Aangepast zoeken

Naar beginpagina
Naar overzicht VD AMOKs

VD AMOK
tijdschrift voor antimilitarisme en dienstweigeren
jaargang 9, nummer 5, 2000


Inhoudsopgave






COLOFON

VD AMOK
tijdschrift voor antimilitarisme en dienstweigeren
jaargang 9, nummer 5, 2000

VD AMOK
verschijnt vijf maal per jaar en wordt uitgegeven door de Vereniging Dienstweigeraars (VD) en het Antimilitaristies Onderzoekskollektief (AMOK). Voor de inhoud van met naam ondertekende stukken zijn de auteurs verantwoordelijk.

Copyright
Overname van artikelen uit het lopende nummer is uitsluitend toegestaan na toestemming van de redactie. Overname van artikelen uit eerder verschenen nummers is toegestaan onder bronvermelding en toezending van een bewijsexemplaar aan de redactie.

Adres redactie en abonnementenadministratie
VD AMOK
Obrechtstraat 43
3572 EC Utrecht
tel. 030-8901341
e-mail vdamok"at"antenna.nl

Redactie
Hans Christian Bouton (fotoredactie), Kees Kalkman, Karel Koster, Guido van Leemput, Tjark Reininga, Egbert Wever

Fotografen en illustratoren
Hans Christian Bouton, Rune Eraker/HH, Bert Verhoeff/HH, Ad van Denderen/HH

Vormgeving
René Oudshoorn

Drukker
Drukkerij De Dageraad, Den Haag

Verder werkten aan dit nummer mee
Uri Avnery, Endie van Binsbergen, Heleen de Boer, Martin Broek, Jelle van Buren, Jan van Criekinge, Peter Custers, David Jan Donner, Bart Horeman, Jan Schaake, Frank Slijper, Fred van der Spek, Stijn van der Putte, Ratibor T. Trivunac-Rata, Beate Zilversmidt

Abonnementen
Een abonnement is minimaal ¦ 30,- per jaar.
Een steunabonnement is minimaal ¦ 40,-.
Over te maken op giro 1308126 t.n.v. Vereniging Dienstweigeraars, Utrecht.
Nieuwe abonnementen schriftelijk aanmelden. Wacht met betaling op toezending acceptgiro.
Opzegging uitsluitend schriftelijk vóór aanvang van het kalenderjaar.
Losse nummers kosten ¦ 6,50 (¦ 8,90 inclusief porto).

Advertenties
Tarieven en opgave bij de redactie

Sluitingsdatum volgend nummer
10 februari 2001



Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Redactioneel -

Herkansing op een koopje

Waarom gaan een kleine 800 Nederlandse mariniers met in hun gevolg het amfibisch transportschip Rotterdam, een veldhospitaal, mijnenruimers van de landmacht, Chinook transporthelikopters van de luchtmacht en op een afstandje bewapende gevechtshelikopters naar Eritrea? Het betreft de na het einde van de Koude Oorlog in de Grondwet verankerde belangrijkste doelstelling van het Nederlandse leger: de bevordering en handhaving van de internationale rechtsorde. Waarom is dit nobele doel ook in het Nederlandse nationale belang? Generaal-majoor buiten dienst Kees Homan van het eerbiedwaardige instituut Clingendael legt het uit. "Nederland behoort tot de vijftien rijkste landen ter wereld en is voor zijn nationale economische belangen voor meer dan de helft afhankelijk van het buitenland. Ons land heeft een groot belang bij de ontwikkelingen in overzeese afzet- en investeringsgebieden, de veiligheid van scheepvaartroutes en een gestage toevoer van olie en grondstoffen. Kortom onze nationale veiligheid en welvaart zijn onlosmakelijk verbonden met het bevorderen van stabiliteit, vrijheid en economische ontwikkeling in de wereld, dus met een goed functionerende internationale rechtsorde." Aldus Homan in het Financieel Dagblad van 10 november 2000. Zo gemakkelijk kunnen hooggestemde idealen in het internationale militaire beleid dus samengaan met economisch eigenbelang van het rijke deel van de wereld.

Is dat voor antimilitaristen een reden om tegen inzet van troepen in verre Afrikaanse streken te zijn? Op zich wel, maar wanneer de operaties onder VN-vlag zijn, herstel of behoud van vrede dichterbij komt en de gebruikte middelen proportioneel zijn, dan kan uitzending van troepen gebillijkt worden. Aan deze voorwaarden lijkt de Eritrea-missie voorlopig te voldoen. Het is echter wel van belang te realiseren dat het bovengenoemde, zelden zo expliciet gemaakte, eigenbelang de horizon van de beleidsmakers begrenst.

Naast het economische belang speelt bij deze uitzending het politieke motief een grote rol. Dit werd verwoord door de Deense minister van defensie Hans Haekerrup. Het dagblad Trouw citeerde op 1 november de minister die van mening was dat Nederland zich door deel te nemen aan de VN-vredesoperatie in de hoorn van Afrika kan revancheren voor het fiasco van 1995 in Srebrenica. "Het zal een comeback worden voor Nederland", zei de minister. "Ze behoren tot de elite". Dit nu is precies het doel van het Nederlandse buitenlandse beleid sinds de val van de Berlijnse muur: de kleinste te worden onder de grote mogendheden.

Daarbij neemt nu de marine het voortouw. Nadat de landmacht zich in Srebrenica had geblameerd, zijn belangrijke posities zoals die van Chef Defensiestaf in handen van de marine gekomen. De mariniers, die het nu in Eritrea moeten gaan opknappen, zijn de rivalen van de Luchtmobiele Brigade van de landmacht. Ook zal de marine nu het belang proberen aan te tonen van een zelfvoorzienende amfibisch transportschip op woeste kusten, waarvan het dolgraag een tweede exemplaar zou willen aanschaffen.

Maar waarom gaan er eigenlijk zoveel mariniers naar Eritrea? De regering stuurt een versterkt bataljon van 770 man, maar voert daar in feite geen enkele operationele noodzaak voor aan. Het kan zijn dat ook de mariniers te kampen hebben met tegenvallende rekrutering en dat men dit voor de buitenwereld liefst wil maskeren. Maar gevolg is wel dat aflossing daarmee onmogelijk is geworden. Terwijl er op papier twee bataljons paraat zijn (een derde komt daar over een paar jaar nog bij) is het niet mogelijk een tweede versterkte eenheid te leveren. Zou het kunnen zijn dat dit de regering misschien helemaal niet slecht uitkomt? Het risico wordt daarmee tot het eerste half jaar beperkt waarin er hopelijk niet al te veel zal gebeuren. Nauwelijks hebben de mariniers zich geïnstalleerd of ze moeten alweer aanstalten maken om af te reizen. Op deze manier wordt het Srebrenica-syndroom wel op een bijzonder goedkope wijze overwonnen.


De redactie



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Intifada -

Boodschap aan Barak van een ontwakend vredeskamp

Nu de Palestijnen een nieuwe opstand zijn begonnen, lijken velen van hen geen enkel vertrouwen meer te hebben in de oprichting van een levensvatbare rompstaat op de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook. Het bestaan van Israël als zionistisch project lijkt opnieuw ter discussie te staan. Hoe staat de Israëlische vredesbeweging er na het ontstaan van de tweede intifada ervoor? Beate Zilversmidt bericht.

We wisten het van te voren: als het Israëlische leger niet alle in '67 bezette gebieden ontruimt dan komt er geen echte vrede. Ja, zelfs als Arafat zich had laten verleiden tot een compromis dat van de Palestijnse staat een stel losse brokken gatenkaas zou maken, zou de explosie zijn gekomen. In dat geval zou Intifada-II zich niet alleen tegen de tergende alomaanwezigheid van Israëlische soldaten hebben gekeerd, maar de woede om de vele controleposten zou zich ook hebben vertaald in een opstand tegen het Arafat regime. Een volk dat zolang ontbering en vernedering heeft geslikt kan er zich niet bij neerleggen dat ze, eindelijk vrij, nog steeds bij elke bocht een paspoort moeten tonen. Na jaren van bovenmenselijke zelfbeheersing is het teveel dat hun kleine land doorsneden blijft door heerwegen waar zij in het gunstigste geval onderdoor mogen, maar uiteraard pas na eeuwen in de rij te hebben gestaan net als toen ze nog bezet waren.

Dat was waar we zelf voortdurend voor waarschuwden: de Westelijke Jordaanoever en de Gaza-Strook dat is nog steeds maar 22% van het oorspronkelijke mandaatgebied Palestina. Het oorspronkelijke VN-verdeelplan van 1947 stelde voor het land in min of meer gelijke delen op te splitsen. Toen wilde de Arabische kant niet, om begrijpelijke redenen. Er was de inschatting dat dit teveel gevraagd was, hetgeen niet verhinderde dat die weigering achteraf door menig ontheemde in stilte is betreurd. Nu is het de beurt van Israël om zich niet te machtig te wanen en daardoor een kans die wellicht niet terugkeert te missen: vrede met de Palestijnen en langs die weg uiteindelijk vrede met alle buurstaten. Nu de Palestijnen bereid zijn zich aan te passen aan de voldongen feiten van het Internationale Recht en de nederlaag van 1948 als onomkeerbaar te erkennen, is het aan Israël om zich neer te leggen bij dat andere feit van hetzelfde Internationale Recht, nl. de niet-erkenning van Israëlische aanspraken op de gebieden veroverd in 1967.

Schok verwacht

De explosie moest er haast wel komen na de mislukte poging van President Clinton om in Camp David Barak en Arafat het eens te laten worden over althans de grote lijnen van een slotovereenkomst. En de collectieve Palestijnse woedeuitbarsting werd bovendien uitgedaagd toen Clinton ophield onpartijdige bemiddelaar te spelen, en onomwonden partij koos voor de bezetter, die toch maar zo'n mooi 90% aanbod had gedaan. Maar Arafat kon het eenvoudig niet maken om Oost-Jeruzalem met zijn heilige plaatsen, ziekenhuizen en - niet te vergeten - 200.000 Palestijnse inwoners op te geven, evenmin als hij de rest van de Westelijke Oever kon laten afsnijden van zijn historisch gegroeide culturele en sociaal-economische centrum - Jeruzalem.

Ondanks dat alles, kwam de explosie als een schok, voor de gemiddelde Israëliër, maar ook voor de doorgewinterde doemprofeten die er zelf voor hadden gewaarschuwd. En het is de vraag of de kolonistenbeweging erop voorbereid was.

Misschien heeft de notoire Ariel Sharon erop gehoopt, en wie weet kwam het Barak goed uit om een excuus te hebben zijn oude legermaat, oppositieleider Sharon, in de regering op te nemen. Maar misschien ook hebben zij echt gedacht dat het provocatieve bezoek aan Al Aqsa, met toestemming van de regering en omgeven door een duizendkoppige politiemacht, een onschuldige manier was om voor een paar dagen de aandacht af te leiden van hun beider rivaal Netanyahu die aan zijn come-back begon.

Publieke opinie

Wat het effect ervan op de Israëlische publieke opinie op den duur zal zijn laat zich alleen nog raden. De vredesbeweging - vooral groepen met een uitgesproken standpunt als bijvoorbeeld Gush Shalom (Vredesblok) en ICAHD (anti-huizensloop) - slaagde er aanvankelijk in dagelijks en in verschillende steden protestbijeenkomsten te organiseren tegen het schieten op demonstranten, maar deze aanvankelijk toenemende reeks wilde niet echt doorgroeien tot een massaler protest. Het hoogtepunt was de gezamenlijk Joods-Arabische manifestatie in Haifa, zaterdagavond 21 oktober, met deelname van een aanzienlijk aantal organisaties, de Communistische partij, en ook Vrede Nu, met een aantal burgemeesters als sprekers maar alles bij elkaar slechts vijfduizend demonstranten.

Toch zijn er tekenen dat er een verandering gaande is onder het Israëlische publiek. En hoe pacifistisch we als vredesbeweging ook zijn, daar draagt toe bij dat er ook Israëlische soldaten zijn gesneuveld in de strijd tegen de Palestijnse Onafhankelijkheidsoorlog. Het is nu eenmaal zo dat slechts een morele minderheid erg opgewonden raakt van wat de eigen regering en het eigen leger de andere kant aandoet. De verschrikkelijke scene van het kind dat bescherming zocht achter zijn vader, en schreeuwend van angst de fatale kogel krijgt werd al gauw afgedaan als "ze sturen hun kinderen op onze soldaten af om ze te laten doden - voor de propaganda." En men went gauw aan dagelijkse aantallen doden, als ze geen naam hebben, en er geen beelden van huilende familieleden worden getoond.

Op 1 november werden er drie Israëlische soldaten op één dag gedood. Het was dezelfde dag waarop Shimon Peres, de architect van de Oslo-overeenkomst, op uitnodiging van Arafat naar Gaza kwam. Kennelijk was er van Palestijnse zijde besloten voor deze gelegenheid de ammunitie van een hele week in één keer op te schieten. De Palestijnen die aan alle kanten door het Israëlische leger omsingeld zijn, betrachten als regel meer zuinigheid. Maar met de zekerheid dat het bezoek van Peres plaatsvond, wist men dat er een excuus was om daarna weer spaarzamer te worden.

Stickers met leuzen

Op 4 november vond de herdenking plaats van de moord op Rabin, 5 jaar geleden. De jaarlijkse herdenking, op het zelfde plein waar hij aan het eind van een vredesdemonstratie vermoord werd, en dat nu Rabinplein heet, was in de jaren van het bewind van Netanyahu een moment waarop het vredeskamp zich sterk kon maken. Maar vorig jaar, met Barak als premier gingen we naar huis met een gevoel dat het voorbij was, dat het was verworden tot een manifestatie van regeringsgezinden.

We twijfelden lang in Gush Shalom of we wel zouden gaan naar dit uitgeholde symbool van vrede waar Barak ook weer zou spreken, terwijl er ondertussen een bloedige onderdrukking van de vrijheidsstrijd van de Palestijnen gaande was.

We besloten uiteindelijk te gaan met een enorme voorraad stickers. In Israël tijdens demonstraties worden stickers met slogans op de kleren geplakt zodat iedereen een wandelend prikbord wordt. We hadden verwacht dat we heel veel over zouden houden omdat het publiek er vast niet veel van zou willen hebben, en omdat erg veel teleurgestelden niet eens zouden komen. Maar de opkomst was buiten verwachting: in een klein land als Israël is 150.000 geen klein getal voor een demonstratie op een zaterdagavond zonder dat er speciale bussen waren om de mensen van her en der er naar toe te brengen.

En wat meer zegt: onze stickers werden zeer gunstig ontvangen. Op een enkeling na die zei het niet met ons eens te zijn, was er sprake van gretigheid. Niets te merken van ineenstorting van het vredeskamp. Of was dit soms het moment van bijkomen uit een depressie, en elke zelfverzekerde duidelijke boodschap met beide handen aangrijpen. Toegegeven, het leek nogal een mat publiek toen Barak aan het woord was: geen boegeroep en slechts een zeer lauw applaus. Maar toen Shimon Peres het spreekgestoelte betrad barstte een spontane ovatie uit; minstens twee minuten gingen voorbij voor Peres ook maar iets kon zeggen. Dit was niet alleen de waarneming van een hoopvolle enkeling - het werd vermeld in verschillende krantenreportages. En onder de indruk van wat al die jongeren maar ook veel ouderen op borst, rug, armen en benen hadden geplakt noteerde Yediot Aharonot, de grootste krant van Israël, als leuzen van de Rabin herdenking: "Breng de soldaten terug uit de bezette gebieden!" "De Groene Lijn, grens van vrede!" "De kolonisten zijn mijn broeders niet!" kortom, de teksten die Gush Shalom had uitgedeeld.

Van deze massa die alleen maar bij elkaar gebracht kon worden door de gematigde maar vastberaden familie Rabin, is een duidelijke boodschap uitgegaan naar onze Arbeiderspartijregering en met name naar Barak: de wil om alles te doen wat de vrede alsnog naderbij kan brengen leeft..


Beate Zilversmidt

For information about Gush Shalom visit the website: www.gush-shalom.org/ (including the Boycot List of Products of Settlements)
email: info"at"gush-shalom.org;

THE OTHER Israël - Bi-monthly Newsletter since 1983
pob 2542,
Holon 58125,
Israël;
ph/fx:+972-3-5565804;
for email alerts and briefings mailto: otherisr"at"actcom.co.il
THE OTHER Israël



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Intifada -

Bomen in een orkaan

Als een orkaan een bos treft, wordt elke boom getest. De rotte bomen raken ontworteld en worden meegerukt door de wind, soms ver weg. De sterke bomen, die met diepe wortels in de aarde, blijven staan.

De Israëlische vredebeweging wordt nu getest. De winden van de oorlog waaien. Sommige bekendheden uit de vredesbeweging (alias 'Linksen') werden ontworteld en helemaal naar rechts gesleurd. Anderen bogen, stotterden of vielen stil. Maar een indrukwekkend aantal mensen bleef rechtop staan en telde mee.

De Israëlische media, allen gemobiliseerd in de poging tot oorlogspropaganda (met uitzondering van een aantal opmerkelijke figuren), amuseren zich kostelijk. Het is in de mode om nu te praten over de 'desintegratie van links'. De arme stakkers die zich op de borst slaan in de stijl van Bolsjewistische 'zelfkritiek', genieten ervan in de schijnwerpers te staan. Ze jammeren berouwvol: 'Links zat fout: er is geen partner, Arafat is een schurk; we moeten alles vanaf het begin heroverwegen.'

Waarom in Godsnaam? We hebben altijd al gezegd dat er geen vrede zal zijn zo lang de Palestijnen niet hun eigen gerechtvaardigde eisen mogen stellen: het opzetten van een eigen staat met de Groene Lijn als grens tussen Israël en Palestina, met Jeruzalem als de hoofdstad van de twee staten en de kolonisten die naar huis gaan. We hebben gezegd dat bouw en uitbreiding van de nederzettingen, inname van land, het slopen van huizen en het bouwen van 'bypass wegen' op de gehele Westelijke Jordaanoever een enorme woede zou veroorzaken. We hebben gezegd dat als de Palestijnen het vertrouwen in het vredesproces verliezen, er een explosie zal volgen. Iedereen die de afgelopen maanden de moeite nam om mijn artikelen te lezen, weet dat ik keer op keer waarschuwde dat er een nieuwe – en dit keer gewapende – Intifada zou uitbreken.

Dit alles gebeurt nu voor onze ogen. Maar ze zeggen dat dit aantoont dat rechts gelijk had. Hoe dat zo? Nou, als de geweren spreken, is de logica het eerste slachtoffer. Zelfs onder sommige 'linksen'. In feite was er nooit, nooit één verenigde vredesbeweging in Israël. Veel groepen, met zeer verschillende achtergronden, meningen en zelfs temperamenten, zijn in het veld actief.

Eén onderscheid is dat tussen de sentimentele en de politieke vleugels. Tot de eerste behoren de mensen die vooral naar binnen kijken. Wat voor hen van wezenlijk belang is, is hun morele houding. Iemand maakte eens de grap dat na elke vredesdemonstratie iemand van hen in de spiegel keek en uitriep: "Oh, wat zijn we mooi!" Mensen noemen hen spottend 'Yeffi Nefesh' (zij die een mooie ziel hebben) en verzonnen de zin "Zij schreeuwen en jammeren". Voor hen dienen de Palestijnen meer als object voor de toepassing van morele bijstand dan als een gelijkwaardige partner met zijn eigen persoonlijkheid. Daarom kostte het hen zo veel tijd om de PLO te erkennen, het idee van een Palestijnse staat te accepteren, in te stemmen met Oost-Jerusalem als hoofdstad van Palestina. Zulke mensen hebben de neiging in te storten bij elke serieuze crisis, zoals de Libanonoorlog ("Stilte! Ze zijn aan het schieten!") de Golfoorlog (Yossi Sarid: "Van nu af aan: laat de Palestijnen me maar komen zoeken!") en de huidige Palestijnse bevrijdingsoorlog ("Er is geen partner!").

De andere vleugel van de vredesbeweging, de politieke, waartoe ik behoor, begrijpt dat als je vrede wilt maken met het Palestijnse volk, je hun aspiraties moet begrijpen, hun gevoelens, angsten en hoop (zoals zij die van ons moeten begrijpen). Alleen een dergelijk begrip kan een basis vormen voor co-existentie in dit land en in de regio. Dat is waarom we onze contacten begonnen met PLO-leiders in 1974, dat is waarom sommigen van ons niet genoemde uren hebben besteed aan gesprekken met Palestijnen van alle rangen en standen. Dat is waarom we in staat waren om, tien tot twintig jaar voor alle anderen, het Palestijnse volk te erkennen, evenals de PLO, de Palestijnse Staat en zijn soevereiniteit over Oost-Jeruzalem en de Haram-ash-Sharif. Het is geen kwestie van liefde, maar van historische verzoening, zonder welke er geen vrede kan komen.

Een ander verschil binnen de vredesbeweging betreft hun oorspronkelijke politieke oriëntatie. De aanhangers van het eerste kamp hebben een diepe- zelfs erfelijke - betrokkenheid bij de Arbeiderspartij. Ze kunnen barricades opwerpen tegen Sharon en Netanyahu, maar vinden het buitengewoon moeilijk om hun stem te verheffen als de Arbeiderspartij aan de macht is. De Arbeiderspartij, tenslotte, is het “mindere kwaad”. We "hebben geen Ander". Dat is waarom ze instorten als de leider van de Arbeiderspartij oorlog voert tegen het Palestijnse volk.

Het andere kamp kent dit probleem niet. We protesteerden toen Rabin (en zijn stafhoofd, Ehud Barak) in 1992 de islamitische activisten deporteerde, en we steunden Rabin toen hij een jaar later het Oslo-akkoord tekende. We stemden op Barak, maar we vechten tegen hem als hij de grafdelver van de vrede wordt. De vredesbeweging zal gesterkt uit de huidige test naar voren komen. De sterken zullen sterk blijven, de gebogenen zullen weer rechtop gaan staan. En wat de ontwortelden betreft: we zullen er geen traan om laten.


Uri Avnery
28-10-2000



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Vredesdecenium -

Is er een weg uit geweld?

Op 1 januari 2001 begint het "Internationaal Decennium voor een Cultuur van Vrede en Geweldloosheid voor de Kinderen van de Wereld". Dit Decennium is op 10 november 1998 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties uitgeroepen naar aanleiding van een oproep van alle (toen levende) Winnaars van de Nobelprijs voor de Vrede. Het Decennium is in feite bedoeld om eens werk te maken van het uitgangspunt van UNESCO: "omdat oorlogen hun oorsprong vinden in de hoofden van mensen is het van belang om dáár de verdedigingswerken van de vrede te leggen". Maar waar zit 'm dat geweld in ons denken? Hoe gewelddadig is onze cultuur eigenlijk? En hoe komen we daar dan weer uit?

Op 11 november jl., de naamdag van de Romeinse legerofficier Martinus (= dienaar van de oorlogsgod Mars) die zijn legermantel aan tweeën scheurde en daarmee feitelijk de krijgsdienst verliet, en de dag waarop het verdrag van Versailles een einde maakte aan de Eerste Wereldoorlog, vond in Utrecht een werkdag “Weg uit Geweld” plaats. De dag was georganiseerd door een achttal progressief-christelijke organisaties waaronder het industriepastoraat DISK, het aan GroenLinks geliëerde platform voor evangelie en politiek De Linker Wang, de Vereniging Theologie en Maatschappij en Kerk en Vrede (Noot 1). De kerken vormen belangrijke cultuurdragers in onze samenleving en kunnen (mede)verantwoordelijk gehouden worden voor de geweldscultuur waarin wij leven en, mogelijk, ook voor de weg eruit. Hoopvol is in ieder geval dat de Wereldraad van Kerken parallel aan het Internationaal Decennium een Oecumenisch Decennium To Overcome Violence is gestart dat inmiddels door de Raad van Kerken in Nederland is overgenomen onder de titel "Geweld niet Gewild".

Maar “Geweld niet Gewild” is, net als de campagne “Ik ben tegen zinloos geweld” van het Landelijk Platform tegen Geweld op Straat, een vrome wens die iedereen kan onderschrijven. Tegen geweld zijn hoort bij ons idee van beschaving, mensenrechten, welvaart. En ondanks al die intenties zitten we er mee. Het neemt zelfs toe. Geweld zit kennelijk diep in ons denken, in onze cultuur verankerd. Om deze diepte te peilen was Herman Noordegraaf uitgenodigd, tot voor kort werkzaam bij het Multidisciplinair Centrum voor Kerk en Samenleving, thans bij de Theologische faculteit van de Universiteit Utrecht.

De WETmatigheid van onze cultuur

De Westerse samenleving en wat wij beschaving noemen is in feite een totale onderwerping aan een samenspel van Wetenschap, Economie en Technologie (WET). Dit samenspel heeft een geheel eigen dynamiek die alles in ons denken tot instrumenten reduceert: natuur en milieu tot grondstoffen, mensen tot arbeidskrachten, wetenschap tot vernieuwing en vooruitgang, economie tot groei en technologie tot beheersing. Alleen de bruikbaarheid van dingen en verschijnselen telt: autonomie, kracht, intelligentie en grensverleggend bezigzijn. En hoewel het bewustzijn hierover groeit en vanuit feministische kring een ander denken is gepropageerd waarin zaken als afhankelijkheid, kwetsbaarheid, aandacht en verantwoordelijkheid centraal worden gesteld, gaat de ontwikkeling van deze scheefgroei naar het instrumentele denken alleen maar door.

Een direct gevolg van deze gerichtheid op bruikbaarheid is dat de samenleving een enorm vernietigingspotentieel heeft ontwikkeld met betrekking tot het zwakke en het trage (gezien vanuit de WET-bril). De wereldwijde milieu- en armoedeproblematiek zijn een direct gevolg van de afwenteling, het afschuiven van het niet-bruikbare. Het geweld tegen het zwakke en het trage is een onlosmakelijk gevolg van het WET-complex in onze cultuur.

Noordegraaf kan dan ook korte metten maken met het idee dat geweld in onze cultuur niet gewild meer zou zijn. De afgelopen eeuw was de meest moorddadige eeuw uit de geschiedenis, zowel qua schaal, frequentie en lengte van de gevoerde oorlogen. In deze zin was men ook in de oorlogsvoering vernieuwend en grensverleggend bezig. De uitvinding van nieuwe wapensystemen leidde tot grotere aantallen slachtoffers waarbinnen het aandeel burgerslachtoffers dan weer fors toenam. Even een paar rijtjes om dit te staven. Wat betreft de innovatie van wapensystemen kunnen we vooral kijken naar de uitvinding en inzet van massavernietigingswapens. In de Frans-Duitse oorlog van 1870/71 werd voor het eerst de mitrailleur ingezet; in de Eerste Wereldoorlog van 1914-18 gifgassen en in de Tweede Wereldoorlog de atoombom. Onder de slachtoffers nam het aandeel burgerslachtoffers nog schrikbarender toe. Tijdens de Eerste Wereldoorlog ging het om een aandeel van 13%; tijdens de Tweede Wereldoorlog om 55% en in Vietnam (dat exemplarisch mag heten voor de oorlogen tussen 1945 en 1975) om 90%. Moderne oorlogsvoering op deze schaal is alleen mogelijk door een hoog-productieve, geïndustrialiseerde samenleving, die wij 'beschaafd' plegen te noemen. Alleen zo'n samenleving beschikt over de technologie voor de wapens en over mogelijkheden om economisch door te blijven draaien ondanks de oorlogsvoering.

Maar niet alleen het geweld vanuit, ook het geweld binnen onze beschaafde samenleving is toegenomen. Dat staat haaks op de beschavingstheorie die de nadruk legt op de toegenomen zelfsbeheersing van driften en impulsen. We eten met vork en mes, we spugen niet in het openbaar, de lijfstraffen en de doodstraf zijn (in Nederland) in het midden van de 19de eeuw afgeschaft en het slaan van vrouwen en kinderen kan op diepe verontwaardiging rekenen. Zelfs het mishandelen van dieren kan in onze cultuur volstrekt niet meer door de beugel. Die publieke verontwaardiging leidt echter ook tot het binnenskamers houden van gewelddaden en kan niet verhoeden dat de geweldsmisdaden in Nederland tussen 1980 en 2000 zijn toegenomen van 27.000 naar 66.000 per jaar.

Beheersing en zelfcontrole kunnen niet alleen ingezet worden om driften en impulsen te onderdrukken, maar kunnen ook juist in dienst van geweldsneigingen gesteld worden. Het volledig beheerste, zichzelf controlerende en bureaucratische karakter van de Holocaust vormt hiervan een veel aangehaald voorbeeld. Juist op het vlak van beheerst en gecontroleerd optreden onderscheidt het zich van de veelal impulsief plaatsvindende pogroms uit het verleden. En juist door dat beheerste en gecontroleerde optreden was het mogelijk om binnen een paar jaar 6 miljoen mensen uit te roeien; iets dat tot die tijd ongekend en ook praktisch onmogelijk was.

Wat al deze gewelddaden, milieu-aantasting, het vergroten van de kloof tussen arm en rijk, oorlogsvoering en genocide, gemeen hebben is een steeds verdere inperking van de individuele verantwoordelijkheid.

Bronnen van geweld

Buiten het feit dat onze cultuur in zichzelf - structureel - gewelddadig is, roept ze ook (fysiek) geweld tegen zich op. Zo leidt de nog voortdurend toenemende sociale ongelijkheid tot grote conflicten. Conflicten die nog eens toenemen omdat de sociaal-economische macht zich steeds verder concentreert bij multi-nationale bedrijven die veel flexibeler en mobieler zijn in het verplaatsen van welvaart en welzijn en daarin eigenlijk geen volwaardig tegenspel meer (kunnen) kijgen van overheden en vakbonden. Gevolgen van deze voortdurend verschuivende machtscentra zijn verdere uitbuiting van het armere en minder machtige (grootste) deel van de wereldbevolking en steeds groter wordende migratiestromen: van platteland naar steden en van armere naar (tijdelijk) rijkere landen.

In deze steeds sneller veranderende wereld neemt de onzekerheid van mensen toe. Een reactie daarop is het zoeken naar identiteit en traditie; zowel individueel als collectief. Zowel de individuele als de collectieve identiteit moeten steeds meer bevestigd en verdedigd worden. En geweld blijkt dan altijd weer een geschikt instrument te zijn om die bevestiging en verdediging van de eigen identiteit in één klap te realiseren.

Een stuk geweldstoename hangt ook samen met wat je de 'democratisering' van geweld zou kunnen noemen. Het geweldsmonopolie van nationale overheden neemt steeds verder af en steeds geavanceerdere wapensystemen komen in handen van individuen, groepen en terroristen. De gifgas-actie in de metro van Tokyo in het voorjaar van 1995 werd uitgevoerd door een secte van 10.000 leden waarvan de meesten jong en hoog-opgeleid waren en volledig zijn opgegroeid in materiële welvaart.

Voor het terugdringen van het geweld in en vanuit onze samenleving is, met andere woorden, (nog steeds) een fundamentele cultuurkritiek noodzakelijk. Daarvoor zal een internationaal decennium enerzijds waarschijnlijk te kort zijn, maar zal het anderzijds als een soort katalysator kunnen werken om deze cultuurkritiek in de breedte en ook gezamenlijk op te pakken.


Jan Schaake,
stafmedewerker vereniging Kerk en Vrede

Noot:
De andere vier organisaties zijn:
-de BasisBeweging van kritische gemeenten in Nederland
-het Oecumenisch Netwerk Vrouw & Geloof Noord-Holland
-het Oecumenisch Vredesforum van Europese Katholieken
-het Werkverband van Religieuzen voor Gerechtigheid en Vrede
Terug naar tekst



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Europa -

Europees leger: middel tegen internationale migratie

De Europese Unie is een economische reus, een diplomatieke dwerg en een militaire wurm. Daar moet wat in veranderen, vinden de Europese leiders. Daarom werkt de EU aan de oprichting van een eigen snelle interventiemacht, die kan ingrijpen in crisisgebieden aan de flanken van de Unie. Het beteugelen van migratie en internationale criminaliteit staat daarbij hoog op de agenda. Jelle van Buuren schreef dit artikel voor het blad De Fabel van de Illegaal.

"De Europese Unie is al een grote speler op het wereldtoneel. Europa is cruciaal als het gaat om beslissingen op het gebied van handelspolitiek, financiële trends en monetair beleid. Het is hoog tijd dat Europa een actievere en invloedrijke wereldmacht wordt." Aldus Janvier Solana, de 'hoge vertegenwoordiger' van de EU voor het gemeenschappelijk buitenland- en veiligheidsbeleid. De voormalig secretaris-generaal van de NAVO Solana is daarmee een soort superminister van Buitenlandse Zaken. Hij is op dit moment ook voorzitter van de West-Europese Unie, de Europese defensieorganisatie die binnenkort opgaat in de EU. De EU maakt sinds kort serieus werk van de plannen om een zelfstandige defensiemacht op te richten. Binnen enkele jaren moet er een snelle interventiemacht van 60.000 militairen klaar staan, die binnen een maand kan optreden in crisisgebieden aan de randen van Europa. Een politiemacht van 5.000 agenten vormt de civiele component van de interventiemacht. Zoals meestal is ook nu de waarheid het eerste slachtoffer in de oorlog: een van de eerste officiële daden van Solana was alle Europese beleidsdocumenten over de Europese defensiemacht-in-wording geheim te verklaren en uit te sluiten van de geldende regels voor inzagerecht in documenten.

Atoomparaplu

De oprichting van een zelfstandige Europese defensiemacht hangt samen met de wereldwijde veranderingen na het einde van de Koude Oorlog. Tijdens de Koude Oorlog scholen de Europese landen onder de atoomparaplu van de Verenigde Staten. Oost en West hielden elkaar gegijzeld in een nucleaire omarming; de militaire conflicten werden elders in de wereld uitgevochten. Met het verdwijnen van de alles overheersende Oost-West tegenstelling ontstond een nieuwe politieke en economische constellatie.

Drie machtsblokken, de VS, Europa en Japan, beconcurreren elkaar scherp op economisch en politiek gebied. De belangen tussen Europa en de VS lopen niet langer haast automatisch parallel. Dit uit zich onder meer in toenemende handelsconflicten tussen de beide machtsblokken. In regio's als het Midden-Oosten probeert de EU de Amerikaanse hegemonie te doorbreken door een eigen diplomatieke en politieke rol te spelen. Een autonomer optreden van de EU op het wereldtoneel vraagt ook om een eigen militair vermogen. De EU wil militair kunnen optreden in haar invloedssferen, zonder afhankelijk te zijn van de NAVO, en daarmee van de goedkeuring en medewerking van de Verenigde Staten.

Een tweede factor van belang is de groei van het aantal brandhaarden, burgeroorlogen en afscheidingsconflicten buiten de EU, de VS en Japan. Centraal staan hierbij nieuwe territoriale afbakeningen en machtsposities in een strijd om controle over en toegang tot grondstoffen, water, olie of andere aardse zaken. Geweld vindt minder tussen landen plaats en meer en meer tussen rivaliserende facties, op de achtergrond gesteund door bedrijven en regeringen. De vroegere ideologieën zijn ingeruild voor nationalisme en religieuze vaandels van velerlei kleur. De georganiseerde misdaad maakt zich in veel ineengestorte staten meester van de staatsmacht. De inzet van militaire kracht van de machtsblokken is daarom niet meer zozeer gericht op het veroveren van grondgebied van een tegenstander, of het verdedigen van het eigen grondgebied tegen een vijand, maar op het afdwingen van politiek-economische hegemonie.

Balkan

Een voorbeeld van deze ontwikkelingen zien we op de Balkan. De Europese beleidsmakers zien de oostflanken van de EU als broeinesten van internationale criminaliteit, mensensmokkelaars en andere onwelkome zaken die zich aan hun controle onttrekken. "Hedendaagse crises, zoals in Kosovo, hebben diverse effecten op de Europese Unie en haar lidstaten. Het gaat daarbij zowel om de massale instroom van ontheemden, die vaak bescherming zoeken op Europees grondgebied, illegale handel in mensen, drugs of vuurwapens, als om andere vormen van georganiseerde criminaliteit. Ook andere fenomenen, zoals migratie en grensoverschrijdende criminaliteit, in het bijzonder witwassen, zijn van belang. Dat vraagt om bezinning op de justitiële en politiële relaties met derde landen," aldus het Portugese Voorzitterschap van de EU begin dit jaar. De EU wil dan ook gericht actie kunnen ondernemen tegen landen waaruit bijvoorbeeld de meeste migranten en vluchtelingen komen. "Als de Unie de wil en de moed toont, is het in een positie om haar politieke en economische gewicht, en haar deskundigheid en financiële middelen beter in te zetten om deze landen te overtuigen en te helpen met de verbetering van wetshandhaving en samenwerking," schreef Portugal. En waar de 'pacificatie' niet met economische en politieke middelen lukt, wil de EU in staat zijn om met militaire middelen orde op zaken te stellen.

Kosovo

Kosovo is het schoolvoorbeeld van het indammen van een conflict om te voorkomen dat het uit de hand loopt en zich uitbreidt naar andere gebieden, waarbij met name de angst voor vluchtelingen een rol speelde. Naast de inspanningen van de Schengen-staten, en in het verlengde daarvan de bufferstaten, om vluchtelingen uit Kosovo koste wat het kost in de regio te houden, speelden ook de NAVO en de WEU een rol in de ijzeren ring die rondom Kosovo is opgetrokken.

Het Kosovo-conflict werd vanaf de eerste minuut ingeschat als een potentiële brandhaard die de hele regio in vuur en vlam kon zetten. Landen als Turkije, Albanië, Bulgarije, Griekenland, Roemenië en Macedonië vreesden dat het conflict, en de vele vluchtelingen, tot afscheidingsbewegingen van de eigen minderheden zouden kunnen leiden. Een zorg die werd gedeeld door de EU en de VS. Hun strategie was dan ook gericht op indamming van het conflict.

In Albanië en Macedonië, waar in het kader van het 'Partnership for Peace' al NAVO-troepen gelegerd waren, werd de troepensterkte verhoogd. Volgens het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken lag de prioriteit bij verbetering van de grensbewaking. Nederland schonk de Albanese grenspolitie daartoe 15 landrovers. Macedonië kreeg 100 kogelvrije vesten, nachtkijkers, 15 duikuitrustingen en 15 vrachtwagens voor de verplaatsing van grensbewakingseenheden. Albanese en Italiaanse patrouilleboten bewaken de Adriatische Zee, waarbij ze worden geholpen met radargegevens van de Middellandse Zee-vloot van de VS. Mede door de landmijnen die Servië in de grensstreken legde, werd ontsnappen uit Kosovo steeds moeilijker. "De EU treedt Kosovo tegemoet met crisismanagement dat bestaat uit een mengeling van hulpkonvooien en een ijzeren gordijn om Kosovo om vluchtelingen daar te houden," becommentarieerde de Zwitserse krant Die Welt. "De tactiek van de Serviërs, die zeggen dat de vluchtelingen moeten en kunnen terugkeren, de geografische ligging en de politiek van het Westen zorgen ervoor dat de vluchtelingen Duitsland nog niet hebben bereikt."

Militair zelfstandig

Aan de oprichting van een EU-defensiemacht zitten vele haken en ogen. De verhouding met de VS en de door de VS gedomineerde NAVO is bijzonder precair. De Amerikanen vinden sinds jaar en dag dat de Europese landen meer inspanningen moeten leveren op het terrein van defensie, maar dat mag tegelijk niet ten koste gaan van de NAVO. De Europese landen willen militair zelfstandig kunnen optreden, maar kunnen niet zonder de militaire infrastructuur en middelen van de NAVO.

Van Aartsen, Neerlands fiere minister van Buitenlandse Zaken, stelde onlangs dat de oprichting van een Europese defensiemacht "pro-europees is, maar niet anti-Amerikaans". In werkelijkheid is er wel degelijk een concurrentieverhouding tussen de beide machtsblokken. De EU beperkt zich in de plannen voor zijn defensiemacht nadrukkelijk niet tot de aangrenzende regio's. Ook het Middellandse Zee-gebied, het Midden-Oosten en Centraal-Azië behoren tot de prioriteiten. In het oprichtingsbesluit van de defensiemacht staan geen geografische restricties. "De belangrijkste taak in de buitenlandse betrekkingen van de EU is het bevorderen van stabiliteit in onze onmiddellijke omgeving, maar is ook van belang voor verder liggende regio's," zei Christopher Patten, de Europees Commissaris voor Buitenlandse Betrekkingen, begin september in het Europees Parlement.

Bovendien werken de NAVO en de EU volgens dezelfde uitgangspunten. De NAVO liet in april 1999 het officiële principe varen dat zij slechts in actie komt als het grondgebied van een van haar leden wordt aangevallen. In plaats daarvan voorziet het nieuwe strategische concept in militair ingrijpen bij "daden van terrorisme, sabotage, georganiseerde misdaad en bij de verstoring van de toevoer van vitale hulpbronnen". Aan dit optreden zijn geen geografische restricties verbonden, noch is een mandaat van de VN nodig. Dat geldt ook voor de EU-defensiemacht, die eveneens een offensieve, brede opvatting hanteert over de strategische doelen. Dit soort ontwikkelingen gaan natuurlijk stapje voor stapje. Het tijdperk waarin de wereld via de CNN-camera's twee elkaar beconcurrerende interventiemachten tegelijkertijd zal zien landen op de stranden van een te pacificeren regio is nog ver weg. Bovendien hebben de EU en de VS vaak gedeelde belangen.

Ambities

Voordat Europese legereenheden voet op vreemde bodem zetten, moet de Unie intern ook nog het nodige op orde brengen. De EU-lidstaten Zweden, Ierland, Oostenrijk en Finland zijn bijvoorbeeld geen lid van de NAVO en willen hun neutraliteit niet verliezen. Ook Turkije ligt dwars. Het is lid van de NAVO en kandidaat-lidstaat van de EU. Turkije dreigt het gebruik van NAVO-middelen door de EU te blokkeren, als het niet mag meebeslissen over de inzet van de Europese interventiemacht.

Bovendien bestaat er tussen de EU-lidstaten weinig overeenstemming over het buitenlands beleid. Elk land jaagt in principe de eigen nationale belangen na en die verschillen nogal eens van elkaar, zoals tijdens de explosie van Joegoslavië was te zien. Tenslotte zijn er tal van militaire deskundigen die betwijfelen of de Unie ooit voldoende geld in haar eigen defensie zal steken om haar ambities waar te maken. Door het enorme overwicht van de VS op militair-technologisch gebied zou Europa tot in lengte van dagen afhankelijk blijven van Amerikaans NAVO-materiaal.

Toch is de oprichting van een zelfstandige Europese interventiemacht wel degelijk een belangrijke stap in het realiseren van de ambities die de EU heeft om een volwaardige global player te worden. In eerste instantie gaat het om de mogelijkheid zelfstandig op te treden, als Amerika daar geen behoefte aan heeft. Op de langere termijn zal het de verhouding met de NAVO en dus de VS wel meer onder druk zetten. Onder het vaandel van humanitaire interventies zal de Unie haar wil opleggen aan landen en regio's die uit de pas lopen. Vluchtelingen zijn daarbij een van de militaire doelen. De afschotting van Fort Europa krijgt na alle politionele maatregelen nu ook een militaire component.


Jelle van Buuren




Koopt Europeesche waar

De Europese wapenindustrieën nemen ruim een derde van de wereldproductie van oorlogstuig voor hun rekening. De jaarlijkse omzet bedraagt meer dan 50 miljard dollar. Het aandeel van Nederland hierin bedraagt 1,7 miljard dollar. Waar in de VS het leeuwendeel van de militaire productie te vinden is in 4 grote conglomeraten van wapenbedrijven, is de Europese wapenindustrie versnipperd over tientallen kleinere en grotere bedrijven. Twee Europese bedrijven zijn in de top-5 van de grootste wapenbedrijven terug te vinden: European Aeronautic Defence and Space Company (EADS) en British Aerospace (BA). Nationale wapenbedrijven produceerden lange tijd exclusief voor het eigen leger.

De wapenmarkten waren relatief goed afgeschermd van buitenlandse concurrenten. Sinds het einde van de Koude Oorlog dalen echter de militaire uitgaven in de EU-lidstaten, waardoor de bedrijven zich meer op de internationale markt zijn gaan richten. De concurrentie met Amerikaanse producten is scherp. De Europese wapenindustrie is zich langzaam aan het privatiseren en herstructureren in internationaal georiënteerde samenwerkingsverbanden. Gezamenlijke projecten verlopen echter nog steeds traag, mede omdat er scherp op gelet wordt dat orders gelijkmatig over de deelnemende landen verdeeld worden. Langdurig politiek gesteggel over in welk land bijvoorbeeld de productielijn komt, veroorzaakt vertraging en doet de kosten hoog oplopen.

De ontwikkeling van een Europees militair beleid is voor de Europese wapenindustrie van groot belang. De bedrijven hopen dat de EU-lidstaten er niet aan ontkomen hun militaire budgetten op te schroeven. Daarnaast verwacht de industrie dat de EU-lidstaten een meer gezamenlijk materieelbeleid ontwikkelen, waardoor de bedrijven de productie verder kunnen rationaliseren. Omgekeerd is een geïntegreerde Europese wapenindustrie noodzakelijk om de oprichting van een Europees leger met Europese wapens betaalbaar te maken. In ieder geval doet de versterking van het Europese militaire beleid de concurrentie tussen Amerikaanse en Europese bedrijven al fel oplaaien. Dit jaar moeten grote besluiten vallen over Europese wapenprojecten: de vervanging van de F16, nieuwe luchtdoelraketten, nieuwe transporttoestellen, marinehelikopters, en antitankwapens. Daarbij gaat het om tientallen miljarden guldens. De vraag zal steeds zijn: kiezen de EU-lidstaten voor Europese of Amerikaanse producten?


Jelle van Buuren




Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Oost Timor en de Molukken -

VN-interventie?

Het voortdurende geweld op de Molukken lijkt onoplosbaar. De roep om interventie wordt alsmaar groter, niet alleen vanuit de Molukken zelf, maar ook hier in Nederland. Maar is een VN-interventie wel een wenselijk antwoord op het Molukse vraagstuk? In het buurland Oost-Timor bestaat ernstige kritiek op het functioneren van de VN.

Bij een VN-interventie blijft het niet bij het sturen van militairen die "de kwaaien" aanpakken of verjagen. In Oost-Timor heeft United Nations Transitional Administration East Timor (UNTAET) het land volledig overgenomen.
Al in een heel vroeg stadium klonk de kritiek dat hierbij nauwelijks overleg gepleegd is met Oosttimorezen en dat er weinig inzicht bestaat in de Oosttimorese culturele normen en waarden. De aansluiting van de UNTAET programma's met de lokale bevolking zijn nihil. Hoe kan het ook anders, wanneer de voertaal Engels is. Goed, de meeste publicaties van de VN worden vertaald in Tetum, Portugees en Indonesisch, maar ook daarvoor moeten lokale medewerkers de Engelse taal machtig zijn.
Tijdens het congres van de Conselho Nacional da Resistência Timorense (CNRT) kwam vanuit de vrouwenorganisaties de volgende opmerking: "In Oost-Timor hebben we nu UNTAET, dat onze administratieve dienst vormt. De Oosttimorezen die daar willen werken worden getoetst op hun kennis van Engels; dat is de maatstaf, ongeacht het aantal diploma's dat we op zak hebben. Als UNTAET naar huis gaat laat het een Engelstalig administratief systeem achter. Maar wij, Oosttimorezen, hebben Tetum en Portugees.

Zestig gulden

Veel gehoorde kritiek is ook, dat UNTAET veel te bureaucratisch is en volkomen ontoegankelijk. De VN'ers werken los van elkaar, iedereen moet alles zelf uitzoeken. Ik ben daar tijdens vier maanden verblijf regelmatig tegenaan gelopen. Een voorbeeldje. We waren op zoek naar Vlaca, een Educational Officer in het hoofdkantoor in Dili, een enorm gebouw met vele noodgebouwtjes erachter. Niemand wist ons te vertellen waar het departement van educatie gevestigd was. We werden heen en weer gestuurd, het hoofdgebouw in, zoveelste verdieping, terug naar de noodgebouwtjes beneden en vandaar naar weer een ander gebouw; na drie kwartier waren we bij Education. We spraken een man aan met een naambordje Educational Officer, die zei nog nooit van Vlaca te hebben gehoord en ons verwees naar de secretaresse. Zij stuurde ons terug: Vlaca bleek al een half jaar te werken aan de tafel twee meter bij deze man vandaan.

Onderlinge communicatie en het op elkaar afstemmen van de diverse programma's laten ernstig te wensen over. Mensen worden op een afdeling geplaatst en krijgen een taak of een opdracht, maar worden verder niet begeleid. Niet alleen de bevolking klaagt hierover, ook VN'ers die met de beste bedoelingen naar Oost-Timor zijn gekomen worden steeds openlijker in hun kritiek.
Een ander voorbeeld. Alle dertien districten hebben hun eigen UNTAET kantoor, met een DA aan het hoofd. Elk district is verdeeld in subdistricten, waar een DFO de programma's moet uitvoeren en de situatie in kaart moet brengen. In het subdistrict Lacluta (Viqueque) staat een kliniek die een jaar na de gewelduitbarsting nog altijd geen ramen, stromend water en elektriciteit heeft. Het personeel verklaarde dat het de DFO slechts eenmaal ontmoet had en wist niet naar wie het moest vragen. Kosten voor het aansluiten van elektriciteit: zestig gulden.

Importeconomie

In ditzelfde gebied sprak ik twee medewerkers van de UNHCR, onderweg met 86 terugkerende vluchtelingen. Toen ik hen vroeg of deze mensen extra levensmiddelen hadden meegekregen, aangezien Lacluta te kampen had met ernstige ondervoeding, waren zij stomverbaasd. Zij hadden al eerder vluchtelingen naar dit gebied gebracht en er was hen geen rapport over een tekort aan voedsel bekend. Na inspectie vertelden ze mij dat de situatie zeer ernstig was en dat zij meteen contact met het World Food Program (WFP) zouden opnemen. Ter verduidelijking: de contactpersoon voor WFP in Viqueque was dezelfde DFO van Lacluta. Deze DFO, Mona Pistrui, stond bij de bevolking bekend als een "vakantieganger", die meer op het strand was en feestjes organiseerde dan dat zij zich om haar werk bekommerde, waardoor het gebied Lacluta verwaarloosd werd.

De aanwezigheid van veel goedbetaalde buitenlanders zou op zijn minst een opleving voor de lokale markt kunnen betekenen. Maar sinds de aanwezigheid van UNTAET is een importeconomie op gang gekomen. Terwijl Oosttimorese boeren nauwelijks een afzetmarkt hebben, het volk heeft immers geen geld, schieten buitenlandse bedrijven als paddestoelen uit de grond. Supermarkten met airconditioning bieden Australische producten aan, ingevroren vlees en groente, vruchten in blik, plastic servies en meubilair. Ze worden druk bezocht, door VN'ers en medewerkers van hulporganisaties, terwijl op de markt vers fruit ligt te rotten en er veel aanbod is van lokaal geproduceerd aardewerk en rotan.
Ook de export is in handen van buitenlandse bedrijven. Koffie uit Ermera wordt op een oud contract met Indonesië afgevoerd naar de Verenigde Staten, de olie in de Timor Gap wordt er nog altijd door Australië uitgehaald.

Ja, meneer

Terug naar de kern. Om het geweld op Oost Timor te stoppen, werd de VN ingezet. De Peace Keeping Forces hebben de milities de grens met West-Timor over gejaagd en het gewapend verzet tegen Indonesië (FALINTIL) ontwapend. Aan de andere kant van de grens zijn de, niet ontwapende, milities nog altijd actief. Zij intimideren de vluchtelingen in de kampen, wat het repatriëringsproces ernstig frustreert. Vanuit de VN wordt nauwelijks druk uitgeoefend op Indonesië en de internationale gemeenschap heeft haar wapenleveranties maanden geleden hervat.

UNTAET zet bovendien een administratieve dienst op waarmee de bevolking volkomen afhankelijk wordt gemaakt van deze ondemocratische, ongekozen, tijdelijke regering. Als tegemoetkoming aan de roep om inspraak stelde UNTAET een Nationale Raad aan met door haar gekozen Oosttimorese vertegenwoordigers.

Oost-Timor is een protectoraat geworden van de VN en daarmee voor de derde keer gekolonialiseerd; van "Si senor" naar "Ya pak" naar "Yes sir". Vervang "Si senor" door "Ja meneer" en voor de Molukken laat de rest zich raden. Tenzij we nu beginnen aan de discussie over een meer wenselijk alternatief.

De verdeeldheid die het Indonesische leger heeft weten te zaaien op de Molukken zal niet één twee drie een eenheid worden op het moment dat de VN binnenkomt. En juist die eenheid is belangrijk voor een duurzame geweldloze oplossing. Terug naar de Pela, waarin moslims en christenen samen sterk staan. Het is inmiddels bekend dat Molukse moslims die weigeren aan de zijde van de Jihad te vechten, zelf met de dood bedreigd worden. Wat zou er gebeuren als christenen deze weigerende moslims, hun Pela broeders, op zo'n moment zouden beschermen tegen die bedreiging?

En wat kunnen wij in Nederland doen om het vredesproces op de Molukken te steunen? Communicatie lijkt hiervoor een sleutelwoord. Wij kunnen onze netwerken aanspreken, in binnen- en buitenland. Wij kunnen onze middelen aanbieden, zoals computers, internet en kantoorruimtes, waarmee communicatie tussen Molukkers in Nederland en de mensen op de Molukken bevorderd kan worden. We kunnen ons actief opstellen en meedenken over oplossingen. En we zouden, als Nederlanders, aandacht kunnen besteden aan al die Molukse demonstraties. Zoals op Tweede Kerstdag, in Westerbork.


Endie van Binsbergen

Stichting Vrij Oost Timor
Postbus 2884
3500 GW Utrecht
Tel. 030 - 2945438



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Toen en nu -

Klinefelter werkt tegen de oorzaken van geweld

Hij gaat uit van bijbelse noties, blijkt uit zijn verhalen, maar te zeggen dat hij 'gelooft in de weg van Jezus' klinkt hem te EO-achtig. En hij is niet bijzonder kerkelijk opgevoed. Toch denkt hij dat de manier waarop hij zich door de jaren heen heeft ingezet uit zijn christelijk geloof voortkomt: "Maar niet in de in Nederland gangbare betekenis. Jezus heeft het voorbeeld gegeven hoe je vanuit je geloof kunt leven. Hoe je je leven kunt bewaren door het te verliezen. Als je jezelf voor andere mensen inzet vind je uiteindelijk ook een weg voor jezelf. En daar draait het om."

Harcourt Klinefelter is voorganger in de Doopsgezinde Kerk en voorzitter van Balkan Peace Team Nederland. Als medewerker van Volkshogeschool Overcinge in Havelte gaf hij jarenlang trainingen geweldloze conflictoplossing. Op dit moment is hij betrokken bij de eerste Nederlandse opleiding voor geweldloze vredeswerkers, een initiatief van onder andere de Stichting Voorlichting Actieve Geweldloosheid. Zijn eerste schreden op het pad van de actieve geweldloosheid zette hij in het Amerika van de jaren zestig, de burgerrechtenbeweging en de oorlog in Vietnam. Daar werkte hij als vrijwilliger in de publiciteitsafdeling van het hoofdkwartier van dominee Martin Luther King; en hij ontmoette er zijn latere vrouw Annelies.

Klinefelter (62) werd geboren in New Jersey, net buiten New York City. Hij karakteriseert zijn ouders als Republikeins, maar van het oude stempel. Het soort dat leeft vanuit het gedachtengoed van Thomas Jefferson. De beste regering is de regering die het minst regeert. "Er was grote vrees voor de centrale regering, vanuit een bijna anarchistische mentaliteit. Maar mijn ouders waren ook zeer progressieve mensen. Er was in onze omgeving ook nooit rassenscheiding geweest."

Hoewel hij de middelbare school niet had afgemaakt kon Klinefelter filosofie studeren aan het Presbyterian College Bloomfield. Begin jaren zestig studeerde hij vervolgens een jaar theologie aan King's College van de Universiteit van London en deed Europa voor vijf dollar per dag. "Maar toen ik er solliciteerde wist ik niet, dat King's het belangrijkste college was voor de theologische opleidingen van de Church of England. Ik heb toen in Londen het klassensysteem leren kennen en begreep daardoor ineens ook de rassenscheiding in Amerika." Daarna heb ik theologie gestudeerd aan de Yale University."

Grieks

Klinefelter is al in zijn jeugd door het werk van dominee Martin Luther King geraakt. "Ik herinner me dat ik als tiener televisiebeelden van zijn optreden zag en voor hem gebeden heb, toen hij was neergestoken. Mijn eerste contact met doctor King kwam tijdens een manifestatie voor burgerrechten in Connecticut. Ik ging daar heen met een kamergenoot van Yale, die in Oxford en Parijs gestudeerd had en lid was van de kerk van doctor King. Het was zo druk dat we niet in de zaal terecht konden, maar achter het podium moesten zitten. Toen doctor King binnenkwam, met een aantal veiligheidsmensen, liep hij de burgemeester en de VIP's voorbij om mijn kamergenoot te vragen hoe het met zijn Grieks gesteld was. Het heeft grote indruk op me gemaakt dat voor deze grote man iemand die lid was van zijn parochie even belangrijk was als de burgemeester van New Haven. En tijdens die bijeenkomst, waar doctor King een opgewarmde versie ten beste gaf van de I have a dream-speech, heb ik meer spiritualiteit gevoeld dan ooit op het seminarie."

Toen in 1964 de apartheid in de Verenigde Staten officieel werd afgeschaft was dat voor Martin Luther King aanleiding om de strijd te verleggen naar het kiesrecht. Bij een van acties daarvoor, in Selma, was de blanke dominee Reeves levensgevaarlijk gewond. Klinefelter: "Bij de herdenkingsdienst voor reverend Reeves wist ik dat het mijn beurt was om te gaan. En ik ben met twee anderen naar Selma gegaan. De situatie die ik daar aantrof leek op de Berlijnse muur. Aan de ene kant de politie, met meer wapens dan het Nederlandse leger en met angstige gezichten, en aan de andere kant allemaal zingende mensen, blijmoedig getuigend."

Daar is zijn band met het pacifisme ontstaan. "Ik heb altijd met een voet in de Quaker-beweging gestaan en met de andere voet in de brede kerkelijke beweging. Ik geloofde in geweldloosheid, maar had het niet in de praktijk gezien. En dat was mijn begin met Martin Luther King."

"Het belang van Martin Luther King is niet in de eerste plaats, dat hij de apartheid in Amerika heeft helpen afschaffen, hoe belangrijk dat ook was. Maar het was breder dan de beweging voor burgerrechten. Hij heeft laten zien, dat geweldloosheid ook op wereldschaal te gebruiken was. In zijn speech 'I have a dream' gaat het ook niet om de huidskleur die iemand heeft, maar om het karakter van mensen."

"Zelf zei King dat hij werkte vanuit de geest van Jezus Christus en met de technieken van Gandhi. In zijn studietijd had King Emersons On civil disobedience gelezen en ook iets van Gandhi. Na afloop van de busboycot in Montgomery – een actie tegen de rassenscheiding in bussen in Montgomery, Alabama – is hij naar India gegaan. En hij vond Gandhi's technieken van geweldloosheid heel belangrijk, maar zag niets in diens opvattingen op ander gebied. En hij besefte heel goed dat je technieken niet klakkeloos overal kunt toepassen, los van de cultuur. Veel berustte op een soort vormingswerk; we werkten aan alfabetisering en deden heel veel met rollenspellen en zo."

"Toen Mahatma Gandhi zijn grote marsen organiseerde had hij een grote meerderheid van arme mensen achter zich. Maar doctor King werkte met een minderheid; in die tijd was nog geen dertien procent van de Amerikaanse bevolking zwart. En in het Zuiden was geen enkel district met een zwarte meerderheid."

Tapijt

Na King's dood heeft Klinefelter alsnog zijn studie theologie afgemaakt. Hij schreef een proefschrift over de kerk als beweging, met de organisatie rond Martin Luther King als model. En daarna werd hij de contactpersoon van de Amerikaanse Raad van Kerken met de organisatie van King en diens opvolger Ralph Abernathy, de Southern Christian Leadership Council. Hij werd een soort straatpredikant en ontving daarvoor geld van enkele kerkgenootschappen. Tegelijkertijd verzorgde hij trainingen in geweldloze actie. Het was de tijd van hippies en de oorlog in Vietnam.

"Die trainingen waren er vooral op gericht de acties geweldloos te houden. Een groot deel van de deelnemers – studenten – had niet eerder aan demonstraties meegedaan. Daarom trainden we vooral op de fysieke gang van zaken en op het overwinnen van de angst, die zij voelden. Want bij een eerdere demonstratie waren mensen doodgeschoten."

Hij vertelt over een actie bij het wervingsbureau voor dienstplichtige militairen. Een groot aantal weigeraars had zich daar verzameld om te protesteren. Toen ambtenaren probeerden om over die mensen heen naar binnen te gaan dreigde de situatie uit de hand te lopen. Om de gemoederen tot bedaren te brengen heeft Klinefelter zijn toen ongeveer anderhalf jaar oude dochter op zijn schouder gezet en een preek afgestoken waarin hij liet weten dat het niet de bedoeling was om meer te doen dan aanwezig te zijn.

Het verdere verloop van die demonstratie is een goed voorbeeld van geweldloze actie. Klinefelter: "Er liep een tegelpad naar de deur, waarop we een foto van de slachting in Mi Lai hadden neergezet, met de slogan 'If Washington won't stop the war in Vietnam, we will stop Washington'. We hadden afgesproken dat we op het gras mochten blijven als we het tegelpad zelf niet zouden blokkeren. Er waren verschillende mogelijkheden: verder niets doen of met de armen in elkaar gehaakt voor de deur gaan staan. Dat laatste was riskant, omdat tijdens trainingen duidelijk geworden was dat het heel makkelijk was om iemand in die positie een trap in zijn ballen te geven."

"Ik had een derde model bedacht, een soort menselijk tapijt. Iedereen zou in de lotushouding - die houding verwees naar Gandhi - op het gras gaan zitten, in rijen parallel aan het tegelpad. En als er mensen zouden komen zou de voorste rij zich voorover buigen om te bidden, met de handen om het hoofd om dat te beschermen. En de rijen daarachter zouden zich vervolgens ook voorover buigen. Daarbij zouden we het pad niet blokkeren: mensen die naar binnen wilden konden over ons lopen. En ik heb persoonlijk gedemonstreerd dat dit mogelijk was. De politie heeft ons, op dat moment, niet gearresteerd, zelfs niet toen een postbode met een zak registratieformulieren voor de dienstplicht die zak niet over ons heen gooide, maar weer op zijn schouder nam en wegging. Uiteindelijk heeft de politie ons natuurlijk wel gearresteerd, maar alleen degenen die toch op het pad kwamen. En iedere keer dat er een werd weggehaald werd diens plaats ingenomen door iemand uit de rij er achter. En als iemand werd weggehaald zongen we 'I'm on my way to the freedom land, won't you come with me'. Uiteindelijk waren alleen wat vrouwen met kinderen, ik zelf, met mijn domineesboordje om, en een joodse jongen met een keppeltje over. Het resultaat van die actie was dat een aantal medewerkers van het dienstplichtbureau hun baan hebben opgezegd en geld bij elkaar hebben gebracht om anderen financieel te steunen, als zij ook hun baan opzegden. En toen het adjunct-hoofd van het bureau ontslag nam organiseerde hij een picknick voor dienstweigeraars en medewerkers, waar ondermeer een film getoond werd waarin soldaten vertelden over hun misdaden tegen de mensheid."

Montage

Min of meer toevallig besloot Klinefelter begin jaren zeventig naar Europa te gaan. Terwijl zijn vrouw voor familiebezoek naar Nederland was verkocht hij zijn hele bezit om een conferentie van de War Resisters' League te bezoeken en in Londen te gaan studeren. Daarna bezocht hij een conferentie van de Wereldraad van Kerken over geweld, geweldloosheid en sociale rechtvaardigheid en kreeg het aanbod in Bristol een proefschrift te schrijven over Martin Luther King en geweldloosheid. Omdat daar geen geld voor was belandde hij uiteindelijk bij Philips in Drachten.

"We woonden in bij mijn schoonouders, Archie Bunker-style, en hadden nauwelijks geld. Ik ben werk gaan zoeken, maar wat kan een filosoof en theoloog die geen Nederlands spreekt? Uiteindelijk vond ik een baantje in de montage van scheerapparaten, twee jaar heb ik daar gewerkt. It was Hell, maar het heeft me veel geleerd over de arbeidsomstandigheden in Nederland."

Hij leerde zichzelf Nederlands door de Bijbel te lezen, tijdens het werk. En hij kwam in contact met de Friese Vredesgroep, die hij trainingen gaf in geweldloos verzet rond de demonstraties voor totaalweigeraar Kees Vellekoop. Op een feestje hoorde hij over een Engelsman, die cursussen gaf op de Volkshogeschool in Havelte. Toen hij contact zocht met de Volkshogeschool om er een cursus te volgen werd hij gevraagd als cursusleider voor uitwisselingsprogramma's.

Gijzeling

Tijdens de tweede Molukse gijzeling (een trein bij De Punt en een lagere school in Bovensmilde; TR) meldde Klinefelter zich met anderen als mogelijk plaatsvervanger voor de gegijzelden. Hij herinnert zich dat de groep net zijn aanbod gereed had toen bekend gemaakt werd, dat de Molukse gijzelaars een vrijgeleide zouden krijgen naar Benin. Maar terwijl nog onderhandeld werd over oplossingen zonder geweld kwam telefonisch het bericht dat de gijzeling met behulp van straaljagers was beëindigd. "Ik kan je wel vertellen dat de Molukkers met wie wij spraken woedend waren, vooral over het verslag," zegt Klinefelter, die vindt dat de recente publicaties over de beëindiging van die kaping alsnog de waarheid over de gang van zaken laten zien.

In latere jaren heeft Klinefelter een aantal cursussen verzorgd voor zowel gijzelnemers als gijzelaars. Tijdens een van die cursussen kreeg hij wat hij grootste beloning noemt voor zijn inzet als vormingswerker. Een van de cursusdeelnemers las een brief voor van een familielid, dat uit de gevangenis geschreven had 'Waren we maar eerder naar de Volkshogeschool gegaan, dan waren die gijzelingen waarschijnlijk niet nodig geweest'.

Joegoslavië

Op dit moment houdt hij zich vooral bezig met voormalig Joegoslavië. Namens de Doopsgezinden nam hij in 1992 deel aan de internationale Vredeskaravaan door dat gebied. Later gaf hij er onder auspiciën van de Duitse en Nederlandse Doopsgezinden trainingen in geweldloze weerbaarheid aan vluchtelingen uit verschillende delen van voormalig Joegoslavië. Na een bemiddeling bij een conflict tussen Joegoslavische bewoners van een asielzoekerscentrum werd hij bovendien gevraagd op verschillende AZC's cursussen te geven over conflictoplossing. "Mijn cursussen waren erop gericht de basis, de oorzaken, van conflicten weg te nemen en niet alleen om de medewerkers te trainen voor zelfbescherming. Ik gebruikte rollenspellen, waarbij ik het belangrijk vond dat de stafleden van een AZC ook eens in de rol van een asielzoeker kruipen, om te weten hoe dat voelt. Er zijn drie facetten aan geweld: het eerste is hoe je om moet gaan met geweld dat op je af komt, het tweede hoe je met je eigen geweld omgaat. En het derde, misschien wel het belangrijkste, is het geweld dat voortkomt uit de structuur van organisaties; dat is de vorm van geweld die het minst bekend is."

Een ander programma speelde zich af op twee plaatsen in zowel Servië, Bosnië en Kroatië. Na afloop van de strijd is daar bovendien geprobeerd om mensen uit de verschillende bevolkingsgroepen dichter bij elkaar te maken via cursussen in onder andere Hongarije. Hieruit is ook zijn betrokkenheid voortgekomen bij de Balkan Peace Team, die met concrete activiteiten een bijdrage willen leveren aan de wederopbouw in de staten van voormalig Joegoslavië. Ook daar staat het ideaal centraal om bruggen te bouwen waarover mensen elkaar beter kunnen bereiken en elkaar leren te begrijpen. Want, zegt Klinefelter, "negentig procent van de mensen kan goed met elkaar overweg, en maar tien procent maakt oorlog."


Tjark Reininga

Adres van BPT-NL:
Nederland steunt Balkan Peace Team
Stadsring 137
3817 BA Amersfoort
Tel/Fax: 033 - 465 53 95
E-mail: bptei"at"antenna.nl
Web: www.BalkanPeaceTeam.org



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Servië -

De Joegoslavische revolutie

De geweldloze revolutie in Servië van afgelopen oktober verbaasde vele mensen. Een van de revolutionairen poogt een en ander te verklaren.

Bij de Joegoslavische presidentsverkiezingen in september hadden twee kandidaten de meeste kans te winnen: Milosevic en Kostunica. De nacht na de verkiezingen was vol berichten. Alle politieke partijen gaven verschillende uitslagen. De kiescommissie gaf geen enkele officiële uitslag, maar het was duidelijk, niet alleen uit oppositiebronnen maar ook uit verklaringen van sommige SPS-woordvoerders, dat de Democratische Oppositie van Servië (DOS) met grote meerderheid had gewonnen. Milosevic' partij was in totale verwarring.
Na drie dagen riep DOS op een grote demonstratie in Belgrado de overwinning van Kostunica uit, in de eerste verkiezingsronde. De dag daarop maakte de kiescommissie, die onder controle stond van Milosevic, nieuwe resultaten bekend. Zij beweerde dat een tweede ronde nodig was, omdat geen van de kandidaten meer dan vijftig procent van de stemmen had behaald. De oppositie riep op tot een algemene staking om Milosevic te bestrijden.

Staking

De eerste dag van de staking, 2 oktober, stopte heel Servië; alle steden, behalve Belgrado, stonden zo goed als stil. Mijnwerkers van een van de grootste kolenmijnen staakten al één dag voor de Algemene Staking begon. Ook universiteiten en middelbare scholen waren in staking.
De beste aanwijzing dat de staking effect had, was het verschijnen van Milosevic op de nationale televisie. Hij beschuldigde demonstranten en stakers ervan te worden betaald door de NAVO, om Joegoslavië van binnenuit te vernietigen. Verschillende lokale afdelingen van de, door Milosevic gecontroleerde, Servische Radio en Televisie (RTS) stopten de uitzending van het RTS-programma en begonnen het publiek te informeren over de werkelijk situatie in Joegoslavië. De staking werd gevolgd door blokkades in Belgrado en van snelwegen in heel Servië.
Op de tweede dag deden steeds meer bedrijven mee; nooit was Servië dichter bij een totale stilstand. Belgrado was meer dan zes uur volledig geblokkeerd. In sommige delen van de stad begon de politie mensen in elkaar te slaan. Tot dat moment was de politiemacht het meest loyale onderdeel van het systeem, maar tijdens de tweede stakingsdag weigerde de politie op sommige plekken te vechten tegen het volk.
Meer dan 7000 mijnwerkers, voor de derde dag in staking, stonden tegenover 2000 man oproerpolitie, sommigen van hen raakten gewond, maar door de steun van mensen uit de nabijgelegen stad Lazarevac zetten zij hun staking voort.

Bulldozer

De derde dag ging heen met wachten op de vierde dag, waarop mensen uit heel Servië naar Belgrado zouden komen om die stad volledig te blokkeren. Blokkades van alle steden werden voortgezet, niet alleen tijdens de demonstraties. Bewoners blokkeerden hun eigen deel van de stad de hele dag.
Die vierde dag was cruciaal voor Milosevic. Vanaf de vroege morgen kon je ruiken dat er iets groots stond te gebeuren. Het was duidelijk dat de mensen genoeg hadden van Milosevic en zijn regime. Men begon rond 11 uur 's morgens samen te stromen voor de Filosofische Universiteit. Als snel kon je niet meer zien hoeveel mensen er waren, volgens sommige schattingen waren twee miljoen mensen in de straten van Belgrado.
Om 3 uur startte de protestmars. Door één van de grootste straten kwam een bulldozer aangereden, afkomstig uit de stad Cacak in Midden-Servië. De mensen uit Cacak hadden een sterke organisatie en een ijzeren conditie, en lieten zich door niemand tegenhouden. Dit was geen verrassing, burgemeester Velimir Illic van Cacak was erin geslaagd velen van de politie en het leger te rekruteren. Hij leidde op deze beslissende dag 10.000 mensen, sommigen gewapend. Hij gaf ook toe dat politieagenten uit Belgrado en Cacak voor hem werkten, alsmede parachutisten vrij van dienst. "We kenden elk bevel van het ministerie van binnenlandse zaken. We wisten wat zij planden, we zagen hun faxen."

Eerste stap

De mensen drongen met geweld het parlementsgebouw binnen en staken het in brand. De politie vuurde traangas af, maar voor het eerst vochten de mensen terug! Sommige politiemensen begonnen demonstranten te slaan, maar die sloegen terug. De politie gaf zich gewonnen en sloot zich aan bij het volk. Veel politiemensen raakten gewond, uniformen en helmen werden afgepakt als trofeeën. Ook een paar politieauto's werden vernield.
Demonstranten verbrandden en verwoestten het hoofdkwartier van de RTS, de algemeen manager werd bijna door woedende demonstranten gedood. Alle tv-stations en andere mediagebouwen werden overgenomen door hun werknemers. De nationale televisie nam voor het eerst in tien jaar stelling tegen Milosevic.
Toen was het allemaal snel voorbij. De kiescommissie verklaarde dat ze een fout had gemaakt en dat de oppositiekandidaat had gewonnen. Milosevic erkende op tv dat hij had verloren en zei, dat hij vanaf dat moment meer tijd met zijn kleinzoon zou doorbrengen.
Wat heeft deze revolutie aangetoond? Hij laat zien dat elk doel bereikbaar is als mensen worden verbonden door één doel (ditmaal het afzetten van Milosevic), als ze geloven in solidariteit en wederzijdse hulp. Zonder twijfel heeft onze samenleving een eerste stap gezet op de weg naar vrijheid. Om ons doel te bereiken - een vrije samenleving zonder onrechtmatige autoriteiten, klassen en uitbuiting - zullen we nog hard moeten vechten, maar uiteindelijk zal het idee van een vrije wereld zegevieren!


Ratibor T. Trivunac-Rata
Vertaling: Heleen de Boer
Bewerking: Egbert Wever



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- GroenLinks -

GroenLinks' beperkte invalshoek bij conflictpreventie

Tijdens de heftige partijdebatten over Kosovo beloofde de partijleiding van GroenLinks meer werk te gaan maken van een serieus geweldloos alternatief voor militair ingrijpen. De eerste aanzet ligt er nu.

"Democratie en respect voor mensenrechten, politieke, burgerlijke en sociale, economische en culturele rechten vormen samen de meest effectieve vorm van conflictpreventie." De meeste open deuren hebben een grond van waarheid, zo ook de eerste zin van de samenvatting van een nieuwe notitie van de Tweede Kamerfractie van GroenLinks. In die notitie - 'Met alle geweld voorkomen' - doet een projectgroep onder leiding van kamerlid Farah Karimi een aantal beleidsvoorstellen voor conflictpreventie.

Deze notitie beperkt zich tot de civiele, politieke en diplomatieke instrumenten die op korte termijn voor conflictpreventie en conflictbeheersing ingezet kunnen worden. Ze kijkt hoe die instrumenten passen in het Nederlandse buitenlandbeleid, maar beperkt zich niet tot de rol van de overheid. De relatie met het defensiebeleid en met het internationaal economische en handelsbeleid blijven echter vrijwel buiten beschouwing. De opstellers hebben niet willen vervallen tot de 'luiheid' van Paars-II, dat alles wat het aan ontwikkelingssamenwerking doet ziet als conflictpreventie op lange termijn.

Maar tegelijkertijd hebben ze daarmee gekozen om niet te kiezen. Er zitten immers juist in het economisch beleid - de zogenoemde 'vrije' wereldhandel, de vrije toegang tot binnenlandse markten, maar ook de exportsubsidies voor bijvoorbeeld de wapenindustrie - diverse elementen die de ongelijkheid vergroten, die aan de basis ligt van veel conflicten. De militaire bestedingen leggen een grote druk op de economische ontwikkeling in heel veel landen, en roepen daarmee maatschappelijke onrust op. Om die twee mechanismen aan te pakken zal ingrijpen in onze economie nodig zijn, en dat blijkt telkens weer een stap te ver.

In de notitie wordt gepleit voor integratie van buitenlandbeleid en ontwikkelingssamenwerking, het betrekken van niet-gouvernementele organisaties bij het beleid en het creëren van nationale en internationale capaciteit voor conflictpreventie. Bij dat laatste denkt men aan kennis, expertise, budgetten en structuren, zoals Veiligheidsraad, Europees Veiligheids- en Defensiebeleid, en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa. Met name plaatst de notitie de uitbreiding van de Europese Unie in het kader van conflictpreventie.

Steun aan lokale vredesinitiatieven is een van de aanbevelingen die de notitie doet. Nederland zou daaraan met het leveren van civiele waarnemers (burgervredesteams) een bijdrage kunnen leveren. Andere instrumenten zijn 'slimme sancties' en het internationaal strafrecht, toegepast door het Internationaal Strafhof.

Heikele punten als het samengaan van geweldloos en militair ingrijpen, de rol van de NAVO en multinationals blijven onbesproken. In deze notitie pleit GroenLinks wel voor Europese wapenexportwetgeving, die het Europees Parlement en het Europees Hof van Justitie controle moet geven op wapenexport, maar stelt de wapenproductie zelf niet ter discussie. Zinvol is wel de roep om de ontwikkeling van early-warning-capaciteit en de verzameling van informatie, die verder gaat dan de bij overheden thans gebruikelijke diplomatieke kanalen. De rol van NGO's daarbij maakt financiële steun onontbeerlijk. Maar opnieuw beperkt GroenLinks zich tot Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking, waar Economische Zaken en Milieu evenzeer implicaties hebben die tot conflicten kunnen leiden. Deze beperkte invalshoek blijft een handicap voor een serieuze aanpak van conflictpreventie.

Toch is deze notitie geen slecht uitgangspunt voor de formulering van een nieuw verkiezingsprogramma. Als GroenLinks tenminste durft te kiezen.


Tjark Reininga


'Met alle geweld voorkomen - beleidsvoorstellen voor conflictpreventie'
Tweede Kamerfractie GroenLinks
Den Haag, 2000.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Ongelijksoortige ruil -

De Nixon-doctrine en het Midden-Oosten

Volgens onderzoeker Peter Custers is wereldwijd een stelsel van ongelijksoortige ruil ontstaan, waarbij de rol van de internationale wapenhandel cruciaal is geworden. In de vorige VD AMOK behandelde hij de ruil van grondstoffen uit het Afrika van de uiteenvallende natie-staten in ruil voor wapens ter verdediging van de belangen van grote transnationale ondernemingen. In dit nummer gaat hij in op de specifieke verschijnselen van dit systeem in het Midden-Oosten sinds de jaren '70 van de 20-ste eeuw.

Dit artikel onderzoekt de relatie tussen de olie-export van het Midden-Oosten en de import in het gebied van in het Noorden vervaardigde wapensystemen. Om te beginnen kan met cijfermateriaal gemakkelijk worden aangetoond, dat dit gebied een spilfunctie heeft op de internationale markten voor beide typen goederen. In 1973 voorzagen de landen van de OPEC (voornamelijk gelegen in het Midden-Oosten) met hun olie-export in meer dan eenderde van alle energie die Westerse en (niet-communistische) derdewereldlanden verbruikten. Wat betreft de positie van de landen in het Midden-Oosten op de internationale wapenmarkt – in de jaren zeventig absorbeerde het Midden-Oosten bijna de helft van alle grotere wapensystemen die door het Zuiden ingevoerd werden. Deze cijfers laten duidelijk zien, dat het Midden-Oosten in de jaren zeventig een cruciale partij was in zowel de internationale olie-economie als de internationale wapenhandel, en wekken de indruk dat deze handelsrollen met elkaar verbonden kunnen zijn.

Het is daarom logisch het Midden-Oosten als uitgangspunt te nemen voor een empirische behandeling van het stelsel van ongelijksoortige ruil. Ik heb echter geprobeerd meer te doen dan op empirisch niveau de relatie tussen olie-export en wapenimport vast te stellen. Want een historische analyse van de ervaring in dit gebied in de jaren zeventig is ook zeer geschikt om mijn theorie van de ongelijksoortige ruil, enerzijds, te vergelijken met de theorie van de ongelijke ruil van Samir Amin en Arghiri Emmanuel, anderzijds. Want mijn analyse van de opkomst van het kartel van de olie-exporterende landen wijst uit, dat sommige positieve gevolgen van OPEC's streven het Zuiden controle te geven over de aanvoer en prijs van olie vooronderstelde de opkomst van het nieuwe handelssysteem van ongelijksoortige ruil. Terwijl het probeerde te bewerkstelligen dat olie-producerende landen in en buiten het Midden-Oosten een groter voordeel van de oliewinning naar zich toe konden trekken legde OPEC onontkoombaar de basis voor groeiende wapenexporten door het Noorden.

Niet schenken maar verkopen

De Nixon-doctrine was een nieuwe doctrine voor de buitenlandse politiek die de Amerikaanse president eind jaren zestig, begin jaren zeventig proclameerde. Ogenschijnlijk was deze doctrine een politiek antwoord op de maatschappelijke crisis, waarmee de Verenigde Staten als gevolg van haar agressieoorlog in Vietnam geconfronteerd werd. Ogenschijnlijk kondigde zij een verandering aan in de manier, waarop de staat militair betrokken was bij buitenlandse conflicten. Want officieel proclameerde de Nixon-doctrine, dat de wereldmacht vanaf dat moment geen troepen meer zou uitzenden, maar voor de versterking van de van haar afhankelijke staten vooral zou vertrouwen op de levering en verkoop van wapens. In de eerste plaats markeerde de Nixon-doctrine een historische omwenteling van militaire schenkingen, dat wil zeggen de levering van militaire apparatuur om niet, naar militaire verkopen. Vanaf de vroege jaren zestig hadden de Verenigde Staten geleidelijk de gratis wapenleveranties, die het na de Tweede Wereldoorlog was begonnen, weten terug te dringen en de commerciële export weten uit te breiden. De stijgende invloed van wapenverkopen wordt weerspiegeld in de schatting van de militaire export in 1976-77. Volgens gegevens van Warren Russell Howe bedroeg de wapenexport rond vijftien miljard US dollar 'tegenover minder dan drie miljard US$ per jaar tien jaar eerder'. Met andere woorden: in deze tien jaar groeiden de verkopen met meer dan 500 procent!

De Nixon-doctrine had echter een nog verder strekkende economische betekenis, want ze kan direct in verband gebracht worden met de binnenlandse conjunctuurschommelingen in de Verenigde Staten. De Nixon-doctrine was niet alleen een doctrine over de buitenlandse politiek, maar legde ook de basis voor een ten dele veranderende verhouding tussen de wapenindustrie en de Amerikaanse overheid. In de toekomst zou de staat veel actiever dan tot dan toe haar banden met koopkrachtige staten in de wereldperiferie gebruiken om de export te bevorderen van gevechtsvliegtuigen en andere kostbare wapensystemen. Volgens de Nixon-doctrine zouden de Verenigde Staten in de toekomst internationaal omzien naar orders voor bedrijven die niet langer door het Pentagon gesteund werden. En dit is inderdaad in de laatste tientallen jaren herhaaldelijk gebeurd. Terwijl de regering van de Verenigde Staten sinds de jaren veertig het Departement voor de wapenindustrie actief had ingezet om de conjunctuur te stimuleren, kreeg de wapenexport vanaf de late jaren zestig bewust ook een rol voor de maatschappelijke kapitaalopbouw.

Nixon-doctrine en de internationale oliemarkt

De geschiedenis van de opkomst van het systeem van ongelijksoortige ruil moet begrepen worden in de context van de veranderingen, die zich vanaf 1970 op de internationale oliemarkt hebben voorgedaan. Tot dan werden de olieaanvoer en de olieprijzen beheerst door de grootste transnationale oliebedrijven.

Maar na de formele start van OPEC, de Organization of Petroleum Exporting Countries, in 1960 zou de situatie dramatisch veranderen. Er kwam een consultatieproces op gang tussen de belangrijkste olie-producerende en exporterende landen van het Zuiden dat, zoals bekend, uitliep op de overname door OPEC van de beslissingen over zowel het volume geproduceerde ruwe olie en de prijs die de importerende landen daarvoor zouden moeten betalen.

In de literatuur over de internationale oliemarkt wordt maar zelden opgemerkt dat er sprake is van een samenvallen in de tijd van de omwenteling die op de internationale oliemarkt plaatsvond, aan de ene kant, en de formulering en proclamatie van de hiervoor besproken Nixon-doctrine, anderzijds. Peter Odell bijvoorbeeld vermeldt de door de OPEC-lidstaten gezamenlijk in december 1970 in Caracas (Venezuela) genomen beslissing om controle te grijpen over het aanbod en de prijs van olie, en 'bij de olieproducenten een gezamenlijke claim vanwege toegenomen rechten en belastingen op olie' te deponeren. Hierdoor werd door de producerende en exporterende landen onmiddellijk een aanzienlijke stijging van de olieprijzen gerealiseerd, een aankondiging van een verschuiving in het machtsevenwicht in de wereldomvattende olie-industrie. Hoewel de economische en politieke gevolgen van de opkomst van OPEC inderdaad verstrekkend waren, waren de gevolgen voor de olie exporterende landen niet zo onverdeeld positief als aanvankelijk het geval leek. De Nixon-doctrine ontstond, evenals de beslissing van OPEC in Caracas, rond 1970 en was erop gericht te garanderen dat een groot deel van de winsten door het Noorden binnengehaald zouden worden, en met name door de Verenigde Staten.

OPEC en ongelijke ruil

Toch maakt het een aanzienlijk verschil of de gevolgen van de opkomst van OPEC worden geanalyseerd overeenkomstig de theorie van de ongelijke ruil of dat dit geschiedt in de context van ongelijksoortige ruil. In het eerste geval, in termen van ongelijke ruil, waren de gevolgen van de dramatische stijging van de olieprijs tussen 1970 en 1973 onmiskenbaar positief. In de twintig jaar tussen 1950 en 1970 was de olieprijs in reële termen min of meer onafgebroken gedaald (In 1970 bedroeg deze nog slechts veertig procent van de prijs van twintig jaar daarvoor). Olie was dus een kenmerkend voorbeeld van de economische uitbuiting die het Zuiden en de instellingen van de Verenigde Naties als ongelijke ruil karakteriseerden; olie was een typisch geval van de verslechterende ruilverhoudingen voor de grondstoffen die door het Zuiden op de markt gebracht werden. Door de controle te grijpen over de olieprijs en de olieproductie zette OPEC een belangrijke trend, die zich zou uitbreiden tot andere grondstoffen uit het Zuiden.

OPEC en ongelijksoortige ruil

Maar als de gevolgen van de opkomst van OPEC worden geanalyseerd vanuit de optiek van de theorie van de ongelijksoortige ruil moeten we onvermijdelijk veel voorzichtiger zijn. Want zelfs als het prijsbeleid en het stelsel van productiequota van OPEC, (samen met de andere stappen die olie-exporterende landen gezet hebben om ervoor te zorgen dat de winst van de veranderingen in hun schatkist zouden vloeien), een potentiële basis legden voor een door de staat geleide economische ontwikkeling in de olierijke perifere economieën, dan had de VS de fundamenten al gelegd om ervoor te zorgen dat de winsten, de oliedollars, terug zouden vloeien naar de Noordelijke economieën. Met de Nixon-doctrine, die erop gericht was dat de olie-exporterende landen een zo groot mogelijk deel van de olieopbrengsten zouden besteden aan de import van wapens, had de VS het imperialistische antwoord gegeven op de poging van het Zuiden om de ongelijke ruil te keren. Het had een politieke doctrine geformuleerd die – in de woorden van de kritische economische theorie – begrepen moet worden als nieuw beleid, dat uitmondt in het handelssysteem van ongelijksoortige ruil.

Nationalisaties en gevolgen voor ongelijksoortige ruil

Het is tijd om te kijken naar de betekenis van nationalisaties van de olie-industrie in olie-producerende landen in het Zuiden voor de opkomst van het stelsel van ongelijksoortige ruil. In de periode dat OPEC zich ontwikkelde tot een prominente macht, gingen parallel daaraan olie-producerende landen grootschalig over tot de nationalisatie van de productiefaciliteiten voor ruwe olie. Op het eerste gezicht lijken deze overnames deel uit te maken van het proces van versterking van de machtsbasis van de perifere economieën tegenover de centrale economieën. Ze weerspiegelen de vastbeslotenheid van de olie-producerende landen om een eind te maken aan het misbruik en de exploitatie van hun natuurlijke reserves door de imperialistische landen ten koste van hun interne economische ontwikkeling. Zodoende was de drang tot nationalisatie nauw verbonden met de drang van Zuidelijke landen om een antwoord te vinden op de ongelijke ruilverhouding. Binnen de context van de ongelijksoortige ruil moeten de gevolgen van deze nationalisaties anders geëvalueerd worden. Zoals we zullen zien kunnen de gevolgen het best als paradoxaal gekarakteriseerd worden. De drang tot nationalisatie werd gedeeld door diverse olie-producerende landen in het Zuiden (Venezuela, Irak, Koeweit, Saoedi-Arabië) en lijkt een belangrijke doorbraak te weerspiegelen. Een verschuiving van het machtsevenwicht tussen de centrale en de perifere landen in de wereld.

Toch droeg deze drang, paradoxaal genoeg, ten minste indirect bij aan de opkomst van het handelsstelsel van ongelijksoortige ruil. Terwijl deze nationalisaties voor de Noordelijke ondernemingen die zich met oliewinning bezighielden vanzelfsprekend een nettoverlies betekenden – zowel van eigendomsrechten op grondstoffenreserves als van de mogelijkheid zich daarmee winst toe te eigenen – waren er voor Noordelijke wapenleveranciers uit de verschuiving van de economische macht ten gunste van het Zuiden winsten te behalen. Want voorzover de nationalisaties in Venezuela en elders leidden tot een groeiende kapitaalstroom naar de schatkist van olie-producerende landen versterkten zij de mogelijkheden van deze landen om wapens te importeren. En hoewel de gestegen staatsreserves gebruikt zouden kunnen worden voor maatschappelijke doeleinden (onderwijs, gezondheidszorg, etc.) werden de gegroeide staatsreserves van de olierijke landen in het Midden-Oosten evenzeer gebruikt om de wapenimporten te vergroten, dat wil zeggen om dure wapensystemen aan te kopen op de door het Noorden overheerste wereldmarkt voor wapens.

Grondstoffenprijzen en ongelijksoortige ruil

De ervaring die sinds de jaren zeventig in het Midden-Oosten is opgedaan met ongelijksoortige ruil geeft onmiskenbaar de noodzaak aan om de theorie van de ongelijke ruil aan te passen. Als centraal onderzoeksobject, en empirisch referentiepunt, koos deze theorie de continue daling van het prijspeil van grondstoffen en primaire producten die door Zuidelijke landen verkocht worden ten opzichte van het prijspeil van producten die door het Noorden aan het Zuiden verkocht worden. Als empirisch referentiepunt hanteerde zij, zoals aangegeven, de continue achteruitgang van de ruilvoet voor goederen die door perifere landen op de wereldmarkt verhandeld worden. In algemene termen blijft deze theorie geldig voor de meeste grondstoffen uit de Afrikaanse landen – zoals tot uiting gebracht werd in de resolutie over handel, die in 1990 door de OAE werd aangenomen. Maar de ervaring met de ruil van olie voor wapens, zoals door de rijkste olielanden in het Midden-Oosten, wijst uit dat een continue daling van het prijspeil van goederen uit het 'Zuiden' niet altijd in het belang is van de centrale economieën; in ieder geval niet altijd in het belang van in het Noorden gevestigde transnationale ondernemingen.

De specifieke belangen van bedrijven die wapensystemen verkopen aan de olierijke landen in het Midden-Oosten kunnen op twee onderscheiden manieren gediend worden. De ene manier waarop de verkoop van wapens vergroot kan worden is door een kwantitatieve uitbreiding van de hoeveelheid ruwe olie, die wordt gewonnen uit de bodem van de landen die rijk met dit middel voor productie en consumptie begiftigd zijn. Saoedi-Arabië is, van alle OPEC- en niet-OPEC-lidstaten, het land dat de wereld van de grootste hoeveelheid olie voorziet. Percentueel voorziet het vandaag de dag in meer dan een kwart van alle OPEC-olie, die 7,5 miljoen vaten per dag bedraagt. Als Saoedi-Arabië besluit de omvang van zijn oliewinning te vergroten zal dit, onder de voorwaarde van een ongewijzigde prijs voor ruwe olie, onmiddellijk de hoeveelheid dollars beïnvloeden waarover de heersers in dit land beschikken voor de aankoop van (uit het Noorden afkomstige) wapens. Dit is een manier waarop de ondernemingen van het 'departement voor de wapenindustrie' in de VS en andere imperialistische staten profiteren van de uitbreiding van de totale hoeveelheid olie die in de wereld gewonnen wordt, of door uitbreiding van de oliewinning in enkele olie-producerende staten met een sleutelpositie.

Maar de wapenindustrie kan haar winsten ook realiseren door een stijging van het prijspeil van ruwe olie, van de olieprijs op het moment dat deze op de wereldmarkt wordt aangeboden. Terwijl de verviervoudiging van de olieprijs die in 1974 door OPEC werd opgelegd destijds leek te wijzen op een regelrechte vergroting van de economische macht van perifere tegenover centrale landen heeft de geschiedenis van het Midden-Oosten sindsdien onomstotelijk uitgewezen, dat deze interpretatie bedrieglijk is, omdat hij buiten beschouwing laat wie precies – welke klasse, welke economische kracht(en) – zich de winst van de kartelachtige politiek van OPEC kan toeëigenen. In de praktijk zijn, zoals is gemeld in diverse rapporten en boeken, de grote hoeveelheden oliedollars door de leiders van Iran, Saoedi-Arabië en andere staten in het Midden-Oosten niet besteed aan programma's gericht op het maatschappelijk welzijn, maar aan de import van uiterst kostbare wapensystemen – gevechtsvliegtuigen, tanks, raketten, etc. Dus dient een stijging van het prijspeil van ruwe olie – althans in zekere mate – het accumulatieproces in de landen die tot het centrum van de wereldeconomie behoren.

Kortom. De ervaring van de laatste dertig jaar in het Midden-Oosten geeft mij aanleiding om een aanpassing voor te stellen in de theorie van de ongelijke ruil. In tegenstelling tot hetgeen deze theorie beweert kunnen imperialistische economieën – en in het bijzonder die waar het proces van maatschappelijke accumulatie in hoge mate afhankelijk is van de productie in de sector van de productie van vernietigingsmiddelen – in sommige gevallen winnen bij een verbetering van de ruilvoet voor goederen die door het Zuiden verhandeld worden. Dit is afhankelijk van enkele voorwaarden. Zo moet de inkomensstijging die het gevolg is van de prijsstijging terechtkomen in de schatkist van staten of van (opstandige) militaire leiders die belang hebben bij wapenaankopen en moeten deze aankopen in het buitenland plaatsvinden, dat wil zeggen moeten de orders geplaatst worden bij wapenleveranciers in de centrale economieën. Mijn aanpassing van de theorie van de ongelijke ruil is dus niet van toepassing op alle gevallen van prijsstijging van grondstoffen in het algemeen. Desondanks kan zonder deze wijziging van de theorie van de ongelijke ruil geen geloofwaardige theorie van de ongelijksoortige ruil worden ontwikkeld.

Ongelijksoortige ruil en het Midden-Oosten

De effectuering van ongelijksoortige ruil vooronderstelt het bestaan van een arbeidsverdeling, volgens welke de Zuidelijke staten zich specialiseren in de winning van grondstoffen en primaire producten, terwijl de Noordelijke landen zich specialiseren in de productie van andere goederen, vooral vernietigingsmiddelen. Deze vooronderstelling voor de theorie van de ongelijksoortige ruil stemt overeen met de voornaamste gedachtenlijn in de theorie van de ongelijke ruil. Toch is de empirische basis voor de theorie van de ongelijksoortige ruil niet volledig in overeenstemming met de theorie van de ongelijke ruil.

Want terwijl de theorie van de ongelijke ruil uitgaat van een continue verslechtering van de ruilvoet tussen Noord en Zuid, dat wil zeggen van een continue daling van de prijs van goederen die door deze laatste worden verhandeld, stelt de theorie van de ongelijksoortige ruil dat in sommige gevallen een verbetering van het prijspeil van goederen die door Zuidelijke landen verhandeld worden bij kan dragen, en bijdraagt, aan de verkoop van wapens en wapensystemen door Noordelijke economieën.

De ervaring in het Midden-Oosten leert ons op een indringende manier hoe ongelijksoortige ruil een grote bedreiging vormt voor de belangen van de landen in het Zuiden. Want als een olierijk land aanvankelijk zijn olieinkomsten gebruikt (of misbruikt) voor de aankoop van gevechtsvliegtuigen, raketten en andere kostbare wapens, en vervolgens betrokken raakt in een gewapende conflict met een naburig land, zal het gebruik, i.c. de consumptie, van geïmporteerde vernietigingsmiddelen – zoals de ervaring tijdens de eerste Golfoorlog (tussen Iran en Irak, 1980 -1988) laat zien – zoveel schade veroorzaken dat het saldo van de ongelijksoortige ruil uitermate negatief is voor de betreffende Zuidelijke economieën.


Peter Custers

Door de redactie vertaald en ingekort.
Volledig geannoteerde tekst via redactieadres verkrijgbaar.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Eerste Wereldoorlog -

Lijden en sterven aan het Westelijk front

Nog steeds herinneren, ruim tachtig jaar na dato, de rode klaprozen op de revers van Britse en Canadese nieuwslezers en hoogwaardigheidsbekleders het bredere publiek aan de wapenstilstand op 11 november 1918, die een einde maakte aan de Eerste Wereldoorlog. In de Nederlandse geschiedenis speelde deze oorlog slechts zijdelings een rol, waardoor hij nooit veel aandacht heeft gekregen van Nederlandse historici. Vorig jaar echter verscheen een lijvige studie over dit onderwerp van de hand van medisch historicus Leo van Bergen.

De soepele verteltrant van Zacht en Eervol maakt het tot een zeer goed leesbaar boek, dat kan putten uit de enorme hoeveelheid documentatie die in Frankrijk, België, Duitsland en met name Groot-Brittannië over dit onderwerp bestaat. Hoofdstuk 1 (getiteld "Strijd") geeft op basis hiervan in een vogelvlucht per oorlogsjaar een overzicht van de ontwikkelingen en de achtergrond daarvan. In dit deel komt het beeld naar voren van een oorlog die uniek is doordat doelstellingen, middelen en strategieën volstrekt niet op elkaar waren afgestemd, resulterend in vernietiging van mensenlevens op een schaal die niemand had voorzien of gewild en die geen enkel militair of politiek doel meer diende.

Slachtoffers

In de hierop volgende hoofstukken, getiteld "Lichaam," "Geest," "Hulp," en "Dood" komt Van Bergens benadering naar voren. Op basis van getuigenissen van individuele soldaten, verplegers en artsen schetst hij een beeld van "wat een soldaat allemaal kan overkomen vanaf het moment dat hij in de trein stapt om naar het front te gaan, totdat hij, dodelijk getroffen, onder de aardbodem is verdwenen." Het boek gaat, zoals de ondertitel al aangeeft, in de eerste plaats over het leed van de slachtoffers. Het biedt weerzinwekkende en fascinerende lectuur over verminkingen, doodsangst, afstomping, executies, pijn, ontberingen, en lijken - en de daarover bekende statistieken.

Van Bergens exclusieve belangstelling voor de slachtoffers past heel goed in deze tijd. De ambivalentie inherent in deze benadering komt echter ook duidelijk naar voren, om te beginnen in de ondertitel (Lijden en sterven in een Grote Oorlog). Gaat het nu om 'een grote oorlog,' die exemplarisch is voor het verschijnsel oorlog, of om 'de Grote Oorlog' (zoals de deelnemende landen hem herdenken), of zelfs gewoon om de oorlog aan het Westelijk front? Aan de ene kant benadrukt Van Bergen het unieke karakter van deze oorlog en de individuele ervaringen daarin, aan de andere kant ziet hij het lijden slechts als een 'voorbeeld' van de "verschrikking waaraan iedere oorlog een ieder blootstelt die er mee te maken krijgt."

Zacht en eervol begint en eindigt opvallend met twee typische voortbrengselen uit de pacifistische traditie, namelijk het fotoboek Krieg dem Kriege van Ernst Friedrich van eind jaren '20 en de beeldengroep van Käthe Kollwitz in Vladslo uit 1931. Het eerste biedt een rauwe, visuele weergave van de gruwelijke gevolgen van de oorlog; het tweede een in 'een pijnlijk proces' in 'artistieke vorm gegoten' getuigenis. Je zou beiden kunnen zien als fasen in een cultureel en individueel verwerkingsproces, dat begint met woede en afschuw en eindigt met rouw en besef van medeverantwoordelijkheid. De getuigenissen in Zacht en eervol, met name in de delen "Lichaam" en "Dood," staan nog het dichtst bij Friedrich. In Nederland anno 2000 missen ze echter de politieke lading die ze in het interbellum hadden. Helaas ontwikkelt Van Bergen zelf geen pacifistische of historische visie op deze oorlog die een beschrijving van het lijden overstijgt.

Individu en collectief

De hoofdstukken "Geest" en "Hulp," en ook de passage in "Dood" over executies, bieden een interessanter perspectief op de oorlog. Hier ligt een spanningsveld dat veel beter is uitgewerkt, namelijk tussen individu en collectief en de rol van de medische wetenschap daarin.

In het voorwoord stelt van Bergen dat "moderne, op westerse leest geschoeide oorlog de dood van het individu betekent." Deze bewering zet hij af tegen de (vooroorlogse) pacifistische 'slogan' dat "iedere oorlog een misdaad tegen de mensheid is." De gruwelijke realiteit van de loopgravenoorlog vormde een breuk met 19de eeuwse idealen, maar staat vooral haaks op de moderne Westerse op het individu toegesneden mensenrechtenethiek, en ook op de medische ethiek waarin alles in het werk wordt gesteld om het leven van een enkele patiënt te redden.

Niet alleen gaat de loopgravenoorlog in tegen deze waarden, maar ook tegen het bijbehorende mensbeeld. Het is in retrospectief onvoorstelbaar dat zoveel mannen geestelijk en lichamelijk bestand bleken tegen de ontberingen en verschrikkingen van de oorlog, maar nog onbegrijpelijker dat verreweg de meeste soldaten en officieren, artsen en verplegers bleven meewerken aan de voortzetting ervan. Dit brengt van Bergen ertoe om de autonome dynamiek van de oorlog te benadrukken: "De mens veroorzaakt de oorlog, de mens begint de oorlog, maar gaandeweg wordt die oorlog zelf een mede - en ik ben geneigd te zeggen meest - bepalende actor, waardoor die oorlog ook niet op ieder gewenst moment door de mensen die hem voeren van aard of richting veranderd kan worden, laat staan stopgezet."

De klop

Het totalitaire karakter van deze eerste 'totale oorlog' komt heel scherp naar voren in het fascinerende verhaal over shell shock (de 'klop' in het Vlaams) en de behandeling daarvan. Aanvankelijk werd dit, zoals de Engelse naam al aangeeft, als een organische aandoening opgevat, een soort verwonding dus, maar dan aan het zenuwstelsel. De scherpe toename van dit soort klachten maakte deze diagnose vanuit militair oogpunt onwenselijk en vanuit wetenschappelijk oogpunt onhoudbaar. Veel artsen zagen deze klachten als een al dan niet bewuste poging van de soldaten om aan de oorlog te ontkomen en bedachten methoden om dit 'bedrog' te ontmaskeren. De aan Duitse zijde gebruikelijke behandeling met stroomstoten kon zowel op medische gronden als disciplinair gerechtvaardigd worden - in het laatste geval als dwangmiddel, straf of zelfs marteling, in het eerste geval als behandelingswijze.

De psychologische benadering, die zocht naar verklaringen voor de symptomen, werkte vaak evenmin in het voordeel van de patiënt. De zachtere 'psycho-analytische' behandelswijze werd door slechts een handjevol psychiaters toegepast, voornamelijk bij officieren. De anderen gingen uit van karakterzwakte, gebrek aan wilskracht, luiheid, lafheid, onmannelijkheid, en (erfelijke) aanleg, vaak gecombineerd met een racistisch of sociaal vooroordeel. Ook zij grepen naar dwangmethoden, waaronder ook weer elektroshocks, die wij nu als onmenselijk zouden bestempelen. Van Bergen maakt aannemelijk dat het militaire belang om deze mannen terug te sturen naar het front en het economische staatsbelang om deze categorie oorlogsslachtoffers zoveel mogelijk uit te sluiten van uitkeringen, de doorslag gaf. Ook deze sterk geïndividualiseerde vorm van verzet bleek niet opgewassen tegen de enorme druk van de oorlog.

Door het vertellen van de verhalen van de individuen biedt Zacht en eervol een tegenwicht aan de de-individualisering en ontmenselijking waar de oorlog mee gepaard ging en die in sommige vormen van geschiedschrijving slechts versterkt worden. Maar de medische invalshoek, de statistieken en Van Bergens pessimistische beeld van de oorlog als autonoom proces maken de totaalindruk juist weer onpersoonlijk. Zowel 'de dood van individu' als 'de misdaad tegen de mensheid' schieten tekort als beoordeling van de oorlogsdynamiek. De humanistische manier van denken, en ook de pacifistische stroming daarin, heeft nooit een helder perspectief kunnen ontwikkelen op de verschrikkingen van de wereldoorlogen. In die zin is de Eerste Wereldoorlog nog allerminst geschiedenis.


Stijn van der Putte


Zacht en eervol: Lijden en sterven in een Grote Oorlog
Leo van Bergen
Den Haag : SDU Uitgevers
1999
455 p., fl. 69,90


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Dienstweigeren in Turkije -

"Er bestaan geen propere oorlogen"

In VD AMOK no 3 van dit jaar berichtten we over het antimilitaristisch festival in Istanbul op 15 mei 2000. Een van de initiatiefnemers was Uygar Abaci, een student economie aan de Bosporus Universiteit van Istanbul. Uygar was zowel in 1999 als dit jaar te gast op het jaarlijkse WRI-seminar (War Resisters' International, de wereldwijde pacifistische koepel). Daar sprak hij vorig jaar Jan van Criekinge, medewerker van het Belgische Forum voor Vredesactie.

Wat zijn de ontwikkelingen in de situatie van de dienstplicht en het verzet ertegen in Turkije?
Op legaal vlak is er de laatste jaren weinig veranderd. Enerzijds is legerdienst nog steeds verplicht voor alle Turkse mannen, recht op gewetensbezwaren is niet erkend en het ziet er niet naar uit dat dat snel zal veranderen. Anderzijds laten de autoriteiten de laatste tijd meer dingen begaan die ze vroeger niet zouden hebben getolereerd. De regering wil per se lid worden van de Europese Unie en dus kan ze het zich niet permitteren een al te slechte beurt te maken in het buitenland. Verschillende van onze leden willen openlijk tijdens een persconferentie verklaren dat ze dienst zullen weigeren. De kans dat ze onmiddellijk worden gearresteerd, schat ik veeleer klein in want dat zou de hele actie meteen veel publiciteit geven en dat willen de autoriteiten precies vermijden. Dat geeft ons dus enige speelruimte.

Wanneer is het IAMI van start gegaan en wat zijn jullie doelstellingen?
Alles begon in januari 1996 als een lokale steungroep voor de acties van Osman Murat Ülke, die onder de studenten van Istanbul veel bewondering kende. Zeker nadat Osman in oktober 1996 werd gearresteerd, kwam IAMI pas goed op gang. Op 1 december hielden we een eerste publieke manifestatie met een gebroken geweer. We probeerden aanwezig te zijn op de processen tegen Osman en organiseerden talloze discussieavonden over zin en onzin van dienstweigering in een land als Turkije. Aan universiteiten was zoiets min of meer mogelijk, meer dan elders in de samenleving. Een kleine kern van 15 activisten - bijna allemaal studenten - heeft sindsdien de acties voorbereid en teksten geschreven voor allerlei magazines. Sinds kort heeft IAMI een eigen website waarop we de discussie willen stimuleren. Verder willen we elke week een kleine brochure uitbrengen onder de naam `Deserteur' met nieuws en informatie over dienstplicht. Dat zou meer een externe publikatie zijn om een ruimer studentenpubliek te bereiken.

IAMI is radicaal-pacifistisch en wil van burgerlijke ongehoorzaamheid zijn voornaamste actiemiddel maken. Wij zijn tegen alle oorlogen en alle vormen van geweld, maar vooral tegen de militaristische cultuur die dit land al zo lang in zijn greep heeft. Wij wijzen elke vorm van hiërarchie en patriottisme af en werken op basis van directe basisdemocratie. Voor ons is geweldloosheid een zeer actieve vorm van verzet en een duidelijke politieke boodschap. Dienstweigering is in die context geen individuele daad, maar een politieke stellingname. Daarom zullen we ook een eventuele regeling over burgerdienst ter vervanging van legerdienst blijven afwijzen; dat is niet ons doel.

Als je zegt 'wij zijn tegen alle oorlogen' kom je dan niet in conflict met Koerdische activisten die toch een duidelijk onderscheid maken tussen de 'agressie' van het Turkse leger en de 'bevrijdingsstrijd' van de PKK?
Koerdische activisten spreken vaak over de 'smerige' oorlog waarvan het Koerdische volk het slachtoffer is. Wij antwoorden hen dan 'er bestaan geen propere oorlogen, alle oorlogen zijn smerig'. Iedereen in Turkije is slachtoffer van het militarisme. Want als je dat onderscheid gaat maken, kom je al vlug uit bij de rechtvaardige oorlog, de oorlog voor de goede zaak. Daarmee hebben de machthebbers al te lang mensen de dood ingejaagd voor idealen die niet de hunne waren. Maar in Istanbul onderhouden we goede relaties met Koerdische activisten.

Hoe is de relatie tussen de diverse linkse studentengroepen en de antimilitaristische beweging?
Hoe radicaal-marxistisch sommige groepen ook zijn, over het algemeen zullen ze het militaristisch karakter van de Turkse staat niet echt in vraag stellen. Tot voor enkele jaren was ik ook lid van een marxistische studentengroep, maar uit ongenoegen met hun houding tegenover de staat ben ik eruit gestapt. We proberen wel kanalen open te houden en de meeste van onze leden komen uit die kringen. Zij hebben vaak wel respect voor onze acties en zeker voor een figuur als Osman, maar begrijpen niet dat voor ons dienstweigering een politieke keuze is. Wij willen breken met die cultuur van geweld en patriarchisme. In veel linkse kringen bestaat nog een romantisch geloof in de gewapende strijd. Ze zouden wel willen ontsnappen aan legerdienst in het Turkse leger, maar zien geen graten in het gebruik van geweld voor een 'revolutionair' doel. Daar ligt een fundamenteel verschil met IAMI: wij willen die geweldcirkel doorbreken.

Osman Murat Ülke bracht ruim twee jaar door in militaire gevangenissen, dat lijkt toch niet een ideaal perspectief om jonge mensen aan te trekken voor jullie dienstweigerstrategie?
Uiteraard gaat niemand graag de gevangenis in, maar als je consequent wil blijven, is er geen alternatief. Als pacifist en antimilitarist zal ik nooit aanvaarden legerdienst te doen, wat ook de gevolgen zijn. Als mens is de vrijheid van mening mij veel waard. Ik wil ook niet ontsnappen of op de vlucht slaan, wat dat zou betekenen dat ik de gevolgen van mijn radicale keuze niet onder ogen zou willen zien. Ik wil in Turkije tegen het militarisme strijden, niet vanuit het buitenland. Precies in de gevangenis werd Osman een symbool. Dankzij de internationale steun was het voor de Turkse autoriteiten duidelijk dat Osman niet werd vergeten. Zelfs toen ze hem volledig wilden isoleren door geen post meer door te laten, bleven de brieven uit het buitenland toestromen. Dat is het grote voordeel van een internationaal netwerk. Dat is de kracht en de betekenis van de WRI.

Wij onderhouden vanaf het begin zeer nauwe contacten met onze vrienden in Izmir. Ik ken er bijna iedereen persoonlijk. Ook politiek-ideologisch staan we op dezelfde lijn. Het aantal pacifistische antimilitaristen is in Turkije al zo klein dat we ons geen verdeeldheid kunnen permitteren. De website is een gemeenschappelijk initiatief en in de nabije toekomst gaan we nog meer acties samen ondernemen.


Jan van Criekinge

Artikel in ingekorte versie overgenomen uit Magazine van het Forum voor Vredesactie nr. 200 (december 2000), Antwerpen.

Adres IAMI:
Istanbul Antimilitarist Inisiyativ,
Sehitmuhtar Mah,
Kurabiye Sokak 24/9,
Beyoglu - ISTANBUL,
Turkey
e-mail: uygarabaci"at"hotmail.com -
webadres: www.savaskarsitlari.org



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Column -

Spektakel

Wie herinnert zich niet de lachwekkende beelden van de Spanjaard Solana als secretaris-generaal van de NAVO? Tijdens de NAVO-bombardementen van vorig jaar op Joegoslavië werd hij geregeld geïnterviewd door kritische journalisten. Het gestuntel en het ontwijkingsgedrag van Solana (vroeger notabene een felle tegenstander van de NAVO) spraken boekdelen.

Onlangs was Solana weer in het nieuws, nu in zijn nieuwe rol van hoge functionaris voor het buitenlandse en veiligheidsbeleid van de Europese Unie. Hij kreeg toen gedaan dat alle documenten met betrekking tot defensie, veiligheid en crisismanagement volstrekt geheim zouden blijven. Daaronder vallen zelfs beleidsonderwerpen als migratie, rechtshandhaving en politiele en justitiële samenwerking. De EU-verdragen van Maastricht (1993) en Amsterdam (1997) benadrukken juist grotere openheid en openbaarheid. Vandaar dat onder andere Nederland zich tegen deze geheimhouding verzet door het instellen van beroep bij het Europese Hof. Niet dat dit veel voorstelt. Het gaat er alleen om dat niet elk document automatisch geheim wordt verklaard, zonder dat de inhoud een rol speelt. Staatssecretaris Benschop benadrukt dat echte defensiegeheimen geheim moeten blijven.

Hoe moet men deze problematiek nu plaatsen in het kader van de, sinds het einde van de Koude Oorlog, veranderde defensieopvattingen? Men wordt niet moe te betogen dat het bij de NAVO tegenwoordig gaat om humanitaire operaties, om interventiemachten die elders op de wereld rust en vrede moeten brengen. Ook de plannen voor een Euroleger gaan daarvan uit. Met name Frankrijk, Engeland en Nederland zijn al praktisch bezig met dit concept.

Er wordt nauwelijks meer gerept van de veiligheid van de staat, die zo nodig gewaarborgd moet worden. Overigens een veiligheid die in hoge mate tegengesteld is aan de veiligheid van de burgers en dus een kwalijk concept. Maar, afgezien hiervan, bij die veiligheid van de staat past natuurlijk een sterke mate van geheimhouding. Het feit dat er nu, bij de nieuwe militaire concepties en strategieën, minstens zoveel geheimhouding wordt betracht als destijds bewijst dat het om niet veel meer gaat dan kosmetische veranderingen.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Korte berichten -


KORTE BERICHTEN
Samenstelling: Kees Kalkman



Duizend bommen en granaten...

Binnen de politieke partij GroenLinks is een nieuwe groepering ontstaan die zich kritisch wil gaan bezighouden met het vrede- en veiligheidsbeleid. De groep, 'Duizend bommen en granaten...' (DBG) geheten, maakt zich onder meer zorgen over de wijze waarop binnen de partij wordt omgegaan met de onvrede van een deel van de leden over officiële standpunten van GroenLinks. Die onvrede richt zich in belangrijke mate op (het handhaven van) de steun van de Tweede Kamer-fractie aan de bombardementen op Kosovo. Naast de onvrede over de "Kosovo-aanpak" is er echter sprake van een meer algemene onvrede. Deze heeft te maken met de tendens die zich in de landelijke leiding aftekent om meer en eerder mee te gaan in traditionele, militaire denkpatronen over oplossingen voor internationale conflicten.

Volgens de groep bestaan binnen de partij merkbaar grote verschillen van mening over vraagstukken van vrede en veiligheid. Dat werd ook duidelijk tijdens het partijcongres van maart 2000, dat zeer verdeeld bleek. Bij deze stand van zaken mag je van de partij verwachten dat er meer en inhoudelijker wordt gediscussieerd over hoe het verder moet met het GroenLinkse beleid ten aanzien van vrede en veiligheid.

De groep vraagt om een diepgaande discussie over vrede en veiligheid in brede zin. Het volstaat daarbij niet om in geïsoleerde gevallen een beperkte bespreking aan de eventuele toelaatbaarheid van gewelddadig ingrijpen te wijden, zonder achtergronden en effecten goed in beeld te hebben gebracht.

Het karakter van DBG is allereerst die van een "denktank" die zich (op het vlak van vrede en veiligheid in brede zin) richt op het verhogen van het niveau van de discussie van het meer op vredesdenken gerichte deel van de partij en - daarmee - in de hele partij. DBG zal dit doen door (de opvatting van GroenLinks over) legitimiteit en effectiviteit van militair optreden kritisch en in breed verband te bezien. Dat betekent dat ook wordt gekeken naar algemene buitenlandse politiek (waaronder ontwikkelingssamenwerking) in relatie tot vraagstukken van vrede en veiligheid.
De invalshoek van DBG kan daarmee kort worden aangeduid als kritisch vredesdenken.

Nieuwe leden voor de groep kunnen zich opgeven bij j.duinhof"at"wolmail.nl



Rijkswacht viseert antikapitalisten

De generale staf van de Belgische Rijkswacht heeft bij zes plaatselijke recherche-eenheden van de BOB (vergelijkbaar met de regionale politie-inlichtingendiensten in Nederland) een vragenlijst verspreid met de bedoeling inzicht te krijgen in 'nieuwe evoluties inzake onveiligheid'. De enquête past in het nationale veiligheidsplan waarmee de nieuwe federale politie in België straks moet gaan werken. Kennelijk wil de Rijkswacht de prioriteiten van deze nieuwe politiedienst beïnvloeden.

In het naar de Belgische krant De Morgen uitgelekte document van 7 augustus 2000, nota DGC/DP/412, worden de BOB-ers gevraagd om aan te geven hoe vaak ze zijn geconfronteerd met bepaalde 'nieuwe' vormen van criminaliteit, zoals economische delicten, computercriminaliteit, illegale wapenhandel, milieudelicten, mensenhandel, hooliganisme en terrorisme. In een bijlage wordt hier wat uitleg over gegeven. De toelichting bij de categorie 'terrorisme' is interessant. De Rijkswacht ziet hier drie soorten activiteiten die hieronder vallen: cyberterrorisme, eco-terrorisme en extreem-links. Over het laatste wordt opgemerkt: 'In het zuiden van Europa merken we een heropleving van de activiteiten van extreem-links. Het is mogelijk dat dat ook in België gebeurt. Tezelfdertijd ontwikkelt zich een mondiale antikapitalistische beweging. Zij verenigt jongeren, syndicalisten en intellectuelen en heeft als mikpunt alles wat verband houdt met het neoliberale model, het IMF, de Wereldbank, de Wereldhandelsorganisatie etc.' De Morgen constateert dat de Rijkswacht hiermee de beweging tegen globalisering die aanhang heeft tot bij de regeringspartijen Agalev en Volksunie in de rubriek terrorisme onderbrengt, hetgeen zou kunnen leiden tot het op grote schaal aanleggen van dossiers over activisten. Opvallend is verder dat categorie extreem-rechts in de enquête niet voorkomt, evenmin als fundamentalistisch-religieuze activiteiten.

Bron: De Morgen 15.9.2000



BVD weert allochtonen uit vertrouwensfuncties

De Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) blijkt op grote schaal Marokkanen en andere allochtonen van buiten de EU te weren uit vertrouwensfuncties bij de Nederlandse overheid, spoorwegen, in de luchtvaart en andere vitale sectoren. Vorig jaar weigerde de BVD voor zeker duizend allochtone sollicitanten een verklaring van geen bezwaar af te geven. De BVD voert als reden daarvoor aan dat ze de antecedenten van deze kandidaten niet na kan trekken in de landen van herkomst omdat de BVD met deze landen geen samenwerkingsovereenkomst heeft. 'Hoe geknipt iemand misschien ook is voor zo'n vertrouwensfunctie, in zo'n geval heeft een sollicitant gewoon pech.' Aldus BVD-woordvoerder Van Steen.

Het lijkt er wel op of de BVD met het naar buiten brengen van deze redenering een bepaalde vorm van chantage wil plegen op de opdrachtgevers. Ze worden voor de keuze gesteld om de dienst ofwel te laten samenwerken met geheime diensten van allerlei dubieuze regimes (iets wat tot nu toe officieel althans niet mag) ofwel een discriminerende wervingspolitiek te voeren ten opzichte van mensen die afkomstig zijn uit landen buiten de EU.

Bron: Utrechts Nieuwsblad 21.10.2000



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Wapenhandel -


Wapenhandel
Samenstelling: Frank Slijper

Zie ook www.stopwapenhandel.org



Nogmaals onderzeeërs

Nu de verkoop van onderzeeërs aan Maleisië en Egypte zo goed als rond is heeft de Rotterdamse Droogdok Maatschappij (RDM) zich na jarenlang leuren op de kaart gezet als exporteur van duikboten. De Egyptische overheid tekende eind september een intentieverklaring voor de aankoop van twee nieuwe duikboten van een Nederlands-Amerikaans consortium met daarin de RDM.

Sindsdien zijn de verhoudingen tussen Israël en Egypte aanzienlijk verslechterd. Uit woede over de compromisloze opstelling van Israël in het huidige Palestijns-Israëlische conflict en de bombardementen in de Gazastrook haalde president Moebarak in november zijn ambassadeur terug uit Jeruzalem. Deze stap belooft weinig goeds. De laatste maanden duiken in verschillende militaire publikaties berichten op, dat Israël de pas gekochte Duitse Dolfijn-klasse onderzeeërs wil uitrusten met nucleaire kruisraketten. Een kernwapencapaciteit voor de marine zou Israël in staat stellen buurlanden in de regio voldoende af te schrikken, wanneer het conflict met de Palestijnen dreigt uit te lopen op een regionale oorlog. Mocht afschrikking niet werken, dan zouden nucleair bewapende duikboten een actieve rol kunnen gaan spelen. Als deze berichten inderdaad waar zijn, is er een bijzonder gevaarlijke toestand aan het ontstaan. Twee jaar geleden heeft Moebarak in een interview met de Arabische krant Al-Hayat al aangegeven dat Egypte, wanneer het dat noodzakelijk acht, kernwapens zal aanschaffen om tegenwicht te bieden aan Israëls arsenaal. In hetzelfde interview sprak hij zijn vrees uit over het ontstaan van een nieuwe wapenwedloop in de regio. Die angst lijkt nu bewaarheid te worden. Volgens Israëlische contacten van het blad Jane's Defence Weekly (JDW) hoopt de Israëlische marine op extra onderzeers, nu het de Egyptenaren ernst is met RDM's Morays.

Met de intentieverklaring is de verkoop van nieuwe onderzeeboten aan Egypte een grote stap dichterbij gekomen. Litton Ingalls Shipbuilding, Lockheed Martin en RDM Submarines leveren voor anderhalf tot twee miljard gulden twee in de VS te bouwen Moray-klasse onderzeers. Volgens een klassiek vestzak-broekzak recept betaalt Egypte de onderzeeërs uit de jaarlijkse pot militaire steun. Vandaar ook dat de RDM de order alleen met Amerikaanse partners kan uitvoeren. Het definitieve contract moet in de eerste helft van het komende jaar rond zijn. Zeven jaar later liggen de onderzeers dan in Egyptische wateren. De Moray is een ontwerp van de RDM, dat met miljoenensteun van de overheid tot stand kwam; met een Egyptische opdracht ontstijgt de Moeraal eindelijk het tekentafelniveau.

In het vorige nummer maakten wij al melding van de Maleisische order, waaronder de RDM de onderzeeërs Zwaardvis en Tijgerhaai voor vijf jaar aan het Aziatische land least. De RDM kocht die in 1996 voor tien miljoen gulden van de marine, vele malen onder de aanvankelijke verkoopprijs. De deal moet de Maleisische marine vertrouwd maken met dit voor hen nieuwe wapensysteem. Aan het contract zit een optie op twee nieuw te bouwen Moray-klasse onderzeeërs vast, die de uiteindelijke winst voor de Rotterdamse werf moet opleveren. Daarnaast leveren after-sales services nog jarenlang vele miljoenen guldens aan opdrachten op. Voor het vervoer van de duikboten had de RDM transportbedrijven Smit Transport, Mammoet Van Seumeren en sleepdienst Eerland ingeschakeld. Eind oktober zijn de twee onderzeeërs aan hun tocht naar Maleisië begonnen. Daar aangekomen zal de scheepswerf PSC Naval Dockyard in Lumut, onder supervisie van RDM Submarines, nog twee jaar nodig hebben om de schepen te reviseren. Maleisië begon in 1997 vaart te zetten achter hun oude onderzeebotendroom, toen duidelijk werd dat buurman Singapore daar ook mee bezig was.

Paars II ziet in deze reactie geen enkel probleem, net zo min als het enige relatie met het conflict om de olie- en gasrijke Spratly eilanden ziet. Een oorlogje met Nederlandse onderzeeërs (Taiwan, Maleisië)? Welnee! Over de belabberde mensenrechtensituatie en het dictatoriale bestuur geen woord. Uit antwoorden op Kamervragen blijkt dat de regering daarom noch tegen de lease van tweedehands Zwaardvissen, noch tegen de verkoop van nieuwe Morays aan Maleisië bezwaar maakt. In verband met de andere order noemde minister Jorritsma (EZ) het twee jaar geleden al een zaak van "de Egyptische regering prioriteiten te stellen voor haar overheidsuitgaven". Gesterkt door die medewerking is RDM Submarines "wegens aanzienlijke toename van de bezetting van onze orderportefeuille voor een periode van meerdere jaren" naarstig op zoek naar nieuw personeel.

Bronnen:
o.a. JDW, 18 oktober en 8 november 2000;
Telegraaf, 19 oktober 2000;
www.stratfor.com, 26 oktober 2000;
Algemeen Dagblad, 11 november 2000



Egeïsch conflict legt Signaal geen windeieren

Signaal uit Hengelo gaat de Griekse marine een handje helpen bij het optuigen van drie Super Vita snelle aanvalsboten (fast attack craft). Griekenland heeft de 62 meter lange schepen voor 735 miljoen gulden besteld bij het Britse Vosper Thornycroft, die ze laat bouwen bij de Griekse werf Elefsis. Signaal is uitverkozen om de aanvalsboten te voorzien van een groot aantal hoogtechnologische snufjes. Voor een nog onbekend bedrag installeert Signaal op alle drie de schepen het Tacticos combat management systeem, dat bijvoorbeeld de artillerie en luchtdoelraketten aan boord een handje moet helpen. Daarnaast zit in het pakket elektronica radars van het type MW-08 en Scout, het Mirador doelzoeksysteem en Sting vuurleidingsapparatuur. Volgens de Griekse plannen worden de komende jaren nog twee van deze Super Vita's gebouwd. Het ligt voor de hand dat Signaal ook daarvoor zal worden ingeschakeld. De aanschaf van de fast attack craft past in de Griekse strategie om de marine een dominantere rol te laten spelen in de oostelijke Middellandse Zee, onder andere als zeemacht gespecialiseerd in het oorlogvoeren in kustwateren. Dat willen ze niet voor niets: Griekenland maakt al jaren ruzie met Turkije over beider grens in de Egeïsche Zee. Signaal spint flink garen bij het conflict. Na Duitsland en Nederland zijn Turkije en Griekenland Signaals belangrijkste klanten op maritiem gebied. Volgens het Amerikaanse blad Defense News is het aankoopbeleid van de Turkse marine voornamelijk gericht op dit sluimerende conflict. Om die reden schakelt Turkije ook al sinds jaar en dag Hollandse Signaal in voor het inbouwen van allerlei technologisch vernuft op hun fregatten en bewapende patrouilleschepen. Het nieuwste Turkse marineprogramma moet acht korvetten opleveren. Enkele Duitse werven liggen voorop in de race om de order ter waarde van anderhalf miljard dollar. Signaal lijkt wederom een van de belangrijkste kandidaten voor de levering en installatie van de elektronische wapensystemen.

De Griekse regering gaf in juli groen licht voor een moderniseringsprogramma dat de marine meer slagkracht moet geven; voor de periode tot 2010 is daarvoor ruim 25 miljard gulden gereserveerd. Behalve de nieuwe aanvalsschepen staat ook de aanschaf van een nieuw fregat (met een optie op een tweede) op stapel. Van de drie kandidaten is het luchtverdedigings- en commandofregat van scheepsbouwer De Schelde er een. De Vlissingse werf bouwt deze supermoderne oorlogsschepen momenteel al voor de Nederlandse marine. Mocht dat niet lukken, dan maakt het ministerie van defensie misschien nog een kansje met de verkoop van het Standaard-fregat dat met de nieuwe Defensienota overtollig is geraakt. Het S-fregat is weliswaar niet zo modern, maar wel een stuk goedkoper. Bovendien zijn de Grieken er aardig vertrouwd mee. Sinds begin jaren tachtig hebben ze al zes van deze Nederlandse fregatten gekocht, twee nieuw en vier tweedehands.

Bronnen:
JDW, 25 oktober 2000;
defence-data.com, 7 november 2000;
Defense News, 30 oktober en 13 november 2000



Nederland verkoopt Bangladesh nutteloze wapens

Onlangs verscheen de wapenexportrapportage over de eerste helft van 2000. Zuid-Korea handhaaft zich met stip als belangrijkste klant voor de Defensie-industrie buiten de NAVO. Ook andere vergunningen leveren, met een enkele uitzondering, weinig verrassingen op. Die enkele uitzondering is Bangladesh. Voor 250 miljoen gulden (100 miljoen US$) koopt Bangladesh bij Daewoo in Zuid-Korea een fregat. Daarop commando systemen en vuurleiding van Hollandse Signaal Apparaten (HSA) ter waarde van ruim 40 miljoen gulden. Een andere toeleverancier is het Italiaanse Otobreda dat het geschut zal leveren. Niet alleen is Zuid-Korea dus een belangrijke klant, het blijkt ook een handige samenwerkingspartner voor leveranties aan andere landen in Azië. In november vorig jaar sloot de Nederlandse overheid een samenwerkingsverdrag met Zuid-Korea af. Volgens de Koreaanse pers behelsde dit verdrag: samenwerking tussen de defensie-industrie van beide landen, de uitwisseling van informatie over ontwerp en produktie van wapens en wapentechnologie en de samenwerking bij de export naar derde landen. Die samenwerking blijkt lucratief. Niet iedereen heeft baat bij dergelijke exporten. De meerderheid van de bevolking van Bangladesh leeft in grote armoede. De aankoop van een dergelijk duur wapensysteem is dan ook buiten alle proporties. Volgens militaire bronnen is het fregat bedoeld om olie- en gasvelden voor de kust te beschermen en tevens voor het bestrijden van illegale Thaise visserij. Een opmerkelijk gegeven is dat kleine vissers in Bangladesh van hun visgronden worden verdreven door grote buitenlandse ondernemingen en de vraag is dan ook wie beschermd zullen worden. Bangladesh stelt dat het geen vijanden in de regio heeft en tegen wie de olievelden dan beschermd moeten worden is dan ook onduidelijk. Een ander argument voor aanschaf is de gulle gift van Saoedi-Arabië. Deze fundamentalistische bondgenoot van het Westen stelde 100 miljoen dollar beschikbaar voor de aankoop van een marineschip. Dit als bedankje voor de steun van Bangladesh bij de oorlog van 1990-91 tegen Irak. Dat het cadeau niet belangeloos is gegeven staat buiten kijf en het zal bedoeld zijn om de fundamentalistische Saoedische invloed op de Bangladese politiek te vergroten. Op het eerste gezicht zal de aankoop Bangladesh geen cent kosten. Er zullen echter uitgaven moeten worden gedaan voor onderhoud en gebruik van het schip. Buurland Thailand moest om deze reden afstand doen van een klein vliegdekschip. Getroffen door de Aziatische crisis konden de Thai zich een zo duur schip niet meer veroorloven. Daarnaast stelt de Bangladesh Nationalists Party dat een deel van het geld al verdwenen is in de zakken van de huidige regering. Van de oorspronkelijke plannen om het schip uit te rusten met zwaar geschut (76 mm) is al niets meer over. In plaats daarvan wil men (goedkoper) 40 mm geschut plaatsen. Het gevolg is een groot (en kostbaar) schip uitgerust met wapens die ook op een klein (en veel goedkoper) patrouilleschip zouden kunnen staan. Om ex-staatssecretaris voor Defensie, Gmelich Meijling, te parafraseren: het Nederlandse beleid lijkt uit te gaan van de visie dat als Bangladesh liever nutteloze marineschepen wil kopen dan deugdelijke waterputten te slaan dan moet het dat zelf weten. Wie er de dupe zijn van deze Nederlandse bijdrage aan de verdediging van Bangladesh laat zich raden.


Waarde wapenexportvergunningen januari 2000 - juni 2000
voor de 10 belangrijkste bestemmingen.
In miljoenen Nederlandse guldens
VS 140.5
Zuid-Korea 112.4
Engeland 70.8
Duitsland 44.4
Bangladesh 43.5
Zwitserland 18.0
Frankrijk 9.6
Turkije 7.8
Zweden 4.5
Canada 3.5
Totaal 484,7



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


Recensies Recensies Recensies
Recensies Recensies Recensies
Recensies Recensies Recensies




Civil Resistance in Kosovo
Howard Clark
Pluto Press : London, UK / Sterling : VA, USA
2000
ISBN 0-7453-1569-0


De recente verkiezingen in Kosovo zijn overtuigend gewonnen door de LDK, de partij van Rugova. De overgrote meerderheid van de Kosovaarse Albanezen blijkt nog steeds liever te kiezen voor de aanpak van Rugova c.s. dan voor het tot politieke partijen omgevormde UCK-legertje. Maar het lijkt ook een keuze voor het eenpartij-model, wat niet vreemd is in een voormalig communistisch land met een beperkte democratische traditie. Kosovo is nog ver verwijderd van de pluriformiteit die Westerse democratieën kenmerkt.

Juist dit gebrek aan pluriformiteit is volgens Howard Clark een van de achtergronden waardoor het massale burgerverzet in Kosovo er niet in slaagde de Servische onderdrukking te overwinnen. Clark beweert dat het aan Rugova en de LDK toegeschreven pacifisme eerder een vorm was van passief verzet dan een bewust gekozen geweldloze strategie om het conflict op te lossen. In zijn analyse van het geweldloze verzet wijst hij erop dat de Kosovaarse Albanezen zich voornamelijk de rol van slachtoffer aanmaten en weinig pogingen ondernamen de Serviërs te confronteren met de (potentiële) kracht van geweldloze acties.

Vanuit het gezichtspunt van Clark, die het geweldloze Kosovaarse verzet toetst aan de theorieën van geweldloze conflictoplossing, is deze conclusie onvermijdelijk. De keiharde waarheid die het boek presenteert is dat tien jaar lang, sinds Milosevic in 1989 Kosovo de autonomie ontnam, de strategie en de hoop van het LDK gericht is geweest op een interventie van buitenaf. Clark citeert twee vooraanstaande Kosovaren, Vetton Surroi en Fehmi Agani, die weliswaar allebei de noodzaak van de geweldloze aanpak erkenden, maar dit slechts als een noodzakelijke fase zagen en niet als de methode om de Servische overheersing te beëindigen.

Hoe noodzakelijk de fase van de geweldloze aanpak was, wordt door Clark uitgebreid beschreven. Het meest indrukwekkend is de manier waarop het eeuwenoude systeem van de bloedwraak werd overwonnen, hoe een systeem van monitoring van schending van mensenrechten werd opgezet, en hoe een parallelle samenleving werd opgebouwd nadat in vrijwel alle sectoren de Kosovaarse Albanezen werden ontslagen en vervangen door Serviërs. De Kosovaarse Albanezen bleken aldus in staat een samenleving te bouwen op basis van verregaande solidariteit. Hoewel de Kosovaarse economie in hoge mate verweven bleef met die van Joegoslavië, deed die het ondanks de sancties beter dan de Servische. Dit was echter niet het gevolg van een bewuste strategie om de eigen economie te stimuleren. Eerder bleken de Kosovaren betere ondernemers dan de Serviërs. Het belang van deze economische superioriteit wordt door Clark, die hier één paragraaf aan wijdt, misschien onderschat. De passieve geweldloosheid heeft van de Kosovaarse Albanezen tijdens de tien jaren Servische onderdrukking een hechte en solidaire gemeenschap gevormd, met ruimte voor een aantal moderne westerse normen en waarden.

Dat de LDK onder leiderschap van Rugova nu - weliswaar onder VN-protectie - nog steeds het politieke veld van Kosovo domineert is wellicht het grootste succes van de jarenlange geweldloze aanpak. Kosovo's onafhankelijkheid lijkt onvermijdelijk, maar dat Kosovo hoeft in elk geval niet jarenlang te zuchten onder gewezen militairen die een bevrijdingsoorlog hebben uitgevochten en vervolgens nog jarenlang menen de dienst te kunnen uitmaken.
(BH)




Up in Arms: Europe's Arming of South Korea and its implications for Peace in East Asia
Jenny Franco and Martin Broek
Transnaional Institute/Focus on the Global South : Amsterdam
2000
44 pag.


De aandacht die af en toe in de media wordt besteed aan het aanzienlijke Noordkoreaanse militaire apparaat, al dan niet uitgerust met massavernietigingswapens, laat ons af en toe vergeten dat er een andere helft van dit Koude Oorlog verhaal bestaat: namelijk Zuid-Korea. Dat gebrek wordt nu enigszins gecompenseerd door dit nuttige boekje over de voortgezette uitbouw van het zuidelijke leger en het ondersteunende militaire industriële complex. De lezer die dacht dat er aan het einde van de Koude Oorlog en de recente economische crisis in Azië wellicht meer zinvolle bestedingdoelen in dat verdeelde land bestaan, wordt door de hier aangedragen gegevens snel van die gedachte genezen. In het eerste hoofdstukje wordt uit de doeken gedaan waar de huidige wapenstromen vandaan komen. Dat blijkt niet langer voornamelijk de VS te zijn. Door een zekere mate van autonomisering is Z-Korea begonnen te diversifiëren in haar wapenaankopen, door een substantieel bedrag in Europa te besteden. Frankrijk, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Nederland zijn de Europese top vier leveranciers geworden Zo werd een substantieel deel van de Zuidkoreaanse markt van de VS afgepakt in de negentiger jaren. De sterke druk op de Europese wapenleveranciers om hun verlies aan markten in Europa na het einde van de Koude Oorlog te compenseren door afzet in Azië, wordt in het tweede hoofdstuk uit de doeken gedaan. Maar er zijn ook pull factors (derde hoofdstukje): de Zuidkoreaanse politieke elite speelt een dubbel spel, dat enerzijds bestaat uit verzoening met Noord-Korea en anderzijds uit een voortgezette militarisering en modernisering van de strijdkrachten. Het is de combinatie van deze factoren die het toekomstbeeld van de regio tot somberheid doen stemmen. Immers, de militaire en politieke strategen kijken niet alleen naar een bewapend reunificatie proces tussen Noord en Zuid. Ze hebben een vooruitziende blik, die bestaat uit het uitbouwen van het (wellicht toekomstig verenigd) Koreaanse leger om de Japanse en Chinese invloed tegen te gaan. Ondanks de positieve kijk van de auteurs over de mogelijkheden voor Europese vredesactivisten om juist nu de wapenhandel naar deze explosieve regio aan de orde te stellen, is het door hen geschetste beeld van de voortgezette Koude Oorlog in Azië, ronduit verontrustend.
(KaKo)



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Berichten van de basis -

Berichten van de basis




Brieven van Gandhi en De Ligt


"The Breath of my Life: the Correspondence of Mahatma Gandhi (India) and Bart de Ligt (Holland) on War and Peace"
Onder redactie van Christian Bartolf
Gandhi Information Center : Berlijn
2000
116 pages
ISBN 3-930093-15-4
prijs DM 14,80

Engelstalig boek bevat de correspondentie van De Ligt en Gandhi over de vraagstukken van oorlog en vrede. Het boek is in het Engels geschreven. Te bestellen via iedere boekenwinkel of bij het Gandhi Information Center Research and Education for Nonviolence, Postfach 210109, 10501 Berlin
e-mail: mkgandhi"at"snafu.de of http://home.snafu.de/mkgandhi/books.htm




Nooit meer Tsjernobyl

We willen een grootse NOOIT-MEER-TSJERNOBYL-dag organiseren ter gelegenheid van de vijftienjarige herdenking van de ramp van de kerncentrale bij Tsjernobyl.

Zaterdag 21 april 2001, 12.00 uur Urenco en 14.00 uur Almelo centrum, met o.a. duurzame energiemarkt.
Op 26 april 2001 is het 15 jaar geleden dat in een kerncentrale in Tsjernobyl zich een verschrikkelijke, nucleaire ramp voordeed. De bedenkingen over kernenergie groeiden, maar de arm van de nucleaire lobby is lang en machtig. Nog steeds zitten we verstrikt in het nucleaire web.

Nederland sprak zich uit tegen kernenergie!
Dodewaard werd gesloten, Borssele moet sluiten voor 2004 (eerst zien dan geloven)
Maar....In Amelo staat de uraniumverrijkingsfabriek URENCO. Samen met de vestigingen in Duitsland en Groot-Brittanië verantwoordelijk voor de levering van 10 tot 15% van de wereld'behoefte' aan brandstof voor kerncentrales.

Wie wil helpen om deze dag tot een succes te maken?
Informatie: "Nooit meer Tsjernobyl" werkgroep, Postbus 95214, 1090 HE Amsterdam. e-mail: bries11"at"uronet.nl




Dienstweigeren, een middel tegen oorlog?

Discussieweekend voor Turkse en Koerdische dienstweigeraars in Nederland,
vrijdagavond 26 januari 2001, 18.00u - zondag 28 januari 2001, 13.00u.
Plaats: Natuurvriendenhuis August Reitsma, Nieuwlandsedijk 160, Hoek van Holland.

De laatste jaren hebben een groeiend aantal Koerden en Turken zich als dienstweigeraar in Nederland gemeld. Sommige rechters erkennen hun dienstweigering als reden voor asiel. De Nederlandse staat verzet zich tegen dienstweigering als asielgrond. Nog steeds is er geen goede regeling. Een van de vragen van dit weekeinde is hoe Turkse en Koerdische dienstweigeraars in 2001 verder kunnen komen in hun streven naar politiek asiel in Nederland.

Maar ook Turkse staatsburgers in Nederland zijn zeer ontevreden over de militaire dienstplicht in Turkije en de bedenkelijke afkooppraktijk. Als Turkije daadwerkelijk lid van de Europese Unie wil worden zullen een aantal veranderingen moeten worden doorgevoerd. Zo zal de macht van het Turkse leger in de maatschappij moeten worden teruggedrongen.

Voor meer informatie: Kaplumbaga, Postbus 309, 7500 AH Enschede, tel 053 - 4320823, fax 432 0823.




Programma Franciskaanse Vredeswacht 2001

6 januari 2001, 13 - 14 uur: Wake op het Binnenhof in Den Haag. Begin van de "Decade voor een cultuur van Vrede en Geweldloosheid voor de kinderen van de Wereld". Deze decade is uitgeroepen door de VN. I.s.m. Doopsgezinde Vredesgroep.
21 april 2001, 13 -14 uur: Wake op het Binnenhof in Den Haag. In verband met ITEC-wapenbeurs, die weliswaar Den Haag verliet, maar nu in Lille wordt gehouden van 24-26 april.
4 augustus 2001, 13- 14 uur: Wake op het Binnenhof in Den Haag ter herdenking van de kernbommen op Hiroshima en Nagasaki op 6 en 9 augustus 1945.
24 oktober 2001, 13 - 14 uur: Wake op het Binnenhof in Den Haag. Om aandacht te richten op Dag van de Verenigde Naties.
5 januari 2002, 13 - 14 uur: Wake op het Binnenhof vanwege tweede jaar decade voor vrede.

Wenskaarten voor het Decennium voor een cultuur van vrede en geweldloosheid voor de kinderen van de wereld te bestellen bij Platform voor een Cultuur van Vrede en Geweldloosheid, Postbus 1528, 3500 BM Utrecht. tel 030 231 6666 fax 030 - 2714376.
E-mail tvermeiren"at"knoware.nl




Stille tocht tegen het geweld op de Molukken

Tweede Kerstdag, 26 december, 14.00 uur
vanaf de zandkuil aan het begin van het Melkwegpad bij voormalig concentratiekamp Westerbork.
Organisatie: Appèlgroep Westerbork
.

"De afgelopen anderhalf jaar zijn er op de Molukken zeker 4000 doden en duizenden gewonden gevallen. Ruim 500.000 mensen zijn op de vlucht. Vele dorpen zijn geheel vernietigd. Christen en moslim: broeders en zusters van elkaar, zijn nu vijanden geworden. Dit is geen religieus conflict, maar een conflict van machthebbers waar moslim en christen samen slachtoffer van zijn geworden.

Wij Molukkers zijn wanhopig!!!
Wij vragen u: help het geweld op de Molukken te stoppen en laat de vrede terugkeren voor moslim en christen! Het gaat om mensen. Het gaat om vrouwen, mannen en kinderen. Het gaat om onze families: moslim en christen! In Nederland leven 50.000 Molukkers dag in dag uit in angst voor hun familie daar.
Onze eis aan de Nederlandse en Indonesische regering: doe al het mogelijke om een einde te maken aan de systematische en massale mensenrechtenschendingen."

Meer informatie: Vrouwen voor Vrede op de Molukken, Voorthuizenstraat 18, 1106 DK Amsterdam.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina