber van de Maleisische marine meent echter dat de vrede in de regio gediend is met de nieuwe wapens.

Dat Maleisië net opkrabbelt uit de economische crisis die het land in 1997 trof, is een andere reden om vraagtekens te zetten bij de levering. Overheidsgelden zouden beter elders geïnvesteerd kunnen worden. Andere materieelprojecten van Maleisische krijgsmacht verlopen overigens weinig soepel vanwege de financiële problemen.

Tenslotte kan de wapenleverantie niet door de beugel vanwege het autocratische regime van Mahathir dat op grove wijze mensenrechten schendt. Dat mocht onlangs ook de voormalig tweede man, Anwar Ibrahim, aan den lijve ondervinden. Ooit beoogd opvolger van de premier, is hij nu, na een schijnproces dat in augustus werd afgerond, voor 15 jaar bajesklant. De levering van een dergelijk belangrijk wapensysteem zal zeker worden opgevat als politieke steun.

Ondanks de carte blanche die de RDM van Economische Zaken kreeg, laat een zegsman van het bedrijf aan NRC-Handelsblad weten: 'De steun van de overheid is te vergelijken met het geven van een blaadje sla aan een olifant.' De man is wel erg kort van memorie. Hij lijkt te zijn vergeten dat de overheid de lokkertjes van de Zwaardvis-klasse, die indertijd voor 65 miljoen in de boeken stonden, voor 5 miljoen gulden aan de RDM verkocht. Bovendien verstrekte de overheid voor het ontwerp van de Moeraal een forse subsidie: 26 miljoen voor het ontwerp van de Moeraal-1400 klasse en 47 miljoen voor de Moeraal-1800.

Per slot van rekening mocht de RDM dit voorjaar deelnemen aan de Fairwind reis die de Nederlandse en Belgische marines maakten om de Nederlandse defensie-industrie een verkoopplatform in Zuidoost- en Oost-Azië te bieden. Bovendien is de kans groot dat de Nederlandse overheid de financiële risico's die bij deze levering worden gelopen via de Nederlandse Krediet Maatschappij (NCM) afdekt. Een beetje ondankbaar om dan zo te klagen over de steun van de overheid om deze exportonderzeeër te verkopen.

Laten we hopen dat de marketing afdeling van de RDM, ondanks alle steun, blijft falen zodat de RDM geen bijdrage levert aan de proliferatie van dit gevaarlijke wapen.

Bronnen:
o.a. NRC-Handelsblad 30 augustus 2000; Telegraaf 2 september 2000

(MB)



VN-baas bewapende Rwanda

Voormalig secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Boutros Boutros-Ghali heeft een belangrijke rol gespeeld bij de bewapening van het Rwandese Hutu-bewind, een paar jaar voor het zijn genocide campagne tegen de Tutsi's begon. Als Egyptisch minister van Buitenlandse Zaken was Boutros-Ghali in 1990 betrokken bij de verkoop van mortierbommen, raketlanceerders, granaten en munitie met een totale waarde van 26 miljoen dollar; de leveranties gingen door tot in 1992. De wapens werden later gebruikt door Hutu's bij hun aanvallen die mogelijk bijna een miljoen mensen het leven hebben gekost.

In het boek A People Betrayed: The Role of the West in Rwanda's Genocide van Linda Melvern geeft Boutros-Ghali zijn betrokkenheid toe. Als minister van Buitenlandse Zaken was het immers zijn baan wapens voor Egypte te verkopen. De deal werd nooit openbaar gemaakt; de wapens werden Rwanda binnen gesmokkeld als hulpgoederen.

Als VN-baas bekritiseerde Boutros-Ghali de vicieuze cirkel van de wereldwijde wapenhandel. "Deze gevoelloze trend moet worden herzien. Rijkere landen verkopen fabriceren en verkopen wapens aan armere landen met een flinke winst. De armere landen verliezen niet alleen hun schaarse inkomsten aan wapeninkopen, maar worden ook vaak slachtoffer van deze geïmporteerde geweldsinstrumenten," betoogde hij in 1996.

Bronnen:
o.a. The Observer, 3 september 2000



Britse kogels voor Sierra Leone

Naast de actieve militaire bemoeienissen in het land ondersteunt de regering Blair het leger van Sierra Leone ook met grootschalige wapenhulp. Vorig jaar leverden de Britten 7.500 geweren als onderdeel van een wapenpakket van tien miljoen pond (ruim 35 miljoen gulden). In mei en juni dit jaar kwamen daar tienduizend machinegeweren, vijf miljoen geweerpatronen en vierduizend mortieren bij. Om "urgente operationele behoeften" tegemoet te komen kwam Labour in juli met nog eens vijf miljoen patronen plus een voorraad poncho's en legerschoenen over de brug. De aankondiging kwam een dag nadat mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch beschuldigingen aan het adres van de regering van Sierra Leone had geuit, vanwege het doden en verdrijven van burgers bij helikopteraanvallen op vermeende rebellenposities. Dat niet alleen rebellen zich schuldig maken aan verminking, verkrachting en moord is uitvoerig gedocumenteerd. Defensie-minister Hoon verzekerde echter dat de munitie verstrekt werd onder de voorwaarde dat die alleen gebruikt zou worden door "reguliere (...) soldaten, in overeenstemming met het internationaal humanitair recht (...) en niet door kindsoldaten."

Bron: The Guardian, 14 juli 2000



Belastingparadijs Nederland

Over de eerste helft van 2000 werden in de wapenindustrie fusies en overnames met een waarde van zo'n 50 miljard gulden aangekondigd, dan wel gerealiseerd. De grootste van dit jaar is de vorming van het European Aeronautic Defence & Space Company (EADS). EADS is het resultaat van het samengaan van het Duitse DASA, het Spaanse CASA en het Franse Aerospatiale Matra. De combinatie is 's werelds op twee (Lockheed Martin en Boeing) na grootste wapenproducent. Onder de vleugels van EADS zitten helikopterbouwer Eurocopter (100 procent dochter), het Eurofighter consortium (43 procent) en Airbus (80 procent). De laatste boekte afgelopen zomer zijn eerste orders voor het militaire transportvliegtuig A400M.

In al het fusiegeweld speelt Nederland amper een rol van betekenis. Toch blijkt ons land om fiscale redenen als vestigingsplaats erg in trek. Zo is EADS een naamloos vennootschap (NV), met een statutair hoofdkwartier aan de Drentestraat 24 in Amsterdam. Amsterdam zal voornamelijk een papieren functie vervullen: alle belangrijke beslissingen worden vanuit de hoofdkantoren in Parijs en München genomen.

Het milde belastingklimaat spreekt meer wapenbedrijven aan. Thomson Marconi Sonar is eveneens een in Amsterdam gevestigde NV en Alcatel Submarine Systems BV heeft volgens de boeken het hoofdkantoor in Rijswijk staan. Ze bevinden zich in gezelschap van de Rolling Stones, Nike, Microsoft en ongeveer 6800 andere buitenlandse bedrijven die om dezelfde reden hun (Europese) hoofdkantoor in Nederland laten registreren. Met de voortschrijdende Europese eenwording is het alleen de vraag voor hoelang. Nationale belastingstelsels staan op de helling en vooral Nederland ondervindt van verschillende kanten kritiek vanwege de wel erg soepele bedrijfswetgeving.

Bronnen: o.a.: EADS-nv.net; defence-data.com



Bodemloze subsidiepot

Er is waarschijnlijk geen bedrijfstak te vinden die, gerelateerd aan de omzet, zoveel subsidie ontvangt als de Nederlandse wapenindustrie. Drie recente voorbeelden.

Sinds begin 1999 heeft Economische Zaken 180 miljoen gulden uitgekeerd aan bedrijven die mee willen doen aan de ontwikkelingsfase van de Joint Strike Fighter (JSF); wegens groot succes kwam daar in juni nog weer twintig miljoen bij. Wil Nederland vijf procent van de produktie voor zijn rekening nemen zal de regering met 2,8 miljard gulden over de brug moeten komen als bijdrage in de Amerikaanse ontwikkelingskosten van de JSF. Doet Nederland dat niet, is de 200 miljoen steun aan de industrie weggegooid geld, want zullen Amerikaanse orders voor Nederlandse componenten vrijwel zeker uitblijven. Zo lijkt de keuze voor de JSF al vanaf het begin onvermijdelijk, terwijl iedere maand weer nieuwe vraagtekens rijzen rond financiële en technische tegenvallers. Een hele reeks bedrijven doet met de ontwikkelingssubsidie een gooi naar participatie in het JSF-project; 46 subsidieaanvragen zijn inmiddels gehonoreerd.

Het al jaren slepende Trigat-antitankwapenproject moet het sinds september zonder Nederland doen. Groot Brittannië stapte een maand eerder al uit het samenwerkingsproject van enkele EU-landen. Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald, maar toch: 67 miljoen gulden weggegooid geld. Daarvan kwam de helft als ontwikkelingssubsidie terecht bij de Nederlandse industrie (vooral Fokker-Stork).

Damen Shipyards krijgt maximaal 165 miljoen gulden uit de staatskas mee voor de overname van marinewerf De Schelde. Eerder had minister Jorritsma (EZ) de Tweede Kamer voorgerekend dat de overname de overheid 105 miljoen zou gaan kosten. Uit vertrouwelijke stukken blijkt de privatisering nog toch weer duurder uit te pakken. Verder garandeert Defensie de afname van marineschepen bij De Schelde, goedkopere concurrenten of niet. Om die belofte gestand te doen zijn pas voor ruim honderd miljoen gulden twee nieuwe hydrografische onderzoeksschepen besteld.

Bronnen: o.a. VPRO Argos, 8 september 2000; Telegraaf en Trouw 22 augustus 2000



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina




Recensies Recensies Recensies
Recensies Recensies Recensies
Recensies Recensies Recensies






Christ Klep & Richard van Gils
Van Korea tot Kosovo – De Nederlandse militaire deelname aan vredesoperaties sinds 1945
Sdu Uitgevers : Den Haag
1999
ISBN 90-12-08766 X


In 'Van Korea tot Kosovo' besteedt Christ Klep een heel hoofdstuk aan de Nederlandse bijdrage aan Unifil ('Stekkeren in Zuid-Libanon en de lessen'). Hij hekelt daarin de gebrekkige voorbereiding en het zwakke mandaat van deze VN-macht, met name het gegeven dat het zich niet mocht mengen in binnenlandse aangelegenheden en uitsluitend geweld mocht gebruiken voor zelfverdediging. Unifil zat letterlijk in de klem tussen Israël en de door dat land gesteunde christelijke milities in het gebied, enerzijds, en de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) en andere Palestijnse groepen, anderzijds.

Dat Nederland voor de inzet in Libanon een heel tweeslachtige houding had over inzet heeft Klep al duidelijk gemaakt in zijn beschrijving van de besluitvorming over deelname aan de interventie van de Verenigde Naties in Korea. De achtereenvolgende regeringen richten zich voor de eigen veiligheid vooral op de atoomparaplu van de Verenigde Staten en de NAVO en zagen in een bovennationale organisatie als de VN veeleer een bedreiging dan een veiligheidsgarantie; een bedreiging dan vooral voor de eigen rol, die zij Nederland toedachten.

Daarnaast laat hij zien hoe de legerleiding en het ministerie van defensie stelselmatig aan de rem hangen in discussies over Nederlandse bijdragen aan VN-operaties. Waar Buitenlandse Zaken deze bijdrage wil gebruiken om de positie van Nederland als internationale mogendheid vast te houden – een argument dat ook bij het ingrijpen op de Balkan nog steeds werd aangevoerd – wijst defensie op de verplichtingen uit het NAVO-verdrag voor het onderhouden van de bondgenootschappelijke verdediging. VN-inzet zou hieraan te veel troepen onttrekken. En ook dat argument komt steeds terug.

Klep en Van Gils staan uitgebreid stil bij deze terugkerende discussie en de compromissen die daarvan het gevolg zijn, wanneer tot Nederlandse inzet voor VN-operaties besloten wordt.

De politieke discussies waarop zij ingaan spelen zich veelal ook in dit krachtenveld af. Wel leggen zij een verband tussen de Nederlandse opstelling bij het ontstaan van de Verenigde Naties – ons land zou slechts 'contre coeur' lid van deze organisatie worden, omdat het er, met reden, een bedreiging in zag voor de vrijheid van handelen in de koloniën. En die aarzeling heeft zeker een rol gespeeld bij de beperkte steun voor de VN-interventiemacht in Korea (1950-'55).

Van het bestaan van een serieuze politieke oppositie tegen de inzet van Nederlandse troepen in internationaal verband verneemt de lezer weinig. En wellicht was die er, buiten de CPN, in de jaren vijftig en zestig ook nauwelijks. In het – uitgebreide – personenregister zoekt men tevergeefs de namen van defensiewoordvoerders uit de linkse hoek. Maar zelfs de in brede kring geroemde discussie in GroenLinks over de steun van de kamerfractie aan de operatie Allied Force (voorjaar 1999) blijft onvermeld. Van schrijvers van een boek dat vanuit militaire hoek is geïnitieerd kan men wellicht weinig anders verwachten, als geschiedschrijving van de Nederlandse deelname aan vredesoperaties sinds 1945 heeft het daarmee een belangrijk manco.

Toch is dit een belangrijke uitgave. Dat belang zit dan in de eerste plaats in het volledige overzicht van de inzet van Nederlandse troepen, voor grote en kleine operaties. Liefst 38 maal heeft Nederland een bijdrage geleverd, uiteenlopend van een enkele inlichtingenofficier gedurende zes weken na de Suez-crisis tot de ruim 9753 militairen die in drieëneenhalf jaar in Unprofor (voormalig Joegoslavië) gediend hebben. Dat is – ongeacht het resultaat – geen geringe inzet.

Klep en Van Gils maken duidelijk dat de dubbele opdracht van de Nederlandse krijgsmacht voor NAVO- en VN-taken een belangrijke handicap is bij de inzet als vredesmacht. Met name de onwil bij defensie om in de opleiding en training consequent aandacht te besteden aan VN-vredestaken – de leiding blijft van mening dat troepen die opgeleid zijn voor hun NAVO-taak daarnaast aan een beperkte training voldoende hebben om ook voor VN-taken te kunnen worden ingezet - komt duidelijk over het voetlicht.

Het boek is ook van belang omdat het een beeld geeft van de afwegingen, die gemaakt moeten worden bij de besluitvorming over de inzet van Nederlandse troepen voor VN-acties. Het laat zien, dat politieke argumenten in de besluitvorming overwegen boven argumenten van militair-organisatorische aard, zoals dat hoort in een democratie, en dat daardoor niet altijd een optimale bijdrage geleverd is. Maar dat is natuurlijk ook het belangrijkste argument van de leiding van defensie bij zijn verzet tegen dergelijke operaties; en dat wordt in dit boek goed onderbouwd.
(TR)



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Berichten van de basis -

Berichten van de basis



Tropenkolder of idealisme in Gouda

Het museum voor Vrede en Geweldloosheid heeft een nieuwe tentoonstelling Indiëweigeraars 1945 - 1950 samengesteld. De ondertitel is Tropenkolder of idealisme. De tentoonstelling geeft in woord en beeld een indruk van de reacties in Nederland op het uitzenden van dienstplichtigen naar Indië. In het bijzonder wordt aandacht besteed aan hen die weigerden te gaan en de redenen die zij daarvoor hadden. Er zijn o.a. foto's van de werkkampen waartoe deze dienstweigeraars veroordeeld werden.

De tentoonstelling loopt van 26 augustus tot en met 29 oktober 2000 in:
Verzetsmuseum Zuid-Holland
Turfmarkt 30
2801 HA Gouda

Meer informatie:
Museum voor Vrede en Geweldloosheid
Hein van der Kroon
Minahassastraat 1
1094 RS Amsterdam
tel 020-6273005
e-mail: vredesmuseum"at"worldmail.nl
Website: www.ddh.nl/org/aom



Nieuw en nu nog beter!

Bezoek de nieuwe en verbeterde webpagina van INSUDOK. INSUDOK is het informatie- en documentatiecentrum over de voormalige Sovjet-Unie en de landen van de GOS, het Gemenebest van Onafhankelijke Staten.

www:.stelling.nll/insudok
tel: 073-6221308
e-mail insudok"at"planet.nl



World conflict & human rights map 2000

Voor alle geïnteresseerden in een - beknopt - overzicht van de mensenrechtenschendingen en oorlogen is de nieuwe kaart van PIOOM uit. PIOOM is een onderzoeksproject van de universiteit van Leiden.
De kaart geeft een overzicht van de huidige conflicten en aan ommezijde en verklaringen en aanvullende informatie. Zeer geschikt voor vredesonderwijsdocenten.

Bestellen:
PIOOM
Wassenaarseweg 52
2333 AK Leiden
071-5273861
fax 5273815
e-mail: pioom"at"rulfsw.leidenuniv.nl
wegpagina: www.fsw.leidenuniv.nl/w3_liswo/pioom.htm



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina