Aangepast zoeken

Naar beginpagina
Naar overzicht VD AMOKs

VD AMOK
tijdschrift voor antimilitarisme en dienstweigeren
jaargang 14, nummer 2, 2005


Inhoudsopgave



Colofon

VD AMOK
Tijdschrift voor antimilitarisme en dienstweigeren
Jaargang 14, nummer 2, 2005

VD AMOK
Verschijnt minstens 4 maal per jaar en wordt uitgegeven door Stichting VD AMOK.
Voor de inhoud van met naam ondertekende stukken zijn de auteurs verantwoordelijk.

Copyright
Overname van artikelen uit het lopende nummer is uitsluitend toegestaan na toestemming van de redactie. Overname van artikelen uit eerder verschenen nummers is toegestaan onder bronvermelding en toezending van een bewijsexemplaar aan de redactie. Deze artikelen staan op onze website www.vdamok.nl

Adres redactie en abonnementenadministratie
VD AMOK, Obrechtstraat 43, 3572 EC Utrecht
tel. 030-8901341, e-mail vdamok"at"antenna.nl

Redactie
Mustapha Bah, Hans Christian Bouton (fotoredactie), Kees Kalkman, Karel Koster, Guido van Leemput, Tjark Reininga, Barbara Smedema, Egbert Wever

Fotografen en illustratoren

Vormgeving
René Oudshoorn

Drukker
Drukkerij De Dageraad, Den Haag

Verder werkten aan dit nummer mee
Mark Akkerman, Ron Blom, Heleen de Boer, Martin Broek, Bart Horeman, Frank Slijper, Leontine Smedema, Fred van der Spek

Abonnementen
Een abonnement is minimaal € 14,- per jaar.
Een steunabonnement is minimaal € 18,-.
Over te maken op giro 5567607 t.n.v. VD AMOK, Utrecht.
Nieuwe abonnementen schriftelijk aanmelden. Wacht met betaling op toezending acceptgiro.
Opzegging uitsluitend schriftelijk vóór aanvang van het kalenderjaar.
Losse nummers kosten € 3,- (€ 4,- inclusief porto).

Advertenties
Tarieven en opgave bij de redactie.

Sluitingsdatum volgend nummer
1 september 2005



Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Redactioneel -

Nu ook euromilitarisme aanpakken

De verwerping van het Europese grondwetsverdrag door de Franse en Nederlandse stemmers roept de vraag op wat de gevolgen zijn voor de militaire politiek van de Europese Unie.
Het grondwetsverdrag moest de Europese veiligheids- en defensiepolitiek zoals die sinds 1998 vorm had gekregen legitimeren. Het constitueerde een Europese legermacht als juniorpartner van de VS in de oorlog tegen het terrorisme, ook op het territorium van derde landen en met respect voor de NAVO. Er is inmiddels al begonnen met het opstellen van een aantal Europese gevechtsgroepen. Het verdrag bekrachtigde verder het ontstaan van een Europees Defensie Agentschap als motor om vaart te zetten achter een militair-industrieel complex op Europees niveau en legde een verplichting op aan de lidstaten om de militaire capaciteiten te verbeteren oftewel de bewapeningsuitgaven te verhogen. Ten slotte opende het de mogelijkheid om een militaire kopgroep in te stellen van landen die nauwer samenwerken en extra verplichtingen op zich nemen.

Nu moet onmiddellijk toegegeven worden dat de terechte kritiek die ook in dit tijdschrift op de betreffende passages uit het grondwetsverdrag is geleverd, in de campagne niet erg luid heeft doorgeklonken. Veel nee-zeggers lijken hun houding eerder te bepalen uit kritiek op het sociale element dat ontbreekt in de Europese eenwording, waardoor ze zich onbeschermd voelden en overgeleverd aan de kille bries van de wereldmarkt; of ze zeiden nee uit irritatie over de bemoeizucht van de Europese Raad van Bestuur en zijn anonieme bureaucratie; of uit onzekerheid door de snelle uitbreiding van de Unie.

Na de twee referenda lijkt het grondwetsverdrag voorlopig van de baan te zijn. In essentie dezelfde tekst na een denkpauze nogmaals voorleggen wordt momenteel als een minder waarschijnlijk scenario gezien. Daarvoor is de omvang en het gewicht van dit "Nee" te groot. Veel meer voor de hand ligt, dat na een decent tijdsverloop een poging zal worden gedaan om delen uit het grondwetsverdrag te redden in een overeenkomst op een regeringsconferentie zonder grondwettelijke status. Allerlei ontwikkelingen – ook op militair gebied – zullen wel op eigen kracht doorgaan maar zonder de dynamiek die een geslaagde grondwet eraan had meegegeven. Dat heeft ook te maken met de zwakke politieke leiding in de belangrijkste militaire landen van Europa. Pas de opvolgers van Blair, Chirac en Schröder mogen eventueel in staat worden geacht een nieuwe krachtige impuls aan het Euroleger te geven.

De Duitse denktank Centrum für angewandte Politikforschung (Bertelsmann Stiftung) geeft de richting van het denken in de huidige tussenfase aan: "De vroegtijdige implementatie van bepaalde vernieuwingen uit de grondwet zal niet alleen de besluitvorming en handelingsbekwaamheid van de 25 EU-landen verbeteren. Daarenboven worden politieke feiten geschapen waarvan de EU-lidstaten ook in het geval van een definitieve mislukking van het ratificatieproces maar moeilijk afstand kunnen nemen."

Dat geldt bij uitstek voor de uitbouw van een instrument als het Europese Defensie Agentschap dat de basis moet gaan vormen voor het opvoeren van de bewapeningsuitgaven en de reorganisatie van de militaire industrie op Europees niveau. Over dit deel van de versterkte Europese eenwording bestaan ook minder meningsverschillen tussen de grote landen en hier speelt de wapenlobby als aanjager van buitenaf een belangrijke rol. Men was vorig jaar dan ook al onder de bestaande verdragen begonnen met het agentschap op te bouwen zonder het aannemen van de grondwet af te wachten. Een overeenkomstig verhaal geldt voor de militarisering van de Europese ruimtepolitiek. De totstandkoming van een militaire kopgroep met versterkte samenwerking vereist echter wel een verdragsverandering, althans als men wil dat deze binnen EU-kader wordt ingehuldigd. Het nu geldende verdrag van Nice staat iets dergelijks niet toe.

De lobby voor hogere bewapeningsuitgaven gaat uiteraard gewoon door. Al op 8 juni bracht een door de Franse minister van defensie Michèle Alliot-Marie benoemde commissie verslag uit waarin uitgaven van 45 miljard euro extra werd bepleit voor Europese militaire technologie om de Amerikanen bij te houden.

De antimilitaristen moeten van het nu ontstane tempoverlies bij de euromilitarisering gebruik maken om konkrete aspekten van dit proces in de beweging aan de orde te stellen:

De redactie



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Turkije -

Totaalweigeren in Turkije

Het volgende interview, dat werd gehouden met de gevangen anarchist en totaalweigeraar Mehmet Tarhan werd in het weekend van 21 mei gepubliceerd in het dagblad Birgün (in het Turks) met enkele restricties.

Gegroet,
Allereerst moet ik verklaren dat ik alles opschrijf zoals het in me opkomt, omdat zinnen waar lang over is nagedacht en waaraan veel is gesleuteld, niet langer mijn eigen woorden zullen zijn.

1) Wat betekent 'totaalweigeren' precies? Zou je dat willen uitleggen en daarbij ook je eigen standpunt willen betrekken?

Ik beschouw het idee van totaalweigeren binnen de grenzen van gewetensbezwaren. Gewetensbezwaard refereert aan het individu dat weigert in het leger te gaan vanwege religieuze, politieke, ethische of andere redenen. Gewetensbezwaren mogen dan gebaseerd zijn op verschillende dingen, maar in essentie is het de vrijheid van mensen om hun leven te organiseren volgens hun eigen wensen. Totaalweigeren betekent ruwweg het weigeren van elk 'burgerlijk' alternatief dat wordt voorgesteld in de plaats van militaire dienst. De reden hiervoor is dat de totaalweigeraar met het militarisme niet alleen de militaire dienst afwijst, maar het gehele netwerk van hiërarchische en discriminatoire relaties dat ten grondslag ligt aan het maatschappelijk leven en maatschappelijke relaties. Ik probeer mijn leven te leiden door buiten dit netwerk van relaties te blijven. Zowel in mijn verklaring, als tijdens de periode sinds mijn arrestatie op 8 april, heb ik alle mogelijkheden geweigerd tot opschorting of vrijstelling van de dienstplicht.

Hoewel wetten, regels of verdragen de rechtmatigheid ervan niet erkennen, heb ik geen twijfels over de rechtmatigheid van het standpunt dat ik heb ontwikkeld ten opzichte van beslissingen die worden genomen tegen mijn wil. Totaalweigeren is de eis om het contract dat zou bestaan tussen de samenleving en de staat, of tussen verschillende staten, nietig te verklaren.

2) Wat voor een soort reacties kreeg je nadat je was gearresteerd, toen je zei dat je totaalweigeraar was?

Dat ik toen ik werd gearresteerd, zei dat ik totaalweigeraar was, werd slechts met verbazing begroet. Sommige mensen dachten volgens mij dat ik gek was. Ik denk dat men het er na verloop van tijd over eens was dat ik een terrorist moest wezen. Sommige politieambtenaren hadden het over het afkopen van militaire dienst. Tot hun verbazing zei ik dat ik er niet voor zou betalen. Van de politieambtenaren in het politiebureau tot de bewaker in de gevangenis, zeiden veel mensen dingen als: "Als je het brood van deze natie eet, moet je er ook voor betalen." Ik vroeg hun mij te vertellen wie dat brood produceert. Wie is wie iets verschuldigd? Wat is "natie"? Hoe meer vragen ik stelde, hoe minder zij wilden praten. Het spreekverbod voor de soldaten die me bewaakten bij mijn overplaatsingen, onthult duidelijk wat de machthebbers voelen tegenover de totaalweigeraar. Ik denk dat het angst is.

3) Ontmoette je steun terwijl je in de gevangenis zat, of vanuit de kazerne? Wat voor een reacties kreeg je?

Ik kreeg over het geheel genomen eigenlijk geen negatieve reacties, noch van de gevangenen, noch van de soldaten die dienst hadden in de gevangenis of in de disciplinaire cel in Tokat waar ik een nacht doorbracht. Ik kreeg vooral veel vragen over het onderwerp. Ik weet dat de rechtszaak met veel interesse wordt gevolgd. Het feit dat ik niet het slachtoffer ben geworden van geweld, ondanks de aanmoedigingen van de autoriteiten, kan gezien de omstandigheden opgevat worden als een duidelijk teken van steun.

4) Ben je tijdens je gevangenschap op enige wijze het slachtoffer geworden van een slechte behandeling, zoals geweld of verbale pesterijen?

Ik kreeg een enkele negatieve reactie. Ten tijde van de vlagcrisis (noot 1), Kardak (noot 2) en de gebeurtenissen in Trabzon (noot 3) was ik erg bang omdat ik als "verrader" en "terrorist" gebrandmerkt was en de mensen om mij heen werden gemanipuleerd. Er was zelfs een lynchpoging tijdens mijn eerste nacht in de gevangenis. Er loopt een juridische procedure aangaande deze gebeurtenis. Wat me hoop geeft, is dat de machthebbers, die de gevangenen manipuleerden om zo hun eigen handen schoon te kunnen houden, niet slaagden in hun opzet. Op dit moment ondervind ik geen enkel probleem met de gevangenen. Gewetensbezwaarden / totaalweigeraars hebben op een of andere manier de steun weten te verwerven van gevangenen en militair personeel, die op een bepaalde manier zelf ook slachtoffer zijn van het militair establishment.

5) Wat voor soort reacties kreeg je van mensen in je omgeving?

De mensen die me na staan, waren er sinds mijn verklaring in 2001 al wel op voorbereid dat zoiets zou gebeuren en ze staan heel de tijd al achter mij. Mijn zuster is nog steeds in Sivas, hoewel ik daar op tegen was. Ik spreek met mijn enige broer, die wel in dienst is gegaan, en ik weet dat hij me steunt. We hebben niets over de zaak aan mijn moeder verteld tot aan de eerste rechtszitting, en mijn vrienden hebben haar sinds die tijd niet alleen gelaten. Mijn vriend Ilke woont zelfs nog steeds bij haar. Ik schreef een brief aan mijn moeder na het proces en heb uitgelegd wat er gebeurde. Ik was bezorgd om haar gezondheid, maar het gaat haar goed nu en ze steunt me. Mijn familie en vrienden deden en doen nog steeds alles voor de campagne. Ik ben hen hier allen dankbaar voor.

6) Er zijn verschillende solidariteitsgroepen voor jou gevormd. Wat vind je daarvan?

Ik wist dat er solidariteitsgroepen gevormd zouden worden, maar ik had zelfs niet kunnen dromen dat zulke grote inspanningen zouden worden geleverd en dat er zo'n brede deelname zou zijn. Dit creëerde een atmosfeer die de gevangenis bijna draaglijk maakte. De deelnemers tonen aan dat ondanks alle repressie en ontkenning, niemand de macht heeft om de eis voor vrede gevangen te zetten. Dit versterkt mijn geloof in de dag dat ieder van ons vrij zal zijn.

7) Toen de aanklager besefte dat je homo was, werd je naar het ziekenhuis overgebracht. Iedereen verwachtte dat je 'ongeschikt voor militaire dienst' (noot 4) zou worden verklaard Dit gebeurde niet. Wat maak je daaruit op? Hoe denk je dat dit de procedure van het 'ongeschiktheids'-rapport zal beïnvloeden?

Mijn overplaatsing naar het ziekenhuis werd officieel gerechtvaardigd op grond van de CMUK (code voor criminele procedure). Maar het is duidelijk dat de ware reden het feit is dat ik homo ben. Ik weigerde de onderzoeken in het ziekenhuis en zei dat mijn homoseksualiteit niet kan worden gedefinieerd als een ziekte. Ik kraste het gedeelte van het document dat ze me probeerden te laten tekenen door, waarin stond "Ik accepteer alle soorten van medische interventie" en ik schreef "Ik accepteer geen enkele medische interventie" ernaast en tekende het toen. Ik werd overgebracht naar Algemene Chirurgie voor onderzoek naar anale seks (onderzoeken van de anus op aanwijzingen voor anale seks) en ik weigerde de inspectie daar ook. Ik moet daar nog aan toevoegen dat het Sivas Military Hospital een foto waarop anale geslachtsgemeenschap te zien is eiste als bewijs van homoseksualiteit. Ik legde uit dat, net als heteroseksualiteit, homoseksualiteit niet te bewijzen valt, dat niemand het recht heeft dit te vragen en dat het geen ziekte is.

Na een observatieperiode van een week (het was eerder gevangenschap, want voor een ziekenhuis was het er nogal onhygiënisch), besloot de medische staf dat ik niet 'ongeschikt' (noot 5) was, wat betekende dat ik in aanmerking kom voor straf. Dit besluit kan worden gezien als een revolutie in de militaire psychiatrie. Hoewel ik het weiger, word ik op papier bestempeld als een 'infanteriesoldaat' en is er nu dus een homoseksuele infanteriesoldaat aanwezig in het leger. Een belangrijk punt is, dat dit zelfs niet wordt genoemd in het gedetailleerde rapport dat aan de rechtbank is gepresenteerd en dat dus de mogelijkheid bestaat dat ze hebben besloten dat ik geen homo ben, ondanks de stellingname in mijn verklaring. Ik weet niet wat voor invloed het rapport dat aan de rechtbank is aangeboden, zou kunnen hebben op de procedure over mijn 'ongeschiktheidsstatus'. Want wat ik gezien heb in de psychiatrische afdeling waar ik verbleef, was dat het ziekenhuis alle aandoeningen of klachten ziet als claims om de ongeschiktheidsstatus verleend te krijgen. Elke soldaat die in dienst komt, behalve degenen die in het ziekenhuis zijn opgenomen voor criminele observatie, krijgt een drug toegediend met de naam 'concrete'. Dit is een drug die kort na injectie heftige spasmen in het lichaam kan veroorzaken. De verpleegkundige aan wie ik vroeg waarom ze iedereen 'concrete' toedienden, vertelde me dat de drug werd gebruikt als afschrikmiddel. Het was zelfs zo dat patiënten die uit eigen vrije wil naar het ziekenhuis kwamen voor psychiatrische behandeling, na een paar injecties smeekten om uit het ziekenhuis te worden ontslagen. Eerlijk gezegd zie ik niet dat dergelijke arbitraire militaire ziekenhuisprocedures, die in het geheim plaatsvinden, zullen veranderen. Net zomin als het toekennen van de 'ongeschiktheidsstatus' aan homo's of al het andere onterende beleid dat ons van onze waardigheid berooft zal veranderen. Het beleid is zo'n warboel, zij die zeggen homo te zijn, worden niet geloofwaardig geacht; degenen die bewijs aanleveren krijgen de 'ongeschiktheidsstatus' en degenen die dat niet doen, worden geacht heteroseksueel te zijn. Zolang homo's die de 'ongeschiktheidsstatus' aanvragen deze beledigingen accepteren, denk ik dat werkwijze zal blijven zoals die nu is.

Mehmet Tarhan
Temeltepe / Sivas


Noten:

  1. Enkele mensen trapten op de Turkse vlag tijdens een demonstratie, en ten gevolge daarvan begonnen chauvinisten zich achter de vlag te scharen en heerst er nog steeds een erg nationalistische en intolerante stemming.
    Terug naar tekst
  2. Eilandjes in de Egeïsche Zee, in het Grieks Imia geheten. In 1996 ontstond een soevereiniteitsconflict tussen Turkije en Griekenland. Onlangs laaide dit conflict weer op.
    Terug naar tekst
  3. Een menigte probeerde vijf mensen te lynchen die flyers uitdeelden tegen de F-type isolatiecellen in de gevangenissen. Andere lynchpogingen volgden toen andere groepen probeerden persverklaringen te geven in andere steden.
    Terug naar tekst
  4. Het woord dat in het Turks wordt gebruikt, is verdorven.
    Terug naar tekst
  5. zie noot 4
    Terug naar tekst



Op 26 mei 2005 is Mehmet Tarhan gestart met een hongerstaking tegen de mishandelingen die hem worden aangedaan in de gevangenis. Zijn rechtszaak is reeds diverse malen uitgesteld. Op 9 juni heeft de rechter besloten dat Mehmet Tarhan vrijgelaten moet worden omdat hij al twee maanden opgesloten had gezeten en dat is ongeveer de straf bij veroordeling voor zijn dienst- weigering. De rechtszaak zelf is echter weer uitgesteld tot een latere datum.

Mehmet is eerst doorgestuurd naar de ziekenboeg van de militaire eenheid in Tokat waarheen ze hem hadden afgevoerd. Op 13 juni is hij weer overgeplaatst naar de militaire gevangenis in Sivas. Daarna is Mehmet Tarhan weer naar het militaire ziekenhuis in Sivas gebracht. Daar wilden ze hem met schadelijke medicijnen behandelen. Daar heeft zijn advocaat vooralsnog met succes tegen geprotesteerd.

Na 28 dagen heeft hij zijn hongerstaking beëindigd omdat de gevangenisdirectie ingestemd heeft met Mehmet Tarhan's voorwaarden. Onafhankelijke doktoren hebben vastgesteld dat zijn conditie in orde is. Op 12 juli 2005 wordt het proces tegen hem weer opgepakt vanwege het weigeren van de militaire orders.

Verdere updates zijn te vinden via internet:
www.refusingtokill.net/Turkey/ReleaseMehmet.htm
www.wri-irg.org/co/turkcampaign-en.htm



Steun de opgepakte dienstweigervluchteling Yusuf Yuce!

Yuce is bestuurslid van de organisatie van dienstweiger-vluchtelingen uit Turkije Askere Gitme! ('Ga niet in het leger!'). Sinds hij volledig uitgeprocedeerd was, moest Yuce zich wekelijks melden bij het bureau aan de Hoofdweg.
Maandag 30 mei werd hij plots opgepakt en naar het hoofdbureau van de Rotterdamse politie gebracht. Yuce is direct in hongerstaking gegaan. Voor meer informatie zoek op “Askere Gitme” op de website van de Fabel van de illegaal www.defabel.nl.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Indonesië -

Gaan Nederlandse korvetten Indonesië hervormen?

De strijd tegen het terrorisme is het argument waarmee de levering van korvetten aan Indonesië wordt verdedigd. Dat dit een oneigenlijk argument is, is niet de enige reden om alsnog van deze leverantie af te zien, meent Martin Broek.

Minister Kamp verklaarde in mei verheugd te zijn over een wapenleverantie aan Indonesië. Het ging om de levering van twee korvetten door scheepswerf De Schelde. De Schelde "heeft een overeenkomst gesloten met de bevelhebber van de Indonesische marine om naast de twee korvetten die op de werf De Schelde te Vlissingen in aanbouw zijn, nog twee korvetten voor de Indonesische marine in Vlissingen te bouwen," aldus een persbericht van het ministerie van defensie. (noot 1)

Voldongen feiten

Twee weken later al kwam het Europees Parlement met een krachtige uitspraak tegen de levering van deze vier schepen. De levering schendt de gedragscode wapenexporten van de Europese Unie, aldus Raül Romeva, belast met controle op wapenexporten voor het Europees Parlement. "Het is schokkend dat zo kort na de vernietigende tsunami een EU lidstaat Indonesië aanmoedigt honderden miljoenen uit te geven aan nieuwe oorlogsschepen. (…) De leveringen moeten onmiddellijk stoppen," aldus Romeva. (noot 2) Dit pleidooi werd ondersteund door Max van den Berg, Europarlementariër voor de PvdA. "Voor je het weet gebruikt Indonesië de schepen toch tegen de eigen inwoners. (…) Het lijkt wel of de mensenrechten voor zondag zijn, en de koophandel voor door de week," aldus Van den Berg. (noot 3)

De levering is ook in Nederland omstreden. De regering is zich hiervan bewust en heeft beloofd het parlement te raadplegen voordat een wapenexportvergunning wordt afgegeven. Bij andere wapenexporten is daar geen sprake van. Normaal gesproken worden wapenexporten achteraf – soms meer dan een 1½ jaar later – met de Tweede Kamer besproken. De staatssecretaris van Economische Zaken verklaarde tijdens een actie van de Campagne tegen Wapenhandel (2 juni) dat ze verwacht dat een vergunning voor de levering in 2006 aangevraagd zal worden en dan ook besproken zal worden. (noot 4) Een vergunning is een jaar geldig en gezien het bouwschema van De Schelde lijkt 2006 inderdaad aannemelijk. (noot 5)

Dat klinkt echter mooier dan het is. De financiering voor de eerste twee schepen is al geregeld; ING en Rabobank nemen hiervan 95% voor hun rekening. Deze leningen worden financieel gedekt door Atradius, de op één na grootste exportkredietverzekeraar ter wereld, die ook voor de Nederlandse overheid exportkredietverzekeringen verstrekt. ING en Rabobank lopen bij het verzekeren geen enkel risico, dat neemt de overheid op zich. Die moet bij het in gebreke blijven van Indonesië, maar zien dat ze haar geld terugkrijgt uit Jakarta.

Met de financiering is een eerste stap gezet. Een volgende is gezet met de daadwerkelijke bouw van de schepen. De parlementariërs zullen bij de besluitvorming rekening gaan houden met: de financiële risico's voor de overheid, het feit dat De Schelde al jarenlang met overheidssubsidies op de been wordt gehouden en de militair gemotiveerde wens om een deel van de wapenproductie in Nederland te behouden. Bovendien is Indonesië een bondgenoot in de strijd tegen het terrorisme waarmee Nederland graag goede banden onderhoudt.

Inlichtingenschooltje

Dit laatste blijkt niet alleen uit de grote wapenleveranties aan de Gordel van Smaragd. Onlangs heeft de AIVD in Semarang op Java een inlichtingenschooltje opgezet. In april 2005 werd in deze Middenjavaanse stad de eerste steen gelegd voor de antiterreuracademie (JCLEC). Nederland werkt hierbij samen met de Australische inlichtingendienst en de Indonesische politie en zal 10 miljoen euro investeren. Voor Indonesië is de school een visitekaartje waarmee het het Westen wil tonen serieus te zijn in de strijd tegen terreur. De Indonesische politiegeneraal Basyir A. Barmawi: "Wij zijn Nederland dankbaar voor het geld en het sturen van antiterreurexperts en forensische specialisten. Want op dat gebied kunnen wij nog veel leren en het gaat maar om één ding, het stoppen van moordenaars als Jhoni Hendrawan en Abu Bakar Bashir van Jemaah Islamiyah. Zij zijn het die Indonesië de afgelopen jaren in een kwaad daglicht hebben gesteld, ons als bron van moslimterreur op de kaart hebben gezet. Door superagenten af te leveren kan JCLEC hen en ook Al-Qaeda uiteindelijk schaakmat zetten." (noot 6) Dat het hier terroristen betreft daar kan geen twijfel bestaan; dat daar tegen opgetreden moet worden ook niet. Maar de strijd tegen het terrorisme wordt ook gebruikt voor repressieve maatregelen tegen het maatschappelijk middenveld en veel van de even ernstige misdaden van het leger blijven onbestraft.

De strijd tegen het terrorisme wordt daarnaast regelmatig genoemd om de verkoop van korvetten naar Indonesië te legitimeren. Op het eerste gezicht is dat een vrij onzinnige opmerking. De schepen zijn uitgerust met lucht- en zeedoelraketten, torpedo's en een middelzwaar kanon. Dergelijke schepen gebruiken tegen terroristen is als het schieten met een kanon op een vlieg. Zelfs de Asian Defence Journal slikt deze propaganda en noemt de versterking van het Indonesische leger een antwoord op de groeiende onrust in verschillende delen van de archipel. (noot 7)

Vanuit een andere invalshoek is de opmerking wel steekhoudend. Door een grote wapenleverantie worden de banden tussen Nederland en Indonesië versterkt en krijgt Nederland meer toegang tot het land en meer mogelijkheden voor het uitoefenen van invloed. Wapenleveranties openen deuren die anders gesloten blijven. Het Indonesische leger is tevreden met de Nederlandse wapens en zet de samenwerking voort.

Wervingsgebied

De verkooppropaganda noemt nog een reden waarom de verkoop door moet gaan: het versterken van kustwachttaken, zoals bestrijding van illegale visvangst, smokkel. De strijd tegen de piraterij in de Straat van Malakka is een terugkerend argument. Piraterij is in de nauwe zeestraat inderdaad een groot probleem – in 2004 wereldwijd het hoogste aantal gemelde gevallen – maar de vraag of vier zwaarbewapende marineschepen hier het antwoord op zijn wordt nauwelijks beantwoord. Het militaire weekblad Jane's Defence Weekly noteert: "Velen denken dat het gebruik van oorlogsschepen voor politietaken 'overkill' betekent en een verkeerde inzet is van hoogwaardig opgeleid marinepersoneel. Deze inzet zal eerder leiden tot provocatie dan tot kalmering." (noot 8) Dat geldt ook andere kustwachttaken dan piraterij. Kleine snelle vaartuigen met een licht kanon volstaan ook voor dit soort taken en zijn bovendien veel goedkoper. Deze kleine vaartuigen kunnen dan ondergebracht worden bij de kustwacht die vanuit het Ministerie van Transport wordt opgezet. Dat zou leiden tot versterking van de wetshandhaving op zee en niet tot een versterking van het Indonesische leger.

De huidige Indonesische regering richt zich op interne hervormingen, waarbij een betere controle op het leger, het opstarten van een vredesproces in Atjeh en bestrijding van corruptie belangrijke elementen zijn. Grote delen van de oppositie gaat dit allemaal veel te ver. De oppositie staat rechts van de regering en een geluid op links is nauwelijks aanwezig. 'Oost-Timor verloren rampspoed geboren', laat zich vanuit deze nationalistische kringen gemakkelijk vertalen naar andere gebieden waar onafhankelijkheid of grotere autonomie geëist wordt. Die eisen moeten de kop ingedrukt worden, niet door dialoog maar door militair geweld, is het devies van de oppositie. Het leger is daarbij een noodzakelijke factor.

Ook de regering moet omzichtig met dit leger omspringen en dat vertaalt zich in een verhoging van de defensiebegroting en groen licht voor mega-aankopen, zoals straaljagers en marineschepen. Het buitenland is vooral bevreesd dat Indonesië een wervingsgebied wordt voor nieuwe terroristen. Het heeft belang bij rust en stabiliteit en kan daarbij niet om het leger heen. Dat leger heeft kortom een centrale positie en door zijn verspreiding over de gehele archipel een goede uitgangspositie om zijn macht te consolideren en uit te breiden.

De vorig jaar vermoorde mensenrechten activist Munir noemde alle steun aan het Indonesische leger politieke steun. (noot 9) Dat de hervormingen gesteund moeten worden kan en mag niet betekenen dat peperdure marineschepen worden verkocht aan een land waar tientallen miljoenen mensen onder de armoedegrens leven, waar het leger er niet voor terugdeinst wapens in te zetten tegen de eigen bevolking en waar soldaten niet voldoende soldij krijgen om het zonder bijverdiensten te kunnen stellen. Dat Nederland met deze levering handelt in strijd met de Europese Gedragscode wapenexporten is daarbij een formalistisch argument, maar een reden te meer om de levering te stoppen.

Martin Broek

Op 2 juni 2005 overhandigde de Campagne tegen Wapenhandel in samenwerking met vredesactivisten en solidariteitsbewegingen met Indonesië en Oost-Timor 3.000 handtekeningen aan de staatssecretaris van Economische Zaken. Het persbericht voor de actie leidde tot de uitspraken van Romeva, die onder andere aandacht kregen in de Jakarta Post. Iedereen die hier een bijdrage aan heeft geleverd, bedankt!


Noten:

  1. Persbericht Ministerie van Defensie, 19 mei 2005.
    Terug naar tekst
  2. Persbericht EU code of conduct on arms exports; Dutch sale of warships to Indonesia violates exports code Romeva, Brussel 2 juni 2005.
    Terug naar tekst
  3. Telegraaf.nl, 3 juni 2005. Overigens werd de vrees dat Indonesië wapens tegen de eigen bevolking inzet ook uitgesproken in Internationale Samenwerking (juni 2005) van het Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking.
    Terug naar tekst
  4. Mondelinge mededeling 2 juni, Den Haag.
    Terug naar tekst
  5. Het eerste schip wordt medio 2007 opgeleverd, het tweede volgt een half jaar later. De bedoeling is de volgende twee er direct achteraan te bouwen. Provinciale Zeeuwse Courant, 19 mei 2005.
    Terug naar tekst
  6. Telegraaf, 28 april 2005.
    Terug naar tekst
  7. Asian Defence Journal, 11/2004. Naast deze interne rol, wordt ook genoemd dat Indonesië (samen met Thailand) een sterkere positie op wil bouwen ten opzichte van China en India en bovendien wil voorkomen dat buitenlandse mogendheden op grond van de strijd tegen piraterij een permanente militaire aanwezigheid bedingen.
    Terug naar tekst
  8. Jane's Defence Weekly, 11 mei 2005.
    Terug naar tekst
  9. The stagnation of reforms in the Indonesian armed forces, INFID juni 2002.
    Terug naar tekst



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Non-Proliferatie Verdrag -

Patstelling in New York

Gedurende de maand mei vond in New York de toetsingsconferentie van het Non-Proliferatie Verdrag (NPV) plaats. De bedoeling was om te evalueren wat er de afgelopen vijf jaar zoal was gedaan aan de afspraken die bij de vorige toetsingsconferentie, in 2000, waren gemaakt. De conferentie is, niet geheel onverwachts, mislukt.

Wat waren de redenen voor de mislukking? Het NPV is ondertekend door de hele wereld behalve de kernwapenstaten India, Pakistan en Israël. Zoals bekend hebben de ondertekenaars bij verdrag afspraken gemaakt over de niet-verspreiding van kernwapentechnologie en kernwapens en ook over nucleaire ontwapening. Tegelijkertijd heeft elke ondertekenaar volledige toegang tot alle nucleaire technologie die noodzakelijk is voor vreedzaam gebruik. Recentelijk hebben een aantal lidstaten echter misbruik gemaakt van hun lidmaatschap door met die technologie de basis te leggen voor kernwapenproductie. Vanaf het in werking treden van het verdrag was deze dubbelzinnigheid als het ware ingebouwd. De technologie voor het vreedzame gebruik van kernenergie en die voor de constructie van kernwapens is immers grotendeels dezelfde.

Voor de kernwapenstaten, de VS voorop, is het tegenhouden van de proliferatie van kernwapens van het allergrootste belang. Voor de rest van de ondertekenaars is de belofte die door de vijf officiële kernwapenstaten (VS, Rusland, Frankrijk, Verenigd Koninkrijk en China) is gemaakt om nucleair te ontwapenen, van even groot belang. Deze tweedeling ligt aan de basis van de grote meningsverschillen over de agenda van de conferentie en wat er verder moet worden afgesproken.

Dit meningsverschil had tot gevolg dat er in New York pas op 11 mei een agenda werd overeengekomen. De VS-diplomaten wilden uit de documenten en verslagen elke verwijzing schrappen naar afspraken die in het verleden waren gemaakt, zoals bijvoorbeeld de 'dertien stappen' naar nucleaire ontwapening (deel van het slotdocument van de toetsingsconferentie van 2000 (noot 1)). Ze wilden dat alleen de potentiële gevaren van nieuwe kernwapenstaten zoals Noord-Korea en Iran, besproken zouden worden, evenals afspraken om de verspreiding van nucleaire technologie tegen te gaan. Achter de schermen speelde ook een blokkade door het samenwerkingsverband van de beweging van niet-gebonden landen een belangrijke rol: dat wilde, alweer conform eerder gemaakte afspraken, een werkgroep over het Midden-Oosten, waarin vooral de kernwapenstatus van Israël aan de orde moest komen. Bovendien vond Egypte dat er een expliciete verwijzing naar de dertien stappen van 2000 in de agenda moest worden opgenomen. Na anderhalf week geruzie, trok de VS aan het langste eind: alleen een vage verwijzing naar de dertien stappen, en geen Midden-Oosten werkgroep. Dat onderwerp moest maar ergens door een werkgroep over regionale vraagstukken behandeld worden.

In feite was deze positie van de VS ruim voor de conferentie al breed uitgemeten door Amerikaanse woordvoerders. Zo zei op 3 februari Stephen Rademaker, de onderminister van Buitenlandse Zaken van de VS dat " …het debat over het voldoen aan artikel VI ons niet moet afleiden van … de uitdaging van het niet-voldoen door sommige staten aan de non-proliferatie verplichtingen verbonden aan het verdrag …" (noot 2) De regering Bush weigert al jaren ratificatie van het teststopverdrag, dat proefexplosies van kernwapens verbiedt. Verdragen met de Sovjet Unie over nucleaire ontwapening bevatten steevast geen verwijzing naar verificatie, waardoor controle op de gemaakte afspraken onmogelijk wordt en 'ontwapening' in een handomdraai ongedaan kan worden gemaakt.

NAVO-kernwapens

Een belangrijk punt dat in New York meespeelde op de achtergrond, was de nucleaire strategie en bijbehorende nucleaire bewapening van de NAVO. Dit onderwerp was meegenomen tijdens debatten in een aantal parlementen in Europa, waar de NPV conferentie van tevoren werd besproken. In de Belgische Senaat werd op 21 april een motie over nucleaire ontwapening aangenomen met kamerbrede steun. (noot 3) In Noorwegen verklaarde op 26 april de parlementariër Lars Rise, woordvoerder van de Christen Democratische regeringspartij dat het "… een probleem is dat de NAVO lidstaten zelf kernwapens gebruiken als afschrikking. We willen dat de VS zijn taktische kernwapens verwijdert van het grondgebied van andere NAVO lidstaten." (noot 4) In Nederland vond op 27 april een debat in de Tweede Kamer plaats waar er bij de regering werd aangedrongen om positieve stappen te ondernemen, bijvoorbeeld in de richting van de Nieuwe Agenda Coalitie. De door dit samenwerkingsverband van landen aangeboden VN resoluties (in het First Committee dat elk najaar vergadert) zorgden de afgelopen jaren voor enige druk op de kernwapenstaten om tot serieuze nucleaire ontwapening te komen. Minister Bot van Buitenlandse Zaken vertelde de parlementariërs echter dat Nederland liever koerste op een gezamenlijk standpunt van de EU. Dat betekende dus vergaande compromissen met de kernwapenstaten Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. (noot 5) Daarnaast werd door de Nederlandse regering samen met België, Noorwegen en andere landen een zogenaamd working paper aangeboden waarin verdergaande stappen werden bepleit. (noot 6) De Nieuwe Agenda Coalitie, een groep staten die verdergaande stappen naar nucleaire ontwapening wil en met dit standpunt tijdens de conferentie in 2000 een effectieve brug vormde tussen de kernwapenstaten en de rest, werd nu echter genegeerd.

Het voor Nederland meest praktische punt, dat van de nog altijd aanwezige kernwapens op Volkel, werd in de Kamer ook weer aan de orde gesteld. Het is immers op zijn minst merkwaardig dat een aantal zogenaamde 'niet-kernwapenstaten' (België, Nederland, Duitsland, Turkije en Italië) piloten opleiden om met hun vliegtuigen kernwapens af te werpen in tijd van oorlog. Dat zijn de beruchte Amerikaanse kernwapens in Europa, waarvan er volgens de laatste telling 480 in de bovengenoemde Europese landen plus het Verenigd Koninkrijk zijn opgeslagen. Een deel van deze 'vrije val' bommen is ook bedoeld voor gebruik door in Europa gestationeerde Amerikaanse aanvalsvliegtuigen. (noot 7)

Minister Bot van Buitenlandse Zaken gaf in het debat van 27 april echter geen krimp op dit punt. Toch gebeurde er iets nieuws: een door de kamerleden Karimi, Koenders en Van Velzen op 29 april ingediende motie werd niet alleen door de eenmansfractie van Lazrak ondersteund, maar ook door regeringspartij D66. Hoewel de parlementaire meerderheid van VVD, CDA en LPF met hun tegenstem de facto steun voor het NAVO kernwapenbeleid uitsprak, waren er nu 59 stemmen voor. Een regeringspartij heeft zich dus op dit punt afgewend van het officiële beleid. (noot 8)

Duitse oppositie

Deze ontwikkeling was des te interessanter, omdat inmiddels (op 13 april) in Duitsland ook een resolutie was ingediend voor verwijdering van de NAVO kernwapens, ditmaal door de oppositionele liberalen, de FDP. (noot 9) Daarmee kwamen de Grünen en SPD, momenteel aan de macht, voor een lastige keuze te staan. Op advies van de regering hebben ze de motie niet gesteund. Een door het weekblad Der Spiegel gepubliceerde opiniepeiling wees echter begin mei uit dat de meerderheid van de bevolking verwijdering van de kernwapens steunde. (noot 10)

In New York circuleerde dit nieuws bij de VN al snel onder de aanwezige anti-kernwapenactivisten: Duitsland was wellicht onder druk te zetten. In zijn openingstoespraak in de hal van de Algemene Assemblee op 2 mei deed minister Fischer al enige concessies. Hij zei: "... het is ook ons doel om de sub-strategische kernwapens te verminderen – met als uiteindelijk doel hun complete verwijdering." Hij verwees verder naar een stapsgewijze aanpak zoals door de EU bepleit, en koppelde vooruitgang aan vermindering van het aantal Russische taktische kernwapens (op Russisch grondgebied). (noot 11)

Die toezegging werd prompt gevolgd door verdere uitspraken door Duitse politici, aangehaald door een aantal kranten en de Duitse wereldomroep. (noot 12) Waarom, vroeg men zich verwonderd af, lagen die kernbommen vijftien jaar na het einde van de Koude Oorlog nog steeds in Duitsland? Binnen enkele dagen schoof het Duitse standpunt verder op. Men zou zich nu hard maken in de NAVO voor de verwijdering van de kernwapens. (noot 13) Zo'n optie liet echter ook de mogelijkheid open dat er pas na afsluiting van de NPV-conferentie over gepraat zou worden. Na verder lobbywerk in Berlijn werd de afspraak gemaakt dat men consultaties zou gaan voeren met de andere 'co-gebruikers' van kernwapens, dus ook Nederland. De eerste gelegenheid daarvoor was de vergadering van de Nuclear Planning Group van de NAVO, op 8 juni jl. Dat is een bijeenkomst van ambtenaren, dan wel ministers, die de nucleaire strategie van de NAVO bespreken. Bij de aanloop daar naar toe kwam Der Spiegel met nieuwe onthullingen. De Duitse regering zou toch geen werk maken van de NAVO kernwapentaak. De redenen waren vermoedelijk de komende Duitse verkiezingen in september – men wilde geen voldongen feiten scheppen voor de volgende regering – en de onwil om de VS weer te trotseren na de aanval op Irak. De Duitse wens voor een permanente zetel in de Veiligheidsraad zou ook een rol spelen. Deze laatste overwegingen gaven vermoedelijk de doorslag. Hoewel het onderwerp wel aan de orde werd gesteld op de NPG-vergadering werd vervolgens het bestaande beleid doodleuk herbevestigd in het communiqué van 9 juni. (noot 14)

Demonstraties in New York

Er was in Europa dus wel sprake geweest van enige politieke druk op de politiek en diplomaten om tot zaken te komen over de kernwapens. Die druk werd verder opgevoerd tijdens de NPV-conferentie door een aantal door de Amerikaanse vredesbeweging en de internationale organisatie Mayors for Peace (Burgemeesters voor Vrede) georganiseerde evenementen. (noot 15) In de straten van New York en Central Park vond op 1 mei een grote vredesdemonstratie plaats waar ongeveer 40.000 mensen aan deelnamen. De bijeenkomst werd toegesproken door burgemeester Akiba van Hiroshima, tevens president van Burgemeesters voor Vrede, door een overlevende van de atoomaanval op Hiroshima en vele anti-oorlogsdeskundigen en buitenlandse activisten. Deze demonstratie, georganiseerd door een samenwerkingsverband van de samenwerkende anti-oorlogsorganisaties van de VS en de anti-kernwapenbeweging, kreeg een bijzonder goede en uitgebreide Amerikaanse pers.

Enkele dagen later vond een reeks bijeenkomsten van de Burgemeesters voor Vrede plaats, waar diplomaten, activisten, burgemeesters van over de hele wereld en deskundigen elkaar troffen om de campagnes tot dan toe en de toekomstplannen te bespreken. Burgemeester Iccho Ito van Nagasaki sprak de openingssessie toe van de NPV-conferentie samen met activisten van de niet-gouvernementele organisaties. Op 11 mei volgde een reeks presentaties van de NGO-gemeenschap voor de diplomaten waarin alle thema's die met nucleaire bewapening te maken hadden, behandeld werden.

Of deze immense inspanning van de civil society invloed heeft gehad op de gebeurtenissen is onduidelijk. Uiteindelijk is de toetsingsconferentie ondubbelzinnig mislukt. De Amerikaanse regering riep onmiddellijk een informele vergadering bijeen van het Proliferation Security Initiative (PSI), een door haar geleid samenwerkingsverband van landen (noot 16) bedoeld om proliferatie van massavernietigingswapens tegen te gaan. Daarmee werd benadrukt dat deze kwestie verder buiten het multilaterale forum van het NPV zou worden behandeld.

Burgemeester Akiba schreef een afsluitende brief aan de voorzitter, ambassadeur Duarte, waarin hij zijn teleurstelling tot uiting bracht. "Door gebruik te maken van de vergaderregels, kunnen een paar landen de wensen van de overgrote meerderheid blokkeren," schreef hij. (noot 17) Maar in dezelfde brief kondigde hij ook aan dat er een nieuwe inspanning van Burgemeesters voor Vrede zou worden gelanceerd in Hiroshima. Daar en in Nagasaki worden begin augustus de nucleaire bombardementen van 1945 op die steden herdacht. De verwachting is dat behalve de duizenden anti-kernwapenactivisten van over de hele wereld, ook honderden burgemeesters aanwezig zullen zijn. Dat zal het sein zijn voor het begin van de nieuwe campagne van de anti-kernwapenbeweging, meer noodzakelijk dan ooit.

Karel Koster


Noten:

  1. Zie voor de tekst van het verdrag en de werkdocumenten, verslagen enz van de laatste en voorgaande conferenties de twee websites www.reachingcriticalwill.org van de WILPF en www.un.org/events/npt2005/ van de VN zelf.
    Terug naar tekst
  2. Onofficiële vertaling van: Stephen Rademaker (Assistant Secretary of State for Arms Control): U.S. Compliance with Article VI of the NPT, 3 February 2005) www.state.gov/t/ac/rls/rm/41786.htm
    Terug naar tekst
  3. Zie: www.senate.be/
    Terug naar tekst
  4. Onofficiële vertaling en verslag doorgegeven door 'Nei til Atomvapen' op 30 april jl.
    Terug naar tekst
  5. Zie verslag Algemeen Overleg 26 april 2005.
    Terug naar tekst
  6. www.reachingcriticalwill.org/legal/npt/RevCon05/wp/WP35.pdf
    Terug naar tekst
  7. Zie www.nrdc.org/nuclear/euro/contents.asp
    Terug naar tekst
  8. Zie: ongecorrigeerd stenogram 2004-2005 79ste vergadering donderdag 28 april 2005.
    Terug naar tekst
  9. Deutscher Bundestag Drucksache 15/5257 15. Wahlperiode 13. 04. 2005 Antrag der Abgeordneten (……)
    Terug naar tekst
  10. Der Spiegel 18 - 2 mei 2005.
    Terug naar tekst
  11. German Federal Foreign Office Speech by Joschka Fischer, Federal Minister for Foreign Affairs, at the 7th Review Conference of the Parties to the Treaty on the Non-Proliferation of Nuclear Weapons New York, 2 May 2005.
    www.un.org/events/npt2005/statements/npt02germany.pdf
    Terug naar tekst
  12. Deutsche Welle: Germans Question US Nuclear Weapons 29 April 2005.
    Terug naar tekst
  13. DPA 6 May 2005 Abrüstung: "Struck will US-Atomwaffen loswerden. Die Bundesregierung plant einen neuen Vorstoß in der Nato. Verteidigungsminister Struck will im Nordatlantischen Bündnis den Abzug der in Deutschland lagernden US-Atomwaffen erreichen. Struck: "Wir werden das zu klären haben" Großbildansicht DPA Ramstein - "Ich bin mir mit Außenminister Fischer einig, dass wir in den Gremien der Nato dieses Thema ansprechen werden", sagte Peter Struck (SPD)…"
    Terug naar tekst
  14. Ministerial meeting of the defence planning committee and the nuclear planning group held in Brussels on Thursday, 9 June 2005 - final communique www.nato.int/docu/pr/2005/p05-075e.htm
    Terug naar tekst
  15. Zie website van Mayors for Peace- www.pcf.city.hiroshima.jp onder 'mayors'
    Terug naar tekst
  16. http://usinfo.state.gov/is/Archive/2005/Jun/06-947504.html
    Terug naar tekst
  17. Voor de tekst van deze brief zie: www.pcf.city.hiroshima.jp/mayors/english/campaign/NPTopenletter.html
    Terug naar tekst



Kernwapens op Ramstein (tijdelijk) weggehaald

De aanwezigheid van Amerikaanse kernwapens in Europa werd de laatste tijd het meest heftig bediscussieerd in Duitsland. Zowel in de politiek als in de media was het een belangrijk onderwerp. Een opiniepeiling van Der Spiegel toonde aan dat een ruime meerderheid van de Duitse bevolking voor de verwijdering van de kernwapens van Duits grondgebied is.

In Duitsland zijn twee luchtmachtbases waar normaal gesproken kernwapens liggen opgeslagen: Büchel, waar net als op de Nederlandse basis Volkel waarschijnlijk 20 kernwapens liggen opgeslagen, en Ramstein, waar er maximaal 130 liggen opgeslagen. Onderzoek, waarvan voor het eerst in Der Spiegel van 22 mei jl. melding werd gemaakt, heeft uitgewezen dat de kernwapens van Ramstein de afgelopen jaren (tijdelijk) teruggetrokken zijn. Hieraan liggen veiligheidsredenen ten grondslag, die verband houden met grootschalige reconstructiewerkzaamheden op de basis. Hoogstwaarschijnlijk liggen de bommen op dit moment in de Verenigde Staten opgeslagen, omdat de overige, beschikbare opslagcapaciteit in Europa (de zogenaamde WS3-kluizen, onder vliegtuighangars) in totaal nauwelijks toereikend is om deze bommen allemaal op te slaan.

Volgens planning zouden ze eind van dit jaar, wanneer de werkzaamheden op Ramstein zijn afgerond, weer terugkeren. Hans Kristensen, auteur van het in februari uitgekomen rapport over Amerikaanse kernwapens in Europa (zie de vorige VD AMOK), betwijfelt of dit echt zal gebeuren. In de TAZ van 9 juni zegt hij dat de bommen zo afgeschermd liggen, dat bouwwerkzaamheden op andere delen van de basis geen reden voor verplaatsing kunnen zijn. Ook zou het ongeloofwaardig zijn wanneer de wapens de halve wereld overgevlogen worden, om kort daarna weer teruggevlogen te worden. Volgens Kristensen is er eerder sprake van een langzame en zo stil mogelijke terugtrekking van de kernwapens uit Europa, zoals in het voorjaar van 2001 ook de bommen van de Griekse basis Araxos in het geheim weggehaald werden.

Mark Akkerman



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Ronde tafel -

De oorlog tegen Irak vanuit Belgisch en Nederlands perspectief

De Belgische en Nederlandse regering hanteerden duidelijk een verschillende benadering van de oorlog tegen Irak, voor, tijdens en na de VS-invasie. Terwijl Nederland koos voor de Brits-Amerikaanse coalitie, bespeelde België de Frans-Duitse as.

In een ronde tafel georganiseerd door AMOK-Nijmegen, VD AMOK en het Belgische Vrede vzw in het Nederlandse parlement hielden we vorig jaar een Nederlandse en Belgische terugblik op de gebeurtenissen en probeerden we de verschillende houding van beide landen te analyseren en verklaren.

Deelnemers waren: Dirk vander Maelen (Belgisch Kamerlid SP.a), Ludo De Brabander (Vrede vzw), Guido van Leemput (Parlementair medewerker van SP Nederland), Jan Jaap van Oosterzee (IKV) en Karel Koster (PENN Nederland Project on European Nuclear Non-Proliferation).

De Ronde Tafel werd vakkundig geleid door Saskia Kouwenberg (XminY solidariteitsfonds). Hans Wester en Clemens Raming (AMOK-Nijmegen), Kees Kalkman (VD AMOK), Georges Spriet en Ludo De Brabander (Vrede vzw) hielpen mee met de voorbereiding en/of het uittikken en inkorten van de tekst.

Wat volgt is een verkorte versie van het volledige gesprek.

SASKIA: Hoe hebben België en Nederland gereageerd op de plannen van de VS ten aanzien van Irak en wat hebben ze gedaan? En wat heeft het voor de bewegingen in beide landen betekend?

DIRK: Ik vind de reactie van België in de aanloop naar de oorlog in Irak eigenlijk volledig in de lijn van wat de Belgische visie ten aanzien van die regio is. (..) Aansturen op een vreedzame wijze om het probleem op te lossen, groot vertrouwen geven aan de Verenigde Naties, opletten en denken aan de Euro-Arabische dialoog en de Euro-Arabische relatie om die niet te onnodig te kwetsen. (..) Wij vinden dat een unipolaire wereld met één supermacht en zeker als die dan sinds 2002 gekaapt is door neoconservatieven, iets zeer gevaarlijks is en dat je nood hebt aan tegenmacht en die tegenmacht of dat tegengewichtje, zoeken wij heel traditioneel binnen onze Belgische diplomatie, in een sterkere Europese poot. Het is dus geen toeval dat de Belgische diplomatie en Belgische buitenlandse politiek soms dicht bij de Franse politiek ligt. Het is ook geen toeval dat wij in april 2003, tijdens wat Amerikanen en de Britten smalend de pralinetop in België genoemd hebben, met vier landen, Duitsland, Frankrijk, België en Luxemburg geprobeerd hebben om de Europese defensie vooruit te stuwen en te werken aan een Europese gemeenschappelijke buitenlandse politiek op basis van een communautaire, niet intergouvernementele aanpak. Dat is iets dat ook van alle dagen is. Toen de dreiging van de Verenigde Staten meer en meer duidelijk werd om Irak aan te vallen, is de Belgische houding te verklaren via die traditie. Die was: het is nog te vroeg om aan te vallen, geef de wapeninspecteurs meer tijd om verder hun onderzoeken te doen. (..) Wij vinden achteraf dat wij volledig gelijk gekregen hebben in onze analyse en alle redenen die wij aangevoerd hebben om die oorlog niet te voeren.

In de aanloop van de oorlog hebben we zo alles geprobeerd wat nodig was, we zijn zelfs verder gegaan dan Frankrijk en Duitsland. We hebben op een bepaald moment toen Turkije bescherming vroeg door Patriotraketten op te stellen, ons als enige nog verzet in de NAVO-raad. Daar hebben we behoorlijk voor op onze kop gekregen van de Amerikanen. De Amerikanen zijn vervolgens ten oorlog vertrokken en bijgevolg zijn we in een moeilijke positie gekomen omdat de Verenigde Staten vroegen om van onze haven en grondgebied gebruik te maken voor militaire transporten. Wij hebben nog wat tegengesparteld maar gezien dat onze grote bondgenoten Frankrijk en Duitsland daar geen probleem van maakten. We zaten ook met juridische problemen door de akkoorden die we vroeger gesloten hadden en die we dan maar moesten naleven. Dat was een moeilijk moment.

Nadien, hebben we gezien dat èn Frankrijk èn Duitsland zich toch wat meegaander hebben opgesteld, dat ze in de diepe wonden die er geslagen waren niet altijd opnieuw zout wensten te gooien. België is daar toen in gevolgd. Wij zijn te klein om te proberen als lilliputland ons te desolidariseren van wat wij noemen een gemeenschappelijk Europees standpunt. Maar, ik zou zeggen, wij hebben nog steeds problemen met Irak. Op de laatste top in Turkije heeft de NAVO beslist om opleiding voor Irakese militairen te verzorgen. Wij hebben gezegd: geen Belgische militairen in Irak blijft ons standpunt. Wij hebben bovendien de stilzwijgende procedures binnen de NAVO stopgezet. De Amerikanen waren namelijk sluipenderwijs bezig de NAVO heel actief te betrekken in Irak en wij hebben gezegd: wij wensen niet mee te betalen voor de inspanningen van die lidstaten die daar wel militairen hebben uit het gemeenschappelijk budget van de NAVO. Wij vinden dat de landen die daar de militairen leveren daar zelf voor moeten betalen. We hebben dat ook binnengehaald, behalve de staf, die wordt uit de gemeenschappelijke pot betaald maar de militairen die daar naar toegestuurd worden moeten door elk lidstaat betaald worden.

Amerikaanse kaart

SASKIA: Guido, kun jij even kort zeggen wat de Nederlandse positie in deze is?

GUIDO: Ik zal het proberen het kort te doen op basis van drie dingen. Dat zijn de volgzaamheid aan de Amerikaanse politiek, de formele multilateralistische houding om zaken via de VN te laten lopen en de binnenlandse problemen rondom de val van het kabinet Balkenende I in de herfst van 2002. Wat Dirk heeft gezegd over de betrekkingen tot de Arabische wereld, die zijn voor Nederland bijna non-existent. In Nederlandse politieke verhoudingen is een sleutelformule van groot belang. De regering zegt in allerlei documenten: Wij zijn geen klein land, wij zijn de veertiende grootste economie van de wereld en twee weken geleden had de minister van Defensie het tijdens een debat over de aanschaf van kruisraketten op fregatten en vliegtuigen, zelfs over de twaalfde economie van de wereld. Dus, we zijn met zestien miljoen consumenten en producenten een verschrikkelijk grote speler in de wereld en dat willen wij ook laten blijken. Dat is het eerste. Het tweede is dat in die periode dus zeg maar september 2002 of misschien al eerder, de Nederlandse verhoudingen buitengewoon onder druk stonden van binnenlandse politieke ontwikkelingen. In die hele periode is toch overwegend de Amerikaanse kaart gespeeld, ondanks het feit dat er gezegd werd, wij doen het via de VN. Al die VN-resoluties sinds 1991 zijn Irak voor de voeten geworpen, daar dienden zij zich aan te houden en de redenering was, dat daarbij nu een soort van eindstadium was bereikt. Dus dat is het formalistische argument. Eerst was er de volgzaamheid aan de Amerikanen, het benadrukken van de eigen politieke economische kracht, het inzicht om die in navolging van de Amerikanen ook gewapenderhand te verdedigen. Toen kwam in de van winter van 2002 op 2003 de val van het eerste kabinet Balkenende en de vergevorderde besprekingen tussen de Nederlandse PvdA en het CDA voor een gezamenlijke regering, die ten langen leste mislukt zijn. Dat heeft de Nederlandse regering een tijdje lang opgehouden en toen hebben ze ertoe besloten dat Nederland toentertijd alleen zogezegd politieke steun gaf aan de oorlog en geen militaire steun. Dat liet het feit buiten beschouwing dat in Koeweit er al hoge Nederlandse militairen rondliepen, maar zo is het hier verkocht. Dus, volgens mij is het sleutelbegrip het feit dat Nederland een grote economie is, wat met militaire middelen kracht bij moet worden gezet. Men is dan wel voorstander van multilateralisme maar dat wordt nu genoemd 'multilateralisme met tanden' dat wil zeggen, gelegenheidscoalities die door dreiging of daadwerkelijk militair optreden hun belangen door kunnen zetten.

LUDO: Ik denk dat Dirk grosso modo geschetst heeft, zoals ik denk dat het ook was. Met dien verstande, dat ik nog een aantal dingen wil zeggen die wellicht de houding van België hebben beïnvloed. Je moet zaken toch bekijken vanuit de context van waar we met Europa naar toe gaan, niet alleen op buitenlands maar ook op militair vlak. Verhofstadt heeft altijd zeer duidelijk benadrukt dat, willen wij een gemeenschappelijk buitenlands beleid voeren, we volgens zijn logica ook zeker en vast moeten zorgen dat we die militaire arm hebben. Daar zit het probleem, denk ik, namelijk dat dit maakt dat er voortdurend moet worden geschipperd tussen de transatlantische loyaliteit aan de ene kant en de eigen ambitie om een soort zelfstandige Europees militaire capaciteit te scheppen aan de andere kant. We volgen hier een beetje de Frans-Duitse lijn om meer autonoom te zijn, iets meer afstand te nemen van de VS zonder daar een totale breuk in te maken. Dat merk je ook in de Europese Grondwet, het is een eigenaardige tekst, waarin men enerzijds zeer sterk de band met de NAVO benadrukt, maar anderzijds toch eigen Europese ambities nastreeft. Iedereen weet dat Verhofstadt misschien wel het hardst getrokken heeft aan die fameuze pralinetop. Als een soort antwoord op de Amerikanen, met hun gepraat over oud Europa, nieuw Europa. Daar komt wellicht ook bij dat we met een paars-groen kabinet zaten, zonder de christen-democraten, van wie een aantal mensen meer geneigd was om toch die Amerikaanse politiek te volgen. (..)

Dilemma

JAN JAAP: Ik wil het graag hebben over de Nederlandse positie maar ook over onze eigen positie als IKV. Wat betreft de Nederlandse positie, ik denk dat Guido daar eigenlijk in grote lijnen gelijk in heeft. Echt doorslaggevend was een soort Atlantische traditie in het denken over veiligheidsvraagstukken. Heel doorslaggevend is in Nederland, dat de betreffende politici veel minder vertrouwen hebben in de mogelijkheden van een sterke Europese component in de veiligheidspolitiek Dat wordt voor een deel ook ingegeven doordat dit tijdens de oorlog in Joegoslavië zo verschrikkelijk mislukt is. Dat we totaal niet in staat waren om een Europese politiek door te zetten wat ertoe bijgedragen heeft dat die oorlog maar door bleef zieken. Dus ook bij de mensen die meer een soort idealistische agenda voorstaan is het gebrek aan vertrouwen in een Europese alternatief toch tamelijk groot. De consequentie daarvan is, dat mensen als Max van der Stoel, iemand die ik erg respecteer, zich voorstander van een aanval op Irak verklaarden. Precies vanwege de verwachting dat daar inderdaad massavernietigingswapens zouden zijn. De combinatie van zo'n soort regime met het bezit van massavernietigingswapens was toch een heel erg gevaarlijke. Daarbij het gevoel dat de weg die de Fransen of Duitsers wilden bewandelen daar nooit iets aan op zou lossen. Ik denk dat dit zeker speelde. Bij het IKV hadden we daar een ingewikkeld standpunt over, dat is vervolgens verwoord en ontvangen op een manier die weer anders was dan dat genuanceerde standpunt. We hebben vooral naar voren willen brengen wat er eigenlijk in Irak speelde. Er was zo'n leus tijdens heel veel demonstraties: tegen de oorlog en tegen Saddam. Daar kon je het erg mee eens zijn maar vervolgens hadden wij het gevoel dat 'tegen de oorlog' wel op een heleboel manieren sterk was ingevuld, maar dat 'tegen Saddam' eigenlijk niet werd ingevuld, anders dan met een kreet. En daarbij hoorden wij onze Irakese gesprekspartners zeggen: 'Nou ja die demonstraties die tegen de oorlog, wij snappen wel waarom jullie dat gedaan hebben en wat jullie daar van vonden, maar bij ons werden ze gepresenteerd als demonstraties voor Saddam Hoessein. En dat is een kamp waar wij niet willen dat jullie bijhoren'. Dat zeiden dus onze Irakese partners tegen ons. Dat was een heel lastig dilemma. Waar we voor gekozen hebben is dat dilemma dan ook maar een dilemma te laten zijn en daar niet een oplossing in te bedenken waar we geen vrede mee konden nemen. Daarbij speelt dat het ook interessant zou zijn om eens een lijstje te maken van redenen waarom Frankrijk en Duitsland niet mee wilden doen aan de oorlog tegen Irak. Ik denk dat zo'n punt als olie dan opnieuw heel erg hoog scoort. Dat zuiver idealistische motieven een grote rol in speelde in het verzet, zeker bij Frankrijk, daar heb ik zelf echt heel grote twijfels bij. Wat België betreft vond ik het vooral heel moedig om als tamelijk klein land zo nadrukkelijk voorop te gaan lopen.

DIRK: Caesar zei al dat de Belgen moeilijk waren.

JAN JAAP: Precies. Het beeld dat daaruit naar voren kwam was dat idealistische of humanitaire motieven daarin wél een hele nadrukkelijke hoofdrol speelden. Onze beide landen kennen natuurlijk sterke tradities in de buitenlandse politiek die soms ongeacht de samenstelling van de regering in belangrijke mate worden voortgezet. Ik weet bijvoorbeeld niet of het standpunt van een Nederlandse regering met de Partij van de Arbeid nou zo verschrikkelijk veel anders was geweest dan met het CDA. Ik denk zeker niet dat zo'n Nederlandse regering op dezelfde manier als België voorop had gelopen in het nadrukkelijk niet mee willen doen. Wat de Nederlandse regering eigenlijk wil is een soort van bij elkaar brengen van de eigen Atlantische traditie en oriëntatie, en een meer continentaal-Europese traditie. We willen daarin graag een tussenpersoon zijn.

Nieuw machtsblok

DIRK: Ik definieer het verschil tussen België en Nederland een beetje sloganesk door te kijken naar de EU en de NAVO. In België zijn we koele minnaars van de NAVO en ons hart ligt bij de EU. En bij jullie 'entre les deux, notre coeur balance' (ons hart balanceert tussen de twee).

Afhankelijk van de dossiers, weet ik vaak niet welke kant Nederland zal kiezen als er in Europa een standpunt moet bepaald worden waar de Verenigde Staten bij betrokken zijn. De ene keer zitten ze hier, de andere keer daar. Op een bepaald moment toen er in de Verenigde Staten nog een discussie bezig was tussen Rumsfeld en Powell om al of niet nog naar de Verenigde Naties te gaan voor een oorlogsresolutie, kwam mijn medewerker mij vertellen dat op dátzelfde moment Nederland zei: 'Dat is niet meer nodig, we hebben geen resolutie meer nodig'. Ik heb toen tegen mijn medewerker gezegd - ik ben een jurist hè - 'Hugo Grotius keert zich om in zijn graf'. Dat was 'du jamais vue' (nog nooit vertoond). Dat heb ik nog nooit meegemaakt.

Ik geloofde het niet eens. Ik zeg laat me het artikel zien hè. Hij is dan naar zijn bureau gegaan, persartikel gehaald.

KAREL: (..) Is er echt sprake van een transatlantische tegenstelling? Dat zou betekenen dat de ontwikkeling tendeert naar een geopolitieke confrontatie tussen twee machtsblokken (Verenigde Staten en Europa) die in het meest extreme geval zelfs op een oorlog zou kunnen uitlopen. Ik ben eerder geneigd om de huidige situatie te zien als een overgangsfase naar de formatie van een nieuw transatlantisch machtsblok. Nederland is een mooi voorbeeld van het helder naar buiten komen van de huidige tegenstrijdigheden, maar op termijn zullen we naar zo'n nieuw blok toegroeien. Let wel, ik prijs het niet aan, ik zie het zelfs als een heel gevaarlijke ontwikkeling. Ik zeg alleen dat de huidige ogenschijnlijk intense tegenstellingen wel eens voornamelijk op het economische vlak zouden kunnen uitgevochten worden. En dat die interne machtsstrijd zich op een termijn van zeg twintig jaar afspeelt binnen een zich vormend transnationaal blok dat in feite alle eigenschappen zal hebben van het imperiale verleden van de Britten. Zo'n blok zal de axiomatische Wolfowitz doctrine overnemen die zegt dat er nergens te wereld een concurrerende macht mag ontstaan. Dat wil zeggen dat we regelrecht afstevenen op een confrontatie met China. Op korte termijn zie je in Nederland veel zichtbaarder een strijd tussen degenen die zien dat je meer bij de Amerikanen moet aansluiten en degenen die zich meer oriënteren op de Europeanen van het vasteland. Op termijn is dat alleen maar een overgangsfase en loopt het ook aan Europese kant uit op een meer robuust optreden zoals dat ook door de Nederlandse regering gesteund wordt. Ik zie dat ook op het gebied van de massavernietigingswapens ten aanzien van Iran. Het gaat enkel om het gezigzag tussen het Amerikaanse beleid dat erop wil slaan als het moet en de Europese diplomatie die probeert om met Iran een compromis te sluiten over haar kernwapenmacht. Maar in laatste instantie lopen die twee lijnen parallel. De Europeanen kunnen met droge ogen zeggen dat zij een vreedzaam beleid volgen met economische drukkingmiddelen. Maar historisch gezien zijn die natuurlijk net zo gevaarlijk als militair ingrijpen. Zie de geschiedenis rond Japan en de VS in de Stille Oceaan in de jaren veertig waarin economische druk uiteindelijk tot oorlog leidde. Zo kunnen de Europeanen nu tegen hun, inderdaad pacifistische, bevolking zeggen: "Jongens, wij doen alleen maar aan diplomatie en economie, en wij doen niet mee aan die gemene oorlog van de Amerikanen." Die hele Mars-Venus vergelijking, die is natuurlijk absurd als het gaat om dit soort machtsspelletjes.

Interventiegedachte

DIRK: Als we naar de verschilpunten zoeken tussen Nederland en België dan moeten we allereerst kijken naar de relatie tussen Europa en de NAVO. Als ik het met een beeldspraak mag uitleggen, met excuus aan mevrouw de moderator, dan wil men in Nederland doorgaan met de NAVO als een klassieke huwelijksrelatie, dat wil zeggen met de VS in de rol van een sterk dominante man en de Europese lidstaten in die van de volgzame vrouw. Terwijl wij in België, althans de Belgische regering en grotendeels mijn partij, pleiten voor een lat-relatie. Dat wil zeggen dat wij de link met de Verenigde Staten en de NAVO niet volledig willen doorknippen. Maar wij willen dat er in die relatie ruimte kan zijn, zoals naar aanleiding van Irak, waarbinnen wij tegen de Verenigde Staten kunnen zeggen: "We zijn het niet eens met jullie analyse van de situatie in Irak om die en die reden. En als u daarmee voort wilt gaan, ja, dan zal het zonder ons zijn." Wij proberen binnen die relatie een sterke Europese poot te hebben om meer gewicht in de weegschaal te kunnen leggen tegenover de analyse, de diagnose en de receptuur die de Verenigde Staten voorstaan. Maar als men denkt dat men invloed heeft op de Verenigde Staten door, zoals Groot-Brittannië en Nederland braaf en volgzaam te zijn zonder enig effect, dan gaan we nog terecht komen in avonturen waar we niet goed van zijn. Tenslotte, als er iets is waar ik van baal, dan is het dat men ons, elke keer als we met onze kritiek kwamen ten aanzien van de Amerikaanse voornemens in Irak, in het kamp duwde van diegenen die Saddam steunden. Saddam is een vuile rotte dictator die weg moest. Er zijn helaas nog vele andere dictatoren waar niks aan gedaan wordt. Ons standpunt was en dat geldt ook voor Iran, dat het verleden al heeft getoond dat het niet werkt om binnen te vallen met troepen om een leider aan de kant te zetten en zo de democratie te installeren. Dat is een proces van jaren.

LUDO: We zitten nu in een fase waarin de aard van het regime in Washington de verschillen doet verscherpen. Maar als we even terugkijken naar bijvoorbeeld de periode Clinton, dan zie je dat men het in de grond eens is over een aantal basisprincipes over het buitenlands beleid. Dan zijn die verschillen tussen Nederland en België en zelfs binnen heel Europa eigenlijk niet zo groot. Ik verwijs naar een andere oorlog, die in Kosovo, waar België die operatie ook heeft gesteund, hoewel er geen mandaat voor was. En na die bombardementen op de Balkan heeft men op de NAVO-top in Washington de situatie rechtgetrokken door te beslissen dat de NAVO voortaan ook zogenaamde niet-artikel 5 opdrachten kan uitvoeren, namelijk operaties buiten het grondgebied. Dus de interventiegedachte is geleidelijk geworteld in het buitenlands beleid of je nu Amerikaan bent of Belg of Nederlander. Daar is een redelijke consensus over, zie ook Afghanistan. Maar ik denk dat er wel andere manieren zijn om met die terreur om te gaan. Door zo'n interventie worden de zaken juist nog verscherpt, het terrorisme is sterker gemaakt.

Ook bij de handelspolitiek, het hele neoliberalisme, zie ik niet meer dan accentverschillen. En kijk bijvoorbeeld naar Israël-Palestina, daar zie ik die scherpe houding die België dan misschien ten aanzien van Irak heeft aangenomen helemaal niet terugkomen. Terwijl daar in Gaza door het Israëlische leger kinderen vermoord worden wachten wij nog altijd op een veroordeling door onze minister van Buitenlandse Zaken.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Veteranen tegen de oorlog -

"Het gaat niet om democratie en vrijheid"
Irak-veterane wil einde aan bezetting Irak

Kelly Dougherty (26) heeft een jaar in Irak gediend als militaire politiesergeant(MP) in een eenheid van de National Guard. Eenmaal terug uit Irak sloot ze zich aan bij de anti-oorlogsbeweging. In juni 2004 bezocht ze de jaarlijkse conventie van Veterans For Peace in Boston. Daar ontmoette ze zes andere Irak-veteranen met wie ze de organisatie Iraq Veterans Against the War (IVAW) heeft opgericht. Nu spant ze zich in om een einde te maken aan de bezetting van Irak.

"Hoe ben je in het leger terecht gekomen?"

"Ik ben in het leger gegaan toen ik 17 was om geld te krijgen voor mijn studie. Een neef van mij zat bij de National Guard, dat is de eenheid die de grenzen bewaakt, het is een parttime militaire functie. Hij moedigde me aan om met een recruiter te gaan praten: 'Je hoeft alleen maar één week per maand koffie te drinken en een beetje rond te hangen,' zei hij. Dat leek me een goede afspraak. Ik ben bij de National Guard opgeleid voor de medische dienst. Maar het bleek allemaal heel anders te lopen…
In januari 2003, ik was toen net begonnen aan het laatste semester van mijn studie, kreeg ik een telefoontje. Ze vertelden me dat ik was overgeplaatst naar een eenheid van de militaire politie. Ik moest me de volgende dag melden, want ik werd naar Irak gestuurd. Ik heb een training van een maand gevolgd en eind februari zat ik in Koeweit.
Ik was tegen de oorlog en ik was er niet zeker van wat ik moest doen. Maar toen ik me meldde, zag ik hoeveel de anderen die naar Irak gestuurd werden, moesten opofferen. Ik voelde me tegenover hen verplicht om te gaan."

"Kon je met je leidinggevenden over je twijfels praten?"

"Ja, in mijn eenheid kon dat wel. Het is niet in alle eenheden mogelijk om daarover te praten, dat verschilt. De eerste sergeant, de hoogste in rang in de groep, zei tegen me: 'Het maakt niet uit hoe je erover denkt, wie je bent, of wat je opleiding is, we hebben mensen nodig bij de militaire politie. Je kan kiezen: of je gaat naar de gevangenis, of je gaat met ons mee.'
De commandant van het peloton, een kapitein, vertelde dat hij zelf ook twijfels had over de oorlog. Hij dacht dat we niet de volledige waarheid te horen kregen.
Maar later tegenover het hele peloton zei hij: 'Er zijn mensen die het niet eens zijn met deze oorlog, maar zeg tegen hen dat ze zich 11 september, de aanval op de Twin Towers, moeten herinneren.' Ik was woedend toen ik dat hoorde, ten eerste omdat 11 september niks met Irak te maken had en ten tweede omdat hij tegenover mij zijn twijfels had geuit. Hij loog en spiegelde de mensen een vals beeld van de werkelijkheid voor.
Toen ik eenmaal in Irak was heb ik er alleen nog maar met mensen over gepraat van wie ik wist dat ze er hetzelfde over dachten. Het is stressvol genoeg, je kan niet ook nog eens de spanning van discussies over politiek gebruiken."

"Wat heb je in Irak gedaan?"

"In Irak bestond ons werk met name uit het begeleiden van konvooien, meestal tankwagens van Koeweit naar Irak en daarnaast het patrouilleren op de wegen en in de steden.
Het werk van de militaire politie is één van de gevaarlijker klussen. Ik zat bij een zgn. field unit, dat hield in dat we naast de patrouilles (te voet en in voertuigen) ook huiszoekingen en wegblokkades deden en personen onderzochten. Je komt elke dag in contact met de bevolking en loopt een groot risico."

"Toen je naar Irak ging dacht je dat je daar misschien iets goeds kon doen. Kan je daar wat over vertellen?"

"Ja, ik hoopte, tegen beter weten in, dat het misschien toch goed zou uitvallen voor de Irakese bevolking en dat de Irakezen ons misschien als bevrijders zouden verwelkomen. Dat was natuurlijk niet zo, maar met alle macht en het geld dat de VS heeft, zouden we een positieve verandering teweeg kunnen brengen. En ik hoopte dat we niet zouden blijven als langdurige bezetters.
De regering maakte ons wijs dat we naar Irak gingen om een democratie op te zetten en dat we na een paar maanden weer zouden vertrekken. De mensen die zeiden dat het jaren zou gaan kosten en dat er 150.000 manschappen nodig waren, werd vriendelijk verzocht om ontslag te nemen. En kijk nu. We zitten in het tweede jaar van de bezetting, er zitten 150.000 Amerikaanse militairen in Irak en 20.000 militairen uit andere landen. Het einde is niet in zicht en de situatie verslechtert. Toen we daar aankwamen leefden veel Irakezen in armoede, toen we vertrokken was hun situatie niet verbetert, soms zelfs verslechtert."

"Hoe is het nu gesteld met de moraal in het leger?"

"De moraal in het leger is gaandeweg verslechterd. In het begin dachten soldaten nog dat het goed was wat ze deden, dat de oorlog ging om massavernietigingswapens en om de aanvallen op 11 september.
Later hielden ze zichzelf voor dat ze in elk geval de Irakese bevolking hadden bevrijd. Maar het is moeilijk om te geloven dat je iets goeds doet als het erg duidelijk is dat de bevolking je niet hebben wil en je zelfs aanvalt. Door de aanvallen ontstond er vijandigheid vanuit het Amerikaanse leger naar de Irakezen toe en andersom. Dat heeft de moraal aangetast. Maar wat misschien nog wel belangrijker is, is de lengte van de uitzending.
De National Guard is een eenheid die de Amerikaanse grenzen dient te bewaken. Het is een parttime militaire training en voor de meeste eenheden geldt dat ze niet meer in het buitenland ingezet zijn sinds de Tweede Wereldoorlog. Mensen hebben familie, werk, een carrière, of opleiding en dat maakt een veel groter deel uit van hun leven dan het leger. Als je dan langdurig overzee wordt ingezet, is dat heel stressvol voor de soldaten en hun families.
Mijn eenheid zou eerst tot juni of juli blijven, toen tot oktober, daarna zouden we met kerstmis thuis zijn. Uiteindelijk hebben we daar een jaar gezeten, het verblijf werd steeds met twee maanden verlengd.
Toen ik terug kwam was het al zo dat soldaten anderhalf tot twee jaar in Irak bleven. Ze waren bezig om een nieuwe wet in te voeren die het mogelijk maakt om soldaten twee jaar naar Irak te sturen, terug te laten komen voor verlof en ze dan weer twee jaar naar Irak te sturen. Er schijnt niet echt een grens te zijn aan hoe deze regering onze strijdkrachten op dit moment gebruikt."

"Wat is volgens jou de echte reden voor deze oorlog?"

"Een aantal mensen in de huidige regering wilde al heel lang een Amerikaans steunpunt in het Midden Oosten hebben. De aanval van 11 september gaf hun de mogelijkheid om de bevolking mee te krijgen in deze oorlog. Het gaat om oliemarkten, om empire building, de belangen van grote ondernemingen en om macht. Het gaat niet om democratie en om vrijheid.
Twee jaar geleden was er nog helemaal geen sprake van dat deze oorlog om democratie zou gaan, toen ging het om: 'Hoe houden we Amerika veilig?' en: 'Saddam gaat Amerika met nucleaire wapens bestoken.' Daar hoor je niks meer over, nu gaat het over vrijheid en democratie. Ik geloof er niks van. Je kan geen democratie hebben als je onder een bezetting leeft."

"Was het moeilijk voor je om het leger uit te gaan?"

"Ik had een contract van 8 jaar in het leger. Voordat ik naar Irak ging had ik al besloten dat ik het contract niet wilde verlengen. De uitzending naar Irak gaf de definitieve doorslag. Ik had het helemaal gehad met deze regering, die zo roekeloos is, die geen enkele zorg heeft voor de soldaten en voor het leven in het algemeen, die alleen de eigen agenda wil doordrukken. In Irak besloot ik dat ik meer van politiek wilde weten en betrokken wilde raken bij de anti-oorlogsbeweging.
In februari 2004 kwam ik terug in de VS en in augustus liep mijn contract af. Voor mij was het niet moeilijk om eruit te stappen, maar veel mensen vallen onder het zgn. Stopplus programma. Wij noemen dat de dienstplicht via een achterdeur. We hebben een vrijwilligersleger, je tekent voor 4, 6 of 8 jaar, maar nu houden ze soldaten langer dan de tijd waarvoor ze hebben getekend: 6 maanden, 12 maanden of zelfs 18 maanden. Gelukkig viel mijn eenheid niet onder de Stopplus, maar ik ben in Irak mensen tegengekomen die volgens hun contract een jaar geleden al uit het leger hadden moeten zijn."

"Zijn er mensen die de gevangenis in moeten omdat ze uit het leger stappen?"

"Mensen die weigeren om naar Irak te gaan of om terug te gaan, worden vervolgd.
Een voorbeeld is Camilo Mejia. Hij heeft als commandant van een infanterie-eenheid in Irak gezeten, was twee weken op verlof in de VS en weigerde om terug te gaan. Hij zei dat hij door zijn wapens neer te leggen zijn menselijke waardigheid herstelde. Hij wilde niet teruggaan om opnieuw onschuldige mensen te vermoorden. Hij is recent vrijgelaten, na een jaar zitten in de gevangenis.
Een ander voorbeeld is een marinier die weigerde om aan boord van zijn schip te gaan, hij wordt nu vervolgd. Veel anderen vluchten naar Canada en vragen daar asiel aan. Ik weet niet precies hoeveel mensen dienstweigeren. Er wordt geschat dat het aantal dienstweigeraars zo'n 5.000 is, maar dat zijn niet allemaal mensen die weigeren omdat ze tegen de oorlog zijn, velen weigeren om persoonlijke redenen."

"Er zijn wel soldaten die helpen met de opbouw van scholen of weeshuizen. Kan je daar wat over vertellen?"

"Individuele soldaten willen vaak wel iets goeds doen, maar zolang er sprake is van een bezetting overschaduwt dat alle goede bedoelingen en heeft het weinig invloed wat je doet als individu. Ik heb met een soldaat gesproken wiens eenheid een school herbouwd heeft. Ze deden dat op eigen initiatief. Ze gaven de school ook benodigdheden zoals potloden, pennen, schriften e.d. Hij vertelde dat ze deze spullen allemaal van hun families thuis hadden gekregen. Het was geen initiatief van het Amerikaanse leger of van de regering, maar een initiatief van soldaten zelf, door henzelf betaald."
Ze noemt een ander voorbeeld: "Mijn eenheid heeft een keer toiletartikelen, snoep en snacks aan een weeshuis gegeven. Dit hadden we uit de VS gekregen, het was ingezameld door de liefdadigheid voor de soldaten, maar het was teveel voor ons en we hebben het uitgedeeld in een weeshuis. Ik kan nu wel denken dat ik iets goeds heb gedaan omdat ik een weeskind snoep heb gegeven, maar waarom is dat kind wees? Het zijn onze bommen die hun ouders hebben gedood, of de ouders zijn bij één van onze checkpoints doodgeschoten, of ze zitten in de gevangenis, omdat wij ze gearresteerd hebben…"

"Wie worden er in Irak gearresteerd door het Amerikaanse leger?"

"Het is voor Amerikaanse soldaten heel moeilijk om situaties in Irak goed te schatten. Onze eenheid had bijvoorbeeld geen vertalers tot de laatste maand dat we in Irak waren. We probeerden de situatie te beheersen en controleren, maar we wisten eigenlijk niet wat de situatie was, omdat we geen manier hadden om te communiceren.
Wat er vaak gebeurt is dat een Amerikaanse soldaat iemand verdenkt en vanwege de stress neemt hij/zij het zekere voor het onzekere en arresteert die persoon. Iemand anders moet dan maar uitzoeken hoe het zit. Ondertussen zitten er duizenden Irakezen in de gevangenis en dat aantal neemt toe. En niemand zoekt het uit. Er komen mensen vrij die nooit verhoord zijn, of soms wel, in het begin, maar dan zitten ze vervolgens nog tien maanden in de gevangenis voor ze vrijkomen. Dit is een groot probleem."

"Wat heb je geleerd over Irak voordat je erheen ging?"

"Mijn militaire training heeft in totaal zes maanden geduurd: twee maanden basistraining, daarna een medische training van drie maanden en vlak voordat ik naar Irak ging nog een training van één maand ter voorbereiding.
Voordat we naar Irak gingen kregen we een briefing van een uur over Irak. De man die ons voorlichtte zei: 'Ik ben nog nooit in het Midden Oosten geweest, maar let erop dat je niet met je linkerhand iemands hand schudt en het is daar normaal dat mannen elkaars hand vasthouden.' Het was afschuwelijk… Er is zo'n groot misverstand over de Arabische cultuur. Ik wist niks van Irak! Dit leidt tot zoveel miscommunicatie en misverstanden, tot geweld en escalatie van situaties."

"Wat is jouw achtergrond, kom je uit een militaire familie?"

"Nee, mijn vader heeft wel vier jaar bij de marine gezeten, hij is Vietnam veteraan. Maar hij was de eerste die me ontmoedigde om het leger in te gaan. Op het moment dat ik naar Irak werd uitgezonden is hij heel actief geworden in de anti-oorlogsbeweging. Hij is in december 2003 met een aantal militaire families en veteranen in Bagdad geweest. Ik zat toen ook in Irak, maar hij heeft daar uit de eerste hand van de Irakezen gehoord hoe ze de bezetting ervaren.
Het is eigenlijk ironisch dat ik in het leger ben gegaan. Ik was nogal liberaal en tijdens de laatste jaren van de highschool zat ik min of meer in de punk-scene, ik was erg anti-regeringsgezind en anti-autoritair."

"Was het niet moeilijk om in het leger te gaan als je niet van autoriteit houdt?"

Ze moet lachen: "Ik was een soort quasi punk. Toen ik eenmaal mijn basistraining kreeg hield ik me op de vlakte en daardoor had ik niet zoveel problemen met autoriteit. Dat viel me heel erg mee."

"Je bent het leger ingegaan om je opleiding te kunnen betalen…"

"Het grootste percentage mensen in de VS dat het leger ingaat doet dat om hun opleiding te kunnen betalen. Dit geldt voor mensen uit de middenklasse, de lagere klasse en voor de armen. Je hebt drie keuzes: je hebt rijke ouders, je krijgt een beurs, of je gaat het leger in.
De werving van het leger is echter misleidend. We geven met Iraq Veterans Against the War veel voorlichting op scholen. Wervers voor het leger beloven mensen tot 65.000 dollar voor hun opleiding, maar de meeste mensen zien dat geld niet. Ik heb zelf nooit het geld gekregen dat ik dacht te krijgen. Ik moest leningen afsluiten en uiteindelijk heb ik zelf voor mijn studie moeten betalen, waardoor ik nu schulden heb. We vertellen de leerlingen op high schools dat wervers dingen beloven die ze niet waarmaken. Het zijn verkopers, ze verkopen het leger, ze maken dingen mooier dan ze zijn. Ze vertellen niet de waarheid."

"Er zijn nogal wat mensen die de protesten tegen de oorlog als anti-Amerikaans bestempelen. Hoe zie jij dat?"

"Wij denken dat wat we doen juist pro-Amerikaans is, pro-mensheid. We proberen het doden te stoppen, inclusief het doden van onze eigen burgers.
Er zijn steeds meer mensen in de VS die het niet eens zijn met de politiek van de Bush-regering, vooral m.b.t. de oorlog in Irak. Maar de media zijn zo bevooroordeeld, ze laten nooit de tegenstanders van de oorlog aan het woord. Dit beeld gaat naar de rest van de wereld, daarom denken veel mensen dat iedereen in de VS Bush en de oorlog steunt.
De oppositie groeit, ook vanuit leden van de Senaat en het Congres.Vorige maand hebben 24 leden van het Congres een wet getekend waarin ze oproepen tot de onmiddellijke terugtrekking van de troepen uit Irak.

Ik woon zelf in Colorado Springs, dat is één van de meest conservatieve steden in het zuiden. We hebben een legerbasis, een luchtmachtbasis, een luchtmacht academie en een commandocentrum. Er ligt veel nadruk op de familie en op de christelijke coalitie, die erg rechts is. Er zijn veel fundamentalistische, christelijke groepen in Colorado.
Maar tijdens de verkiezingen was ik betrokken bij de Kerry-campagne om Bush uit het Witte Huis te krijgen. En ik was verbaasd over de hoeveelheid mensen die actief wilden worden en die van deur tot deur wilden gaan om mensen te overtuigen om te gaan stemmen. Door deze regering en door haar buitenlandse en binnenlandse politiek spreken mensen zich meer dan ooit uit en willen ze iets doen om Bush weg te krijgen."

Kelly Dougherty was begin maart in Dublin ter ondersteuning van vijf Ploegschaaractivisten, die op 3 februari 2003 een Amerikaans oorlogsvliegtuig hadden ontwapend op vliegveld Shannon. Op 7 maart begon het proces tegen de Ploegschaaractivisten.

"Wat vind je van de betrokkenheid van Ierland bij de oorlog?"

"Ik steun de actie van de mensen die nu terecht staan. Ze hebben deelgenomen aan een daad van burgerlijke ongehoorzaamheid om een misdaad tegen de mensheid en tegen de menselijkheid te stoppen. Het is belangrijk dat mensen in Ierland zeggen, dat vliegveld Shannon niet door de VS gebruikt mag worden als tankplaats voor oorlogsvliegtuigen. Bij elke succesvolle actie waar mensen zich uitspreken, worden meer mensen aangemoedigd en groeit de beweging tegen de oorlog."

Barbara Smedema



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Eerste Wereldoorlog -

De kleine vrede in de Grote Oorlog

Er zijn veel verhalen over het soldatenverzet tijdens Kerstmis 1914 aan het Westelijke front. Een nieuw boek analyseert het ontstaan en het verloop van dit verzet. December 1914, geen nieuws van het Westelijk front. Duitsers aan de ene kant en Belgen, Fransen en Britten aan de andere kant hebben zich, vaak slechts zo'n honderd meter van elkaar verwijderd, diep ingegraven in de kleigrond, afgeschermd door prikkeldraad. Deze linie loopt van de West-Vlaamse Noordzeekust tot de Zwitserse grens. In het noordelijke gedeelte van dit front gebeurt er tijdens de Kerstdagen iets onvoorstelbaars: het is er kortstondig vrede.

De aanzet hiertoe geven uitgerekend de Duitsers, die de oorlog in augustus begonnen waren. Borden worden omhoog gehouden, eerst door hen en dan door hun vijanden: frohe Weihnachten, merry christmas, we not fight, you not fight ... Het nieuws van de 'vrede' in Vlaanderen verspreidt zich als een lopend vuurtje door de loopgraven; soldaten leggen de wapens neer en gaan samen Kerstmis vieren. Kerstbomen worden neergezet in het niemandsland, met kaarsjes. De vijanden zingen kerstliederen, de woorden peace, Frieden en paix zijn te horen.

De volgende dag worden de doden, die al wekenlang in het niemandsland liggen, met gezamenlijk gebed naar eeuwige rustplaatsen gebracht. En men ruilt tabak, pijpen, plumpudding, sigaren, rum, vaten bier, schnaps en wijn. De mannen tonen elkaar foto's van hun familieleden, praten over heimwee, en dat de oorlog maar snel voorbij mag zijn. Er wordt zelfs gevoetbald.

De legerleiders, ver verwijderd van elk schot in hun generaalsstaven, worden echter onrustig van deze vrede. Er dreigt een vrede te groeien van onderop, tegen de wil van bovenaf. Zij dreigen daarom met strafmaatregelen en geven het bevel om weer te gaan schieten. Op de derde dag gebeurt dat dan ook aarzelend: de bloedige slachtpartij begint van voren af aan.

De Grote Oorlog van 1914 tot 1918 heette toen nog niet Eerste Wereldoorlog omdat niemand zich een tweede kon voorstellen. Het conflict zou zich nog jaren voortslepen en rond negen miljoen mensen het leven kosten.

Het boek De kleine vrede in de Grote Oorlog van Michael Jürgs beschrijft dit 'wonder in niemandsland' van Kerstmis 1914. (noot 1) Het was de eerste belangrijke uitdrukking van soldatenverzet gedurende de Eerste Wereldoorlog. Het was een voorbode van de latere muiterijen in bijvoorbeeld Frankrijk (1917) en de soldatenraden in Rusland (1917) en Duitsland (1918/19). Het zeer lezenswaardige boek van Jürgs levert een bijdrage aan het begrip van het ontstaan, het verloop en het succes (of juist het gebrek aan succes) van soldatenverzet.

Nederlaag

Het uitbreken van de wereldoorlog was een grote nederlaag voor de Europese arbeidersbeweging. In weerwil van plechtige uitspraken op congressen van de Tweede Internationale lieten de leiders van de socialistische partijen zich verrassen door nationalisme en oorlogshitsers. Niet zelden speelden ze daar zelf een stimulerende rol in. Er kwam geen oproep aan de eigen achterban om thuis te blijven, een algemene staking tegen de oorlog kwam niet van de grond en de mobilisatieoproep werd niet beantwoord met een oproep deze om te zetten in een aanval op het establishment.

Slechts enkele dagen voor het uitbreken van de oorlog werd in Londen door honderdduizenden tegen de oorlog geprotesteerd, meer dan waar ook. In Parijs en Berlijn waren slechts enkele duizenden op de been, merendeels pacifistische socialisten of sociaal-democraten. Van de machtige SPD-fractie hield alleen Karl Liebknecht de rug recht en stemde tegen de voorgestelde oorlogskredieten.

De Sociaal-Democratische Partij Duitsland bedreef voor deze oorlog wel antimilitaristische propaganda en verspreidde socialistische opvattingen onder de voor dienstplicht in aanmerking komende jeugd en de soldaten, maar ze stelde zich uitermate voorzichtig op. Desondanks kwam het regelmatig tot rechtszaken tegen socialistische agitatoren. Om die te voorkomen verwees de partijpers over het algemeen naar de leiders in het parlement, die onschendbaarheid genoten. De censuur zorgde naast een groeiende invloed van de parlementsleden voor een toenemende centralisatie van de macht en een conservatieve bureaucratische laag in de partij. Opvallend was aan de opvattingen van de sociaal-democraten over het leger, dat door de gestage groei van de arbeidersklasse en de sociaal-democratie het leger steeds 'roder' zou worden. Dat werkte een afwachtende houding in de hand. Soldatenwerk achtte de SPD minder belangrijk en het stelde dan ook niet veel voor. Toch was er wel iets blijven hangen van de antimilitaristische sentimenten.

In Duitsland werd Russische agressie als oorzaak voor de oorlog voorgesteld, omdat de Duitse bevolking, vooral de sociaal-democraten, die bij de laatste verkiezingen veruit de grootste partij waren geworden, zich tegen een Duitse aanvalsoorlog zou keren. Ook hier was het gezegde 'het eerste slachtoffer van elke oorlog is de waarheid' van toepassing.

Geestdrift neemt af

In december 1914 was de oorlog enkele maanden aan de gang. De gevechten waren intensief en langdurig. De weersomstandigheden waren zeer slecht, regen en kou volgden elkaar onophoudelijk op. De bewegingsoorlog was al lang verzand tot een stellingenoorlog en de legerleiding aan beide kanten bleef de soldaten opjagen steeds opnieuw aan te vallen. Regeringen en legerleiding hoopten op een snelle doorbraak en het spoedig verdrijven van de vijand. Dit ging ten koste van vele duizenden mensenlevens.

Bovendien moesten de soldaten rekening houden met strenge strafmaatregelen. Wie tijdens de wacht in slaap viel wachtte een keihard oordeel van de militaire rechters: dood door de kogel. In december was in heel Europa reeds sprake van een miljoen doden. Het veelgehoorde 'thuis voor de Kerst' van augustus hoorde men nu nergens meer.

Het enthousiasme voor het voortzetten van de strijd begon te luwen. Op veel plaatsen schoten de soldaten begin december 1914 alleen nog maar op afgesproken tijdstippen. De aanvallen vonden voornamelijk 's nachts plaats. Af en toe spraken tegenstanders bij de voorbereidingen voor nachtelijke aanvallen met elkaar af zo hard te praten dat de andere kant op tijd gewaarschuwd zou zijn. Dat ging echter slechts goed tot ze afgelost werden. De nieuwe lichting wist immers niets van deze geheime afspraak. Ook schoot men niet tijdens het ontbijt en werd niet aangevallen bij een bezoek aan de latrines: sterven met de broek op je knieën was onmenselijk.

Tussendoor waren hier en daar gesprekken tussen soldaten van de verschillende nationaliteiten. Dat was niet moeilijk want het niemandsland was doorgaans minder dan 100 meter breed. De soldaten zongen liederen en soms ruilden ze van het thuisfront ontvangen goederen zoals Duitse sigaren tegen blikjes Engels vlees. Dit was vooral het geval als de Duitse regimenten uit Beieren of Saksen kwamen. Die soldaten waren niet zo fanatiek als de Pruisische, die bekend stonden om hun genadeloze strijdlust.

Aan beide zijden waarschuwde de militaire top dat dit soort verbroedering absoluut verboden was. Daarom ook bleef de legerleiding aandringen op korte tactische aanvallen. De aanvalsmentaliteit van de soldaten mocht niet verminderen. Dit leidde tot vele nachtelijke patrouilles door niemandsland, zonder duidelijk doel, waarvan de soldaten het nut sterk betwijfelden. Het resultaat was een verdieping van de kloof tussen soldaten en militaire staf. Dit zou het verbindende element vormen voor de verbroedering op Kerstavond 1914. Engelse Tommy en Duitse Fritz realiseerden zich meer en meer dat ze in hetzelfde schuitje zaten.

Verbroedering

De gewone soldaat voelde dat hij meer gemeen had met zijn broeder aan de andere kant van het front dan met zijn commandanten in de hoofdkwartieren in het achterland. De Duitse keizer Wilhelm II was familie van het Britse koningshuis en die onderhielden tot vlak voor de oorlog zeer hartelijke betrekkingen. Nu leidden beide vorstenhuizen maandenlang hun mannen naar de slachtbank.
De officieren behoorden tot een andere klasse dan de arbeiders en boeren in de loopgraven. Terwijl de manschappen in de loopgraven tot hun knieën wegzakten in de modder zaten de generaals aan de ganzenleverpastei.

Oorlogsmoeheid en het verlangen naar vrede, versterkt door de oorspronkelijke ideeën van het Kerstfeest, brachten de soldaten dichter bij elkaar. Het eerste wat gebeurde was het begraven van de doden. Gesneuvelden bleven vaak wekenlang op het land tussen de loopgraven liggen, waar de lijken in de modder tot ontbinding overgingen. Met Kerstmis 1914 werden aanvankelijk de doden nog apart begraven. Spoedig gingen de soldaten de doden zonder onderscheid naar nationaliteit begraven, waarbij ze gemeenschappelijke herdenkingsdiensten hielden. Daarna was het tijd voor feest. Jürgs schrijft over een kerstpicknick waarbij de Duitsers in beslag genomen vaten bier leverden voor het feestmaal. Boven een kampvuur werd een heel varken gebraden.

Dergelijke ontmoetingen kwamen volgens Jürgs in de Kerstdagen van 1914 op grote schaal voor. Hij deed onderzoek in tal van archieven, zoals het Flanders Fields Museum in Ieper en het Imperial War Museum, en maakte gebruik van dagboeken, verslagen van het front, eerder verschenen studies en bandopnamen van oude veteranen. Helaas beschikt het boek niet over een notenapparaat. Jürgs getuigt in zijn boek van grote betrokkenheid. Hij schrijft in reportagestijl, waardoor de lezer zich aanwezig waant.

De soldaten wisselden met elkaar van gedachten, vaak met behulp van tolken, door middel van lichaamstaal of simpelweg door het doorgeven van kiekjes van hun vrouwen, kinderen of ouders. De grote parallellen tussen hun leven van voor de oorlog werden duidelijk. Een arbeider uit de scheepsbouw in Glasgow of Liverpool voelde meer verwantschap met een collega uit Hamburg of Kiel dan met zijn eigen officieren, wier taal hij wel sprak maar die hij niet begreep. Voor het geval dat ze de oorlog zouden overleven, wisselden mannen adressen uit.

Duitse Engelsen of Engelse Duitsers waren overal aan het front initiators van het Kerstbestand. Niet zelden hadden ze familie in het land van hun tegenstander. Beloftes werden gedaan om na de oorlog de familie weer op te zoeken.

De Franse en Belgische soldaten dachten bij het horen van kerstliederen gezongen door de Britse soldaten niet in eerste instantie aan vrede, maar aan verraad. Zij konden niet meezingen met Home, Sweet Home, hun land was grotendeels door de vijand bezet. Franse en Belgische officieren traden hard op bij gevallen van fraternité. Officieren werden van hun post ontheven, compagniescommandanten werden gedegradeerd tot gewoon soldaat. Drie dagen na Kerstmis werden alle foto's die de Franse soldaten hadden genomen geconfisqueerd om te voorkomen dat de ongewenste fraternité bekend zou worden. Ook werd de post van de soldaten doorgenomen op berichten over verbroedering.

Ondanks de aanvankelijke aarzelingen bij de Franse en de Belgische soldaten en de repressie, vond er ook tussen hen en de Duitse soldaten verbroedering plaats. Als op Eerste Kerstdag de Duitsers zonder aankondiging vooraf uit hun loopgraven klimmen en onder gezang en geroep van 'Kameraden, Kameraden' op hen af marcheren, laten ook Belgische soldaten op diverse plaatsen de wapens zakken, verlaten hun stellingen en gaan de verbroedering aan.

Persvrijheid?

Vooral in de Franse pers verschenen artikelen die het moreel moesten opvijzelen. Wat destijds 'plicht jegens het vaderland' werd genoemd, heet nu 'embedded journalism', maar het een heeft net zo min als het ander veel met journalistiek te maken. Brieven van soldaten over de werkelijke omstandigheden aan het front plaatsten de kranten niet. Dat gold evenzeer voor verbroedering aan het front. De Duitse sociaal-democratische krant Vorwärts publiceerde brieven van frontsoldaten, maar ook zij was voorzichtig om de autoriteiten niet voor het hoofd te stoten.

In de officiële regimentsjournalen van alle strijdende partijen tonen beknopte aantekeningen tussen 24 en 27 december wat er werkelijk aan het Duits-Franse front gebeurde: bijna niets. Geen gevechten, geen doden en er was geen land gewonnen of verloren gegaan. Dagboeken mochten eigenlijk niet bijgehouden worden. Privé-notities konden bij gevangenneming waardevolle informatie opleveren voor de vijand. Toch heeft Jürgs er vele kunnen inzien.

Van de verbroedering tijdens de Kerst zijn wel foto's bewaard. Verscheidene foto's zouden vanaf het front het thuisfront bereiken. In de Britse pers verschenen foto's van het kerstwonder op de voorpagina van verschillende kranten. Waarschijnlijk hadden de Britse autoriteiten hier minder moeite mee. Zoals Modris Ekstein in zijn boek The Rites of Spring uitlegt, pasten de foto's en tekeningen in het Britse beeld dat alles één gigantisch, inmiddels wel erg bloederig maar uiteindelijk toch sportief spel tussen gentlemen was. Die zichzelf, kijk aan, ook bij het doden even pauze gunden. (noot 2)

Repressie

Soldaten en (onder)officieren die deel genomen hadden aan de verbroedering moesten rekening houden met strenge straffen. Bovendien trok de Britse legerleiding de verloven in. Er was geen enkele compassie met de angst van de mannen. Shellshock, het granaattrauma, was bij de militaire artsen wel bekend, maar zij beschouwden deze oorlogsneurose als te genezen met enkele dagen of weken rust. Enkele Engelse officieren gingen zover dat ze geestelijk gestoorden gedurende dertig seconden in het niemandsland aan het prikkeldraad bonden: op die wijze zouden ze snel over hun angstaanvallen heen zijn en weer gezond worden.

De Duitse officieren beriepen zich op het motto van Frederik de Grote: 'Niets gaat sneller verloren dan de tucht en de vaardigheden van de soldaten wanneer men hen niet van tijd tot tijd hun lesje laat opzeggen.' Soms dreigden de officieren zelfs op de soldaten te schieten, als die niet onverwijld hun wapens pakten en hun posten in de stellingen innamen. Maar als de soldaten schoten, deden ze dat over de hoofden van de vijand heen. Het was een gemeenschappelijke poging om 'de sterren van de hemel te schieten'.

Al in januari 1915 werden de eerste aanklachten wegens ongeoorloofde verbroedering bij de militaire gerechtshoven aanhangig gemaakt. Aan beide kanten. Veel rechtszaken vonden echter niet plaats, niet alleen omdat de aangeklaagde voor de aardse justitie niet meer te pakken was. Veel zaken eindigden met een verrassende uitspraak, hoewel de hoge Britse, Duitse en Franse officieren er eigenlijk allemaal hetzelfde over dachten en allemaal deel uitmaakten van de antivredesbeweging. Het liefst hadden ze een paar doodstraffen laten uitdelen om de mannen eens en voor altijd te waarschuwen dat ze niet moesten zeuren omdat het oorlog was, en geen vrede.

Waarop verliep het Kerstbestand?

De volgende stap – bespreken wat men samen zou kunnen ondernemen om verder bloedvergieten te voorkomen – werd niet gezet. Men was blij met de tijdelijke vrede, maar dacht er verder niet over na, het bleef een kwestie van gevoel. Waren de soldaten bang voor hun meerderen? Kon geen van hen bedenken hoe je een oorlog moest stoppen? Waren ze bang voor lafaards uitgemaakt te worden? Stanley Weintraub concludeert, evenals de Britse historicus Malcolm Brown, dat de korte duur van het bestand voornamelijk te wijten is aan de grote rol van het leger in het verleden. Iedereen was gewend aan de militaire discipline. Men wist dat men weer zou moeten vechten en genoot daarom des te meer van deze adempauze. (noot 3)

Het zeer uitzonderlijke Kerstbestand duurde een paar dagen, een paar weken, en in sommige sectoren zelfs bijna een jaar, tot het volgende Kerstfeest. In de stellingenoorlog om Ieper ging weliswaar zelden een nacht voorbij zonder slachtoffers aan beide zijden, maar in andere sectoren bleef het blijkens aantekeningen in de regimentsjournaals soms maandenlang rustig en hoefden geen doden te worden verantwoord. Wie bijvoorbeeld vanaf maart 1915 bij Festubert in de loopgraven gelegerd was, bleef van oorlogshandelingen praktisch gevrijwaard. Beide zijden concentreerden zich op de versteviging van de eigen loopgraven zonder die van de tegenstander aan te vallen. De soldaten die hier lagen, brachten hun tijd liever door met lezen en schrijven van brieven.

In 1915 vond nogmaals een verbroedering plaats, maar op kleinere schaal. Tien dagen voor Kerst nam de Britse generale staf maatregelen om herhaling te voorkomen. Iedere peletonsleider, compagniescommandant of regimentscommandant was verplicht de geringste aanzet tot verbroedering en 'loopgravenvriendschap' te verhinderen. Degradatie, en daarmee een einde aan de militaire carrière, was nog de lichtste straf. Andere middelen waren de krijgsraad en de doodstraf. De legerleiding beval de artillerie om vanaf zonsopgang kanonvuur te geven op alle vijandelijke loopgraven.

Dat bevel negeerden de manschappen. Er werd nauwelijks geschoten, maar er waren van de andere kant ook weinig soldaten die hun loopgraven uitkwamen om de vijand de hand te schudden. Toch namen de soldaten ook nu soms in sommige sectoren voor 24 uur een wapenstilstand in acht. Met Kerst 1916 hielden sommigen nog steeds de herinnering aan het Kerstbestand van 1914 levend.

De grote vraag blijft natuurlijk waarom het Kerstbestand van 1914 niet doorzette? Waarom zetten de soldaten deze werkonderbreking niet om in een permanente staking? Jürgs noemt verschillende redenen. De belangrijkste is de repressie door de legerleiding. Wellicht was vaak de dreiging met zware straffen inclusief de doodstraf al voldoende. Ironisch genoeg werd de doodstraf relatief gezien weinig ten uitvoer gebracht. Daarnaast deed de legerleiding ook concessies door het aflossen van de troepen.

Een andere oorzaak was het doorgaan van de oorlog. Er was geen vuurpauze meer. Het nationalistische gif was niet plotseling geheel afwezig. In andere sectoren gingen de vijandelijkheden gewoon door. Grote delen van België en Frankrijk waren nog steeds bezet. In 1915 werd voor het eerst gebruik gemaakt van gifgas. De negatieve beeldvorming over de Duitsers kreeg een impuls door het tot zinken brengen van het Engelse passagiersschip Lusitania in mei 1915 door Duitse onderzeeërs. Daarbij waren 1.400 slachtoffers gevallen en de haat tegen de Duitsers was sterker dan ooit.

Soldatenraden

Wat Jürgs niet noemt is de afwezigheid van een georganiseerde inbreng van socialistische organisaties. Veel soldaten, in het bijzonder de oudere, hadden wel een elementair vakbondsbewustzijn. Het Kerstbestand was een uitdrukking van onvrede met de 'arbeidsomstandigheden' aan het front. Soldatenverzet is meestal kortstondig van aard. De remedie is, zeker als verzet massale vormen aanneemt, vaak een combinatie van repressie en concessies. Om de doelen van de militaire inzet ter discussie te stellen moet de agitatie op een hoger niveau gebracht worden. Daarbij kunnen socialistische propagandisten vanzelfsprekend rekenen op ongezonde belangstelling van de legerleiding.

Dat het niet onmogelijk is hebben de bolsjewieken aangetoond met hun al in een vroeg stadium van de oorlog ontplooide activiteiten onder soldaten en matrozen. Net als aan het westelijke front vond aan het oostelijke front tijdens Kerst op kleinere schaal verbroedering plaats, tussen Oostenrijkse en Russische soldaten. (noot 4) Een onverzoenlijke houding ten aanzien van de doelen van het conflict, gecombineerd met een juiste houding van de manschappen door de uitgave van eigen bladen, resulteerde gedurende het verloop van de oorlog in het ontstaan van soldatenraden. Juist doordat de radicale Russische socialisten onder leiding van Lenin en Trotski in staat waren de manschappen te neutraliseren of zelfs voor zich te winnen ontstond de revolutie van 1917, en de beëindiging van de Eerste Wereldoorlog aan het oostfront.

Ron Blom



Noten:

  1. M. Jürgs, De kleine vrede in de Grote Oorlog. Kerstmis 1914 aan het westelijk front, Amsterdam 2004. € 25,-
    Terug naar tekst
  2. M. Ekstein, Rites of Spring. The Great War and the Birth of the Modern Age, Boston/New York 2000.
    Terug naar tekst
  3. M. Brown en Shirley Seaton, The Christmas Truce, Londen/New York 1984.
    Stanley Weintraub, Silent Night. The Remarkable 1914 Christmas Truce, New York 2001.
    Terug naar tekst
  4. M. Ekstein, Rites of Spring, p. 109-114.
    Terug naar tekst


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Column -

Spektakel

Het martelen van gevangenen in Irak door de Amerikaanse strijdkrachten gaat kennelijk onverminderd door. De American Civil Liberties Union stelde onlangs dat veel van de geaccepteerde ondervragingsmethoden ernstige schendingen van de conventies van Genève inhouden. Voorbeelden zijn het systematisch verstoren van de slaap en het hanteren van extreme hitte en extreme koude.

Dat er veel verzet is van de bevolking tegen de Amerikanen is dan ook geen wonder. En evenmin dat daarbij niet uitsluitend nette methoden worden gebruikt. En helaas ook niet dat de Nederlandse overheid de Amerikaanse smerigheden accepteert en het verzet daartegen afkeurt. Zoals gebruikelijk wordt voor dat verzet dan al gauw de modieuze term terrorisme van stal gehaald.

Op het ogenblik is in Rotterdam de berechting gaande van Irakezen die van terrorisme verdacht worden. De hoofdverdachte wordt er van beschuldigd betrokken te zijn bij een aanslag op Amerikaanse troepen in de Iraakse stad Fallujah. Men herinnere zich het moorddadige optreden van de Amerikanen tegen de bevolking van die stad, dat in de buurt van totale uitroeiing kwam. Dat is volgens Nederland niet misdadig en het gewelddadige verzet daartegen wel. De Nederlandse justitie spreekt daarbij van "voorbereidingshandelingen voor moord". Deze terminologie lijkt me niet onjuist, maar men moet dan wel erkennen dat het om een reactie op gepleegde massamoord gaat.

Een andere visie is geopperd door de advocaat van deze verdachte, namelijk dat het hier oorlogsgeweld tussen twee partijen betreft. En dat is in onze cultuur, afgezien van extreme overdrijvingen, wederzijds fatsoen en dus vér verheven boven het ordinaire terrein van misdaad en strafrecht.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Toen en toen -



VeeDee
juni 1985

Gristenen

"Volgens mij hoorde ik hem iets zeggen als 'dienstweigeraars zijn jonge mensen, 18 jaar. Ze willen niet leren doden in het leger. Want dat leer je in het leger. En als de heer Luns zegt dat de mens slecht is, dan kunnen wij dat niet geloven.'

Dat mij deze onthulling geopenbaard werd ligt aan de afstandsbediening van de tv. Ik raas wat zenders langsop zoek naar vertier en weet meestal feilloos wat ik uit moet gooien. Dat is normaal gesproken de EO. Programma's daarvan herken je, zonder dat je vantevoren weet dat ze uitzenden,aan de benepen verwrongen gezichten en de bedompte pisgeur die onweerstaanbaar uit de kieren van je toestel lekt.

Nu was het een jongerenprogramma. Ik hield het aan omdat ik Flip ten Cate meende te herkennen. Gewaardeerde radikaal van onze klup. Maar liefst in diskussie met de broer van de broer, een Gristelijke gespreksleider die de seniele reaktionair flankeerde, links drie eenzame dienstweigeraars en rechts 50 WA-ers van Constructief Jong Nederland, schat ik zo. De regie was zodanig dat elke orale uitscheiding van Luns goed overkwam, danig ondersteund door de claque van CJN-ers. Kortom, wij dienstweigeraars stonden daar mooi voor gek.

Ik begrijp wel dat iemand als Flip niet tevreden is met het zeer beperkte medium VeeDee, laatst nog een hele pagina Vervolg, hierover geen kwaad woord, en gezwicht is voor het idee van een massapubliek. Van Gristenen dan wel, normale mensen kijken nieten vader haalt alleen als Gods eigen omroep omroept de buis uit de kast. Dus wat is er gewonnen? Misschien alleen het bewijs van één van de hoekstenen van het Gristelijk geloof, namelijk dat de mens slecht is. Als ik ze zo bij elkaar zie moet ik ze helaas, geloof ik, gelijk geven."

Huub Sanders




AMOK
juni 1985

Van damesbeweging en bewegende mannen

"(..) Vrouwen zijn op verschillende manieren betrokken geraakt bij de anti militaristiese en vredesstrijd. (..) De grootste organisatie op dit moment [is] Vrouwen voor Vrede. Deze organisatie bestaat uit een landelijk secretariaat en autonome groepen door het hele land, die erg divers zijn in achtergrond, visie en aktiviteiten. De aanvankelijke bedoeling was vrouwen een plek te bieden voor een soort inhaalmanoeuvre die ze moest scholen in theorie, diskussiëren, akties verzinnen en doen. Na die periode zouden ze mee kunnen draaien in de gemengde beweging. Vrouwen gingen bij Vrouwen voor Vrede om deze en vele andere redenen: de afschuw van de dreiging van zoveel vernietigingskracht, en de wil om daar iets aan te veranderen; om anderen aan te sporen in verzet te komen; vanuit het gevoel hoedster van de aarde en het leven te zijn; vanuit haar moederschap het niet kunnen en willen accepteren dat de wereld met vernietiging bedreigd wordt; mannen willen wakker schudden uit hun machts- en oorlogsdromen. Onder invloed van de feministiese beweging veranderden de inzichten en doelen van Vrouwen voor Vrede. Het besef dat opheffing van de machtsongelijkheid tussen mannen en vrouwen in de samenleving een kwestie zou zijn van het verheffen van vrouwen tot het "nivo" van mannen, verschoof naar juist erop staan dat zogenaamd vrouwelijke waarden ook in het openbare leven meer erkenning krijgen. Voor veel Vrouwen voor Vrede zijn haar groepen een plek waar emansipatie en gestalte geven aan je vredesideaal samengaan. Daarnaast ontstonden er begin jaren tachtig ook binnen de anti militaristiese beweging aparte vrouwengroepen. Deels bestonden die uit vrouwen die ook in gemengde groepen aktief waren; deels uit vrouwen die uit andere delen van de vrouwenbeweging kwamen. De eerste kozen voor vrouwengroepen omdat werken met overwegend mannen de frustraties met zich meebrengt van moeilijk aan het woord kunnen komen, op sommige punten niet serieus genomen worden, van eenzijdig aangesproken worden op ondersteunend werk, weinig aandacht voor de emotionele kanten van het werk en jezelf, en omdat ze vinden dat vrouwen op een spesifieke manier betrokken zijn bij het antimilitarisme.
Vanuit deze motivatie zijn vrouwen ook gaan wonen in vrouwenvredeskampen.

(..)
Terwijl de meeste dames binnen de beweging het al heel lang eens zijn over de verschillende kritiekpunten (..) is het in antimilitaristies mannenland op een enkele uitzondering na uitermate rustig. De reakties op feministiese uitspraken variëren van instemming via beleefd zwijgen tot pogingen ze te ontkrachten. (..) Alles dat over seksisme, feminisme, vrouwen in het leger, enzovoort gaat, [wordt] door veel mannen naar vrouwen in de beweging afgeschoven. Naar ik vermoed ten dele uit een ongemakkelijk gevoel over hun eigen betrokkenheid en ten dele omdat het wel zo handig is zo."

Marjan Kuijs



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina




Recensies Recensies Recensies
Recensies Recensies Recensies
Recensies Recensies Recensies






Kenneth M.Pollack
The Persian Puzzle
New York : Random House
2004
pp 539, register, bibliografie, kaarten en noten
ÍSBN: 1-4000-6315-9, $26.95


Kenneth Pollack is een voormalige CIA-analist die in de jaren negentig onder president Clinton een belangrijke rol speelde in de Amerikaanse Nationale Veiligheidsraad. Daar was hij verantwoordelijk voor het Iranbeleid. Dat verklaart ook de zeer praktische functie van dit boek: namelijk het beïnvloeden van Amerikaanse beleidsmakers. Dat is op dit ogenblik interessant omdat een confrontatie met Iran over haar nucleaire programma in de komende maanden niet onwaarschijnlijk is.

De eerste elf hoofdstukken bestaan uit een overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen uit de Iraanse geschiedenis. Die beschrijving valt weer in twee hoofddelen uiteen: de periode tot de Iraanse revolutie in 1979 en die daarna tot 2004, toen de eerste stappen naar de huidige confrontatie al waren gezet. Het eerste deel gaat na een verplicht uitstapje naar de geboorte van Perzië en de interactie met de koloniale mogendheden van de negentiende eeuw, vooral over de twintigste eeuw. Daarbij staat logischerwijs vooral de relatie met de VS centraal waarvan de voorgeschiedenis dient als verklaringsgrond voor de huidige politiek. Een steeds terugkerend element in Pollacks geschiedschrijving is de relatieve onschuld van de Amerikaanse politiek en de nationalistische obsessie van de opeenvolgende Iraanse regeringen. Dat geldt ook voor een van de duidelijkste voorbeelden van interventie na de Tweede Wereldoorlog, namelijk de coup tegen de nationalistische premier Mossadeq in 1953. Deze Amerikaanse operatie had vermeden kunnen worden als Mossadeq maar een ander beleid had gevoerd, stelt Pollack. Ook in de daaropvolgende jaren wordt de steun voor de Sjah, jarenlang de heerser van Iran, omschreven in termen die Amerikaanse verantwoordelijkheid minimaliseren, of wordt zelfs door Pollack beweerd dat de VS een rem was op diens ambities. Deze beeldvorming is van groot ideologisch belang voor de beleidsconclusies van het boek. Een hoofdstuk over de achtjarige oorlog (1980-88) met het Irak van Saddam Hoessein is nuttig omdat de invloed die deze episode heeft op de huidige machthebbers nogal eens wordt onderschat in de media.

De uitgebreide beschrijving van de recente geschiedenis is gebaseerd op een groot aantal publicaties en gedetailleerde kennis van zaken. Door Pollacks eenzijdige kijk verdwijnen de Amerikaanse belangen echter grotendeels uit zicht of worden afgedaan als een soort bijkomstigheid in de gebeurtenissen. Dat maakt nogal uit in het laatste deel van het boek, dat in essentie een beleidsadvies geeft als antwoord op de vraag: hoe kan Iran het beste onder druk worden gezet?

Dat is belangrijk voor degenen die vooral de actuele gebeurtenissen rondom Iran willen begrijpen. Bij een confrontatie met Iran zal de eerste vraag zijn of we te maken hebben met een simpele herhaling van de eerdere Amerikaanse aanvalsoorlog tegen Irak, dan wel een noodzakelijke en gerechtvaardigde reactie op het agressieve beleid van Iran. Dat laatste is zeker de visie van Pollack. Een kritische visie op de Amerikaanse politiek zal de lezer tevergeefs zoeken in dit boek. Het wordt gekenmerkt door een ideologische visie die alleen binnen strak afgebakende grenzen opereert. Die grenzen houden in dat zoiets als een Amerikaans imperiaal belang niet bestaat en dus ook niet besproken hoeft te worden.

Als Pollack bijvoorbeeld schrijft over een bepaalde wending in de Iraanse politiek, dan wordt die altijd verklaart uit een ingebouwde agressiepolitiek, een radicaal jihadistische politiek die streeft naar de export van islamitische revolutie. Als dat als een gegeven wordt aanvaard voor het verklaringsmodel, dan komen andere zaken niet meer aan de orde. Dat heeft weer tot gevolg dat de Iraanse politiek wordt gereduceerd tot een beheersingsprobleem: hoe kan Iran worden gepacificeerd? Tijdens de aanloop naar de vorige oorlog tegen Irak schreef Pollack ook een boek: The Threatening Storm. Dat was gebaseerd op de aanname dat Irak kernwapens zou aanschaffen. In een voetnoot geeft Pollack ruiterlijk toe dat hij zich 'vergist ' heeft. Deze korte zin is een duidelijke indicatie van de ideologische vooringenomenheid of wellicht blindheid van P. Het is merkwaardig als Pollack achteraf, met alles wat in het voorjaar van 2004 al bekend was, de immense misleidingcampagne van de VS regering om ons te overtuigen dat er Iraakse massavernietigingswapens waren, afdoet als een vergissing.

Om die reden moet de slotargumentatie van Pollack in het laatste hoofdstuk met de nodige argwaan, maar ook zorgvuldig worden gelezen. Daar zet hij immers systematisch de mogelijkheden uiteen om Iran onder druk te zetten. Dat zijn mengelingen van sancties en strafmogelijkheden als Iran niet inbindt op het terrein van vrede in de kwestie Palestina (het VS beleid volgen), export van terrorisme (geen ondersteuning van Hezbollah in Libanon) en het ontwikkelen van een atoombom (geen kernwapens, alleen nucleaire technologie die niet kan worden gebruikt voor kernbomontwikkeling). Pollacks recepten zijn gebaseerd op zijn ervaring in de Clinton regering toen de VS te geïsoleerd handelden. Wat voor combinatie van sancties en beloningen er ook worden bedacht, ze moeten in nauwe samenwerking met andere landen worden uitgevoerd. Daarmee verwijst hij naar coalities die hij noodzakelijk acht om het Iraanse beleid te beïnvloeden, waarbij opmerkelijkerwijs de steun van China en Rusland cruciaal zijn, maar tegelijkertijd twijfelachtig, in Pollacks visie. Interessant is dat Pollack erkent dat een grondinvasie van Iran een bijzonder slechte optie zou zijn omdat ze grote weerstand zou oproepen in Iran en dat luchtaanvallen niet de gehele nucleaire infrastructuur zouden uitschakelen. Een zelfstandige Israëlische luchtaanval houdt hij op militair-technische gronden voor onmogelijk. Daarom lijkt hij een sterke voorkeur te hebben voor een containment beleid, een mengeling van sancties en diplomatie die niet alleen gericht is tegen Iran zelf, maar ook allen die handel met haar drijven of daar investeren. Dat laatste is vooral voor de bondgenoten van de VS van belang: de EU voorop. De door Pollack gewenste lijn, om samen met de bondgenoten tegen Iran op te trekken is wellicht de belangrijkste conclusie, omdat die ook het dichtst in de buurt komt van het huidige beleid.
(KaKo)



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina





Wapenhandel
Samenstelling: Frank Slijper

Voor meer informatie over Nederlandse wapenhandel en -industrie: ga naar www.stopwapenhandel.org



Wereldwijde defensie-uitgaven boven de 1 biljoen dollar

Militaire bestedingen zijn de afgelopen jaren naar hoogten gestegen die doen denken aan de Koude Oorlog. Geschoond voor inflatie werd afgelopen jaar de piek van eind jaren tachtig bijna geëvenaard. Volgens de onderzoekers van het Zweedse instituut SIPRI passeerden de defensie-uitgaven in 2004 de symbolische grens van 1 biljoen – oftewel 1.000 miljard – dollar (in euro's een slordige 825 miljard).
Terwijl de uitgaven van het voormalige Oostblok de afgelopen 15 jaar drastisch zijn gedaald, hebben Europa en vooral de VS hun aandeel in de wereldwijde bestedingen flink opgevoerd. De oorlog tegen het terrorisme en die in Irak zijn natuurlijk belangrijke factoren daarin. Washington alleen neemt bijna de helft van het internationale defensiebudget voor zijn rekening. De landen van de EU nog eens grofweg een kwart. Resteert nog zo'n 250 miljard dollar voor de rest van wereld.




Schulden en bewapening

Waanzinnige bedragen als je bekijkt wat bijvoorbeeld aan ontwikkelingshulp wordt besteed. In 2004 gaf het rijkere deel van de wereld daar 78,6 miljard dollar aan uit. En zo bezien is de recente kwijtschelding van 40 miljard dollar aan schulden van 18 arme landen in Afrika en Latijns Amerika door de G-8, de acht rijkste industrielanden, niet veel meer dan een aardige fooi.
Bovendien, op een andere manier stroomt het geld uit de Derde Wereld alsnog naar het Westen. De dag nadat het schuldenakkoord was beklonken wees The Observer Tony Blair er fijntjes op dat de Britse wapenexporten naar Afrika tussen 1999 en 2004 verviervoudigd zijn. Ze bedroegen over die periode grofweg 1 miljard Britse ponden (1,5 miljard euro). Naast omvangrijke exporten naar Zuid-Afrika, Nigeria en Angola, gaven de Britten ook toestemming voor wapentransporten naar Somalië, Malawi, Algerije, Soedan en Ethiopië.




Wereldwijde wapenhandel

In het nieuwste SIPRI-jaarboek als vanouds veel interessante tabellen met cijfers over onder meer de wapen in- en uitvoer. Na een verblijf van enkele decennia in de top tien valt Nederland daar met een twaalfde plek nu voor het eerst buiten, overigens op kleine achterstand van nummer 7, Canada. Wat dat betreft blijft Nederland een 'subtopper'.
Opvallend is verder dat volgens SIPRI Rusland momenteel 's werelds grootste wapenexporteur is, op de voet gevolgd door de VS. Rusland heeft die plaats deels te danken aan zijn goede banden met twee opkomende militaire machten: China en India. Rusland en de VS nemen samen 63 procent van de wereldmarkt voor hun rekening, gevolgd door Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk met elk zo'n 5 procent.
Aan de importkant voeren inderdaad China en India de lijst aan, op enige afstand gevolgd door Griekenland. Traditioneel staat Egypte ook hoog genoteerd. Deze zesde grootste wapenimporteur heeft dat deels te danken aan Amerikaanse miljarden steun. Ook Nederland levert zijn bijdrage aan de voortgaande militaire opbouw van Egypte. Nadat midden jaren negentig al eens 600 oude YPR pantservoertuigen werden verkocht, maakte Defensie in maart bekend dat een nieuwe megaorder voor 431 YPRs is beklonken. Hoewel geen bedragen bekend zijn gemaakt zal de order waarschijnlijk 60 tot 70 miljoen euro opleveren. Buiten de SIPRI top 10 valt op dat Israël, Saoedi-Arabië, Jemen en Soedan het afgelopen jaar grote inkopen hebben gedaan.

Wereldwijde wapenhandel (2000-2004) volgens SIPRI
InvoerUitvoer
1. China 1. Rusland
2. India 2. Verenigde Staten
3. Griekenland 3. Frankrijk
4. Verenigd Koninkrijk 4. Duitsland
5. Turkije 5. Verenigd Koninkrijk
6. Egypte 6. Oekraïne
7. Zuid-Korea 7. Canada
8. Verenigde Arabische Emiraten 8. China
9. Australië 9. Zweden
10. Pakistan 10. Israël




Wapenhandel als buitenlandse politiek

Interessant is in dit verband ook het pas verschenen rapport Promoting Freedom or Fuelling Conflict? U.S. Military Aid and Arms Transfers since 9/11, van het Amerikaanse World Policy Institute. De onderzoekers Bill Hartung en Frida Berrigan laten daarin nog eens goed zien hoe de Amerikaanse buitenlandse politiek gekenmerkt wordt door bondgenootschappen die vroeg of laat als een boemerang terugslaan. Bekend is natuurlijk het verbond tussen de VS en de Afghaanse Mujaheddin van onder meer Osama bin Laden, dat in de jaren tachtig de Sovjets Afghanistan uit moest jagen. Spil in dat verbond was de Pakistaanse geheime dienst ISI, die ook daarna goede contacten bleef houden met de Taliban. Met Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten was Pakistan een van de weinige landen die het Taliban bewind erkende. Direct na 11 september moesten Pakistan en diezelfde ISI weer hand in hand met de Amerikanen jacht maken op Mullah Omar, Bin Laden en consorten. Dat beide kopstukken nog nooit zijn gepakt hoeft wat dat betreft ook niet heel erg te verwonderen. De sympathie van grote groepen Pakistanen – niet in de laatste plaats ook binnen de ISI – is algemeen bekend.

Een van de eerste stappen die Bush na 11 september nam was de opheffing van het Amerikaanse wapenembargo tegen Pakistan, ooit ingesteld vanwege Pakistans nucleaire programma. Met uitzicht op militaire steun kochten de Amerikanen de broodnodige militaire en politieke steun van zelfbenoemd president Musharraf. Deze legerleider weet zich inmiddels al die tijd staande te houden tussen aan de ene kant Amerikaanse druk en aan de andere kant binnenlandse anti-Amerikaanse sentimenten. Een paar bomaanslagen op zijn persoon misten steeds op een haar na hun doel.

Een paar maanden geleden werd bekend dat Pakistan alsnog nieuwe F-16s van de Amerikanen mag kopen, nadat een eerdere bestelling in 1990 nog door Bush sr. werd afgeblazen. Gold toen nog als argument dat die gevechtsvliegtuigen kernbommen konden afwerpen, anno 2005 is dat kennelijk geen punt meer, ook al krijgen de Amerikanen en de IAEA nog steeds geen toegang tot 's werelds grootste kernwapenhandelaar, tevens volksheld nummer 1: Abdul Qadeer Khan. Overigens zullen ook Nederlandse bedrijven garen spinnen bij de F-16 order. Vooral Stork maakt een groot aantal onderdelen voor de F-16.

Een andere trouwe vriend van Amerika in de strijd tegen het terrorisme is Oezbekistan. De voormalige Sovjetstaat stelt niet alleen een luchtmachtbasis beschikbaar voor vluchten naar Afghanistan, ook laten de Amerikanen verdachten in Oezbekistan martelen om bekentenissen los te krijgen. Oezbekistan zag een en ander in 2003 beloond met 8,6 miljoen dollar aan 'militaire hulp' – gratis wapenuitrusting. Daarnaast verdiende de Amerikaanse wapenindustrie in 2003 33 miljoen dollar, betaald door Oezbekistan zelf. Dat het land wordt geleid door een volkomen megalomane dictator die mensenrechten op alle mogelijke manieren aan zijn laars lapt hoeft voor niemand een geheim te zijn. De Amerikaanse regering erkent dat nu zelf ook. De militaire hulp werd in 2004 bevroren. Of en welke consequenties het recente bloedige neerslaan van enkele opstanden in Oezbekistan zal hebben moet nog blijken.

Met een erg inzichtelijke opsomming per land laten de onderzoekers van het World Policy Institute zien hoe de VS na 11 september 2001 zijn buitenlandse politiek betaalt met gratis anti-terreurtrainingen en wapenhulp aan een hele zwik landen met een uiterst bedenkelijke reputatie. Het behoeft geen betoog dat de Amerikaanse boodschap van vrijheid en democratie daarmee weinig geloofwaardig is.
Bronnen:
SIPRI Yearbook 2005; 'Global Military Spending Shoots past $1 Trillion', Jurgen Hecker/AFP, 7 juni 2005;
'UK arms sales to Africa reach £1 billion mark', Anthony Barnett, The Observer, 12 juni 2005;
'Big shopper Delhi fuels arms race', Sujan Dutta, The Telegraph (India), 9 juni 2005.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina





Korte berichten
Samenstelling: Kees Kalkman



Italië ging naar Irak voor olie

Volgens onderzoek van RAI News 24 verslaggever Sigfrido Ranucci heeft de militaire aanwezigheid van Italië en Irak te maken met de daar aanwezige olie. Uit door Rannuci gepubliceerde documenten die werden getoond in een TV-documentaire blijkt dat de Italianen niet toevallig gelegerd zijn om het in de zuidelijke provincie Dhi Qar gelegen Nassiriya. Het merendeels verlaten gebied heeft grote oliereserves. Voor de Italianen is die streek niet onbekend. In een uit het midden van de jaren negentig stammende overeenkomst kent het toenmalig regime van Saddam Hoessein het (nu gedeeltelijk geprivatiseerde) staatsenergiebedrijf ENI het recht toe om daar 2,5 tot 3 miljard vaten olie te winnen. Dat oliebelangen een grote rol speelde bij de beslissing om militairen naar Irak te sturen, wordt aannemelijk door een onderzoeksrapport dat een half jaar voor het uitbreken van de oorlog werd opgesteld voor het ministerie van Productieve Activiteiten. Daarin staat met zoveel woorden dat in geval van oorlog Italië niet moet nalaten om zich te vestigen in Nassiriya "als we tenminste niet een buitenkans ter waarde van 300 miljard dollar willen laten lopen".
Commentaar van staatssecretaris Cosimo Ventucci: Naast de verbreiding van democratie en wederopbouw is het veiligstellen van de energiebelangen ook een "verstandig oogmerk".

In de documentaire zegt een voormalig medewerker van de Italiaanse gouverneur van Nassiriya dat van werkelijke opbouw door de militairen geen sprake is. Zij beperken zich tot het bewaken van pijpleidingen en olietransporten.
Dat was ook de indruk van de correspondent van het economische dagblad Sole 24 Ore. Onmiddellijk na de aanslag op de Italiaanse basis in Nassiriya, waarbij in november 2003 negentien Italianen de dood vonden, schreef hij dat de actie niet gericht was tegen het Italiaanse contingent maar tegen de ENI.
Bron: Algemeen Dagblad: 14.5.2005




Australië en Israël lonken naar NAVO

Australië en de NAVO hebben een overeenkomst getekend om samen te werken in de strijd tegen het internationale terrorisme, proliferatie en andere wereldwijde militaire dreigingen. Secretaris-generaal De Hoop Scheffer zette zijn handtekening tijdens een bezoek aan Canberra. De Australische minister van defensie Robert Hill zei bij die gelegenheid dat de nauwere banden met de NAVO voor de hand liggen in het licht van de groeiende rol van de NAVO waarbij in Afghanistan en Irak al wordt samengewerkt met Australische militairen.

De overeenkomst houdt in dat er een Australische militaire attaché bij het NAVO hoofdkwartier in Brussel wordt geplaatst. Die zal er voor zorgen dat de uitwisseling van inlichtingen op het gebied van contraterrorisme en proliferatie tussen Australië en de NAVO op poten wordt gezet. Tot nu toe werkte Australië op inlichtingengebied voornamelijk samen met de Verenigde Staten, onder andere in het afluisternetwerk Echelon.

Australië is nauw betrokken bij het door de VS geleide Proliferation Security Initiative (PSI) dat de wapensmokkel door landen als Noord-Korea moet tegengaan en interventie uitvoert om zwakke staten in de Stille Oceaan zoals de Solomon eilanden en Papua New Guinea overeind te houden.

Ook Israël hengelt naar een nauwere relatie met de NAVO en overweegt op langere termijn zelfs de aanvraag van het lidmaatschap. In februari was De Hoop Scheffer de eerste secretaris-generaal die een bezoek bracht aan Israël. Volgens Uzi Arad van het Israëlische Institute for Policy and Strategy is er een proces aan de gang waarbij de Israëlische regering samen met NAVO-functionarissen de mogelijkheden onderzoeken om de relatie te verdiepen. Van Israëlische kant zijn er een aantal konkrete ambitieuze voorstellen gedaan voor nauwere samenwerking. Een daartoe opgesteld gedetailleerd document bevat maatregelen op het gebied van contraterrorisme, proliferatie, militaire oefeningen, logistiek en ontwikkeling van wapensystemen. De Israëli zien het volgens Arad als een vorm van verzekeringspolitiek.

Overigens is de NAVO ook bezig kontakten te leggen met landen als Marokko, Tunesië, Algerije, Jordanië, Egypte en Mauretanië. Ook hier gaat het om gezamenlijke marineoefeningen en contraterrorisme en daarnaast om militaire hervormingen. Met sommige van deze landen zijn ook veiligheidsovereenkomsten getekend, het meest recent Marokko. De overeenkomsten maken het mogelijk dat geheime inlichtingen uitgewisseld worden. Alleen Egypte en Tunesië hebben tot nu toe geweigerd een dergelijk document te tekenen. Deze landen vertrouwen de bedoelingen van de NAVO in de regio niet.
Bronnen:
International Herald Tribune 3.3.2005
AFP 1.4.2005




Dienstweigeren en de Europese grondwet

Wat staat er precies in de Europese grondwet over dienstweigeren? Als "erkende gewetensbezwaarde militaire dienst" (ofwel dienstweigeraar) keek Bart Horeman voorafgaand aan de dag van het Nederlandse referendum naar één zinnetje en kwam tot interessante ontdekkingen.

"Het recht op dienstweigering op grond van gewetensbezwaren wordt erkend volgens de nationale wetten die de uitoefening van dit recht beheersen." Deze zin staat in artikel II-70, lid 2 van de Europese Grondwet, in het hoofdstuk over Grondrechten.
Maar hoe moet je dit lezen? In een maximalistische variant zou je kunnen zeggen: dienstweigeren wordt dus overal in de EU erkend en alle lidstaten mogen zelf in nationale wetten de uitoefening van het recht regelen. Nou is dat niet zo bijzonder, want alle lidstaten met militaire dienstplicht, hebben inderdaad een wettelijke regeling voor het weigeren op grond van gewetensbezwaren. Maar wat gebeurt er als een nieuw land wil toetreden tot de EU, maar geen nationale wetgeving heeft die het recht op dienstweigeren erkent? Dat is geen fictie, want het huidige Turkije is zo'n kandidaat. Kan dan de EU grondwet gebruikt worden om nationale wetgeving af te dwingen? Of geldt dan de minimalistische variant: als een lidstaat van de EU geen nationale wet heeft die het recht op dienstweigering regelt, bestaat er in die lidstaat geen recht. Ik vrees dat juristen de EU grondwet zo zullen lezen. Het doet een beetje denken aan de jarenlange situatie in Rusland, waar het recht op dienstweigeren (sinds 1993) in de grondwet stond, maar sommige rechters het recht aan dienstweigeraars niet wilden geven, omdat er geen relevante wetgeving was die het recht regelde.

Hetzelfde probleem doet zich voor in de lidstaten die geen militaire dienstplicht (meer) hebben, maar die ook geen wettelijke regeling hebben voor beroepsmilitairen die gewetensbezwaren hebben of krijgen.Dan praten we over minstens 10 lidstaten: België, Frankrijk, Hongarije, Italië, Luxemburg, Malta, Portugal, Slowakije, Spanje en Groot-Brittannië. Kunnen beroepsmilitairen in deze landen zich beroepen op de EU grondwet? Ik betwijfel het, want er bestaat in hun eigen land geen wettelijke regeling.

Als je bedenkt dat in de toekomst de vorming van een EU krijgsmacht vrijwel onvermijdelijk is (deze EU grondwet vormt daar ook de basis voor), dan roept het nog meer twijfel op. Als de EU verantwoordelijk wordt voor het inzetten van militairen, dan mag je hopen dat er uniforme Europese regels voor vrijstelling op grond van gewetensbezwaren komen, en dat het niet aan al dan niet bestaande nationale wetgeving wordt overgelaten.

Interessant is het om na het lezen van de Nederlandse tekst van de EU grondwet ook eens in andere talen te kijken wat er staat. Wat blijkt? Bij deze ene zin uit artikel II-70 zijn er opvallende verschillen. Dat is opmerkelijk, omdat de tekst waarschijnlijk integraal is overgenomen uit het al in 2000 vastgestelde Europees Handvest van grondrechten. Voor zover ik kan nagaan zijn de Duitse, Deense, Tsjechische en Nederlandse vertaling de enige die in artikel II-70, lid 2 expliciet de (militaire) dienstplicht noemen. In vele andere talen (alle Romaanse talen en het Engels) is alleen sprake van het recht op gewetensbezwaren, en niet expliciet gericht op het weigeren van de militaire dienstplicht.

Zo staat er in de Engelse versie: The right to conscientious objection is recognised, in accordance with the national laws governing the exercise of this right. Het is wel begrijpelijk, omdat in de Engelse taal conscientious objection vaak synoniem is met dienstweigering, maar in de Engelse versie staat geen verwijzing naar de militaire dienstplicht. Het zou hier dus ook om andere gewetensbezwaren kunnen gaan.Juist omdat het om een geclausuleerd recht gaat (het is erkend, volgens de nationale wetgeving) zie ik ook niet in waarom het grondrecht tot weigering van de militaire dienst beperkt zou moeten worden. In Nederland zijn nog vele andere wettelijke regelingen voor gewetensbezwaren (o.a. in het arbeidsrecht).

Overigens is om die reden de Nederlandse vertaling ook al opmerkelijk, omdat in de huidige Nederlandse wetgeving de term "dienstweigering", niet voorkomt, maar altijd gesproken wordt van "gewetensbezwaren tegen de vervulling van militaire dienst". Door deze woordkeuze zou je dus kunnen zeggen dat de Nederlandse vertaling zich niet beperkt tot militaire dienst, maar ook andere dienstweigering (bijvoorbeeld van een dienstopdracht van een werkgever) insluit.

Het roept de vraag op of er hier sprake is van toevallige interpretaties door de vertalers of van bewuste keuzes bij de vertalingen. Ik denk dat het om toevalligheden gaat. Het mooist is het verschil in te zien bij de Tsjechische en Slowaakse vertaling. De Slowaken volgen de Romaanse talen en het Engels en hebben het enkel over výhradu svedomia (gewetensbezwaren). De Tsjechen lijken zich op het Duits te baseren, want hier is toegevoegd odmítnout vykonávat vojenskou službu z duvodu svìdomí (weigering verrichting militaire dienst om reden van geweten).

Helemaal bont wordt het als je de Zweedse vertaling bekijkt: Rätten till vapenvägran skall erkännas enligt de nationella lagar som reglerar utövandet av denna rättighet.
Waar zijn de "gewetensbezwaren" gebleven? Je kan "recht op gewetensbewaren" (Engelse versie) toch onmogelijk vertalen met "recht op wapenweigeren" (Zweedse versie). Gezien de Zweedse dienstplichtwetgeving, waarin men - gewetensbezwaren of niet - gewoon voor een civiele variant van de militaire dienstplicht kan kiezen, is de Zweedse vertaalslag niet onbegrijpelijk, maar het is absoluut niet wat er in andere talen staat.

Hoewel vertaalproblemen niet een hoofdreden zijn om de hele EU grondwet in de prullenbak te gooien, blijft het toch opmerkelijk dat in dit artikel II-70, lid 2, zelfs in de drie hoofdtalen van de EU, een opvallend verschil zit. De Franse en Engelse tekst zijn identiek en reppen uitsluitend over het recht op gewetensbezwaren, maar de Duitse tekst over Das Recht auf Wehrdienstverweigerung aus Gewissensgründen is zeer expliciet: het gaat om gewetensbezwaren tegen de militaire dienstplicht. De weg naar de Europese eenwording is nog lang en de Franse slag zal nog vaak botsen met de Duitse degelijkheid.

Bart Horeman



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Berichten van de basis -

Berichten van de basis

6 augustus 2005
Jaarlijkse Hiroshima-herdenking
St. Antoniesluis, Amsterdam

Vrouwen voor Vrede Amsterdam organiseert ook dit jaar weer samen met andere vredesorganisaties de jaarlijkse herdenking van de atoombom op Hiroshima, dit jaar 60 jaar geleden. Onder de leus 'Weg met de kernwapens – geen Amerikaanse kernwapens op Europees grondgebied' wordt speciaal aandacht besteed aan de aanwezigheid van Amerikaanse kernwapens in Europese NAVO-landen, waaronder Nederland.
Er zal een tentoonstelling en materiaal van diverse organisaties aanwezig zijn op de kraam. Daarnaast zullen er handtekeningen opgehaald worden, die op een later tijdstip aan de Nederlandse regering aangeboden zullen worden. Er kan nog hulp gebruikt worden bij het ophalen van handtekeningen en bij bemensing van de stand. Hiervoor kan contact opgenomen worden met Tera Fopma van Vrouwen voor Vrede Amsterdam, telefoon: 020-6734535, email: terafv"at"xs4all.nl




13-16 september 2005
Protesten tegen wapenbeurs DSEi
Londen

Van 13 t/m 16 september wordt in Londen de DSEi gehouden, een van de grootste wapenbeurzen ter wereld. Wapenaankopers uit de hele wereld zijn er te gast, inclusief landen die op de Amnesty International-lijst staan van mensenrechtenschenders en anderen die erop horen te staan.
Op deze enorme wapenbeurs zullen aankopen gedaan worden door delegaties die enkele van de armste landen in Afrika en Azië vertegenwoordigen. Regeringen van rijke westerse landen en hun wapenfabrieken, zullen proberen om hen dure wapens te laten kopen in plaats het geld uit te geven aan onderwijs, ontwikkeling en medische zaken.
Bij dit tweejaarlijks evenement zullen ook diverse Nederlandse bedrijven aanwezig zijn. Bij de laatste beurs, in 2003, ging het ondermeer om Thales, EADS, Schelde, TNO en de Ministeries van Defensie en van Economische Zaken
Er worden grootscheepse protesten georganiseerd. Bij voldoende belangstelling zal de Onkruit Steungroep bus vanuit Nederland naar de protesten organiseren. Stuur voor meer informatie of voor aanmelding een mailtje naar onkruit"at"puscii.nl
Zie ook de websites www.dsei.org en www.contrast.org/onkruit




zo 10 jul 2005 t/m vr 15 jul 2005
Antimilitaristische wandeltocht 'Is Het Hier Oorlog?'
Wapserveen

Traditiegetrouw wordt er - als reactie op het hoge militaire gehalte van de Nijmeegse Vierdaagse - een antimilitaristisch initiatief georganiseerd.Per dag wordt zo'n 15 km gewandeld. Dit jaar in Drenthe, met De Hobbitstee als 'basiskamp'.. De Hobbitstee. Zelf tent meenemen, maar binnen slapen kan ook.. Org: Wandelgroep Is Het Hier Oorlog?. Info: 038-4653319. E-mail: a.ja"at"planet.nl.
Website: www.leefgemeenschapdehobbitstee.nl.




26 juli - 9 augustus 2005
Alle kernwapens de wereld uit! - 60 jaar Hiroshima
Voettocht van Ieper via Brussel naar Kleine Brogel

Deze zomer organiseert Voor Moeder Aarde een internationale voettocht waar honderden stappers worden verwacht in het kader van de 60ste verjaardag van het atoombombardement van Hiroshima en Nagasaki. Voor Moeder Aarde vraagt dat de kernmachten en de NAVO lidstaten werk maken van een verdrag voor een wereldwijd verbod op kernwapens zoals vastgelegd in het Non-Proliferatie verdrag.
We vertrekken op dinsdag 26 juli in de vredesstad Ieper en stappen via het NAVO hoofdkwartier in Brussel naar de geheime NAVO kernwapenbasis van Kleine Brogel. Langs de route zullen de stappers de burgemeesters om hun actieve steun vragen voor de internationale noodoproep van de Mayors for Peace. Met de Hiroshima herdenking op 6 augustus start een vredeskamp tot 9 augustus, de dag waarop het Nagasaki atoombombardement wordt herdacht.

Ieper wordt soms het Hiroshima van de Eerste Wereldoorlog genoemd. Op 22 april 1915 - 90 jaar geleden - werd in Ieper voor het eerst massaal gifgas ingezet toen 5700 flessen chloorgas werden opengedraaid. Ook daarna werd nog op grote schaal gifgas ingezet. Vandaag zijn chemische wapens bij verdrag verboden.
We plannen enkele geweldloze directe acties om de druk op te voeren voor ontwapening van kernwapens. Een actie gaat door op maandag 1 augustus aan het hoofdkwartier van de NAVO in Brussel. In Kleine Brogel (6 tot 9 augustus) is er een vredeskamp waar groepen burgerwapeninspecties kunnen uitvoeren, informatiefolders geven aan de werknemers die de basis binnengaan, enz....

Je bent welkom om aan deze acties deel te nemen, zelfs als je niet de hele voettocht meestapt. Gedurende de rustdag op 31 juli en tijdens het vredeskamp in Kleine Brogel zijn er briefings en is er de mogelijkheid een training te volgen. Er zijn eveneens acties aan de NAVO en in Kleine Brogel voor mensen die geen arrestatie willen riskeren.

Praktisch
Je bagage hoef je niet te dragen, we zorgen voor een busje. Het gerenommeerde Federatie Kollektief Rampenplan uit Nederland zorgt voor uitstekende vegetarische en veganistische maaltijden. We kamperen, dus best jouw tent meebrengen. Voor drie biologische maaltijden, overnachting en deelname betaal je 10 euro per dag. Een zachte en democratische prijs. Alcohol en druggebruik wordt ontraden, terwijl huisdieren ook best thuisblijven. We stappen gemiddeld 25 km per dag. Schrijf je zo snel mogelijk in zodat de organisatoren een duidelijk beeld krijgen welke afspraken ze best maken i.v.m. kampeerplaatsen, voedselinkopen, afspraken met gemeentebesturen, enz.
Inschrijving op: www.motherearth.org/walk/




Burgerinspectie bij Bush!

Op zondag 8 mei vertrokken we met een zestal inspecteurs naar het hotel van George Bush om daar op zoek te gaan naar het koffertje waarmee hij op elk moment de inzet van kernwapens zou kunnen activeren. Ons was ter ore gekomen dat hij in het bezit zou zijn van een dergelijk koffertje en dat hij dat waar dan ook ter wereld met zich mee laat reizen. Omdat wij als burgers de (mogelijke) inzet van kernwapens zien als een misdaad tegen de mensheid en wij daarmee niet alleen het recht, maar ook de plicht hebben hier wat tegen te doen, hebben we besloten tot deze inspectie. Helaas werden we tijdens onze inspectie enige uren van onze vrijheid beroofd. Daarvan maakte Bush gebruik om ons land te kunnen ontvluchten.
Vermoedelijk om zijn wereldvernietigende koffertje te verbergen voor kritische burgers!
Zie voor meer informatie: http://indymedia.nl/nl/2005/05/27460.shtml



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina