Aangepast zoeken

Naar beginpagina
Naar overzicht VD AMOKs

VD AMOK
tijdschrift voor antimilitarisme en dienstweigeren
jaargang 14, nummer 3, 2005


Inhoudsopgave

Tijdens de productie van deze VD AMOK kwam het bericht binnen dat de regering heeft besloten tot aanschaf van kruisraketten op schepen. We vonden deze ontwikkeling belangrijk genoeg om er een extra commentaar aan te wijden. De rubriek recensies komt deze keer te vervallen.


Colofon

VD AMOK
Tijdschrift voor antimilitarisme en dienstweigeren
Jaargang 14, nummer 3, 2005

VD AMOK
Verschijnt minstens 4 maal per jaar en wordt uitgegeven door Stichting VD AMOK.
Voor de inhoud van met naam ondertekende stukken zijn de auteurs verantwoordelijk.

Copyright
Overname van artikelen uit het lopende nummer is uitsluitend toegestaan na toestemming van de redactie. Overname van artikelen uit eerder verschenen nummers is toegestaan onder bronvermelding en toezending van een bewijsexemplaar aan de redactie. Deze artikelen staan op onze website www.vdamok.nl

Adres redactie en abonnementenadministratie
VD AMOK, Obrechtstraat 43, 3572 EC Utrecht
tel. 030-8901341, e-mail vdamok"at"antenna.nl

Redactie
Kees Kalkman, Karel Koster, Guido van Leemput, Tjark Reininga, Barbara Smedema, Egbert Wever

Fotoredactie
Mustapha Bah, Joop Blom, Hans Christian Bouton

Fotografen en illustratoren
Joop Blom, Karin van Haasteren, EIRENE Internationaal, Bert Spietz (HH) , Teun Voeten (HH)

Vormgeving
René Oudshoorn

Drukker
Drukkerij De Dageraad, Den Haag

Verder werkten aan dit nummer mee
Ron Blom, Evelien van den Broek, Martin Broek, Astrid Essed, Joost Jongerden, Jan Schaake, Frank Slijper, Fred van der Spek

Abonnementen
Een abonnement is minimaal € 14,- per jaar.
Een steunabonnement is minimaal € 18,-.
Over te maken op giro 5567607 t.n.v. VD AMOK, Utrecht.
Nieuwe abonnementen schriftelijk aanmelden. Wacht met betaling op toezending acceptgiro.
Opzegging uitsluitend schriftelijk vóór aanvang van het kalenderjaar.
Losse nummers kosten € 3,- (€ 4,- inclusief porto).

Advertenties
Tarieven en opgave bij de redactie.

Sluitingsdatum volgend nummer
1 december 2005



Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Redactioneel -

Trek de troepen terug uit Irak

De oorlog in Irak begon met leugens als aanleiding, ontspoorde door mismanagement en onderschatting van de situatie en is nu op weg naar totale mislukking. Komt de bezetting van Irak in haar laatste fase? Dat is de discussie naar aanleiding van het toenemende aantal aanslagen tegen de bezetters en tegen vertegenwoordigers van de Irakese interim-regering. De oorlog in Irak is ontaard in een contra-guerrillaoorlog vermengd met de kenmerken van een burgeroorlog tussen Arabische soennieten en sji'ieten.

Met het mislopen van het militaire project beginnen sommige direct betrokkenen hun straatje schoon te vegen. De Amerikaanse ex-minister van buitenlandse zaken Powell heeft zich verontschuldigd voor de leugens die hij begin 2003 de wereld voorhield tijdens een gelikte presentatie in de Veiligheidsraad. De Nederlandse minister van buitenlandse Zaken Bot heeft begin oktober in een vlaag van eerlijkheid gemeld dat hij dat het geen tweede keer meer zal doen. Hij vond het wel legitiem zo'n oorlog, maar het is slecht verlopen. Diplomatie had meer kansen moeten krijgen. Hij voegde er in een veelzeggende opmerking aan toe dat het een les was voor een aankomende crisis over Iran.

Met betrekking tot de actuele situatie in Irak ligt het voor de hand dat de Amerikanen en Britten wachten met de machtsoverdracht aan Irakezen tot na de goedkeuring van een nieuwe grondwet en de installatie van een definitief parlement in december en een daaruit voortkomende regering. Het aannemen van de grondwet en het welslagen van de parlementsverkiezingen is overigens geen garantie dat het gewapend verzet de guerrilla staakt.

De Amerikanen zijn in het spreekwoordelijke drijfzand terecht gekomen. Blijven veroorzaakt toenemend verzet. Blijven brengt de Iraakse bondgenoten in diskrediet. Blijven vergroot het politieke failliet bij de gewone burgers van Irak die inzien dat de Amerikaanse aanwezigheid hen niets oplevert. Voor de situatie in Irak is het goed dat de Amerikanen, Britten en andere buitenlandse mogendheden zo snel mogelijk vertrekken. Weggaan kan vrij spel voor radicale verzetgroepen leveren die een nieuwe dictatuur willen. Een terugtrekking van buitenlandse troepen is noodzakelijk, maar is geen garantie dat de oorlog stopt. Irak kan in een ernstige geweldsspiraal terecht komen. Als er consensus hierover kan worden bereikt tussen de verschillende Iraakse politieke krachten lijkt het voor de hand liggen om een vredesmacht in te stellen afkomstig van landen die voor allen aceptabel zijn. Deze zou een overeenkomst tussen de Iraakse rivaliserende groepen in goede banen moeten leiden. Dat zou wellicht een taak voor de VN, de Conferentie van Islamitische landen kunnen zijn, of een samenwerkingsverband van de omringende landen.

Belangrijk en wellicht cruciaal feit is het toenemende verzet van de Amerikaanse bevolking tegen langer blijven in Irak. Eind september demonstreerden zeker 200.000 mensen in Washington onder de aloude leus "Haal de troepen naar huis". Dat is het voorlopige hoogtepunt van een groeiende anti-oorlogsbeweging, die als kern veteranen en familieleden van gesneuvelde militairen heeft. De beweging zal gedurende winter verder groeien als de problemen in Irak niet verminderen. De kosten van oorlog blijven stijgen. Ook dat vergroot de druk op de Republikeinse partij die met de tussentijdse verkiezingen voor de deur, volgend jaar, voorzichtig moet zijn.

Hoe het ook zij de bezetters moeten weg. Een publieke verklaring van die intentie, inclusief een tijdsschema, is een minimum voorwaarde voor de internationale oppositie. Het valt te voorzien dat een periode van enkele jaren nodig is om de binnenlandse situatie te bestendigen. Tot januari zullen de huidige politieke verhoudingen waarschijnlijk in stand blijven. Daarna moet de Amerikaanse regering harde keuzes maken. Het lijkt geenszins de bedoeling van de Amerikaanse regering om zich helemaal terug te trekken uit Irak. Als het aan de Amerikanen ligt doen ze de boel over aan een bevriende Irakese regering en zullen ze altijd in het land blijven, ordelijk op bases ver buiten steden. Het steunpunt Irak mag niet worden verlaten. Blijven is een garantie op de paniek van de gevangene in het drijfzand die merkt dat ie onherroepelijk verdrinkt en er niets aan kan doen, dan zich stilhouden en hopen op redding.

De redactie



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- West Papua -

Dewan Adat Papua, een groeiende machtsfactor

De Nederlandse media hebben geen aandacht besteed aan de massale demonstraties in West Papua op 12 augustus jl. Hiermee hebben ze een belangwekkende ontwikkeling in voormalig Nederlands Nieuw-Guinea gemist: de opkomst van een krachtige maatschappelijke beweging die democratisch en geweldloos van karakter is en een brede achterban heeft in heel West Papua.

De demonstraties in West Papua hebben de kracht getoond. Het is bij de demonstraties opmerkelijk dat er zich vanuit het maatschappelijk middenveld een beweging vormt die democratisch is en geweldloos, en die een brede achterban heeft over heel West Papua. Dewan Adat Papua (DAP – Inheemse Papua Raad) heeft bewezen dat ze duizenden mensen op straat kan brengen voor een geweldloze demonstratie. Op 12 augustus verzamelden zich vijftien- tot twintigduizend mensen voor het gebouw van het Provinciaal Parlement van Papua (DPRP) in Jayapura. En ook in andere steden hielden mensen vreedzame demonstraties voor de gebouwen van het plaatselijke parlement: duizend mensen in Biak, duizend in Wamena, tweeduizend in Manokwari. En op 15 augustus tweeduizend mensen in Sorong.

De leiding van de Dewan Adat Papua en van de plaatselijke afdelingen verdienen daarvoor groot respect. Het is een teken van werkelijk leiderschap dat zij er in geslaagd zijn duizenden mensen te mobiliseren en toch ieder geweld wisten te voorkomen.

Ultimatum

De oprichting van de Dewan Adat Papua in februari 2002 is een van de gevolgen van het tweede Papua Volkscongres in Jayapura in juni 2000, dat door meer dan vijfduizend mensen van heel West Papua werd bijgewoond. De DAP organiseert jaarlijks een plenaire vergadering waarvoor alle 253 inheemse volken van West Papua worden uitgenodigd. Ieder jaar wordt deze vergadering in een ander deel van het eiland gehouden, om alle verschillende groepen gelegenheid te geven er met velen aan deel te nemen. In 2002 was de vergadering in Jayapura, in 2003 in Sentani, in 2004 in Biak en in 2005 in Manokwari. Tijdens deze plenaire vergaderingen doet de DAP de bevolking verslag van zijn activiteiten in het afgelopen jaar en informeert de inheemse volken over de internationale processen en procedures waarmee de DAP hun rechten probeert te beschermen en vergroten. Ook wordt er een actieprogramma vastgesteld voor het komende jaar. De afgelopen vier jaar werden deze plenaire vergaderingen steeds bijgewoond door meer dan driehonderd afgevaardigden van de verschillende inheemse volken van Papua.

In februari van dit jaar ontmoetten de leiders van de DAP en de inheemse vertegenwoordigers van alle delen van West Papua elkaar voor deze jaarlijkse vergadering in Manokwari. De slotverklaring van deze vergadering stelt vast dat de inheemse volken van West Papua vastbesloten zijn om vreedzaam en democratisch te strijden, op basis van hun identiteit, hun eer en hun recht op leven. Het is van belang te benadrukken dat de DAP de opzet om geweldloos en democratisch te opereren nakomt. Zowel de demonstratie op 12 augustus als het thema – de speciale autonomie van Papua is mislukt – en subthema – het leven van de mensen op Papua wordt bedreigd – zijn uit democratisch overleg ontstaan.

Door de vergadering in Manokwari werd besloten de Indonesische regering het ultimatum te stellen dat op 15 augustus 2005 de Speciale Wet inzake Autonomie (21/2001) ingevoerd moest zijn. Na die datum zouden de inheemse volken van West Papua er via de DAP bij het provinciaal bestuur van Papua (DPRP) en de regionale raden van volksvertegenwoordigers (DPD) op aandringen deze speciale wet naar de Indonesische centrale regering terug te sturen. Ook dringen zij aan op een onmiddellijke dialoog, zowel nationaal als internationaal, die moet zoeken naar een omvattende en grondige erkenning van de grondrechten van de inheemse bevolking van West Papua.

Win-win

In juni organiseerde de DAP in Jayapura een plenaire vergadering om de ontwikkelingen te bespreken die na februari hebben plaatsgevonden. Aangezien de regering op geen enkele manier had gereageerd op het ultimatum werd besloten voor 15 augustus vreedzame demonstraties voor te bereiden, en de maand juli te gebruiken om de plannen te verspreiden en om de uitvoering van de wet over de speciale autonomie in alle afdelingen van de DAP te onderzoeken.

Tijdens dit congres werd een communiqué opgesteld waarin de redenen werden aangegeven om wet 21/2001 terug te sturen. Dit communiqué geeft een beknopt overzicht van de weigering van de Indonesische regering om Papua speciale autonomie te verlenen: het bestaan van wetten zonder enige wettelijke grondslag (Illegal Hukum), het feit dat de provincie West Irian Jaya nog altijd functioneert zonder wettelijke basis, de problemen rond de installatie van de Raadplegende Vergadering voor Papua (Papua Consultative Assembly, MRP) en de ontoereikende vertegenwoordiging van de 253 stammen, de militairen in West Papua die niet onder controle staan van het Provinciaal Parlement van Papua, de vele schendingen van mensenrechten die plaatsvinden, omdat de uitleg die de Papua's geven van hun geschiedenis fundamenteel verschilt van die van de regering, en tenslotte de levensstandaard in West Papua, die nog altijd zeer laag is en ook na de invoering van de speciale autonomie niet verbeterd.

De zeven eisen die het communiqué formuleert zijn op deze beschrijving gebaseerd, en zowel realistisch als verstandig. Dewan Adat Papua is niet uit op een confrontatie maar probeert een win-win situatie te bereiken met een open dialoog tussen alle belanghebbenden. En opnieuw laat de leiding van de DAP zijn democratisch bewustzijn zien met voorstellen om voor de dialoog een kader te laten scheppen door inheemse en religieuze vertegenwoordigers in overleg met het parlement. Hierover moet vervolgens worden beslist in een Grote Consultatie van Papua's.

Geweldloos

Daarnaast is het belangrijk te constateren dat de DAP zijn verantwoordelijkheid tegenover de veiligheid van zijn achterban serieus neemt. Het zou gemakkelijk geweest zijn om achteraf eventueel geweld te veroordelen, als dat bij de als geweldloos gepresenteerde demonstraties gebruikt zou zijn. Het is een teken van oprecht leiderschap dat alles is gedaan om geweld te voorkomen. De DAP heeft hierover uitvoerig met de politie en het leger in West Papua overlegd. Het leger heeft beloofd de Operasi Mambruk tegen de drughandel en andere criminele activiteiten niet te misbruiken. De drie partijen spraken af dat zij vrede en orde zouden handhaven, en geweld zouden voorkomen in alle plaatsen waar de DAP de bevolking tot demonstraties had opgeroepen. Pas enkele dagen voor 15 augustus heeft de DAP in overleg met de politie besloten de demonstraties naar 12 augustus te vervroegen omdat er geruchten waren die zouden kunnen leiden tot chaos en botsingen op de 15e. Eerder die week, 9 augustus, had de DAP de plannen voor de viering van de VN-dag voor de rechten van de inheemse volken gewijzigd. Onder druk van en intimidatie door de veiligheidstroepen werd besloten niet de straat op te gaan en niet de VN-vlag te hijsen. In plaats daarvan werden voor het huis van wijlen PDP-voorzitter Theys Hiyo Eluay de vlag van de VN en een SOS-vlag ontvouwd.

Dewan Adat Papua en de bevolking van Papua hebben laten zien dat de bevolking op vreedzame wijze uiting kan geven aan zijn onvrede met, of verzet tegen, het regeringsbeleid. En ze hebben laten zien dat die mogelijk is door correct overleg met de veiligheidstroepen en de autoriteiten.

Democratisch

Sommige waarnemers houden vol dat de Papua-beweging in vele onsamenhangende groepjes verdeeld is. Daarmee ontkennen ze de kracht en het groeiende belang van het georganiseerde maatschappelijk middenveld in West Papua. In alle samenlevingen, en zeker in alle democratieën, bestaan vele groepen die delen van die samenleving vertegenwoordigen. Niemand betwist de legitimiteit van de Indonesische regering omdat niet alle partijen het eens zijn met de door de president gevormde coalitie, of daarvan deel uitmaken. Ook wordt een NGO niet terzijde geschoven omdat er meer dan één NGO is.

Dewan Adat Papua heeft bewezen van even groot belang te zijn als de Raden van Stamhoofden in de Melanesische staten Vanuatu en Fiji. Het heeft een netwerk dat tot in de kleinste dorpen reikt, zodat het enerzijds de stem van de inheemse bevolking kan vertolken en anderzijds de mensen kan mobiliseren als het nodig is het regeringsbeleid bij te sturen. Zoals de regeringen en politieke partijen in Vanuatu en Fiji in hun democratische stelsel de rol van de Raad van Stamhoofden officieel erkennen, en zoals de internationale samenleving steeds meer de rol erkent van vertegenwoordigende organen van de inheemse bevolking als het gaat om mensenrechten, milieu en conflictbeheersing, zo zou de regering in Papua de rol van Dewan Adat Papua moeten erkennen als een belangrijke factor om vrede, ontwikkeling en veiligheid op West Papua te bewerkstelligen.

Evelien van den Broek
Evelien van den Broek is betrokken bij de Nederlandse Papua Lobby, die in 2000, na het tweede Congres van de Bevolking van Papua, is opgezet. Meer info: papua-lobby"at"planet.nl of www.nieuwsbank.nl/papua-lobby/



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Afrika -

Olie, honger en de oorlog tegen het terrorisme in West-Afrika

In onze beleving al snel overschaduwd door de bomaanslagen enkele dagen later, vond in Londen op 2 juli het grote Live8-concert plaats. Een muzikale opmaat voor de G8-conferentie, die op zijn beurt weer een rijkeluisopmaat vormde voor de VN-conferentie over de Millenniumontwikkelingsdoelen (MDG's): Armoede de wereld uit en vooral uit Afrika.

Aan het eind van diezelfde maand juli verscheen het bericht dat het Pentagon een militair offensief in datzelfde Afrika voorbereidde. West-Afrika is volgens het Pentagon een broeinest van militante moslims en dit gevaar moet langs militaire weg worden ingedamd. Daartoe heeft het Pentagon inmiddels een half miljard dollar vrij gemaakt.

Terrorisme in West-Afrika? Heeft dat met de honger en de armoede in die regio te maken? Een beetje doorzoekend kom je er vervolgens achter dat de regio grote oliereserves bezit, waar de Amerikaanse regering veel belangstelling voor heeft. En dan wordt het tijd voor een analyse van olie, honger en oorlog tegen het terrorisme in West-Afrika.

Terrorisme in Afrika

Dat de Verenigde Staten terroristische bases in Afrika zoekt, is op zichzelf niet helemaal uit de lucht gegrepen. Tot hij zich in Afghanistan vestigde zat Osama Bin Laden van 1991 tot 1996 in Soedan en de eerste grote aanslagen op Amerikaanse doelen vonden op 7 augustus 1998 plaats op de VS-ambassades in Nairobi en Dar-es-Salaam. Somalië zou inmiddels ook wel een broeinest van Al-Qaida-groepen zijn en nog tijdens de oorlog tegen Afghanistan versterkte de VS de Combined Joint Task Force – Horn of Africa in Djibouti, vanwaaruit 1.000 Amerikaanse special forces de oorlog tegen het terrorisme voeren in de zgn. "grotere Hoorn" (inclusief Soedan en Kenia). Tegelijkertijd vormt Djibouti, waar nog zo'n 2.000 Amerikaanse militairen gelegerd zijn, de uitvalsbasis voor een zeemacht die ook uit Duitse, Spaanse en Britse schepen bestaat.

Maar als de druk in de ene regio te hoog wordt, verplaatst een internationale terroristische organisatie zijn bases naar andere falende staten of, beter, 'grijze gebieden': streken waar niemand feitelijke controle over uitoefent. Het noorden van de Sahellanden Tsjaad, Niger, Mali en Mauritanië is zo'n zone en grenst ook nog direct aan Soedan. Tsjaad moest toelaten dat Libië 20 jaar lang een strook in het noorden bezet hield; Niger en Mali hebben voortdurend te maken gehad met opstanden van de Touareg en Toubou.

In de Sahelzone is de Islam de dominante godsdienst, op het (olierijke) zuiden van Tsjaad na, waar, net als in Soedan, christenen en animisten de meerderheid vormen. De Islam in de vier Sahellanden is van oudsher vrij tolerant. In etnisch opzicht zijn de landen echter sterk verdeeld. Grofweg wonen in het noorden meer op de Arabische wereld georiënteerde Moren (Mauritenië, dat tot de Arabische Liga behoort), Touareg (in Mali en en Niger) en Toubou (in Tsjaad), terwijl in het zuiden Songhai (Mali en Niger) en Haussa (Niger en Tsjaad) wonen die in etnische opzicht ook woonachtig zijn in het noorden van Nigeria waar zij de sharia hebben ingevoerd. Al met al is niet duidelijk van welke kant het Islamitisch extremisme oprukt. In het zuiden van Niger komen steeds meer koranscholen, maar de oorzaak hiervan is dat hier weinig andere toekomstmogelijkheden voor jongeren zijn. En fundamentalisme is niet gelijk aan terrorisme. Gewelddaden in de Sahelregio hebben vooral te maken met verzet tegen de tè pro-Westerse regeringen. Zo werd in augustus de Mauritaanse president Taya ten val gebracht.

Een turbulente regio

De Sahellanden zijn fragiele staten die moeizaam balanceren tussen de sterk groeiende bevolking en steeds schaarser wordende natuurlijke bestaansmiddelen en tussen de veehoudende nomadische bevolking uit het noorden en de sedentaire landbebouwende bevolking in het zuiden. Daarenboven worden deze staten geconfronteerd met bedreigingen van buitenaf: conflicten mèt buurlanden of die vanuit buurlanden overslaan. Aan de noordgrens genieten Libië en Algerije al een intensieve belangstelling van de VS, maar ook de Westelijke Sahara. Niemand minder dan oud-minister van Buitenlandse Zaken James Baker III kreeg de taak om het al 30 jaar durende conflict in dit door Marokko bezette gebied tot een goed einde te brengen; een taak die hij deze zomer wegens het uitblijven van succes moest overdragen aan de Nederlandse topdiplomaat Van Walsum.

Een ander probleem is de zuidwesthoek van West-Afrika: de reeks met elkaar verbonden, uitermate bloedige binnenlandse oorlogen in Liberia (vanaf 1989), Sierra Leone (vanaf 1991), Ivoorkust (vanaf 1999) en Guinee (2000). Conflicten die deels etnische wortels hebben (teruggekeerde nakomelingen van slaven langs de kust tegenover de originele stamverbanden in de binnenlanden) en voor het andere deel om grondstoffen gaan. In Guinee vormen de vluchtelingen uit de twee eerdergenoemde landen een probleem; in Ivoorkust komt dan van de groei van zogenaamde gelukzoekers uit Mali en Burkina Faso. In de luwte van de oorlogen in deze vier landen, woedt in Senegal nog een afscheidingsoorlog.

En tenslotte vinden we in de zuidoostelijke hoek van West-Afrika de regionale supermacht Nigeria waar de nodige staatsgrepen, burgeroorlogen, afscheidingsoorlogen en gewapende grensgeschillen hebben plaatsgevonden. Ook de afgelopen, relatief rustige jaren zijn meer dan 10.000 doden gevallen bij interne onlusten. Bovendien: als ergens in West-Afrika steun bestaat voor het gedachtegoed van Al-Qaida, dan is het wel in Nigeria – daar vonden kort na de Amerikaanse aanval op Afghanistan in het hele land massale demonstraties plaats. Ook zou Al-Qaida juist in Nigeria strijders rekruteren.

Militaire initiatieven

Toch richt de Amerikaanse aandacht zich wat betreft West-Afrika vooral op de noordelijke Sahelzone die in Amerikaanse ogen een nieuw Afghanistan zou kunnen worden. In november 2002, een jaar nadat de Taliban uit Kabul waren verdreven, nam het Pentagon het Pan-Sahelian Initiative (PSI) waarbij de vier Sahellanden het Pentagon toestonden op hun grondgebied special-forces-operaties uit te voeren en als 'tegenprestatie' per land 150 special forces getraind kregen. In maart 2004 vond een grootschalige training plaats in Mali en Mauritanië door een special-forces-groep die normaalgesproken in Stuttgart is gelegerd. Twee maanden later joegen Amerikaanse troepen de salafisten-leider Ammari Saifi op vanuit Mali, via Niger naar Tsjaad waar 43 van zijn manschappen werden uitgeschakeld.

Omdat het gevaar vooral ook vanuit de aangrenzende regio's afkomstig is, werd het PSI jongsleden juni uitgebreid tot het Trans-Saharan Counter Terrorism Initiative (TSCTI), waarvan, naast de PSI-landen, ook Senegal, Nigeria, Marokko, Algerije en Tunesië deel uitmaken, terwijl Libië in de wachtkamer zit. In dit programma, heeft het Pentagon zich voor 5 jaar voor 100 miljoen dollar per jaar aan deze regio gecommiteerd. Bij de operatie Flintlock 2005, dat afgelopen zomer het begin van dit initiatief markeerde en zich onder andere in Tsjaad afspeelde, waren zo'n 1.000 Amerikaanse special forces betrokken. Wederom vanuit het Europees Commando van de VS (EUCOM) waaronder zowel PSI als TSCTI vallen.

Naast deze twee op de Sahelzone gerichte initiatieven heeft het Pentagon het Global Peace Operations Initiative (GPOI) gelanceerd voor een totaalbedrag van 114 miljoen dollar in 2006. Een derde van dit budget gaat naar de African Contingency Operations Training and Assistance (ACOTA) dat het door Clinton gelanceerde African Crisis Response Initiative (ACRI) vervangt. ACOTA is veel offensiever dan ACRI. Niger en Mali staan bovenaan in de lijst landen waar ACOTA zich op richt. In haar rapport "Islamist Terrorism in the Sahel: Fact or Fiction" van maart waarschuwt de International Crisis Group voor de averechtse werking van al deze initiatieven. In plaats van een nauwelijks bestaande terreurdreiging in de Sahel te bestrijden, zou het Amerikaanse optreden juist het ontstaan van terroristische sympathieën in deze regio bevorderen. Inderdaad nemen antiwesterse gevoelens onder de Sahelbevolking sterk toe.

Oliebelangen achter de retoriek

Daarbij speelt de verdenking een rol dat de Amerikaanse Afrikapolitiek een verborgen agenda heeft: de verzekerde toegang tot de oliereserves in West-Afrika. Dit is niet alleen de overtuiging van lokale en andersglobaliserende critici van het Amerikaans beleid; een aantal architecten van het Amerikaanse Afrika-beleid zijn zelf tamelijk open over deze dubbele agenda. Zo brengen Princeton N. Lyman, voormalig VS-ambassadeur in Nigeria en directeur van de Africa Policy Studies binnen de Council of Foreign Relations, en J. Stephen Morrison, directeur van het Afrikaprogramma van het Center for Strategic and International Studies, in Foreign Affairs van januari/februari 2004 onder de titel "The Terrorist Threat in Africa" naar voren dat in 2015 een kwart van de Amerikaanse oliebehoefte uit West-Afrika afkomstig zal zijn. Op dit moment zijn Nigeria (reeds goed voor 7% van de Amerikaanse oliebehoefte), Equatoriaal Guinee en Angola de belangrijkste olieproducenten rond de Golf van Guinee, maar behalve in Tsjaad (berucht vanwege de pijplijn door Kameroen) wordt ook olie gewonnen in alle kustlanden tot aan Ivoorkust. Ook voor de kust van Mauritanië is olie gevonden en er zijn concrete verwachtingen dat onder het grondgebied van de Sahellanden omvangrijke olievoorraden liggen. Voor de VS is oliewinning rond de Golf van Guinee strategisch van belang, omdat de transportroutes vrij kort zijn en derhalve eenvoudig te beveiligen.

De Amerikaanse machtsontplooiing in deze regio komt laat. De olieconcessies rond de Golf van Guinee zijn grotendeels in handen van de voormalige kolonisators: het Britse Shell in Nigeria en het Franse Elf in de kuststreek van Kameroen tot Angola. De concessies in Soedan zijn veelal in handen van China, dat op dit moment een kwart van zijn olie uit Afrika importeert. Door de sterk groeiende oliebehoefte van China zal deze hoeveelheid toenemen tot het vijfvoudige in 2025 en de China National Petroleum Corporation is naarstig op zoek naar olieconcessies elders. Half juli berichtte Elsevier over de Chinese zoektocht naar olie in Niger en waarschuwde daarbij voor het feit dat de Chinezen het minder nauw zullen nemen met de gevolgen van de oliewinning voor mens en milieu in Niger dan Europese maatschappijen in Nigeria en Tsjaad-Kameroen.

Net als de Amerikanen hebben de Fransen een behoorlijk staat van dienst als het gaat om de koppeling van economische belangen aan militaire aanwezigheid. Daarbij richten de Fransen zich vooral op hun voormalig koloniën in Centraal-Afrika. Economisch zijn Franse bedrijven dominant in de Communauté économique des états de l'Afrique centrale (CEEAC) waartoe niet alleen de eigen maar ook voormalige Spaanse, Portugese en Belgische koloniën behoren. Militair is het land sterk aanwezig in de vele interventies in deze regio (5 in Congo-Kinshassa; 4 in Tsjaad, 3 in Centraal-Afrika, 2 in Gabon en 1 in Congo-Brazzaville) en belangrijke militaire bases in Tsjaad en Gabon.

In West-Afrika is de Franse betrokkenheid aanzienlijk minder. De West-Afrikaanse economische gemeenschap (ECOWAS) wordt gedomineerd door Engelstalige landen als Nigeria en Ghana; postkoloniale interventies zijn in deze regio beperkt gebleven tot 2 in Ivoorkust en 1 in Togo. De Franse invloed in de West-Afrikaanse regio wordt feitelijk bemiddeld door de Europese Unie die een sterke band heeft met ECOWAS en deze regionale organisatie ondersteunt bij haar interne economische samenwerking en haar militaire operaties (ECOMOG). Ondanks alle mooie woorden is energiepolitiek ook niet helemaal vreemd aan de Europese band met ECOWAS. Zo krijgt de Golf van Guinee een aparte vermelding in een recente uitgave van EurActiv, getiteld "Geopolitics of EU energy supply", waarbij voormalig energiecommissaris Loyola de Palacio geciteerd wordt waar zij de nauwe band tussen geopolitieke stabiliteit en de "energievoorzieningszekerheid" centraal stelt. Het is opvallend dat "het verwezenlijken van 'energievoorzieningszekerheid'" vrij plotseling als nieuwe 'operationele doelstelling' (nr. 8) verschijnt in de recent uitgebrachte Nederlandse begroting van Buitenlandse Zaken. Kennelijk gaat de oliebehoefte ook in Nederland een officiële rol spelen in de ontwikkeling van buitenlands beleid.

Fort Europa

Terwijl de Westerse machtsblokken, VS en EU, hun West-Afrika-beleid vooral laten bepalen door die 'energievoorzieningszekerheid', worden ze vanuit deze regio niet met terroristische aanslagen maar met drommen economische vluchtelingen geconfronteerd. De afgelopen maand werd dat uitzinnig in beeld gebracht bij de letterlijke bestorming van het Fort Europa in de Spaanse enclave Melilla. Geen Marokkanen, maar inwoners van Ghana, Ivoorkust en Kameroen, die overbevolking en afwezigheid van economische vooruitzichten in eigen land ontvluchten.

Overbevolking en een trek naar de steden waar ook geen werk is te vinden: volgens Robert Kaplan in zijn Anarchistisch Pandemonium hèt probleem van West-Afrika, met name van de kustgebieden waar de migratie vanuit de binnenlanden (tot die van Mali en Niger toe) letterlijk aan zee strandt. Verder kan men niet, maar in de uitdijende metropolen van Nigeria, Ghana en Ivoorkust is onvoldoende economische activiteit voor deze toestroom. Frustratie onder de nieuw aangekomenen en xenofobie bij de oorsponkelijke bewoners is het gevolg. Achtereenvolgens glijden steden en staten af naar anarchie.

In de Internationale Spectator van juli/augustus 2003 verwijt Jonathan Holslag van Pax Christi Vlaanderen Kaplan het negeren van externe factoren. Alsof de neerwaartse spiraal louter het gevolg zou zijn van interne demografische druk. De invloed van de economische globalisering is niet te verwaarlozen en werkt door in de afhankelijkheid van West-Afrikaanse landen van de export van een beperkt aantal grondstoffen: in Guinee is dat bauxiet (40% van de wereldreserve), in Sierra Leone en Liberia diamant, in Ivoorkust en Ghana cacao en Nigeria is voor 95% afhankelijk van de olie-export. In Mali en Burkina Faso gaat het vooral om katoen. Door de grote prijsschommelingen op de wereldmarkt zijn de verschillende staten niet in staat om economisch beleid te voeren en bovendien zijn de productiegebieden in handen gevallen van rebellerende milities die niet langer uit zijn op de omverwerping van het regiem, maar op het in handen houden van hun eigen monopolies. Er zijn financiële relaties tussen deze krijgsheren en terroristische netwerken als Al-Qaïda.

De oplossing die Holslag zelf aanvoert is verdere diversificatie van de productie in de primaire sector. Zelf ben ik geneigd om juist de ontwikkeling van de secondaire (industriële) en tertiaire (dienstverlenende) sector te bepleiten. In een reclamefilmpje van een Nederlandse koffiebrander en dito gloeilampenfabrikant treedt een Keniaanse koffieboer op die klaarblijkelijk zowel Internet als de geadverteerde nieuwerwetse koffiemachine in zijn woning heeft. Dergelijke voorzieningen zijn pas voor de rest van de bevolking beschikbaar als de koffiebranderijen, de koffiemachines, de koffieverkoop en zelfs de reclame in Kenia gelokaliseerd worden. Ofwel: naast de exploitatie van bodemschatten en agrarische producten, zal in West-Afrika ook de bewerking van deze grondstoffen en de handel eromheen plaats moeten vinden. Er is niets tegen het betrekken van onze grondstoffen uit West-Afrika, maar wel tegen de volstrekte leegroof; of het nu koloniaal of neokoloniaal gebeurt. In het laatste geval zijn de gevolgen vaak nog erger. Door de opbouw van een secundaire en tertiaire sector kan de jonge bevolking van de West-Afrikaanse metropolen ook weer enig economisch perspectief geboden worden.

Een dergelijk economisch opbouwplan zou de kern moeten vormen van het Marshallplan voor Afrika, dat Tony Blair tegen de achtergrond van de bestorming van Melilla opperde. Een dergelijk plan biedt in ieder geval veel meer soelaas dan de schuldkwijtschelding, hoe nodig ook, die de G8 in juni overeen kwam. Maar of het ook zover komt? Het verwijt dat Peter J. Schraeder zijn eigen Amerikaanse regering maakt, kunnen we helaas ook uitbreiden naar de Europese en de Nederlandse: "De hiërarchie van buitenlandse belangen zijn op het eerste plan de terrorismebestrijding onmiddellijk gevolgd door de Amerikaanse economische belangen, in het bijzonder de toegang tot de Afrikaanse olie; pas op het laatste plan komt de bevordering van de veelvuldige beleden democratie, de sociaal-economische ontwikkeling en de strijd tegen HIV/AIDS."

Jan Schaake
Jan Schaake is algemeen secretaris van Kerk en Vrede en bestuurslid van de Vereniging EIRENE Nederland, de Nederlandse afdeling van de internationale oecumenische vredesdienst die zich al enige decennia inzet voor vrede en ontwikkeling in Niger en Tsjaad.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Verzet -

De morele dilemma's van het Nederlandse en Iraakse verzet

Op 4 mei 2005, de zestigste Dodenherdenking sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog, nam ik kennis van het onderstaande bericht. Zoals helaas regelmatig het geval is met zowel de Europese als de Amerikaanse berichtgeving wordt het bovenstaande bericht weergegeven zonder het vermelden van adequate achtergrondinformatie, waardoor mijns inziens ten onrechte de indruk gewekt wordt, dat hier sprake is van een geweldsdaad met als doel het saboteren van de "democratische ontwikkelingen in Irak". Nog afgezien van het te geven waardeoordeel ten aanzien van het plegen van een militaire aanval op een rekruteringsbureau van de politie, die geen direct onderdeel uitmaakt van de militaire bezettingsmacht in Irak, is deze berichtgeving niet alleen eenzijdig vanwege het ontbreken van een verband tussen oorzaak en gevolg, maar ook is de veelal in de Europese en Amerikaanse pers gedane verwijzing naar "democratische ontwikkelingen in Irak" ten enenmale onjuist.

Aanslag Noord-Irak: meer dan 60 doden

BAGDAD, 4 MEI. Bij een zelfmoordaanslag op een rekruteringskantoor van de politie in de Koerdische stad Arbil in het noorden van Irak zijn vanochtend ten minste 60 doden gevallen. Gisteren werden in de hoofdstad Bagdad de leden van de nieuwe Iraakse regering beëdigd, maar ondanks uiterste inspanningen slaagde premier Ibrahim Jaafari er nog steeds niet in kandidaten te vinden voor enkele belangrijke posten, zoals die van Defensie en Olie.

Rebellen in Irak hebben sinds de parlementaire instemming met de nieuwe regering, vorig week donderdag, het aantal (zelfmoord)aanslagen drastisch opgevoerd. De aanslag van vanochtend, waarbij een man met explosieven onder zijn kleding het rekruteringskantoor benaderde en zichzelf opblies, is de bloedigste in ruim twee maanden in Irak. Arbil was ruim een jaar geleden het toneel van een bloedbad, toen bij aanslagen op kantoren van de Koerdische KPP en PUK rond de 70 doden vielen.

Volgens een Amerikaanse legerwoordvoerder deed de explosie in Arbil zich voor toen er een lange rij stond van mannen die een baan wilden als politieagent.

Premier Jafaari zei gisteren tijdens de beëdigingplechtigheid dat zijn regering zich zal inzetten voor nationale eenheid, en het terrorisme zal bestrijden. "Ik zeg tegen alle weduwen en wezen (..): Uw opofferingen zijn niet tevergeefs geweest." Maar ondanks intensieve onderhandelingen bereikte hij geen akkoord met soennitische groeperingen over hun vertegenwoordiging in de regering. (AP)



Bezetting

Hoezeer vanuit humanitair oogpunt ieder verlies van mensenlevens in een oorlog of bezetting ook betreurenswaardig is, toch denk ik dat het van belang is hier niet uit het oog te verliezen dat er geenszins sprake is van "democratische ontwikkelingen in Irak", maar van een door de Britten en Amerikanen bezet Irak met een Iraakse regering, die de bestuurlijke uitvoeringskant van deze bezetting belichaamt.

Doorgaans verwijzen de Westerse media in verband met Irak op de gehouden "vrije verkiezingen", hetgeen echter geen enkel hout snijdt.
Enerzijds is er nog steeds sprake van een Brits-Amerikaanse militaire aanwezigheid in Irak (in casu een bezetting), ondersteund door troepen van een aantal bondgenoten, waardoor de Iraakse verkiezingen bestempeld dienen te worden als verkiezingen onder een bezetter. Een en ander is vergelijkbaar met in Nederland gehouden "vrije verkiezingen" tijdens de Duitse bezetting.
Anderzijds is het feit vermeldenswaardig dat er middels een VN-Veiligheidsraadsresolutie uit mei 2004 (betreffende de machtsoverdracht in Irak per 30 juni) weliswaar een einde is gekomen aan de Brits-Amerikaanse bezetting, maar een en ander in de praktijk slechts een formaliteit is gebleken.

In de eerste plaats hield zoals reeds opgemerkt dit einde van de bezetting geen fysieke verwijdering in van de Brits-Amerikaanse troepenmacht uit Irak, hetgeen de facto een voortzetting van de bezetting betekent.
In de tweede plaats is vastgelegd, dat de nieuwe Iraakse regering geen vetorecht heeft over Brits-Amerikaanse militaire acties, hetgeen in strijd is met een werkelijke Iraakse soevereiniteit (net als trouwens de aanwezigheid van buitenlandse troepen).
Nadrukkelijk dient bovendien gewezen te worden op zowel het feit dat de Brits-Amerikaanse aanval op Irak van 20-3-2003 in strijd was met het Internationaal Recht, alsmede op de tijdens de oorlog en bezetting van Irak gepleegde mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden.

Oorlogsmisdaden en mensenrechtenschendingen

Zowel in de oorlog als in de daarop volgende bezetting hebben de Brits-Amerikaanse troepen zich schuldig gemaakt aan een groot aantal mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden, te beginnen met het gebruik tijdens de oorlog van internationaal verboden wapens, namelijk clusterbommen, ten gevolge waarvan tijdens de oorlog alleen al meer dan 8.000 burgerdoden zijn gevallen en tijdens de oorlog en bezetting minstens 10.000 burgerdoden (ik vermeld nog niet eens het door het Amerikaanse medisch-wetenschappelijke tijdschrift The Lancet vastgestelde aantal van 100.000 burgerdoden).

De Amerikaanse troepen hebben zich tijdens oorlog en bezetting bovendien schuldig gemaakt aan mensenrechtenschendingen oorlogsmisdaden zoals het schieten op ongewapende burgers bij checkpoints, het schieten op ongewapende menigten, het martelen en mishandelen van gevangenen (waarvan Aboe Ghraib een van de meest stuitende voorbeelden is), het standrechtelijk executeren van gevangenen en het bombarderen van burgerdoelen (zie Fallujah, in april 2004 meer dan 600 burgerslachtoffers, in november meer dan 8.000 burgerslachtoffers).
Daarbij dient evenmin uit het oog verloren te worden dat er momenteel nog zeker enkele tienduizenden Iraakse gevangenen zonder vorm van aanklacht of proces door de Amerikaanse bezettingsautoriteiten worden vastgehouden, veelal onder zeer slechte omstandigheden.

Ook is er sprake van het door bombardementen vernietigen van belangrijke delen van de Iraakse infrastructuur, zoals het bombarderen van water- en stroominstallaties, met alle humanitaire gevolgen van dien voor de burgerbevolking.
Zo is er volgens de berekening door zowel Iraakse als Amerikaanse ingenieurs zeker nog vijf jaar nodig voor een volledig herstel van de in de oorlog vernietigde stroominstallaties.

Verzet

Met name is het van belang hieraan extra aandacht te besteden vanwege de zestigste herdenking van 4 en 5 mei anno 2005, waarbij uitgebreid is stilgestaan bij de bevrijding van Nederland van de Duitse bezetting, met daaraan inherent in de eerste plaats de gruwelijke Jodenvervolging en daarnaast talloze mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden ten aanzien van verzetsmensen en individuele Nederlandse burgers, veelal als represailles voor door het verzet gepleegde militaire aanslagen.

Ook in Irak is er sprake van een bezetting. Zoals reeds in andere commentaren door mij is opgemerkt, zijn onderdrukking, vernederingen, willekeur, mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden inherent aan iedere bezetting overal ter wereld, of het nu de Israëlische, Amerikaanse, Chinese, Russische, Aziatische of Afrikaanse is.
Hiertegen komt vanzelfsprekend verzet, zowel het internationaal-rechtelijk gelegitimeerde tegen het leger van een bezettingsmacht als het niet-gelegitimeerde en zeer verwerpelijke verzet in de vorm van (zelfmoord)aanslagen tegen burgers.

Een en ander is ook het geval in Irak, waar zich tientallen verzetsbewegingen, al dan niet politiek, politiek-religieus georiënteerd, van zowel sjiitisch als soennitisch karakter, keren tegen de Amerikaanse bezetting.
Zoals reeds gezegd is dit verzet tegen de Amerikaanse bezetting internationaal-rechtelijk gelegitimeerd, terwijl volgens de 4e Conventie van Genève ieder militaire aanval op non-combattanten (burgers) verboden is.

De strategieën van de diverse Iraakse verzetsgroepen verschillen echter dienaangaande in strategisch-politieke aanpak.
De ene groep richt haar aanvallen uitsluitend tegen de Amerikaanse bezettingsmacht en de ondersteunende buitenlandse troepen, de andere groep betrekt bij de aanslagen tevens politieposten en politiemensen, en een derde groep richt haar aanvallen willekeurig, dus ook tegen burgers, hetgeen ik verwerp.
Uiteraard worden onder burgers niet alleen individuele Amerikaanse en Iraakse burgers gerekend, maar eveneens politieke bestuurders, die immers volgens de 4e Conventie van Genève ook non-combattanten zijn.
Het is evident, dat de politiek verantwoordelijken voor Amerikaanse oorlogsmisdaden hiervoor berecht dienen te worden, maar dan in de rechtszaal en niet middels een aanslag.
Hetzelfde geldt uiteraard voor politiek medeverantwoordelijken zoals de Iraakse regering en haar bestuurders, die zich trouwens eveneens als bestuursgroep, nog afgezien van hun verbinding met de Amerikaanse bezettingsautoriteiten, schuldig maken aan ernstige mensenrechtenschendingen jegens de eigen bevolking.

Argumentatie voor het plegen van aanslagen op de politiemacht

  1. Collaboratie

    Nu is er echter voor een aantal Iraakse verzetsorganisaties het bestaande probleem van de politie, die immers, als zijnde in dienst van de Iraakse regering, eveneens hetzij het bezettingssysteem impliciet in stand houdt door de ordehandhaving onder de status-quo, hetzij in een aantal gevallen indirecte assistentie verleent aan de bezettingstroepen. Een en ander kan tevens ontaarden in directe collaboratie.
    Dat dit een algemeen bij verzetsorganisaties voorkomend probleem is blijkt wel uit de houding van het Nederlandse verzet in de Tweede Wereldoorlog:
    Zoals bekend zijn er door het Nederlandse verzet diverse aanslagen gepleegd op politiefunctionarissen van wie directe collaboratie, althans volgens zijn informatie, was komen vast te staan.
    Het probleem voor het verzet was, dat deze politieagenten niet alleen de functionele macht hadden tot het uitvoeren van beheersfuncties zoals het arresteren en oppakken van met name Joodse mensen en mensen uit het verzet, maar eveneens door hun dossiers en informantennetwerk de Duitse bezetter van grote dienst konden zijn en ook vaak waren.

    Het dilemma van een verzetsbeweging laat zich dan duidelijk aftekenen.
    Enerzijds is het neerschieten van een niet-militair zowel moreel als vanuit het verzetsrecht (dat toen nog niet officieel internationaal-rechtelijk was vastgelegd, maar wel als "ongeschreven wet" werd gehanteerd) weliswaar niet acceptabel, maar hiertegen werd door het verzet aangevoerd, dat een politieagent geen gewone burger was, maar iemand, die zeker in een bezettingssituatie uitgerust kon zijn met para-militaire taken en bevoegdheden en bovendien ook als reguliere politieman de macht had, de Duitse bezetter logistiek te assisteren.
    Anderzijds is het niet alleen evident, dat iemand niet kan worden neergeschoten voor een nog niet gepleegd strafbaar feit, maar dat een dergelijke berechting slechts in een rechtszaal plaats dient te vinden.
    Het probleem dienaangaande was uiteraard, dat de bezetter, die zijn eigen "recht" gemaakt had, deze strafbare daden van desbetreffende volgens hun "rechtssysteem" eerder als beloning zouden aanmerken, waardoor er van berechting geen sprake zou zijn.
    Hoewel ik mij een dergelijk dilemma kan voorstellen, ben ik van mening, dat het bestaan van een bijzondere situatie, zowel in Nederland tijdens de Duitse bezetting als in Irak tijdens de Amerikaanse bezetting (zoals de aanwezigheid van een bezetting, de straffeloosheid voor oorlogsmisdaden en een eventuele collaboratie met een bezettende macht) niet inhoudt, dat de eigen rechtsprincipes hierdoor overboord gezet dienen te worden.

    Het is evident dat het ontstane dilemma, zowel voor het Nederlandse als het Iraakse verzet, is waar een grens te trekken. Naar mijn mening is die grens "mensenrechtenhandhaving".
    Iedere verzetsgroep heeft het recht zich militair te verzetten tegen een bezettingsleger, maar "gewone" burgers noch politieagenten kunnen, ook al worden zij van collaboratie beschuldigd, naar mijn mening doelwit worden van militaire acties.
    Niet alleen is hiervoor niet altijd afdoende bewijs, daarenboven kan het feit, dat de andere partij zich niet houdt aan de meest elementaire mensenrechten geen excuus voor een verzetsgroep zijn, eveneens die regels te overschrijden.

  2. Politiemensen als combattanten

    Een ander aangehaald argument voor het plegen van militaire aanvallen op politieposten is in het geval van Irak het feit, dat door sommige verzetsgroepen de politiemensen, vanwege hun impliciet ondersteunende taken ten aanzien van de bezettende macht (zoals het handhaven van "orde en rust" en het eventueel optreden tegen demonstraties, hoewel een en ander veelal wordt verricht door de bezettingstroepen) eveneens onder combattanten (de in de 4e Conventie van Genève gehanteerde definitie voor militairen en strijders) worden gerekend.
    Volgens de 4e Conventie van Genève echter zijn ze geen militairen en strijders, tenzij zij directe militaire of para-militaire assistentie verlenen aan de bezettingstroepen, zoals het gezamenlijk neerslaan van een opstand. In dat geval zijn zij combattanten en mogen zij ook als zodanig bestreden worden.

  3. Impliciete instandhouding van de bezetting

    Betreffende de politiemensen gaat het Iraakse verzet (althans delen daarvan) van het standpunt uit, dat zij de bezetting in stand houden en dat is deels natuurlijk ook zo.
    Het dilemma is in dezen evident, maar wat mij met name verontrust is het willekeurig plegen van aanslagen zonder aanzien des persoons, zoals op rekruteringscentra en politiemensen, die zich lang niet altijd inlaten met openlijke collaboratie.
    Eveneens denk ik, dat het dienaangaande van belang is, niet uit het oog te verliezen, dat de Iraakse politie, afgezien van deze het bezettingssysteem impliciet ondersteunende functie, eveneens de taak heeft tot het beschermen van de burger en het bevorderen van de dagelijkse veiligheid.
    Aan de andere kant zet ik vraagtekens bij het naleven van de mensenrechten door de Iraakse politie, hetgeen helaas eveneens aan ernstige kritiek onderhevig is.

Hoe echter over bovenstaande dilemma's de meningvorming ook mag zijn, de reguliere Amerikaanse en Westerse berichtgeving maakt zich door het bewust negeren van de fundamentele oorzaak van de diversiteit aan militaire acties van de verschillende Iraakse verzetsgroepen, namelijk de Amerikaanse bezetting, schuldig aan ernstige informatievervalsing.
Een en ander is in een aantal opzichten vergelijkbaar met de door de Duitse mediapropaganda verspreide berichtgeving tav "Nederlandse terroristen", die een aanslag pleegden op een echte of vermeende collaborateur bij de politie zonder vermelding van de nazi-bezetting.
Het zou van groot belang zijn, wanneer de Amerikaanse en West-Europese media hiervan goed nota namen.

Astrid Essed



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Demobilisatie -

De linkse beweging van gedemobiliseerden
in Rotterdam na de Eerste Wereldoorlog

Vanaf 14 november 1918 demobiliseerde de Nederlandse regering gefaseerd de krijgsmacht. De soldaten van de lichting 1916 en ouder (ongeveer 122.000 man) gingen als eersten met verlof. Velen hadden meer dan drie jaar in het leger doorgebracht. Demobilisatie is voor een staat geen gemakkelijke opgave. De soldaat moet op sociaal en economisch gebied herintegreren in de samenleving. Zal hij zich overgeven aan drankmisbruik? Zal hij zich gewelddadig opstellen? Zal hij zijn vrouw nog wel thuis aantreffen? Zal hij zijn oude werkzaamheden kunnen oppakken? En, voor de staat uitermate belangrijk: zal hij uit onvrede over geleden ontberingen vatbaar worden voor radicale ideeën of zal hij loyaal blijven? De antwoorden op deze vragen zijn ongewis.

In vergelijking met de soldaten in de oorlogvoerende landen was de Nederlandse militair tijdens de mobilisatie van '14-'18 natuurlijk fortuinlijk. Maar het verblijf onder de wapenen had hem toch veranderd. Misschien wel voor het eerst in zijn leven was hij gedurende een langere periode van huis en had hij onder invloed gestaan van andere ideeën. Hij was in contact gekomen met mensen die een andere politieke of kerkelijke richting voorstonden. Bovenal was de moraal in het leger natuurlijk totaal anders dan in zijn traditionele leefomgeving. Weinigen konden de sfeer die in het leger bestond, waarderen. Links zag de dienstplicht als een geestelijke kneveling met bijvoorbeeld als gevolg dat er veel gedronken werd. Deze kwestie zou natuurlijk ook spelen bij een eventuele demobilisatie. Veel gemeentebesturen hadden besloten om de kroegen te sluiten.

Daarnaast zou de soldaat met economische problemen te maken kunnen krijgen. Bij een mobilisatie worden vele arbeidskrachten aan de arbeidsmarkt onttrokken, waardoor bedrijven soms zelfs de poorten moeten sluiten. Bij een demobilisatie geldt natuurlijk het tegenovergestelde. Velen komen plotseling terug in de burgermaatschappij en kunnen maar moeilijk aan de slag komen. Dat was zeker zo in Nederland waar de economische en sociale nood al voor het einde van de oorlog hoog was.

Revolutionaire woelingen

De demobilisatie voltrok zich bovendien in een onrustige tijd. De Russische revolutie lag nog vers in het geheugen. Duitsland leek dezelfde kant op te gaan. In ons land had Pieter Jelles Troelstra op 11 november 1918 in het Verkooplokaal te Rotterdam en een dag later in de Tweede Kamer zijn fameuze revolutiepoging gedaan. In de havenstad sprak hij van de vorming van 'een opperste raad van arbeiders en soldaten'. Ook Albertus Cornelis Butselaar, de secretaris van de aan de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) gelieerde Bond van Nederlandsche Dienstplichtigen (BvND) hield daar een opzwepende toespraak. Burgemeester A.R. Zimmerman van Rotterdam raakte zozeer onder de indruk, dat hij contact zocht met de 'revolutionairen' om de overgang naar een socialistische maatschappij zo ordelijk mogelijk te laten verlopen. Scheepvaartmagnaat P. Nijgh beloofde dat de arbeidsvoorwaarden na de revolutie verbeterd zouden worden. De autoriteiten maakten zich in diverse koortsachtig gevoerde overleggen zorgen over de gespannen situatie. Ze wisten niet goed wat er speelde.

Voor de revolutiepoging echter goed en wel was ingezet, was de mislukking een feit. Maar het was wel naar aanleiding van deze gebeurtenis dat de regering besloot de soldaten naar huis te sturen en dat terwijl de internationale situatie op zijn zachtst gezegd nog erg gespannen was.

De toestand in Nederland en de wereld moet een diepe indruk gemaakt hebben. Polarisatie tussen links en rechts was een gevolg van Troelstra's optreden. De sociaal-democratie zou in het landelijke politieke spectrum geïsoleerd komen te staan. Verder zat bij rechts de angst voor een omwenteling er diep in. Men was daar bereid tot concessies aan de arbeidersklasse.

Het was in deze omgeving waar de Nederlandse dienstplichtige het uniform uittrok. De vraag die ik in dit artikel wil stellen, is hoe hij daar werd opgevangen? Waren er linkse organisaties die zich inspanden voor zijn materiële belangen? Hoe ontwikkelden deze zich? Wat gebeurde er in Rotterdam op dit vlak? Waar heeft de beweging uiteindelijk toe geleid?

Ontstaan van linkse organisaties

De dienstplichtig soldaat kwam thuis met een gevoel van onzekerheid. Er was veel werkloosheid en de kans op een baan was niet groot. Daar kwam bij dat er (nog) geen regelgeving bestond voor de werkloze gedemobiliseerde. Er was slechts de voorziening dat hij nog 30 dagen gebruik kon maken van de rijksvergoeding waarop hij in zijn diensttijd recht had gehad (en dat was alleen het geval wanneer de dienstplichtige kostwinner was!). Een uitkering die reguliere werklozen ontvingen, leek hem onrechtvaardig, want hij was onder bijzondere omstandigheden (vaderland verdedigen), zijn baan kwijtgeraakt. Zodoende ontstond er sociale onrust.

Het waren de sociaal-democraten die hier snel op insprongen. Tijdens de mobilisatie hadden zij zich al ingespannen voor de verbetering van arbeidsvoorwaarden. Zij organiseerden zich in mobilisatieclubs en vanaf mei 1918 bestond de BvND, een heuse soldatenbond onder de paraplu van de SDAP. Na de demobilisatie besloten partij- en bondsbestuur op 22 november dat de bond voorlopig voort diende te blijven bestaan. De sociaal-democratie wilde bovendien niet dat de gedemobiliseerden onder de paraplu van andere linkse organisaties terechtkwamen.

In communistische en anarchistische kringen was men enthousiast over de revolutionaire tijden. In de voorbije Rode Week waren zij er nog niet klaar voor geweest. Ze waren bezig met het oprichten van soldatenraden, maar deze waren nog maar klein en krachteloos. Het was voor hen onverwacht dat Troelstra het voortouw voor een revolutie nam. Bovendien vonden ze de SDAP-leider te veel opgeschoven naar rechts. Maar bij een volgende gelegenheid moest revolutionair-links wel klaar staan. Nog voordat de sociaal-democratie besloten had om door te gaan, legden revolutionairen op initiatief van het Nationaal Arbeidssecretariaat (NAS) op 21 november in de hoofdstad de basis voor een eigen beweging van gedemobiliseerden. Op 6 januari 1919 zou een landelijke organisatie opgericht worden: de Bond van Gedemobiliseerden (BvG). Daarnaast bleven zij werken aan de soldatenraden en ook trachtten zij rode gardes te vormen.

Sociaal-democratie en revolutionair-links streden met elkaar om de gunst van de gedemobiliseerden. De sociaal-democraten wilden redelijk overkomen en kwamen met een gematigd programma. Revolutionair-links stelde alleen daarom al hardere eisen.



Eisenpakket BvND

  • een uitkering in geld van tenminste ƒ 50,- voor iedere gedemobiliseerde om burgerkleding aan te schaffen;
  • verhoging van de gezinsvergoeding met ƒ 6,- per week;
  • een tegemoetkoming aan alle ongehuwde gedemobiliseerden van tenminste ƒ 12,- per week;
  • uitbetaling van de vergoedingen totdat de gedemobiliseerde werk heeft;
  • verplicht gebruik van de Arbeidsbeurs door werkgevers en werknemers.

Eisenpakket BvG

  • een uitkering van ƒ 100,- voor burgeruitrusting;
  • uitbetaling van het volle loon zolang de werkloosheid duurt;
  • productief werk tegen loon overeenkomstig de voorwaarden, door de vakbeweging in de desbetreffende bedrijven gesteld;
  • amnestie voor alle militaire dienstweigeraars;
  • intrekking van vonnissen die door militaire rechters tijdens de mobilisatie tegen militairen werden uitgesproken.



Dit is de definitieve regeling die de regering op 27 december 1918 doorvoerde: de steun van de overheid betrof met name levensonderhoud, kleding, gereedschap, verhuiskosten, arbeidsbemiddeling en kredieten voor bedrijfseigenaren. Al degenen die in dienst waren geweest met recht op rijksvergoeding, kregen deze gedurende een periode van 60 dagen na hun demobilisatie doorbetaald, verhoogd met ƒ 0,75 per dag voor het levensonderhoud. Na deze periode bestond de mogelijkheid op een verlenging van nog eens 60 dagen, waarvoor zij dienden aan te kloppen bij het plaatselijke steuncomité (dit was een uitkeringsinstantie die in augustus 1914 in het leven was geroepen vanwege de nood ontstaan door de oorlog) of de demobilisatiecommissie (deze commissie was in veel plaatsen in november 1918 opgericht en vormde vaak een onderdeel van het genoemde steuncomité).
De sociaal-democraten waren tevreden en meenden dat gestopt kon worden. De BvND zou in de ogen van het bestuur kunnen verdwijnen. Vanwege de activiteiten van revolutionair-links zetten zij dit voornemen uiteindelijk niet door.

Activiteiten en ontwikkelingen

Vooral begin 1919 waren de organisaties bijzonder actief en groeiden ze sterk. In de laatste 14 dagen van januari hield de BvND 33 openbare vergaderingen, bezocht door 12.000 gedemobiliseerden. In totaal waren er aan het eind van de maand 53 afdelingen met 6.453 leden. Een week later zou dat aantal reeds boven de 10.000 liggen. Half maart zouden er zelfs 17.000 leden geweest zijn. De bond zelf noemde in maart een propagandistisch aantal van 20.000 leden, verdeeld over 144 afdelingen. Bij propaganda hoort ook een blad. De bond zette het orgaan dat vanaf juni 1918 al bestond voort: na drieënhalve maand niet te zijn verschenen, kwam De Reveille op 18 februari 1919 weer uit.

De BvG meldde in januari zelf dat er ongeveer 3.500 leden waren verdeeld over 15 afdelingen. Natuurlijk waren ook deze getallen aangedikt. De concurrerende BvND ging uit van ongeveer 2.500 leden, verspreid over 12 afdelingen. Om bovengenoemde reden zou dit overigens een te lage schatting kunnen zijn. Maar dat er groei was, is zeker. In maart noemde de bond 6.500 leden verspreid over 33 afdelingen, terwijl de BvND van 4.000 leden sprak. Ook de BvG kende een eigen blad: het eerste nummer van De Gedemobiliseerde verscheen in januari 1919.

De BvG was radicaler dan de BvND. Vooral in Amsterdam betoogden de gedemobiliseerden veel; regelmatig liep het uit op rellen. De BvND was veel gematigder. De bond zocht meer zijn toevlucht in de verzoekschriften. Een massale actie op dit gebied had plaats in februari 1919 toen 68 afdelingen de Tweede Kamer trachtten te overtuigen van het idee dat alle gedemobiliseerden die meteen na hun verkregen verlof werk hadden gevonden, een uitkering van ƒ 120,- zouden moet krijgen. Binnen de organisatie waren er echter nogal wat afdelingen die radicaler waren. Het kwam op lokaal niveau dan wel tot samenwerking met de BvG, maar deze BvND-afdelingen zouden geen meerderheid verkrijgen.

Gedemobiliseerden in Rotterdam

Een uitzondering vormde de landelijke demonstratie, die de BvND op 16 maart in Rotterdam had uitgeschreven. De manifestatie vond plaats in 2 zalen, waar respectievelijk 800 en 6 à 700 mensen aanwezig waren. De betogers wensten dat de steunregeling ook na 15 maart, voor veel gedemobiliseerden in praktijk na een periode van 120 dagen de einddatum van de regeling, van kracht zou blijven. De betoging eindigde met een kleine demonstratie door de Rotterdamse binnenstad.

Hoewel er in januari reeds een vertegenwoordiging uit de havenstad op het BvG-congres aanwezig was, zou een organisatie pas laat van de grond komen.
Dat was vreemd, want het plaatselijk steuncomité was niet gul bij het verstrekken van uitkeringen. In Rotterdam hadden de gedemobiliseerden het slecht. Rond 20 januari kwam het besturenoverleg van het plaatselijke Revolutionair-Socialistisch Comité (RSC) op uitnodiging van vakbondsactivist en voormalig matroos Bertus Bouwman bij elkaar om zich onder meer te buigen over acties. Een paar dagen later sprak de communist Louis de Visser de gedemobiliseerden in het Verkooplokaal toe. Een echte BvG-afdeling was er nog niet. Dus restte de activisten van het Plaatselijke Arbeidssecretariaat (PAS, plaatselijke afdeling van het NAS), zoals Cornelis Kretz, J. Waltman en de communistische onderwijzer Christoffel Wijnveldt, het debat met de BvND. Pas daarna kwam het tot een afdeling, waarvan het ledental onbekend is.

Die kon meteen aan de slag. In de gemeenteraad lag de motie van SDAP-er Arie de Zeeuw ter tafel gericht op een betere steun- en werkverschaffingregeling. De BvG hield in dit kader op 1 april samen met de BvND een vergadering in 'het Vereenigingsgebouw'. Kretz en G.J. Selier spraken voor 450 mensen. Rotterdam was een van de plaatsen waar sprake was van samenwerking tussen de sociaal-democratische en revolutionaire gedemobiliseerdenorganisaties. Kretz en Selier spoorden de aanwezigen aan om de raadsvergadering van donderdag 3 april bij te wonen. De politie hield de demonstratie op de Kaasmarkt en de Hamsteeg tegen door met de sabel en gummistokken rake klappen uit te delen. Aanleiding vormde een dertigtal personen met militaire jassen met daarop rode kokardes, dat weigerde door te lopen.

Overigens werd de motie 'De Zeeuw' niet aangenomen. Dientengevolge kwam het ook niet van een 'royale uitvoering' van de steunregeling door de 'Algemeene Commissie tot Steun'. De commissie wees het merendeel van de aanvragen af.

Nadien zou voor zover bekend de BvG nog maar tweemaal bijeenkomen. De BvG vormde echter wel een belangrijk terrein van (internationale) samenwerking. Zo verspreidde revolutionairen in Rotterdam manifesten onder de aldaar gelegerde Amerikaanse en Engelse militairen, die op het punt stonden naar huis af te reizen. De bedoeling hiervan was dat de zij zich zouden organiseren in communistische partijen en zich zouden aansluiten bij bijvoorbeeld de in Engeland actieve bonden van gedemobiliseerden als de socialistische 'National Union of Ex-Servicemen' (NUX) en de 'Sailors', Soldiers' and 'Airmen's Union'.
In steden als Amsterdam en Den Haag waren het de BvG-afdelingen die het initiatief namen om gewapende rode gardes te formeren. Ook in Rotterdam bestond er korte tijd een Rood Leger.

Arbeiders- en soldatenraden

Ook op andere gebieden zorgde het milieu van de BvG voor samenwerking en activiteiten van links-radicalen. In Rotterdam trachtten activisten in navolging van plaatsen als Amsterdam, Utrecht en Den Haag te komen tot de oprichting van een arbeidersraad. Al eerder, in het najaar van 1918, was er een soldatenraad geformeerd. Van activiteiten in bijvoorbeeld de Rode Week is niets bekend en zeer waarschijnlijk heeft dit revolutionaire orgaan slechts zeer kort bestaan.

In de havenstad vergaderde op 8 januari een veertigtal werklozen. Een deel van de aanwezigen, onder leiding van M. Smolders, wilde het oprichten van een arbeidersraad doorzetten. Een ander deel vond het RSC veel geschikter om, werkend met afgevaardigden, als een dergelijke raad te functioneren. Zodoende leidde de bijeenkomst tot niets.

Op 26 maart werd onder voorzitterschap van de schilder en marktkoopman Cornelis Minderman definitief een arbeidersraad opgericht. De 250 aanwezigen kregen te horen dat dit een tegenhanger moest vormen van de Burgerwacht. Volgens een Rotterdams politierapport verlieten ruim honderd mensen de bijeenkomst tijdens de pauze. J.M. Molenkamp, C.J. Kretz en In 't Veld gingen in debat. De vergadering werd enigszins rumoerig nadat één van de debaters Minderman voor 'ploert' had uitgemaakt. Slechts vijf personen zouden zich daarna als lid opgegeven hebben. Een succes was het daarom niet.

Dat bleek eens te meer tijdens een openbare avond van de Communstische Partij op 31 maart 1919. Onder voorzitterschap van Dirk Struik spraken Pieter Cornelis den Ouden (hoofdbestuurslid van de BvG en verantwoordelijk voor het zuiden van het land) en De Visser. De laatste zei onder meer: "Denk erom mannen, velen van jullie zijn 4,5 jaar onder de wapenen geweest, als het noodig is, weten jullie de wapenen te hanteeren." Hij achtte het verder zeer gewenst dat arbeiders- en soldatenraden werden opgericht. De vergadering was slecht bezocht en de sfeer oogde mat. Volgens een politierapport was er overigens wel discussie. Het was "C. Kretsch (bedoeld werd waarschijnlijk C.J. Kretz), christen-socialist (sic) en lid van de arbeidersraad" die kritiek had op de verkiezingsdeelname van de CP. Vervolgens werd het erg rumoerig onder de ongeveer 300 aanwezigen in de zaal.

Over doel, vorm en middelen van de soldaten- en arbeidersraden brak een discussie los onder radicaal-links in Nederland. Zo beaamde de Rotterdammer Salomon van den Berg, bestuurslid van de vervoersbond, dat hij zeker bleef vasthouden aan het NAS als de beweging die een grote rol zal spelen in een revolutie. De Nederlandse soldatenraden, waarvan er eind 1918 ongeveer tweeëndertig bestonden, beschouwde hij als propaganda-instituten en een slechte imitatie van de Russische en Duitse soldatenraden. In maart 1919 was het aantal Hollandse soldatenraden al snel afgenomen tot tien. Een uitzondering vormde Friesland waar in 1919 kortstondig een twaalftal soldaten- en arbeidersraden gefunctioneerd hebben.

Teloorgang van de organisaties

Een van de laatste bekende acties van de Rotterdamse BvG-afdeling was haar verzoek aan de NAS-leiding om een gezamenlijke actie te starten tegen de verlaging van de uitkeringen. Het bestuur vond echter dat ze zich tot haar eigen bondsbestuur moesten richten. Dat was een opmerkelijke reactie. Altijd was het NAS richting BvG bereidwillig geweest bij het voeren van actie. Kennelijk werd dat minder naarmate de beweging verliep.

Toch was er in feite voor de organisaties van gedemobiliseerden nog veel werk te verzetten. Voor veel verlofgangers was medio maart de steunregeling na 120 dagen afgelopen en indien zij nog steeds werkloos waren, kregen zij voortaan slechts de reguliere werklozenuitkering. Bovendien kwam er per 1 april een nieuwe mindere steunregeling voor dienstplichtigen van de lichtingen 1917 en 1918 die tussen 1 april en 31 juli gedemobiliseerd zouden worden: "Het betreft thans jongelieden van de jongste lichtingen, die niet veel langer dan den gewonen oefentijd onder de wapenen zijn geweest; bovendien komen zij niet onverwacht in groote getale terug op de arbeidsmarkt op een oogenblik der grootste werkloosheid, gelijk in november 1918 en ook nog later het geval was."
Hoogstens kon aan hen die tijdens het verblijf onder de wapenen kostwinnersvergoeding hadden genoten, een bedrag van ƒ 130,- worden verstrekt. Anderen konden niet meer dan ƒ 65,- ontvangen.
De BvND vond de regeling slecht. Het congres van 6 april nam om voornoemde redenen een protestmotie aan en verzond de motie, die verder opriep tot een gezamenlijke strijd in nauwe samenwerking met de kamerfractie van de SDAP, aan kranten, regering en Tweede Kamer.

Natuurlijk was ook de BvG niet tevreden met de nieuwe regeling. Vanwege het aflopen van de steunverlening medio maart, besloot het landelijke congres van 2 maart om de strijd voor de inwilliging van de bondseisen nog harder te voeren.
Het bestuur van de BvND, waaronder de Rotterdammer G.J. Selier, zorgde op 6 april echter voor een verrassende wending. Nadat de hiervoor genoemde motie was aangenomen, kwam er nog een motie ter sprake waarin de leiding het einde van de bond aankondigde. Het bestuur was van mening, dat de organisatie in normale tijden geen toekomst kon hebben en dat het de taak van de SDAP was de strijd tegen het militarisme te voeren. Het zou onontkoombaar zijn dat de belangstelling voor de bond zou tanen. De houding van het hoofdbestuur leidde tot een felle discussie op het congres. Verschillende afdelingen wilden de bond in stand houden. Er was een minderheid van afdelingen die het hoofdbestuur steunden. Secretaris Butselaar moest daarom bezweren dat zolang er sprake was van levensvatbaarheid, het hoofdbestuur er niet aan zou denken om de organisatie op te heffen. Tevens beloofde hij, dat de leiding met kracht aan de opbouw van de bond zou blijven werken. De gewraakte motie werd daarna alsnog met algemene stemmen aangenomen en de rust op het congres keerde weer.

Het lijkt erop dat het hoofdbestuur zich niet aan zijn belofte heeft gehouden. De hoofdbestuursleden verzaakten ernstig. Was het aantal in Het Volk gemelde vergaderingen in januari, februari en maart bijzonder groot, in de volgende maanden viel in de SDAP-krant nauwelijks meer iets over bijeenkomsten te lezen. Dat was opzienbarend in aanmerking nemend het grote aantal afdelingen, dat De Reveille in de maand mei publiceerde.

Het is wel zeker dat het bestuur de actie onder de gedemobiliseerden na 6 april staakte, omdat de sociaal-democratische partij eigenlijk geen bemoeienis met een militaire organisatie wenste. De bond was slechts opgericht en onder de sociaal-democratische paraplu gekomen om in juli 1918 zoveel mogelijk stemmen te kunnen winnen bij de eerste Tweede-Kamerverkiezingen met algemeen mannenkiesrecht. Bestuur en partij waren het daarover eens. Het tactische tijdstip waarop, was het discussiepunt. Op 27 mei kwamen de dagelijkse besturen van SDAP en BvND, alsmede het Tweede-Kamerlid Klaas ter Laan bijeen om deze zaak te bespreken. Voor deze vergadering was het initiatief genomen door de BvND, hetgeen aangaf dat de leiding zeer met de zaak in haar maag zat. Want zelfs nu de actie onder de gedemobiliseerden niet meer door het bestuur werd gevoerd, zakte het ledental niet snel in.

Het principiële probleem was dat het verbeteren van arbeidsvoorwaarden in het leger als militaristisch beschouwd werd. Na de oorlog was pacifisme het motto geworden. De SDAP wilde zich op die manier profileren. In juni hakten partij en bond de knoop uiteindelijk door. De bond zou verdwijnen. Het bestuur van de bond plande een slotcongres op zondag 29 juni. Via een 'geheim' schrijven werden de afdelingen hiervan op de hoogte gesteld. Natuurlijk was dat voorstel tot opheffing op het congres geen hamerstuk. De motie om de bond per 1 oktober op te heffen, werd echter wel met algemene stemmen aangenomen.

Ging het verdwijnen van de BvND gepaard met min of meer democratische besluitvorming, hoe anders was dat met de BvG. Het besluit om de bond op te heffen is voor zover bekend nergens door niemand genomen. Afdelingen en centrale organisatie zijn gewoon verlopen, omdat niemand meer een vergadering uitschreef. Hiervoor zijn wel oorzaken te noemen. Als eerste moet genoemd worden dat de organisatie in veel plaatsen maar klein was. De meeste afdelingen bleken niet levensvatbaar. Slechts af en toe hielden zij vergaderingen.

Op de achtergrond speelt mee dat de arbeidsmarkt in de zomer van 1919 aantrok als gevolg van een hausse in de economie. Dit moet ongetwijfeld zijn invloed hebben gehad op niet alleen de leden maar ook de kaders van de BvG, waarbij de laatsten veelal sterk betrokken waren bij het NAS. Toen meer en meer gedemobiliseerden werk vonden, was het voor het NAS van minder belang en lastiger om de kleiner wordende beweging te blijven ondersteunen.

Voor de afdeling in Rotterdam blijft het evenwel gissen wat de precieze reden voor beëindiging van de activiteiten is geweest. Zouden de initiatiefnemers misschien andere beslommeringen hebben gekregen? Een deel was immers betrokken bij de raden en bij het opzetten van rode gewapende groepen. Het zal waarschijnlijk nooit meer mogelijk zijn om hier een antwoord op te geven.

Epiloog

In Nederland had niemand ervaring met een demobilisatie op deze schaal. Men kon slechts werkloosheid vermoeden wanneer zoveel mensen zich ineens op de arbeidsmarkt zouden begeven. Maar zou dat ook leiden tot een sociaal protest? En als dat dan het geval zou zijn, op welke schaal?

Na de gebeurtenissen in de Rode Week hadden weinigen, revolutionair-links uitgezonderd, veel trek in een nieuwe tijd van onrust. Maar daar kwam het wel van. Er kwam als het ware een steekvlam van onvrede. De verlofgangers voelden zich geen werklozen, want zij hadden in het leger gediend en waren voor hun gevoel alleen daarom hun werk kwijtgeraakt. Ze wilden een goede regeling en hoopten dat vakbondsinstellingen zich hiervoor zouden inspannen. Die organisaties die bereid waren voor hen op te komen, konden rekenen op steun.

En die waren er natuurlijk. Revolutionair-links sprong er in Amsterdam als het ware bovenop. Ook in Rotterdam roerden de gedemobiliseerden zich. Maar er was geen sterke coördinatie. De sociaal-democratie was er ook mee bezig, maar dan eigenlijk tegen wil en dank. Het liefst wilde men de actie zo snel mogelijk beëindigen. Tegen de achtergrond van het karakter van de organisaties bezien was het niet vreemd dat de acties eigenlijk weinig resultaat hadden. Het was voor de verlofgangers (en het establishment) maar gelukkig dat in de loop van 1919 de economie aantrok en er weer banen kwamen. Een werkelijke crisis werd zo voorkomen.

Ron Blom
Ron Blom is actief in de socialistische organisatie Offensief en promoveerde in 2004 op Niet voor God en niet voor het Vaderland. Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties tijdens de mobilisatie van '14-'18



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Kernwapens -

De druk op Iran wordt opgevoerd

Begin oktober werd de Nobelprijs voor de vrede uitgereikt aan het Internationaal Atoomagentschap (IAEA) en haar directeur, de heer ElBaradei. Daarmee werd de internationale publieke aandacht gevestigd op het werk van deze organisatie, die onlangs nog in het nieuws is geweest met betrekking tot de vermeende kernwapenplannen van Iran. Het geval Iran is een goede illustratie van de manier waarop de kernwapenproblematiek tegenwoordig het nieuws haalt: namelijk als een probleem van verspreiding van kernwapens dan wel kernwapentechnologie, en niet van nucleaire bewapening.

Een tegenstrijdige taak

Deze eenzijdigheid heeft tot gevolg dat het publiek het probleem van atoombewapening slechts in die termen ziet: een probleem dat zich ergens anders afspeelt en niet in eigen land of dat van de bondgenoten. Om die reden wordt slechts marginale aandacht besteed aan het gegeven dat er nog steeds duizenden atoomwapens klaar staan voor inzet op het grondgebied van de kernwapenstaten. Veel daarvan zijn gemonteerd op raketten die binnen enkele minuten gelanceerd kunnen worden. De inzetstrategie van die kernwapens is ook aan het veranderen: in plaats van een wapen dat slechts in laatste instantie wordt ingezet, benadrukt een nieuwe Amerikaans nucleair doctrine (noot 1) dat de kernwapens kunnen worden ingezet tegen landen (en zelfs niet-staat gebonden groeperingen) die bewapend zijn met andere dan nucleaire massavernietigingswapens. Men heeft het over de eventuele inzet van kernwapens tegen vermeende bronnen van dreiging voor de Amerikaanse veiligheid. De Russische doctrine steunt tegenwoordig ook op het gebruik van kernwapens als vervanging voor de conventionele slagkracht waaraan het ontbreekt in het Russische leger. Kortom, het mogelijk gebruik van kernwapens is niet minder, maar juist meer waarschijnlijk geworden sinds het einde van de Koude Oorlog.

Gezien het voorbeeld dat door de kernwapenstaten gegeven worden, plus het gedogen van de zogenaamde onofficiële kernwapenstaten zoals India, Pakistan en Israël, ligt het zeker in de lijn der verwachting dat een groot aantal landen zich bezinnen op de mogelijke aanschaf van kernwapens. Ze redeneren immers: als de kernwapenstaten zich niet houden aan hun toezeggingen voor nucleaire ontwapening (zoals vastgelegd in het Non-Proliferatie Verdrag - NPV) waarom zouden zij dan nucleair onbewapend moeten blijven zoals het NPV voorschrijft? Deze bijzonder gevaarlijke beleidslijn is misschien al her en der ingezet: daarmee is het beruchte hek al weggeslagen van de non-proliferatie dam.

Het IAEA heeft de taak om zo'n ontwikkeling te verhinderen door strikte controle op het gebruik van nucleair materiaal en technologie. Ze heeft echter een tegenstrijdige combinatie van taken: aan de ene kant het militaire gebruik van nucleaire technologie aan banden leggen, aan de andere kant het aanmoedigen van het civiele gebruik daarvan (noot 2). Zo staat het immers in artikel IV van het NPV. Alle ondertekenaars (de hele wereld behalve India, Pakistan, Israël en Noord Korea) hebben het recht op volledige toegang tot nucleaire technologie voor vreedzaam gebruik. Deze tegenstrijdigheid werd in het geval Iran weer mooi geïllustreerd.

Afspraken met Iran

Het voorlopige hoogtepunt van de kwestie Iran was de stemming over de IAEA-resolutie op 24 september (noot 3). Deze heeft een aantal implicaties. De bestaande situatie hield in dat Iran slechts verplicht was om zich te houden aan het bestaande (ontoereikende) Safeguards Agreement. Iran heeft vrijwillig meegewerkt aan het toepassen van het zogenaamde 'aanvullend protocol' aangaande IAEA-inspecties. Dit protocol is niet geratificeerd door het Iraanse parlement.

De afspraak met de EU3 (de twee kernwapenstaten Frankrijk en Verenigd Koninkrijk plus Duitsland traden op als EU3 namens de EU) over het moratorium op verrijkingactiviteiten was een bilaterale kwestie tussen de EU3 en Iran. Iran heeft een voorfase van het verrijkingsproces hervat omdat het vond dat de EU3 onaanvaardbare eisen stelde in het in afgelopen augustus gedane aanbod met betrekking tot het gebruik van nucleaire technologie (Iran zou afhankelijk worden van het buitenland voor een deel van de nucleaire productiecyclus en wees dit af). De IAEA Board of Governors (bestuursraad) heeft er in een eerdere resolutie in augustus bij Iran op aangedrongen om de 'voorfase activiteiten' te stoppen (noot 4).
Op 2 september is er een rapport gepresenteerd aan de bestuursraad over de uitstaande kwesties (noot 5). Er worden geen bewijzen genoemd voor het bestaan van een Iraans kernwapenprogramma. De uitstaande kwesties zijn door de EU3 nu opgenomen in de net aangenomen resolutie.

Het gebruik van de term compliance (medewerking) in de resolutie ("Iran's many failures and breaches of its obligations to comply with its NPT Safeguards Agreement, as detailed in GOV/2003/75, constitute non compliance in the context of Article XII.C of the Agency's Statute.") creëert de mogelijkheid om de kwestie Iran naar de Veiligheidsraad te verwijzen. In de resolutie is sprake van een laatste rem, namelijk dat er een rapport moet worden gepresenteerd over de uitstaande vragen. Het meest opvallende kenmerk van de resolutie is de uitzonderingssituatie die hiermee aangaande Iran gecreëerd wordt. Andere landen waar niet-rapportage speelde (noot 6) zijn niet het doelwit geworden van een resolutie in de Board of Governors van de IAEA.
Bovendien bestaan er een reeks volkenrechtelijke bezwaren tegen de gevolgde procedure, opgesomd door het Lawyers Committee on Nuclear Policy in New York, in een paper gepubliceerd op 15 september (noot 7).

Het bouwen van kernwapens

Het eerder genoemde rapport van de IAEA, gepresenteerd op 2 september somt een aantal zaken op die te maken hebben met het leveren van nucleaire technologie in het verleden. Die technologie was dual-use, dat wil zeggen geschikt voor zowel vreedzaam gebruik als de eventuele bouw van kernwapens. De aanschaf van die technologie is niet strijdig met het NPV omdat dit in artikel IV aan alle ondertekenaars (de hele wereld behalve India, Pakistan, Noord Korea en Israël) het recht geeft om nucleaire technologie voor vreedzame doeleinden (opwekking van energie) aan te wenden. Een deel van de informatie over die eerdere leveranties dan wel contacten over leveranties wordt achtergehouden door Iran en de IAEA heeft daar vragen over gesteld. Iran heeft daar slechts deels antwoord op gegeven.

Volgens schattingen van zowel de Amerikaanse inlichtingendiensten als het onderzoeksinstituut IISS te Londen (noot 8) is Iran eventueel technisch in staat om een kernwapen te bouwen in een periode van vijf tot tien jaar. Het IISS voegt er aan toe dat de bestaande Iraanse raketsystemen niet geschikt zijn om kernwapens te dragen.

IAEA onderling verdeeld

De Board of Governors van de IAEA handelt meestal op basis van consensus. Deze keer waren er twaalf onthoudingen, waaronder China en Rusland. Venezuela stemde tegen. Onder de onthouders waren ook Zuid Afrika en Brazilië. Volgens de openbare berichtgeving waren er intensieve discussies en onderhandelingen over een eerdere versie van de resolutie waarin de zaak onmiddellijk naar de Veiligheidsraad werd verwezen. De EU3-onderhandelaars moesten dit vermoedelijk onder Russische en Chinese druk laten vallen en een mogelijkheid inbouwen voor verdere rapportage aan de 'Board' en een mogelijkheid dat Iran zou voldoen aan de eisen in de resolutie. Deze eisen vormen in feite een uitbreiding van de normale verplichtingen onder het NPV. Er wordt ook geen reden aangegeven voor de plotselinge urgentie die ingegeven lijkt te zijn door onbekende politieke bedoelingen.
Opvallend is verder de 'voor'-stem van India die vermoedelijk tot stand kwam als uitvloeisel van de onderhandelingen over nucleaire samenwerking tussen de VS en India (noot 9).

Verwijzing naar Veiligheidsraad

Iran heeft verklaard dat het van plan is om het verrijkingsproces te hervatten als de verwijzing naar de Veiligheidsraad (VR) blijft staan (noot 10). Als het rapport in november aan de vergadering van de 'Board of Governors' niet voldoet (vermoedelijk zal een meerderheid hierover beslissen) volgt automatisch verwijzing naar de VR. Daar kunnen strafmaatregelen genomen worden volgens de normale regels. China of Rusland kunnen een veto uitoefenen om zulke maatregelen te blokkeren. In dat geval ontstaat een situatie die vergelijkbaar is met de aanloop naar de oorlog tegen Irak in 2003: de VS kan samen met de EU beslissen om over te gaan op unilaterale actie. Die kan bestaan uit sancties maar ook oorlog, omdat het formele standpunt van de VS is dat er geen optie wordt uitgesloten.

Motieven om Iran onder druk te zetten

De EU3-diplomatie heeft kennelijk de bedoeling om Iran onder druk te zetten door te dreigen met hardere maatregelen zoals sancties en wellicht oorlog. EU-landen hebben echter belangrijke economische relaties met Iran, die misschien op het spel staan. Dat werd voor de stemming gesuggereerd door een Iraanse woordvoerder in de Financial Times (noot 11) in verband met oliecontracten. Delen van de Amerikaanse regering willen vermoedelijk escalatie, met het oog op de dalende steun vanuit de Amerikaanse bevolking voor het Irak-beleid van de regering Bush. Een mogelijk strategisch belang is controle over de Iraanse oliereserves, vooral met het oog op de komende olietekorten en voor de VS ongewenste plannen van de huidige Iraanse regering om over te gaan op het in Euro's berekenen van haar olieprijzen. In de achtergrond speelt ook het buitenlands beleid van Israël, dat er belang bij heeft om de belangrijkste regionale rivaal maximaal te beschadigen. Rusland en China hebben ieder economische belangen: Rusland levert een kerncentrale en hoopt op verdere contracten; China heeft een langlopend contract voor gasleveranties afgesloten met Iran. Onrust, sancties of oorlog zijn niet in hun belang, zeker niet als er een pro-Amerikaanse regering aan de macht wordt gebracht in Teheran.

Politieke tegenstrijdigheid

De opstelling van verschillende landen is opmerkelijk. Ten eerste de EU die in feite een escalatiebeleid doorzet dat kan uitmonden in een oorlog, zoals boven geschetst (noot 12). Ten tweede China en Rusland die het niet eens zijn met het EU-VS beleid maar niet in de mate dat ze tegen stemden. Ten derde het stemgedrag van India dat zich hiermee duidelijk in het Amerikaanse kamp schaart. Dit is vooral interessant in verband met haar positie als kernwapenstaat die het NPV niet heeft ondertekend. Het lijkt erop dat de EU-VS combinatie grootscheepse druk heeft uitgeoefend om in ieder geval tegenstemmen te verhinderen, kennelijk met de bedoeling om Iran onder druk te zetten, misschien ook om een reactie uit te lokken die verdergaande maatregelen mogelijk maakt. De vraag is wat er gaat gebeuren als Iran verrijkingsactiviteiten herstart (de NPV staat dat toe, maar de IAEA resolutie heeft in feite een uitzonderingssituatie voor Iran gecreëerd waarin dit verboden wordt).

Dit kan alleen maar negatief werken naar de andere lidstaten met vergelijkbare nucleaire technologie. Kortom, de afspraken in het NPV over de toegang tot nucleaire technologie worden eenzijdig afgebroken, de tweedeling van de wereld, beschreven in een artikel van Thalif Deen (noot 13) wordt er door versneld. Daarnaast is het proces waarin een uitzondering wordt gecreëerd voor de onofficiële kernwapenstaten (Israël, India en Pakistan) verder bestendigd. Deze politiek is vanzelfsprekend volkomen ongeloofwaardig vanwege die politieke tegenstrijdigheid. Waarom wordt er niets gedaan aan de kernwapenstrijdmachten van deze landen terwijl een mogelijk en niet bewezen kernwapenprogramma van Iran aan de orde wordt gesteld? Het EU-VS initiatief wordt verder ongeloofwaardig vanwege de eigen kernbewapening: deze omvat zowel de Amerikaanse, Britse en Franse kernwapenstrijdmachten, als de nucleaire paraplu die door de nucleaire doctrine van de NAVO wordt opgehouden boven alle NAVO lidstaten.

Het beleid tegen Iran is dus niet verkoopbaar naar het grootse deel van de wereld maar ook niet realistisch, omdat vele ondertekenaars van het NPV het niet zullen aanvaarden. Gezien de verdere ontwikkeling van de Amerikaanse nucleaire doctrine (noot 14) kan de escalatiekoers die door deze IAEA bestuursraad resolutie is ingezet alleen maar negatieve gevolgen hebben.

Er was sprake van meerdere alternatieven, zoals het toestaan van verrijking onder een versterkt inspectieregiem. Dit is onder meer voorgesteld door een voormalig hoofd van de IAEA in de Financial Times (noot 15). Daarnaast lag er een voorstel om Zuid-Afrika te betrekken bij het Iraanse nucleaire programma. Er is echter geen poging gedaan om hierover met Iran tot overeenstemming te komen.
In de nasleep van de historische IAEA-vergadering leek er weer zoiets als bezinning te ontstaan onder een deel van de media. Men vroeg zich in Nederland af wat voor zin zo een escalatie had als er geen consequenties aan verbonden werden. Stappen in de Veiligheidsraad zouden immers tegen een mogelijk veto van China of Rusland aanlopen. Bij het schrijven van dit artikel was er ook sprake van geruchten als zou de EU weer willen onderhandelen. De volgende vergadering van de bestuursraad van de IAEA vindt op 24 november plaats. Het lijkt onvermijdelijk dat de zaak Iran hoog op de agenda gezet wordt.

Karel Koster


Noten:

  1. Zie www.armscontrol.org/act/2005_09/Kristensen.asp
    The Role of U.S. Nuclear Weapons: New Doctrine Falls Short of Bush Pledge
    Hans M. Kristensen
    Terug naar tekst
  2. Zie www.IAEA.org
    Terug naar tekst
  3. Zie: www.iaea.org/Publications/Documents/Board/2005/gov2005-77.pdf en www.iaea.org/NewsCenter/Transcripts/2005/transcr24092005.html
    Terug naar tekst
  4. Leden van de Board of Governors (bestuursraad) van de IAEA 2004-2005:
    Algerije, Argentinië, Australië, België, Brazilië, Canada, China, Duitsland, Ecuador, Frankrijk, Ghana. Hongarije India, Italië, Japan, Jemen, Mexico, Nederland, Nigeria, Pakistan, Peru, Polen, Portugal, Rusland, Singapore, Slowakije Sri Lanka, Tunesië, Zuid Afrika, Zuid Korea, Venezuela, Verenigd Koninkrijk Verenigde Staten Vietnam, Zweden (een deel hiervan zal vervangen worden voor de vergadering van eind november).
    Terug naar tekst
  5. GOV 2005/67, vrijgegeven op 24 september 2005, zie vooral para 42-53 op www.iaea.org
    Terug naar tekst
  6. Bijvoorbeeld Zuid-Korea, zie www.thebulletin.org/article.php?art_ofn=jf05kang of Brazilië en Egypte
    Terug naar tekst
  7. 'The Iranian Nuclear Dilemma: Referral to the Security Council?' www.lcnp.org
    Terug naar tekst
  8. 'Iran's Strategic Weapons Programmes' 060905
    Terug naar tekst
  9. Zie voor de regeringsverklaring
    http://meaindia.nic.in/pressrelease/2005/09/24pr01.htm
    en reactie in de Indiase pers:
    www.thehindu.com/2005/09/26/stories/2005092606971100.htm, artikel uit 'The Hindu';
    verdere achtergrond 'Removal of License Requirements for Exports of Controlled Items to India'
    www.fas.org/nuke/guide/india/fr083005.html
    Terug naar tekst
  10. Iraanse reactie: Iran threatens to resume uranium enrichment 26 September 2005
    http://news.yahoo.com/
    Terug naar tekst
  11. Financial Times 220905 - 'EU stance jeopardising energy deals, warns Tehran'
    Terug naar tekst
  12. Zie hiervoor de analyse uit maart 2005 in F&R 42, te vinden op www.eurobomb.nlonder 'recent'
    Terug naar tekst
  13. Zie http://ipsnews.net/news.asp?idnews=30387 'Iran's Nuclear Dispute Sparks East-West Rivalry', Thalif Deen
    Terug naar tekst
  14. Zie noot 1
    Terug naar tekst
  15. Opiniestuk in Financial Times, Europese editie 270605
    Terug naar tekst



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Geheime diensten -

De Moordmachine van de Gendarmerie
Onthullingen van een JITEM agent

"Iemand genaamd Murat Aslan werd in de wijk Yenisehir, nabij het Gemeentehuis van Diyarbakir, gedwongen plaats te nemen in een auto van het merk Toros en meegenomen naar de JITEM. Vervolgens werd hij overgebracht naar het hoofd van het inlichtingenteam van de JITEM in Silopi. Na ondervraagd en gemarteld te zijn is hij naar een zijarm van de Tigris gebracht. Daar is hij vermoord en vervolgens met benzine overgoten en in brand gestoken."
"Wie vertelt dit?"
"Abdulkar Aygan."
"Wie is Abdulkar Aygan?"
"Hij is een spijtoptant van de PKK en maakte deel uit van de zeven personen die het kader van het eerste uur vormden van de JITEM."
(…)
"Ja, het lijk van een jonge man die door marteling om het leven is gebracht en vervolgens in brand is gestoken ligt langs de oever van de Tigris …Worden de moordenaars gearresteerd? Wordt er gedaan wat nodig is om hen te arresteren of houden we de voortdurende stilte in stand? Indien deze stilte aanhoudt dringt zich de volgende vraag op:
"Waar duidt deze stilte op?"

Mehmet Altan (noot 1), Sabah, 7 februari 2005

De overtuiging dat een kleine groep slecht bewapende maar politiek uiterst gemotiveerde leden van de Arbeiderspartij van Koerdistan (Partiye Karkaren Koerdistan) in staat zouden zijn het op een na grootste leger van de NATO te verslaan in een langdurige volksoorlog leek een waanidee, te meer daar verscheidene pogingen van Turkse politiek-militaire organisaties dramatisch waren gestrand, resulterend in de dood van hun leiders en kader (noot 2).

De bevrijding van Koerdistan – zoals het in PKK termen heette – was echter in 1990 niet ondenkbaar. In voorgaande jaren – de PKK was een guerrillaoorlog gestart in 1984 – had het leger gaandeweg de controle verloren. Om het tij te keren kondigde de Generale Staf in 1991 een nieuwe oorlogsdoctrine aan, waarbij de strategie van het innemen van defensieve posities gecombineerd met grootschalige sweeps (veegacties) werd verlaten ten gunste van een offensieve opstandbestrijding, waarbij mobiele search & destroy eenheden een centrale rol spelen. Succes werd in deze nieuwe oorlogsstrategie niet alleen gezien als het vermogen om de PKK direct te treffen, maar als een afgeleide van het vermogen de sociale en fysieke omgeving van de guerrilla te vernietigen. De vorming van de eenheid Inlichtingen en Terreurbestrijding van de Gendarmerie JITEM (Jandarme Ihtibarat ve Terörle Mücadele) paste in deze nieuwe oorlogsstrategie. De JITEM richtte zich hoofdzakelijk op het elimineren van de stedelijke PKK 'omgeving', dit wil zeggen prominenten die sympathiek zouden staat tegenover de PKK en de zogenaamde PKK milities (milis), de stedelijke (gewapende) cellen, die geacht waren een belangrijke rol te spelen in het organiseren van de volksopstand (serhildan), de finale fase van de volksoorlog.

JITEM

De JITEM is een schimmige organisatie, waarvan het bestaan jarenlang is ontkend door de Turkse autoriteiten. De onthullingen van Abdulkadir Aygan, een van de eerste zeven leden van deze speciale eenheid van de Gendarmerie, geven een onthutsende inkijk in de oprichting, organisatie en werkwijze van de JITEM, die functioneerde als een moordmachine, en waarvan de leden volgens Abdulkadir Aygan 'geen dag stil zaten'. Hoewel de JITEM in naam ook een inlichtingenorganisatie is, was het motto zo veel mogelijk vermeende PKK-activisten en Koerdische prominenten met PKK-sympathieën te elimineren. In de periode 1990-1999 zijn daadwerkelijk duizenden mensen 'verdwenen' en het slachtoffer geworden van 'doodseskaders'. Een belangrijk deel hiervan staat op rekening van de JITEM.

Uit het relaas van Abdulkadir Aygan komt majoor Cem Ersever naar voren als de geestesvader van de JITEM. Voorafgaand aan de oprichting van de JITEM in 1990 was de officier Ersever actief in Siirt, waar hij het bevel voerde over een speciale eenheid. Ersever viel buiten de reguliere bevelsstructuur in de regio en direct onder het bevel van de staf van de Gendarmerie in Ankara, dat in die tijd onder commando stond van generaal Esref Bitlis. Ersever had de beslissingsbevoegdheid om op eigen houtje operaties uit te voeren en in deze periode heeft ook het idee gestalte gekregen om een speciale antiterreureenheid op te richten die gelieerd zou moeten zijn aan de Gendarmerie Dit idee zou Cem Ersever hebben voorgelegd aan de commandant van de Gendarmerie, generaal Esref Bitlis, die het idee zou hebben ondersteund. Ook de supergouverneur voor de regio waar de noodtoestand heerste, Hayri Kozakçioglu, en generaal Hikmet Köksal, die in Diyarbakir verantwoordelijk was voor openbare veiligheid, waren in 1990 betrokken bij de oprichting van de eenheid die de eliminatie tot doel had van activisten en milities van de PKK, aldus Aygan.

De eerste lichting JITEM-leden kregen hun opleiding op de basis van de Gendarmerie in Silvan. Dit is een van de verklaringen waarom juist in deze districtsstad met een inwonersaantal van ca. 60.000 in 1990, zo veel doodseskadermoorden plaats hebben gevonden. De JITEM-medewerkers in opleiding oefenden alvast in hun directe omgeving. Na hun opleiding zouden de JITEM-agenten worden gehuisvest in Baglar, een dichtbevolkte volkswijk van Diyarbakir. Hiervan werd afgezien na protesten van de eerste lichting agenten, die in deze wijk vreesden voor hun leven. Abdulkadir Aygan zegt hierover: "Daarop werd voorgesteld om ons onder te brengen in de logementen van de (…) gouverneur. Ze verzekerden ons dat deze veilig waren, de omgeving [van de logementen] was bewaakt en behoorde mede toe aan leden van speciale politie eenheden, zodat niemand ons zou kunnen treffen."
De JITEM zou 10 zelfstandige afdelingen hebben gehad, die elk weer meerdere (decentraal georganiseerde) teams aanstuurden (zie organisatieschema).

JITEM Organisatie schema:
Generale Staf van de Gendarmerie
Personeelszaken   Inlichtingen   Operaties   Logistiek
  JIT
(noot 3)
  JITEM            
JITEM
Istanbul
JITEM
Ankara
JITEM
Diyarbakir
JITEM
Mardin
JITEM
Batman
JITEM
Van
JITEM
Izmir
JITEM
Adana
JITEM
Mersin
JITEM
Samsun
Units* Units Units Units Units Units Units Units Units Units
* Een eenheid ('Unit') bestaat uit een officier, een onderofficier en een of twee militairen in burger

De JITEM had zichzelf ten doel gesteld vermeende PKK-milities en 'prominenten' in de steden te elimineren. Hiermee zou het leger urbane pockets creëren waar het ferme controle uitoefende. De meeste slachtoffers van de JITEM waren dan ook inwoners van provincie- en districtssteden. De JITEM vermoorde zijn slachtoffers uiteindelijk, maar probeerde deze in eerste instantie levend in handen te krijgen. Het verhoor duurde doorgaans niet veel langer dan twee tot drie dagen, waarna het slachtoffer, indien niet al bezweken aan de gevolgen van de martelingen, werd vermoord door wurging of pistoolschoten, en zijn lichaam gedumpt buiten de stad. Afhankelijk van de persoon in kwestie (fysieke kracht, onder verdenking gewapend te zijn of niet) werd de ontvoering uitgevoerd door een team van drie tot vier personen, die gebruik maakten van civiele voertuigen met doorgaans een (vals) kenteken. Verhoor vond plaats in een locatie die toehoorde aan de JITEM, maar na omgebracht te zijn werd het levenloze lichaam begraven of achtergelaten op een locatie op het platteland. De voornaamste reden was dat de zaken hierdoor onder de verantwoordelijkheid vielen van de plaatselijke Gendarmerie en zo de gelegenheid werd gecreëerd voor een cover-up van onderzoek in zaken die naar de JITEM konden leiden (wat moeilijk was in het geval de lijken in de stad gevonden zouden worden, waar de politie het onderzoek zou uitvoeren).

Abdulkadir Aygan

De kern van de eerste lichting JITEM agenten bestond hoofdzakelijk uit Koerdische spijtoptanten (die vanwege hun vroegere betrokkenheid bij de PKK de organisatie ook van binnenuit kenden). Abdulkadir Aygan is geen uitzondering. Hij is geboren in 1958 in Unzunhidir, een dorp in de provincie Urfa. Op 17-jarige leeftijd, In 1975, verhuist hij naar Adana, waar hij een beroepsopleiding (vergelijkbaar met de MTS) volgt. In Adana houdt Aygan zich op in linkse kringen en komt uiteindelijk in contact met de PKK. Hij stopt zijn studie en wordt actief binnen de organisatie. Terzi Cemal, op dat moment een vooraanstaande commandant van de PKK, die later in ongenade valt en door de organisatie als verrader wordt gebrandmerkt (samen met onder meer Hüseyin Yildirim), maakt Abdulkadir Aygan verantwoordelijk voor militaire zaken in de districtstad Nizip (nabij Antep, langs de doorgaande weg naar Urfa).

In 1980 wordt Abdulkadir Aygan gearresteerd bij een politie-inval in een woning waar hij dan verblijft. Hij komt pas weer vrij na een gevangenschap van anderhalf jaar en dient meteen zijn dienstplicht te vervullen. Abdulkadir Aygan wordt naar Noord-Cyprus gestuurd, maar deserteert bij de eerste de beste gelegenheid en vlucht naar Europa, waar hij weer contact opneemt met de PKK. Hij besluit deel te nemen aan de gewapende strijd en reist via Syrië naar Libanon, waar hij in een trainingskamp van de PKK onderricht krijgt. In Turkije is hij echter maar korte tijd als guerrilla actief (in de regio Sason, Mutki, Sirvan).

In 1985 deserteert hij uit de PKK en geeft zich over. Abdulkadir Aygan wordt vastgezet in de gevangenis in Diyarbakir. Hij krijgt aanvankelijk de doodstraf, maar deze wordt omgezet in een gevangenisstraf nadat hij een beroep doet op een wet voor spijtoptanten. Aygan wordt daarop ondergebracht in een speciale vleugel die is gereserveerd voor spijtoptanten in de gevangenis van Diyarbakir. In 1990 wordt hij ontslagen uit de gevangenis, maar dient zijn militaire dienstplicht af te maken, ditmaal bij de Gendarmerie, waar hij (samen met zes anderen) wordt geworven door Cem Ersever voor een nieuw op te richten eenheid: JITEM. Hij krijgt een nieuwe identiteitskaart op naam van Aziz Turan, maar ontvangt zijn JITEM loonbriefje gewoon op naam van Abdulkadir Aygan.

Onthullingen

In het boek geeft Abdulkadir Aygan informatie over verschillende operaties van de JITEM, waaronder de moord op Musa Anter, Vedat Aydin en Mehmet Sen. Over de moord op Vedat Aydin, mensenrechtenactivist en voorzitter van de Arbeiderspartij van het Volk (HEP Halkin Emek Partisi) in 1991 verklaart Aygan: "Ik heb deelgenomen aan het inwinnen van informatie voor de ontvoering van Vedat Aydin op 5 juli (1991), (…) maar ik nam niet deel aan zijn executie." Cem Ersever zou de leiding hebben gehad over het team dat de ontvoering en moord op Vedat Aydin uitvoerde. Aydin werd ontvoerd vanuit zijn huis door personen in burger die zich identificeerden als politie. Drie dagen later werd zijn dode lichaam gevonden langs de kant van een weg buiten Diyarbakir. Zijn lichaam vertoonde tekenen van marteling (schedelfractuur, gebroken benen) en zijn lichaam bevatte 15 of 16 schotwonden. Anderen die betrokken waren bij de moord op Aydin waren Ali Ozansoy (nu werkzaam bij hoofdbureau van politie, Emniyet Genel Müdürlügü) en Fethi Çetin (nu werkzaam bij de Gendarmerie in Gölcük in het westen van Turkije).

De schrijver Musa Anter werd op 20 september 1992 vermoord. Een agent van de JITEM had met Anter een afspraak gemaakt, en zou hem naar een plek brengen waar Abdulkadir en andere agenten van de JITEM zich bevonden. Daar zou Musa Anter vermoord worden. Tijdens de rit naar de plek buiten de stad, ontstond er bij Musa Anter en zijn neef, die hem vergezelde, wantrouwen. De agent van de JITEM besloot daarop de taxi die hen vervoerde tot stilstand te dwingen, en de inzittenden te vermoorden. Deze werden later door de politie levenloos naast de taxi gevonden. Abdulkadir Aygan onthult verder welke personen (naast hemzelf) betrokken waren bij de voorbereidingen en uitvoering van deze moord.

Verder gaat hij in op de moord op Mehmet Sen, die onder de verdenking stond lid te zijn van het Koerdistan Nationaal Congres (het zogenaamde parlement in ballingschap). Tussen de aantekeningen die Abdulkadir Aygan voor publicatie vrij heeft gegeven bevinden zich ook notities over deze potentiële burgemeesterskandidaat, die op 26 maart werd ontvoerd en 26 maart 1994 dood werd aangetroffen.

Naast gedetailleerde informatie over de moord op diverse prominente en minder prominente activisten, roept het boek ook veel vragen op. Wie was bijvoorbeeld de Amerikaanse instructeur (een Vietnamveteraan) die rondliep op het bureau van de gouverneur en het hoofdkwartier van de Gendarmerie begin jaren negentig? Heeft Cem Ersever inderdaad zijn beschermheer Generaal Esref Bitlis in 1993 vermoord door een aanslag met C4 [militair explosief] op de helikopter die hem vervoerde? Was deze C4 geleverd door de Amerikaan, zoals Aygan suggereert? Waarom vermoorde Ersever zijn beschermheer? Was dat omdat deze hem van zijn functie wilde ontheffen na een conflict over de status van de JITEM (Ersever zou de eenheid hebben willen omvormen tot een volledig autonome organisatie, los van de Gendarmerie, wat op verzet stuitte van Esref Bitlis)? Waarom namen Ersever en 30 anderen kort na de moord op Esref Bitlis ontslag uit de Gendarmerie (om deze autonome eenheid op te zetten, zo ja met welke steun van hogerhand)? Wie vermoorde Cem Ersever en zijn naaste medewerker en vertrouweling Neval Boz enkele maanden na het ontslag uit de Gendarmerie (en wie zijn en wat doen de overige militairen die samen met Ersever ontslag namen)?

Reacties

Abdulkadir Aygan is in1999 overgeplaatst van de JITEM naar een reguliere eenheid van de Gendarmerie, maar is gevlucht naar het buitenland. Hij is bang vermoord te worden door zijn vroegere wapenbroeders, omdat hij over te veel belastende informatie beschikt over de rol van leger en speciale eenheden in schendingen van mensenrechten (ontvoering, marteling, buitenrechtelijke executies). Waar hij zich bevindt is onduidelijk, maar hij heeft aangegeven te willen getuigen voor het Europese Hof van de Mensenrechten in Straatsburg, indien hij opgeroepen wordt. In Turkije zijn de onthullingen van Abdulkadir Aygan aanvankelijk met enig ongeloof ontvangen, en daarna doodgezwegen. Om aan te tonen dat zijn relaas niet voortkomt uit een perverse fantasie, onthulde Aygan de vindplaats van het stoffelijke overschot van een van de vermeende PKK-activisten die hij en zijn collega's op 10 juni 1994 in Diyarbakir hadden ontvoerd en vermoord. Een DNA-test bevestigde onomstotelijk dat het inderdaad ging om de persoon die Aygan noemde, Murat Aslan.

Joost Jongerden

Boek: Timur Sahan & Ugur Balik. 2004. Itirafçi, bir JITEM'ci Anlatti, Aram. Istanbul. 208 pagina's, inclusief foto's en agenda-aantekeningen van Abdulkadir Aygan.

De JITEM collega's van Abdulkadir Aygan (allen PKK spijtoptanten)
  • Ali Ozansoy: lid van het executieteam van Vedat Aydin en Musa Anter, momenteel werkzaam bij de politie
  • Fethi Çetin: lid van het executieteam van Vedat Aydin. Werkt momenteel bij de Gendarmerie in Gölcük in het westen van Turkije.
  • Adil Timurtas: werkt nu in de beveiliging van toeristische hotels in Antalya en werd in het voorjaar opgepakt voor afpersing en bedreiging van de voorzitter van HADEP in Bingöl, maar werd onmiddellijk vrijgelaten door de onderzoeksrechter.
  • Hüseyin Tilki: waarschijnlijk nog werkzaam bij JITEM
  • Recep Tiril: waarschijnlijk nog werkzaam bij JITEM
  • Saniye Alatas: werkzaam onder de naam Emel Berak bij de reguliere inlichtingendienst van de Gendarmerie, JIT.
  • Kemal Emlül: werkzaam onder de naam Erhan Berak bij de reguliere inlichtingendienst van de Gendarmerie, JIT.
  • Hatice Elmas: werkzaam onder de naam Eda Esin Mert bij de reguliere inlichtingendienst van de Gendarmerie, JIT.
  • Binevs Alsac: werkzaam op de legerbasis Diyarbakir Alay.

Noten:

  1. Mehmet Altan is hoogleraar economie aan de Universiteit van Istanbul en columnist van het dagblad Sabah. Hij is een van de initiatiefnemers van “de tweede republiek”, welke een democratisering van Turkije tot doel heeft.
    Terug naar tekst
  2. Het leiderschap van de eerste guerrilla-partijen, het Volksbevrijdingsfront van Turkije, THKO, opgericht in 1970, en de Volksbevrijdingspartij van Turkije, THKP, opgericht in 1971, werden in 1972 gedood, respectievelijk door ophanging (Deniz Gezmis, Hüseyin Inan and Yusuf Aslan) en in militaire operaties (Mahir Cayan samen met tien andere kaderleden van zijn partij).
    Terug naar tekst
  3. De Jandarma Istihbarat Teskilati JIT (Gendarme Inlichtingen Dienst) is de reguliere inlichtingenorganisatie van de Gendarme.
    Terug naar tekst



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Dossier: nieuwe oorlog tegen Irak -

BURGEMEESTERS VOOR VREDE

Een van de weinige internationale initiatieven die de kwestie van kernwapens en kernontwapening nog onder de aandacht van de burgers brengen, is die van de Mayors for Peace. Dit is een campagne geleid door burgmeester Akiba van Hiroshima, die tot doel heeft om een signaal af te geven aan regeringen. Het belang is vanzelfsprekend: er zijn geen massale bewegingen voor nucleaire ontwapening meer: Burgemeesters voor Vrede is een manier om in ieder geval de vertegenwoordigers van een groot deel van de wereldbevolking hiervoor te activeren. Dat gebeurde eerst met het oog op de toetsingsconferentie van het Non-Proliferatie Verdrag (NPV) afgelopen mei in New York, waar een door burgemeester Akiba geleidde burgemeestersdelegatie acte de présence gaf om te pleiten voor serieuze stappen naar nucleaire ontwapening. Na de mislukking van deze conferentie (er was niet eens een slotdocument) werd door burgmeester Akiba ter gelegenheid van de zestigste herdenking van de atoombombardementen in Hiroshima op 6 augustus een signaal gegeven voor een steviger aanpak. Hij zei:

"Met het oog op deze doelen en om te verzekeren dat de wil van de meerderheid vertegenwoordigd wordt in de Verenigde Naties, stellen wij voor dat de Eerste Commissie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, die in oktober bijeen zal komen, een speciaal comité zal instellen voor overleg over en het maken van plannen voor het bereiken en bestendigen van een kernwapenvrije wereld. Zo'n comité is nodig omdat de Ontwapeningsconferentie in Genève en de Toetsingsconferentie van het NPV in New York gefaald hebben als gevolg van een consensusregel die elk land vetorecht geeft.
Wij verwachten dat de Algemene Vergadering dan op basis van de aanbevelingen van dit speciale comité actie zal ondernemen, zodat in het jaar 2010 specifieke stappen leidend tot de eliminatie van kernwapens in 2020 aangenomen zullen worden.
Ondertussen verklaren wij hierbij de 369 dagen van vandaag tot 9 augustus 2006 tot een 'Jaar van Erfenis, Bewustwording en Verplichting'. Gedurende dit jaar zal Mayors for Peace, in samenwerking met landen, NGO's en de grote meerderheid van de wereldbevolking, een grote diversiteit aan campagnes voor de afschaffing van kernwapens lanceren in talloze steden over de hele wereld."

Toen de VN-top in New York in september ook op een schandalige wijze de noodzaak voor nucleaire ontwapening en non-proliferatie negeerde (vooral omdat de Amerikaanse ambassadeur Bolton geen verwijzing naar eerder gemaakte afspraken over stappen naar nucleaire ontwapening wilde) werd het boven beschreven initiatief in werking gesteld.
Het is een manier om de ontwapeningsconferentie in Genève weer te activeren zonder dat dit door veto's van de kernwapenstaten en hun bondgenoten kan worden getroffen.
Om het proces op gang te zetten is door Mexico en Canada op 25 oktober de resolutie ingediend in het zogeheten First Committee. Bij het schrijven was het niet duidelijk of deze zou worden aangenomen in de Algemene Vergadering. In ieder geval werd ze achter de schermen door Amerikaanse diplomaten hard tegengewerkt.
In de hele wereld zijn inmiddels meer dan 1000 burgemeesters lid geworden van de campagne, of ondersteunen een oproep aan regeringen voor serieuze nucleaire ontwapening. In Nederland zijn dat er respectievelijk 13 en 40 (zie kader voor de vermoedelijk onvolledige lijst).

Karel Koster
Karel Koster is coördinator Nederlandse steuncampagne 'Burgemeesters voor Vrede'

BURGEMEESTERS OVERZICHT oktober 2005

Steun voor de campagne:
  • Aalsmeer – Joost Hoffscholte (VVD)
  • Alblasserdam – Ad van den Bergh (CDA)
  • Alkmaar – Drs. M. van Rossen (PvdA)
  • Ameland – Paul Verhoeven (VVD)
  • Amersfoort – Albertine van Vliet-Kuiper (D66)
  • Amsterdam – Job Cohen (PvdA)
  • Andijk – Astrid Streumer (PvdA)
  • Apeldoorn – Mr.J.J.de Graaf (VVD)
  • Arnhem – Pauline Krikke (VVD)
  • Assen - D. van As-Kleijwegt (PvdA)
  • Baarn – drs. M.R.Th.J.G. Wolterink-Oremus (CDA)
  • Beek – Drs. A.M.J.Cremers (D66)
  • Bloemendaal – Liesbeth Snoeck-Schuller (VVD)
  • Bolsward – Willemien Chr. Vroegindeweij (CDA)
  • Boxtel – J.A.M.van Homelen (CDA)
  • Breukelen – Frank Dales (D66)
  • Den Haag – Wim Deetman (CDA)
  • Deventer – James van Lidth de Jeude (PvdA)
  • Diemen, mw. A.E. Koopmanschap
  • Ede - R.C. Robbertsen (CDA)
  • Eindhoven – Alexander Sakkers (VVD)
  • Enkhuizen - J.G.A. Baas (PvdA)
  • Gemert-Bakel – mr. J.H.A.G.van Maasakkers (CDA)
  • Groningen – Jacques Wallage (PvdA)
  • Grave - dr. P.G.J. Zelissen (PvdA)
  • Haarlemmerliede en Spaarnwoude mevr.E.J. van Hoogdalem-Arkema (CDA)
  • Hilversum – E.Bakker (D66)
  • Helmond – drs. A.A.M Jacobs (CDA)
  • Hoogezand-Sappemeer mw. M. Salet (PvdA)
  • Kerkrade – J.J.M. Som (CDA)
  • Landgraaf - mr. L.H.F.M. Janssen (PvdA)
  • Leidschendam-Voorburg – Michiel van Haersma Buma (VVD)
  • Lemsterland - ing. J. Bosma (D66)
  • Lingewaard – Drs. R.J. Persoon (CDA)
  • Meerssen – Ger Kockelkorn (PvdA)
  • Middelburg – Koos Schouwenaar (VVD)
  • Naarden – Peter Rehwinkel (PvdA)
  • Nieuwegein – drs. C.M. de Vos (PvdA)
  • Nijmegen – Guusje ter Horst (PvdA)
  • Noordenveld – J.H. van der Laan (PvdA)
  • Opsterland - drs. K.S. Heldoorn (PvdA)
  • Rijswijk - G.W. van der Wel-Markerink (PvdA)
  • Rotterdam – Ivo Opstelten (VVD)
  • Sliedrecht - Martin C. Boevée
  • Stein - Drs. A.C.Barske (GL)
  • Terneuzen - J.A.H. Lonink (PvdA)
  • Tilburg – Ruud Vreeman (PvdA)
  • Utrecht – Annie Brouwer-Korf (PvdA)
  • Vlaardingen – mr. T.P.J. Bruinsma (PvdA)
  • Voorschoten – mevr.W. M.Verver-Aartsen (VVD)
  • Weesp – Christina Hofkamp (PvdA)
  • Wormerland – Peter Tange (GL)
  • Zutphen – J.A. Gerritsen (D66)

Lid van Burgemeesters voor Vrede:

  • Amsterdam – Job Cohen (PvdA)
  • Arnhem – Pauline Krikke (VVD)
  • Beek – Drs. A.M.J.Cremers (D66)
  • Den Haag – Wim Deetman (CDA)
  • Groningen – Jacques Wallage (PvdA)
  • Leidschendam-Voorburg – Michiel van Haersma Buma (VVD)
  • Middelburg – Koos Schouwenaar (VVD)
  • Nieuwegein – Cor de Vos (PvdA)
  • Rotterdam – Ivo Opstelten (VVD)
  • Tilburg – Ruud Vreeman (PvdA)
  • Utrecht – Annie Brouwer-Korf (PvdA)
  • Waalwijk – Jan de Geus (CDA)
  • Wormerland – Peter Tange (GL)



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- De Marinestudie 2005 -

Kamp wil kruisraketten

De regering besluit tot het aanschaffen van kruisraketten op fregatten. Het nieuws komt op een merkwaardig moment, omdat noch in de begroting Defensie noch in de Troonrede melding is gemaakt van "De Marinestudie 2005". Het besluit is het belangrijkste Defensieplan van dit najaar. Het plan omvat een heel pakket maatregelen voor de marine en is een combinatie van zeer agressieve systemen met kruisraketten en de aanschaf van nieuwe schepen ter bestrijding van piraterij, drugssmokkel en terrorisme voor de kust van Nederland en Nederlandse Antillen. Bovendien komen er op fregatten nieuwe luchtafweerraketten tegen raketten van "schurkenstaten en terroristen".

Bij het aantreden van de regering Balkenende II werd al duidelijk dat minister Kamp conventionele Tomahawkkruisraketten, de Tactical Tomahawk Block IV, wil aanschaffen voor de LC-fregatten van de marine. Kruisraketten is overigens een woord dat de minister niet meer wil horen. Het doet te veel denken aan de discussie over de atoomversie van de Tomahawk, 25 jaar geleden. Kamp spreekt consequent over kruisvluchtwapens. Het gaat in ieder geval om een raket met een dracht van zo'n 1600 km waaraan een grote precisie wordt toegeschreven. Gesproken wordt over "maximaal 30 stuks" voor 57 miljoen euro.

De raketten zijn de praktische uitwerking van het streven om voor in de linies mee te kunnen vechten met de Amerikanen. Sterker nog, met de aanschaf van deze kruisraketten (en overigens ook met de JSF-gevechtsvliegtuigen en nieuwe raketten op F-16 straaljagers) verknoopt Nederland zich aan de Amerikaanse unilaterale 'first strike' strategie. Nederland wordt net als het Verenigd Koninkrijk de Amerikaanse bondgenoot die betrokken wordt bij aanvalsoperaties tegen landen die door de Amerikaanse politiek als vijanden worden aangemerkt. Dat is vooral van politiek belang omdat daarmee via de wapensystemen een permanente coalitie van 'willige bondgenoten' wordt gecreëerd. De militaire slagkracht is hierin van minder belang. In deze werkwijze wordt de medewerking van de Nederlandse krijgsmacht aan Amerikaanse aanvalsplannen vastgelegd via militair-technische aanvalsplannen. De politieke argumenten blijven dus buiten beschouwing.

Hierin liggen precies twee argumenten besloten om fel tegen deze raketten te zijn. De militair-technische capaciteit om medeplichtig te worden aan aanvalsoorlogen en het opknopen aan de Amerikaanse agressieve strategie. Nederland wordt bovendien voor de inzet volledig afhankelijk van de Amerikaanse en Britse inlichtingendiensten die tactische informatie moeten leveren.

Onduidelijk is waarom de regering met de presentatie van het plan "De Marinestudie 2005" heeft gewacht tot na Prinsjesdag. Toch was al langer duidelijk dat dit plan behoedzaam door minister Kamp werd voorgekookt. Tot dusverre was een Kamermeerderheid tegen. Toen het plan twee jaar geleden werd gepresenteerd stuitte het op drie bezwaren.

De kosten waren één argument dat ook door regeringspartijen naar voren werd gebracht. Daaraan wordt nu voldaan door bestaand materieel te verkopen aan andere landen. Een deal met België over twee andere M-fregatten is op een haar na rond. Op dit moment is nog niet precies duidelijk wie kandidaat is voor de twee andere M-fregatten.

Het CDA had een paar eisen die ze eerst ingewilligd wilde zien, alvorens er verder te praten zou zijn. "We hebben geen principiële bezwaren" was woordvoerder Kortenhorst's aanvankelijke houding, "maar het is een te grote investering in een systeem waarvan wij ons afvragen of Nederland het ooit zal gebruiken" zei hij in Trouw van 23 september 2004. De belangen van de nationale scheepsbouwindustrie zijn een tweede argument. Nu blijkt dat dit argument door het CDA vermetel is uitgespeeld. De militaire scheepsbouwlobbyist Kortenhorst heeft zijn eisen binnengehaald. Er moeten ten bate van de Nederlandse militaire scheepsbouw patrouilleschepen worden gebouwd. Het CDA vond dat de strategische nadruk van minister Kamp te veel op de grote diepzeewateren lag. Patrouilleschapen die lichter bewapend zijn dan de in gebruik zijnde fregatten zijn beter geschikt voor gebruik dicht bij de kust. Kamp was vorig jaar bereid de aanpassing in het beleid te onderzoeken. Hij wilde alleen akkoord gaan als enkele van de oudere M-fregatten tegen een aanvaardbare prijs konden worden verkocht. Daaraan wordt nu voldaan en daarmee is aan de belangrijkste eisen van het CDA tegemoet gekomen. In ruil daarvoor vervalt haar gesputter van de afgelopen twee jaar tegen de kruisraketten. Een meerderheid tegen de aanschaf, lijkt nu veranderd in een meerderheid vóór aanschaf van kruisraketten.

Het derde argument is het argument van Kamp en zijn VVD, de verknoping aan de Amerikaanse strategie en het vergemakkelijken van Nederlandse militaire deelname aan grote aanvalsoorlogen. Kamp en de VVD zijn daarvan groot voorstander. Een belangrijke reden is het militair-technisch verknopen met de VS vóórdat de voorstanders van een Europese politieke en militaire oriëntatie aan de macht komen. Deze voorstanders zitten vooral bij de PvdA, maar ook in D66 en het CDA zijn daar fans van. Dus als het aan de VVD en minister Kamp ligt moet het nú gebeuren, voordat deze regering uiterlijk mei 2007 bij de verkiezingen wordt weggestemd. De aanschaf van de JSF heeft dezelfde achtergrond. Met het doordrukken van deze zeer belangrijke wapenaankopen wordt het de voorstanders van een Europese supermacht met bijbehorende militair potentieel moeilijker gemaakt een dergelijk beleid te ontplooien, mochten zij aan de macht komen. Door tegemoet te komen aan de bezwaren van het CDA heeft de regering een compromis bewerkstelligd tussen CDA en VVD over het hedendaagse Atlanticisme in Nederland.

Nederlandse deelname aan aanvalsoorlogen komt met deze beslissing weer een stap dichterbij. Het is van het groot belang de beslissing te voorkomen, maar de kansen daarop zijn de afgelopen tijd zorgvuldig verkleind.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Column -

Spektakel

Het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA) heeft zich onlangs in een resolutie uitgesproken tegen de nucleaire activiteiten van Iran. Dit gebeurde met 22 van de 35 stemmen, op initiatief van Duitsland, Engeland en Frankrijk en met steun van de Verenigde Staten. Die landen verdenken Iran ervan in het geheim te werken aan het fabriceren van atoombommen. Uiteindelijk zou deze resolutie, via doorverwijzing naar de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, tot economische en diplomatieke sancties tegen Iran kunnen leiden. De Iraanse regering, notabene trouw partij bij het Non-proliferatieverdrag, heeft de resolutie onaanvaardbaar genoemd.

Tezelfdertijd blijken de Verenigde Staten de rol van atoombommen in hun strategie te gaan vergroten, zoals blijkt uit de nieuwe nucleaire doctrine van het Pentagon. Terwijl er de laatste jaren een zekere nadruk op de verdediging met conventionele wapens werd gelegd, is er nu sprake van een agressieve opstelling met gemoderniseerde nucleaire wapens. Men vindt het zelfs legitiem voor de VS om kernwapens preëmptief in te zetten.

De landen met kernwapens, aangesloten bij het NPV (VS, Rusland, China, Verenigd Koninkrijk, Frankrijk), hebben daarmee de doelstelling van totale nucleaire ontwapening aanvaard. Ze hebben echter nog niet het allerkleinste eerste stapje op die weg gezet, terwijl ze wel van andere landen eisen om definitief van deze wapens af te zien. Amerika maakte daarbij overigens uitzonderingen voor Israël, India en Pakistan, niet bepaald een toevallige selectie.

Nog een voorbeeld van de kwalijke ontwikkeling van de Amerikaanse politiek onder de huidige president is zijn weigering om het verdrag van volledige stopzetting van kernwapenproeven (Comprehensive Test Ban Treaty) door het Congres te laten goedkeuren. Terwijl het door zijn voorganger Clinton al getekend was!

Hoewel de rol van de VS in deze levensgevaarlijke bewapeningszaken dominant is, zijn zij niet de enige schuldigen. Ook de rol van Rusland is verre van fraai. En die van Nederland? Die is de gebruikelijke rol van slaafs en gedwee instemmen met en volgen van de politiek van de grote broer in Washington. Ook nu daarmee in de internationale politiek het meten met twee maten aan de orde van de dag is.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Toen en toen -



VeeDee
september 1985

De beuk erin

"Meer dan tien jaar strijd van de Vereniging Dienstweigeraars heeft nog niet geresulteerd in het feit dat de dienstweigeraar in Nederland serieus genomen wordt. Hoewel er marginaal wel het een en ander veranderd is lijkt het dienstweigeren eerder een gunst dan een recht. Want wat zien we nog steeds:
  1. In een vernederende procedure staat nog steeds het geweten van de dienstweigeraar ter diskussie, niet het leger. Nog steeds moet een dienstweigeraar zich verantwoorden voor het hebben van een geweten.
  2. De overheid trekt absoluut geen konsekwenties uit de erkenning van het geweten. Dienstweigeraars worden tijdens hun tewerkstelling weggestopt, hun protest monddood gemaakt. Uitzonderingen daargelaten.
  3. Bovendien wordt de dienstweigeraar in zijn vervangende dienst gediskrimineerd. Niet alleen moet hij 4½ maand langer dienen dan de militair dienstplichtige, ook wordt hij zwaar onderbetaald. Zelfs onder het bijstandsminimum.
  4. Niet alleen de dienstweigeraar maar het hele Nederlandse volk wordt door deze regering voor de gek gehouden. Met varianten, tellingen en uitstel probeert zij een rookgordijn op te werpen, zodat straks toch nieuwe kruisraketten in Nederland worden geplaatst.
Wij kiezen voor de VD-variant. Het dienstweigeren moet eindelijk maar eens gerespekteerd worden. Daarom wil de VD (..) in het RASA te Utrecht een landelijke aktiedag organiseren. Niet alleen om een krachtig protest te laten horen ook om te zoeken naar aktiemiddelen om de positie van dienstweigeraars te verbeteren."
(..)




AMOK

Hun strijd en de onze

"Ten dele herhaalt de geschiedenis zich. In de jaren zestig, toen de Ban de (atoom)Bom beweging erg aktief was, ontstond er een gelijktijdige ommezwaai naar de Vietnam beweging. Toen de Vietnam beweging op haar hoogtepunt was bleek de Ban de Bom beweging ongemerkt een zachte door gestorven te zijn. Het uiteenvallen was al begonnen in 1963 toen het Kernstopverdrag getekend werd. De radikale kritiek van toen op de Ban de Bom beweging is nu van toepassing op het IKV en de andere geïnstitutionaliseerde bewegingen. In 1964 schreef Roel van Duyn over Ban de Bom: "tot grote gezapigheid neigende tegenstanders van de atoombom" en "incidentele geloofsbelijdenissen in de vorm van optochten die de massa oproepen tot medeleven of sympathie zijn onvoldoende (…) Alleen een daadkrachtig verzet, dat buiten de perken van de legale paden treedt, kan de Nederlandse militaire politiek slagen toebrengen". (de Groene 26 oktober 1983).
(..)
Ondanks het feit dat de VS op dit moment de belangrijkste imperialistiese mogendheid is, is het uiteindelijke effektiever om ons te richten op punten die met de Nederlandse belangen en rol te maken hebben. We kunnen daar meer invloed op uitoefenen dan op die van de VS. Anders gezegd, een demonstratie of een prikaktie bij bijvoorbeeld de Amerikaanse ambassade vanwege een dreigende inval van dat land in Midden Amerika heft weinig effekt als het niet gepaard gaat met akties in het land zelf of op z'n minst een forse druk op de Nederlandse regering om wat te doen. Het gaat om het effekt en niet uitsluitend om boosheid te uiten. Een beter voorbeeld is op dit moment de kampagne rond Zuid-Afrika waar bedrijven gepakt worden, dingen bij de ambassade gedaan worden en gepoogd wordt om druk op de regering uit te oefenen, en waar bovendien een heftige strijd in het land zelf aan de gang is.
(..)
De Nederlandse militaire aanwezigheid is vooral gekoncentreerd in potentiële krisisgebieden en levert ervaring op voor direkte inzet elders in de wereld. Aktie zouden zich kunnen richten tegen troepentransporten naar deze regio's. Zo is er een groepje bezig met akties rond het halfjaarlijks uitvaren van een Nederlands fregat naar de Antillen.
(..) hulp aan deserteurs, die deserteren als duidelijke politieke daad tegen regimes als in bijvoorbeeld Zuid-Afrika en Marokko. (..)
Door akties van buitenaf door middel van het leegroven van militaire complexen (MIBO) en het saboteren of tijdelijk stilleggen van bedrijven die materiaal leveren voor het onderdrukkingsapparaat. (..)
Last but not least strijd tegen wapenleveranties, behalve als het naar bevrijdingsbewegingen gaat. Dat houdt een pleidooi in voor een anders gerichte wapenhandel, omdat wapenleveranties niet op zich goed of slecht zijn. Het gaat namelijk om de vraag: 'Wie gebruiken ze?'

Hans Alles, Hans Alderkamp



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina





Wapenhandel
Samenstelling: Frank Slijper

Voor meer informatie over Nederlandse wapenhandel en -industrie: ga naar www.stopwapenhandel.org



Militaire ambities van transporteur Maersk

In augustus nam het Deense A.P. Møller-Maersk – kortweg Maersk of APMM – het Nederlandse P&O Nedlloyd over voor drie miljard dollar. Belangrijke drijfveer achter de koop is de strategie van Maersk om zich sterker op de Amerikaanse defensiemarkt te richten. Na het Britse BAE Systems en British Petroleum (BP) is APMM nu al de derde grootste buitenlandse contractant van het Pentagon. Sinds 2000 is de hoeveelheid militaire contracten van de multinationale rederij verdubbeld. Voor 2005 wordt verwacht dat de defensie-inkomsten meer dan verdrievoudigen, van 1,1 miljard dollar nu naar 3,7 miljard, op een totale omzet van bijna dertig miljard dollar.

De grootste militaire order van Maersk dit jaar bedraagt 220 miljoen dollar en kan oplopen tot meer dan 400 miljoen. Voor dat bedrag neemt de vervoerder zowel transport als onderhoud van acht roll-on/roll-off schepen voor zijn rekening: de USNS Watson, Watkins, Red Cloud, Sister, Soderman, Charlton, Dahl en Pomeroy. Sommige van die schepen gebruikten in 2003, in de aanloop naar en tijdens de Golfoorlog, de Eemshaven voor het laden en lossen van militair materieel. De acht schepen staan onder controle van het Military Sealift Command (MSC) van de Amerikaanse marine. Het MSC is de marine evenknie van het voor sommigen misschien bekendere MTMC (Military Traffic Management Command), van de Amerikaanse landmacht, waarvan een afdeling in Capelle aan de IJssel is gevestigd.

Maersk wordt ook ingeschakeld voor inlichtingenoperaties. Vorig jaar won het een contract voor het in de vaart houden van zes schepen voor speciale missies, die direct samenwerken met de Amerikaanse marine bij het onderzees afluisteren en spioneren of als radar platform dienen.

Strategisch belangrijk is de haventerminal in het Iraakse Al Zubayr, vlak ten noorden van Umm Qasr, die Maersk in 2004 opende. Meer dan negentig procent van al het verkeer via deze haven zijn schepen die onder Amerikaanse vlag varen. Britse troepen en de eigen veiligheidsdienst van Maersk nemen de bewaking voor hun rekening.

Bron: Gerard O'Dwyer, "Pentagon Seeks More Pentagon Work", Defense News, 19 september 2005



Affaires rond Van den Nieuwenhuyzen blijven

Aan de inmiddels lange lijst geruchten en affaires rond zakenman Joep van den Nieuwenhuyzen komt voorlopig geen einde. Steekwoorden bij 's mans carrière zijn: zwendel, steekpenningen, leugens en altijd weer nieuwe uitvluchten. Vorig jaar augustus kwam de tot wapenhandelaar bekeerde bedrijvendokter ten val, nadat bleek dat miljoenen aan onderhandse leningen via het Rotterdamse Havenbedrijf in de bodemloze put van de praatjesmaker waren verdwenen (zie VD AMOK nr. 3 2004). Behalve dat Joep's verdere zakendoen in Nederland vrij onmogelijk was geworden, blijft die affaire vooralsnog zonder juridische gevolgen.

Dit jaar augustus stond hij wel voor de rechter in een andere zaak van de Nederlandse staat. Twee onderzeeërs die Van den Nieuwenhuyzen een paar jaar terug tevergeefs aan Maleisië probeerde te slijten liggen nog altijd in dat land aan de ketting. Omdat alternatieve klandizie uitbleef en de tijdelijke uitvoervergunning voor de boten al lang is verlopen eiste de rechter onlangs dat Joep de boten op eigen kosten laat slopen.

Dan is er nog de affaire rond het zakendoen met Pinochet. De Chileense justitie is een groot onderzoek gestart naar geheime bankrekeningen van de oud-dictator die de afgelopen decennia met miljoenen dollars aan smeergeld zijn gespekt. De oude baas is z'n parlementaire onschendbaarheid, die hij als senator voor het leven genoot, eveneens verloren. In dat onderzoek speelt ook de verkoop van overtollig Nederlands defensiematerieel aan Chili een rol. Meer precies van tanks en artillerie die door Van den Nieuwenhuyzen eind jaren negentig van het Nederlandse leger werden overgenomen en mooi opgepoetst aan het Chileense landmachtbedrijf FAMAE werden doorverkocht, om uiteindelijk in de Chileense landmacht dient te doen. Bij de handel zou minimaal anderhalf miljoen dollar smeergeld op een van Pinochets Amerikaanse bankrekeningen zijn terechtgekomen. Pinochet was namelijk nog altijd betrokken bij het ooit door hem in het leven geroepen FAMAE en zou volgens Vrij Nederland op 17 december 1997 oog in oog met Van den Nieuwenhuyzen de order voor tweehonderd Leopard 1 tanks hebben getekend. Hoewel Van den Nieuwenhuyzen beweert dat de bewuste anderhalf miljoen 'gewoon' als commissie voor een tussenpersoon, ene Oscar Aitken, in de boeken staat, beweert een andere intermediair, de Chileen Guillermo Ibieta, dat niet Aitken maar hij de verkoop indertijd heeft geregeld. Ibieta wordt daarbij gesteund door oud-RDM directeur Walter Luijten die deze lezing tegenover het NRC bevestigt. Op zijn beurt laat Van den Nieuwenhuyzen de verklaring van Ibieta "geheel voor zijn rekening".

Het turbulente leven van Joep heeft 's werelds grootste wapenfabrikant Lockheed Martin er ondertussen niet van weerhouden om samen met MD Helicopters – een van Joep's andere paradepaardjes, ooit van concurrent Boeing overgenomen – te bieden voor een miljardenorder van de Amerikaanse luchtmacht. Het koppel biedt de Explorer van MD aan. Als het de concurrentie weet te verslaan is dat goed voor een bestelling van 322 exemplaren van dat type. Dat zou een haast onwaarschijnlijke klapper zijn, zowel voor praatjesmaker Joep als voor het noodlijdende MD, dat zich tot voor kort tevreden moest stellen met een afzet van jaarlijks een handjevol helikopters.

Bronnen:
Ko Colijn en Paul Rusman, "Oude Nederlandse tanks voor Chili", Vrij Nederland, 24 oktober 1998;
Joep Dohmen en Marcel Haenen, "Vermoedens smeergeld RDM sterker", NRC Handelsblad, 23 september 2005;
Joshua Kucera, "Lockheed joins with MD for light helicopter bid", Jane's Defence Weekly, 17 augustus 2005



Nederlandse politievliegtuigen naar oorlogstoneel in de Himalaya

Eind 2004 maakte het militaire tijdschrift Jane's Defence Weekly al melding van de oppepper die het Nepalese leger had gekregen door een wapengift van de Britse regering. Onderdeel van dat pakket waren ook twee zogeheten Britten-Norman Islanders, vliegtuigen die een paar jaar eerder nog in het bezit waren van de Nederlandse politie. Omdat die overschakelde op helikopters werden de toestellen aan een Brits bedrijf verkocht die ze vervolgens weer aan de regering doorverkocht. In Nederland wist hoegenaamd niemand ervan omdat de vliegtuigen onbewapend waren en daarom zomaar doorverkocht konden worden.

Een paar maanden na de Britse gift gooide de autoritaire Nepalese koning het laatste restje democratie in de prullenbak door ook zijn marionettenregering naar huis te sturen. Dat was voor de Britten, Amerikanen en Indiërs die het prachtige koninkrijkje in de Himalaya bergen tot nu toe hadden gesteund een brug te ver. Eerder nog hadden die onder het mom van de strijd tegen het terrorisme het straatarme koninkrijk wel van wapens willen voorzien. Die waren nodig om de confrontatiepolitiek te ondersteunen. Die opstelling heeft de afgelopen jaren mede de burgeroorlog in het land verder uit de hand doen lopen. Aan de kant van zowel de staat, maoïstische rebellen als gewone burgerbevolking zijn daarbij inmiddels vele duizenden dodelijke slachtoffers gevallen. Amnesty International publiceerde daar in juni een uitgebreid rapport over.

Gelukkig lijkt men in Den Haag enigszins geschrokken van de gang van zaken, want in antwoord op Kamervragen van SP-er Van Velzen heeft minister Bot van Buitenlandse Zaken nieuwe wetgeving aangekondigd die de export van ongeacht wat voor politiematerieel nu vergunningsplichtig moet maken. De deal heeft kennelijk ook voor enig ongemak gezorgd bij de Britse collega's. In een wat potsierlijk antwoord schrijft Bot dat die hem niet konden bevestigen of de inderdaad door hen geleverde Islanders een Nederlandse herkomst hadden. Een blik in een luchtvaartregister had die vraag in een handomdraai kunnen ophelderen. De kwestie maakt niettemin pijnlijk duidelijk dat Nederland de export aan minder frisse regimes van materieel dat niet direct voor wapen doorgaat nog altijd niet onder controle heeft. Vergelijkbare gevallen deden zich de afgelopen jaren ook al voor met helikopters voor de Tsjaadse luchtmacht en politieboten voor Soedan.

Bronnen:
Antwoorden op kamervragen, 31 augustus 2005;
Amnesty International, "Nepal: A human crisis fuelled by irresponsible arms exports", 15 juni 2005;
Grzegorz Holdanowicz, "Aircraft donation boosts Nepal's air capabilities", Jane's Defence Weekly, 15 december 2004



Wapenhandelcijfers

Naast het Zweedse SIPRI (zie VD AMOK nr. 2 2005) komt ook de Amerikaanse Congressional Research Service (CRS) jaarlijks met cijfers over de internationale wapenhandel en in het bijzonder die met ontwikkelingslanden. Ondanks geheel andere rekenmethoden komen de becijferingen van de twee instituten redelijk met elkaar overeen. Is Nederland bij SIPRI 's werelds twaalfde exporteur over een langjarig gemiddelde (2000-2004), bij de CRS is dat een elfde plaats voor 2001-2004. Voor 2004 alleen is Nederland bij de CRS wereldwijd de negende exporteur, bij SIPRI nummer elf.

De CRS heeft ook aparte berekeningen voor wapenexporten naar ontwikkelingslanden. In die cijfers is Nederland de negende grootste over de periode 2001-2004. Alleen de vijf permanente leden van de VN-veiligheidsraad, Israël, Italië en Oekraïne scoren hoger.

Als nog weer andere cijfers ons niet bedriegen staat Nederland in beide jaarrapporten volgend jaar een of meer plaatsen hoger. Het onlangs verschenen jaarrapport wapenexportbeleid van de Nederlandse overheid laat namelijk een gestaag stijgende hoeveelheid wapenexporten zien. Voor 2005 en 2006 zal die trend zeker worden vastgehouden, met bijvoorbeeld grote orders voor Indonesië (korvetten) en Chili (tweedehands fregatten) op stapel.

Ontwikkeling Nederlandse wapenexport 1996-2004:
(waarde afgegeven wapenexportvergunningen in miljoenen euro's)
1996 419,2
1997 1.108,2
1998 431,9
1999 366,4
2000 417,3
2001 651,3
2002 450,3
2003 1.150,8
2004 644,2
Bron: "Het Nederlandse wapenexportbeleid in 2004", Min. v. EZ/BuZa.

In dat jaarrapport over het Nederlandse wapenexportbeleid zijn de volgende tien landen als de grootste afnemers voor 2004 geboekstaafd:
Griekenland 161,43
Zuid-Korea 114,97
Duitsland 88,19
VS 75,35
Frankrijk 56,44
Venezuela 27,62
Italië 21,27
VK 21,18
Overige NAVO 19,83
Denemarken 10,99
waarde afgegeven wapenexportvergunningen in miljoenen euro's

Tenslotte is bij de Campagne tegen Wapenhandel een rapport verschenen dat de Nederlandse wapenhandel over diezelfde periode op eigen wijze analyseert, vooral op basis van de maandelijkse overzichten met wapenexportvergunningen zoals die sinds enige tijd door het ministerie van Economische Zaken op hun website wordt gepubliceerd. Belangstellenden kan het rapport digitaal dan wel in papieren vorm worden toegestuurd: info@stopwapenhandel.org of 020-6164684.

Bronnen:
Richard Grimmett, "Conventional Arms Transfers to Developing Nations, 1997-2004", CRS Report for Congress, 29 augustus 2005;
"Het Nederlandse wapenexportbeleid in 2004" - te vinden op www.stopwapenhandel.org/pdf/wapenexportrapportage2004.pdf



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina





Korte berichten
Samenstelling: Kees Kalkman



Nu ook VS-vloot op Antillen

Onlangs zijn enkele verdragen afgesloten die de militaire rol van enkele NAVO-landen op de Nederlandse Antillen vergroten. De Antilliaanse krant Amigoe berichtte op 15 juli dat het Koninkrijk der Nederlanden een verdrag heeft gesloten met het Verenigd Koninkrijk over de stationering van Brits defensiepersoneel dat luchtverkenningsassistentie verleent aan de marine en de kustwacht voor de Antillen en Aruba. Het verdrag maakt het mogelijk voor Britse militaire toestellen om zonder diplomatieke toestemming het Antilliaanse en Arubaanse luchtruim te doorkruizen en op vliegvelden te landen. Blijkbaar ging het om het legaliseren van een al ontstane situatie want het verdrag werd op 26 april met terugwerkende kracht tot 5 januari van kracht verklaard. Het verdrag heeft bovendien een looptijd van een jaar waardoor goedkeuring door de Tweede Kamer wordt omzeild.

In hetzelfde bericht wordt gemeld dat op 3 mei een verdrag is afgesloten met de Verenigde Staten dat eveneens voor een jaar geldt. Daarbij wordt de status van militair en burgerpersoneel van de VS vastgesteld tijdens militaire training en oefeningen in de Antillen en op Aruba. Ze mogen met hun schepen en militaire middelen tijdelijk gestationeerd zijn in de Antillen en op Aruba onder voorwaarden die de Nederlandse Commandant Zeemacht in het Caribisch gebied en de Commander US Southern Command afspreken.

In 2001 keurde het Nederlandse parlement al een tienjarig verdrag goed waarbij de luchtmacht van de VS toestemming kreeg om gebruik te maken van zogenaamde Forward Operation Locations (FOLs) op Curaçao en Aruba. De FOLs zijn ingericht op bestaande vliegvelden (Reina Beatrix op Aruba en Hato op Curaçao) en bedoeld voor de oorlog tegen drugs van de VS. Die op de Antillen geven de luchtmacht van de VS toegang tot een zone die het Guajira schiereiland in Colombia en het Venezolaanse grensgebied omvat. Ze werden nodig na de sluiting van Howards Air Force Base in Panama in 1997. De mogelijkheid bestaat dat Host Nation Riders van het gastland meevliegen om de operaties te coördineren. Op Aruba is door de VS meer dan 10 miljoen dollar geïnvesteerd om het vliegveld te verbeteren en op Curaçao bijna 44 miljoen dollar. Vanaf Curacao vliegen onder meer F-16s, Orions en AWACS-vliegtuigen van de VS. De locatie op Aruba is kleiner.

Het motief voor de nieuwe verdragen wordt niet nader toegelicht. Het is mogelijk dat de Britse luchtmacht een grotere rol gaat spelen om VS-vliegtuigen te vervangen die worden ingezet in Irak en Afghanistan en dat de marine van de VS actiever wordt rond de Antillen. Ook kan het zijn dat men de rol van de grotere NAVO-landen op de Antillen wil consolideren in het licht van de recente ontwikkelingen rond het zeer nabijgelegen Venezuela dat zich verzet tegen de Amerikaanse invloed in het Caribisch gebied en goede kontakten heeft met een aantal Antilliaanse politici.



Bos verboden militair terrein in Schinveld

Grondeigenaar Defensie heeft in een bos bij de start- en landingsbaan van het AWACS vliegveld in Schinveld bordjes geplaatst met de tekst Verboden Toegang. Defensie wil de bomen in dat bos afzagen om ruim baan te bieden aan de verkenningsvliegtuigen van de NAVO. Een en ander verhinderde tientallen activisten van Groenfront niet om in de bedreigde bossen boomklimoefeningen te houden. De actievoerders willen samen met de gemeente, omwonenden en een artsenwerkgroep de kap verhinderen. De NAVO wil de bomen al twintig jaar afzagen om met hun AWACS-toestellen lager te kunnen laten vliegen. Naast natuurvernietiging zal dit ook de nodige geluidsoverlast opleveren voor de omgeving. Begin oktober liep de termijn af waarbinnen bezwaar kon worden gemaakt tegen de kapvergunning. Bij de actievoerders was onduidelijk in hoeverre Defensie een uitspraak van de Raad van State zou afwachten of direct de houthakkers op pad zou sturen. In het laatste geval was Groenfront van plan om middels alpinistentouwen en touwbruggen van boom tot boom springend een langslepend kat en muisspel met de tegenpartij aan te gaan. Via een kettingsysteem zullen op het uur U actievoerders en sympathisanten uit het hele land worden gemobiliseerd.

Volgens professor P. Stallen van de universiteit van Leiden is de overlast van de AWACS-vliegtuigen vooral groot omdat de omwonenden er geen enkele invloed op hebben. De specialist in 'hinderbeleving' gaf tijdens een hoorzitting in de Tweede Kamer aan dat mensen meer last hebben van overlast in hun omgeving waarop ze geen enkele invloed kunnen uitoefenen. Aangezien de NAVO zelf bepaalt hoe vaak en hoe laag ze gaan vliegen heeft de omgeving er geen grip op met als resultaat: meer stress. Het gaat om zeker 300 vluchten per maand met toestellen met oude lawaaierige motoren.

Bronnen: Limburgs Dagblad 15.9.2005; 3.10.2005



Deense actievoerder gearresteerd op basis van anti-terreurwet

Op 9 augustus werd Patrick Mac Manus, woordvoerder voor de Deens solidariteitsgroep Oproer, gearresteerd en aangeklaagd wegens "poging tot overtreding" van een artikel uit het Deense Wetboek van strafrecht dat "rechtstreeks of indirect geld inzamelen voor een groep of organisatie die het oogmerk heeft terroristische acties uit te voeren" strafbaar stelt. De aanleiding was een TV-interview van 1 augustus waarin Mac Manus een internationale oproep aankondigde aan Europese democratische organisaties en solidariteitsgroepen om verzet te bieden tegen de nationale anti-terreurwetgeving in Europese landen en de "terroristenlijst" van de EU. Meegedeeld werd dat Oproer de bedoeling had om 500.000 Deense kroon in te zamelen voor organisaties die door de EU als terroristisch worden beschouwd. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina (PFLP) en de Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia (FARC), groepen waarvoor Oproer ook in het verleden geld heeft opgehaald in strijd met de Deense anti-terreurwetten. Voor oproer is het criterium of dergelijke verzetsbewegingen seculiere, democratische en humanistische doelstellingen nastreven.

Tijdens een huiszoeking in de privé-woning en het kantoor van Mac Manus werden een computer en documenten in beslag genomen. Mac Manus zelf werd dezelfde dag weer vrijgelaten.

Op 12 augustus gelaste een rechtbank in Kopenhagen de verwijdering van de internationale oproep van Oproer in het Engels, Spaans en Deens van hun website. Oproer verzocht daarop andere organisaties de oproep over te nemen. Tenminste vijf andere groepen waaronder de in het parlement vertegenwoordigde Rood-Groene Alliantie hebben hieraan gehoor gegeven.

Bronnen:
Statewatch News online: www.statewatch.org
www.opror.net



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Berichten van de basis -

Berichten van de basis

Ander Nieuws van het Platform tegen de 'Nieuwe Oorlog'

Iedere twee weken wordt er vanuit het Platform tegen de 'Nieuwe Oorlog' een selectie uitgegeven van nieuws dat doorgaan) de Nederlandse mainstream- media niet haalt. Dit gebeurt in de vorm van een weekjournaal met de titel 'Ander Nieuws'. Naast drie in het Nederlands vertaalde berichten bevat 'Ander Nieuws' ook iedere week 10 a 12 onvertaalde berichten.

Bezoekadres: www.vredessite.nl/andernieuws/

Het is ook mogelijk om deze uitgave iedere week per e-mail te ontvangen via de mailinglijst 'Midden-Oosten'.

Voor wie de weg kwijtraakt in de propaganda- en/of informatiebrij, of de weg hierin dreigt kwijt te raken: van harte aanbevolen!

Redactie Ander Nieuws



Zaterdag 26 november:
Landelijke dag Vrouwen voor Vrede

Op deze dag zullen de vrouwen van Multicultural Women Peacemakers Nederland centraal staan. Vrouwen uit Burundi, Ethiopië-Eritrea, Filippijnen, Molukken, Somalië en Soedan geven een korte inleiding over de situatie in hun land m.b.t. oorlog en vrede. In kleine groepjes vertellen ze verder en kunnen vragen gesteld worden. Deze dag wordt ook de Vredesvrouw van het Jaar voorgesteld. Verder is er ruimte voor wat ontspanning. Kom en neem nog iemand mee. Het is in Amsterdam. Adres: Karperweg 5-7 (bij het Haarlemmerstation), aanvang 11.00 uur, 10.00 zaal open, koffie en thee.



Onkruit ligt onder vuur!

Het CDA en de VVD zijn de anti-militaristische acties zat. En er worden al over allerlei verboden gesproken. CDA'er Ronald Kortenhorst zei in de Telegraaf: "De rillingen liepen over mijn rug. Dit is gewoon radicaal tuig dat open en bloot oproept tot het stukslaan van spullen waar de burgers belasting voor betalen." Dit terwijl Onkruit juist staat voor een vreedzame samenleving zonder wapentuig...

Blokkade Amerikaans wapentransport
Afgelopen dinsdag heeft het CDA in de persoon van Kortenhorst in de Kamer vragen gesteld over het aantal anti-militaristische acties wat de laatste tijd nogal toegenomen is. Hij omschrijft Onkruit als 'extreem goed georganiseerd en de mensen die er achter zitten als heel professioneel.' En hij vraagt zich ook af hoe het kan dat deze mensen nog altijd actief zijn terwijl hun namen en adressen allang bij de inlichtingendienst bekend zijn. Als het aan hem ligt moeten die personen dan ook belemmerd worden in hun werkzaamheden. Zoals verwacht kon de CDA'er de VVD achter zich krijgen en gezamenlijk willen de partijen actiegroepen die oproepen tot sabotage van militaire eigendommen harder aanpakken.

Tegen een journalist van de Telegraaf zei Ronald Kortenhorst dat hij wil dat veroorzaakte schade wordt terugbetaald en dat bepaalde internetsites uit de lucht worden gehaald. Kortenhorst refereert in de krant aan de website van actiegroep Onkruit waarop wordt geschreven over sabotageacties.

Minister van Defensie Henk Kamp gaf aan ook niet blij te zijn met de toename van directe actie tegen defensie. Afgelopen weekeinde hebben bijvoorbeeld onbekenden bij de kazerne in Stroe voor 900.000 euro schade aangericht. In augustus werden twee F-16's gesloopt en het hek van de vliegbasis Soesterberg moest het een paar weken geleden ook al ontgelden. Afgelopen dinsdag zei de VVD'er dat hij de schade wil verhalen op de daders.

Vrienden van Onkruit voelden zich door de uitlatingen vooral gevleid en hebben het gevoel dat ze hun gelijk krijgen. Directe actie raakt de politiek. 'We moeten dan ook vooral doorgaan met het slopen van het militaire apparaat zolang christenhonden als het CDA de oorlog in Irak steunen', aldus een vriend van Onkruit. 'De AIVD was in hun laatste jaarverslag nogal behoudend over de anti-militaristische beweging in Nederland, alsof het niet meer bestaat. Het afgelopen jaar heeft Onkruit heel wat acties op haar naam staan. En als ze Onkruit gaan verbieden, gaan we gewoon door onder een andere naam'.

E-Mail: info@polderwind.nl
Website: www.polderwind.web-log.nl

Bron: Polderwind - 08.10.2005



Discussie situatie in West Papua / voormalig Nederlands Nieuw Guinea

In november verschijnt een studie naar de machtsoverdracht van Nederlands Nieuw Guinea aan Indonesië en de daarop volgende Daad van Vrije Keuze, gemaakt in opdracht van de Nederlandse regering. [P.J. Drooglever, Instituut voor Nederlandse Geschiedenis.
Een daad van vrije keuze. De Papoea's van westelijk Nieuw-Guinea en de grenzen van het zelfbeschikkingsrecht
Uitgeverij Boom, ISBN: 9085061784, gebonden | geïllustreerd, 17 x 24 cm, 700 blz., Euro 45.00]

Op nadrukkelijk verzoek van leiders in Papua, zoals het gebied nu heet, organiseert Papua Lobby op 18 en 19 november een symposium en een publieksavond naar aanleiding van de studie en de actuele situatie in Papua. Er komt een grote delegatie uit Papua.

Symposium:
18 november 2005 13.00-18.00 uur,
Stadscafe, Amersfoort (10 minuten lopen van station Amersfoort).
Voertaal Engels, aanmelden noodzakelijk in verband met beperkte ruimte: papua-lobby@planet.nl

Publieksavond:
19 november 2005 19.00-23.00 uur,
Grote zaal de Eenhoorn, Amersfoort (tegenover NS-station).
Toegang Euro 5. Sprekers, discussie en Papua dans- en muziekgroep.

Papua Lobby
P.O. Box 28069
3828 ZH Hoogland
The Netherlands
ph/fax: +31-33-4532145
www.nieuwsbank.nl/papua-lobby/



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina