Aangepast zoeken

Naar beginpagina
Naar overzicht VD AMOKs

VD AMOK
tijdschrift voor antimilitarisme en dienstweigeren
jaargang 15, nummer 1, 2006


Inhoudsopgave



Colofon

VD AMOK
Tijdschrift voor antimilitarisme en dienstweigeren
Jaargang 15, nummer 1, 2006

VD AMOK
Verschijnt minstens 4 maal per jaar en wordt uitgegeven door Stichting VD AMOK.
Voor de inhoud van met naam ondertekende stukken zijn de auteurs verantwoordelijk.

Copyright
Overname van artikelen uit het lopende nummer is uitsluitend toegestaan na toestemming van de redactie. Overname van artikelen uit eerder verschenen nummers is toegestaan onder bronvermelding en toezending van een bewijsexemplaar aan de redactie. Deze artikelen staan op de website.

Adres redactie en abonnementenadministratie
VD AMOK, Obrechtstraat 43, 3572 EC Utrecht
tel. 030-8901341, e-mail vdamok"at"antenna.nl

Redactie
Kees Kalkman, Karel Koster, Guido van Leemput, Tjark Reininga, Barbara Smedema, Egbert Wever

Fotoredactie
Mustapha Bah, Joop Blom, Hans Christian Bouton

Fotografen en illustratoren
Peter Arends, Joop Blom, GroenFront!, Ingrid de Groot, Geert van Kesteren/HH, Raoul Shade, Petterik Wiggers/HH

Vormgeving
René Oudshoorn

Drukker
Drukkerij De Dageraad, Den Haag

Verder werkten aan dit nummer mee
Martin Broek, Peter Custers, GroenFront!, Bijan Moshaver, Frank Slijper, Fred van der Spek

Abonnementen
Een abonnement is minimaal € 14,- per jaar.
Een steunabonnement is minimaal € 18,-.
Over te maken op giro 5567607 t.n.v. VD AMOK, Utrecht.
Nieuwe abonnementen schriftelijk aanmelden. Wacht met betaling op toezending acceptgiro.
Opzegging uitsluitend schriftelijk vóór aanvang van het kalenderjaar.
Losse nummers kosten € 3,- (€ 4,- inclusief porto).

Advertenties
Tarieven en opgave bij de redactie.

Sluitingsdatum volgend nummer
15 juni 2006



Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Redactioneel -

Redactioneel

In het debat over de uitzending van 1.200 Nederlandse militairen naar Afghanistan valt telkens weer op hoe de publieke discussie wordt ingeperkt. Twee zaken staan tot nu toe meestal centraal: ten eerste de veiligheid van de soldaten en ten tweede de medewerking aan schendingen van het oorlogsrecht.

Er is een consensus ontstaan, die inhoudt dat dit de gevaarlijkste missie voor de Nederlandse soldaten wordt sinds de Korea-oorlog, omdat het de facto om een gevechtsmissie gaat. De formele opdracht, een hulpverleningsmissie in samenhang met zogenaamde stabiliteitsoperaties, verandert niets aan dit gegeven. De Taliban zijn in ieder geval een andere mening toegedaan.

Het tweede punt, van groot belang voor de achterban voor de PvdA, betreft de mate waarin de Nederlandse troepen samenwerken met de Amerikanen. Heikel punt daarbij is de overhandiging van krijgsgevangenen aan de Amerikanen, die de Afghaanse strijders helemaal niet als zodanig erkennen. Het geval wil langzamerhand dat elke gevangene van de VS die in één van hun gevangenissen belandt - beslist niet alleen Guantanamo Bay - een goede kans loopt om gemarteld te worden. Sinds het goedkeuren van de missie heeft minister van defensie Kamp in de Tweede Kamer toegegeven dat er inderdaad gevangenen worden overhandigd aan Amerikaanse troepen. Men moet nu eenmaal de handen vuil maken om deel te nemen aan de oorlog tegen het terrorisme, verklaarden zijn medestanders.

Deze combinatie van factoren kan op zich de publieke steun voor de missie in Nederland al sterk doen verzwakken. Ondanks het evidente manipuleren met de informatievoorziening over de missie, tot en met de hoorzitting in de Kamercommissie, blijft een opvallend groot deel van de samenleving tegen de Nederlandse missie in Zuid-Afghanistan. De kamerleden die de onderneming blijven steunen zijn daarmee verantwoordelijk voor de oorlogsmisdaden die mogelijk worden door het optreden van de Nederlandse soldaten. De overhandiging van gevangenen aan de Amerikanen is zo'n oorlogsmisdaad.

Wat echter in het debat niet aan de orde komt is de rechtvaardiging van de aanwezigheid van Westerse troepen in Afghanistan. Formeel is deze keurig geregeld door een mandaat van de Veiligheidsraad, dat eind maart weer voor een jaar werd verlengd. Maar een incident rond een tot het christendom bekeerde moslim stelde vrijwel tegelijkertijd de hele ratio van de aanwezigheid ter discussie. Als de Sharia wetgeving nog steeds geldig is in Afghanistan en geïnterpreteerd kan worden op een manier die uitloopt op een doodsvonnis voor iemand met een andere geloof, wat is dan het verschil met het repressieve beleid van de Taliban op dit terrein? Het is inmiddels duidelijk dat de religieuze invloed en steun nog steeds van groot belang zijn voor de regering van de Afghaanse president Karzai. In feite moet hij akkoord gaan met een wetstelsel dat, net als in de periode van de Taliban, nog steeds stoelt op een radicale interpretatie van de islam. Bovendien steunt een substantieel deel van de bevolking hem daarin. Tegelijkertijd is zijn macht en invloed zeer afhankelijk van Westerse steun. Om die reden is de vraag aan de Nederlandse regering gerechtvaardigd, die ook aan de Britse regering werd gesteld door Britse parlementariërs: waarom zouden Nederlandse troepen moeten sterven voor de handhaving van Sharia wetgeving in Afghanistan?

Mevrouw Huizinga van de Christenunie, hierover geïnterviewd in het programma NOVA, had haar antwoord hierop klaar: de Westerse troepen moeten blijven totdat het beleid verandert. Dat was een heldere oproep tot een langdurige bezetting, oftewel een koloniaal bewind. Het gaat in feite verder dan de neo-conservatieve doelen van regime change: ze wil de hele maatschappij, de cultuur, de religie, de normen en waarden, verbouwen. Het antwoord van de enthousiaste verdedigers van de Westerse aanwezigheid op deze kritiek is bekend. Als we weg gaan, wordt het een chaos. Maar is het langzamerhand niet duidelijk dat de Westerse aanwezigheid in Afghanistan, net als in Irak, een zeer belangrijke oorzaakvan de chaos is? Een inspiratie voor nationalistisch anti-westers verzet en bovendien een rekruteringsbron voor radicale jihadi's uit alle windstreken, die maar al te graag een oorlog willen voeren, desnoods tot in de landen die de troepen leveren?

De redactie



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Wangedrag marine -

Doofpot of kat met zeven staarten

Het ministerie van Defensie heeft een aanklacht bij justitie ingediend tegen een matroos van de marine omdat hij in 2004 een vrouwelijke collega heeft aangerand. Tevens hebben minister Kamp en staatssecretaris van der Knaap van Defensie een commissie van drie onder leiding van de Utrechtse Commissaris van de koningin Boele Staal geïnstalleerd, die onderzoek moet gaan doen naar de beschuldigingen dat wangedrag bij de krijgsmacht aan de orde van de dag is. Dat is het voorlopige resultaat van de opschudding die ontstaan is na de voorpublicatie van een artikel uit het aprilnummer van het blad Oplinie, een uitgave van de militaire vakbond AFMP. De commissie Staal moet deze zomer rapport uitbrengen. (noot 1)

De aangifte is het voorlopige sluitstuk van een discussie in de media en in de Tweede Kamer over het incidentele dan wel structurele karakter van de misstanden bij de krijgsmacht. De klacht van het slachtoffer van de aanranding was de laatste anderhalf jaar niet serieus genomen. Met publicatie in Oplinie voor de deur en twee debatten in de Tweede Kamer in een week tijd is het zover toch gekomen. Oorspronkelijke aanleiding waren de misstanden op de Tjerk Hiddes in 2004, toen het schip deelnam aan maritieme oorlog tegen het terrorisme. De bemanning van de Tjerk Hiddes, een schip dat inmiddels aan Chili is verkocht, bestond naast het overgrote deel mannelijk personeel ook uit een klein vrouwelijk contingent. Mannen en vrouwen hadden daarbij dezelfde werkzaamheden. Op het schip werden daarbij op grote schaal pornofilms in openbare ruimten vertoond en was seksuele intimidatie en aanranding een vaker voorkomend verschijnsel.

SM-spel

In de tien dagen die verstreken sinds de eerste berichten naar buiten kwamen, kwam ook de vraag op of de regering dit soort zaken wel serieus neemt. Ook verschenen in dezelfde periode artikelen over wantoestanden op andere schepen. Zo zou er op de Hr Ms Amsterdam 'Aboegraibje' zijn gespeeld. Dat is een soort SM-spel op basis van de verhalen over martelingen in de Irakese Aboe Graibh-gevangenis. Het is niet bekend of dat tegen iemands wil gebeurde, maar bevestigt wel de indruk dat informele macht, georganiseerd geweld en seksualiteit een vruchtbare bodem in de krijgsmacht vinden.

In een interpellatiedebat op 29 maart gaf staatssecretaris Van der Knaap toe dat de leiding al in februari op de hoogte van de zaak was gebracht. De AFMP meldde dat zij admiraal Kelder, de baas van de marine, al in de eerste dagen van maart commentaar had gevraagd op het artikel. Toen dat doordrong en dat zou volgens de brief van de staatssecretaris pas op zondag 19 maart zijn geweest, begreep de leiding dat er geen houden meer aan was en een commissie noodzakelijk. De vraag is nu of deze commissie het deksel op een doofpot wordt of dat zij dient als een oude harde lijfstraf bij de zeemacht, de kat met de zeven staarten. En zo ja, voor wie?

Oorlogswacht

De Tjerk Hiddes moest in 2004 in de Arabische Zee speuren naar schepen die op een of andere manier met het internationale terrorisme in verband kunnen worden gebracht. Dat betekende voor de bemanning een actieve deelname aan de oorlog. Weliswaar gebeurde er niets vijandelijks op zee, maar het gevaar van aanvallen of vijandelijke bewegingen in de omgeving was reëel. De matrozen moesten 'oorlogswacht' lopen. Dat zijn 12 uurdiensten, 12 uur op 12 uur af. Dit vergroot de druk op de bemanning. Spanningen die mede leiden tot het wangedrag dat niet alleen de schaduwkant van oorlog is, maar blijkbaar ook functioneel werd gebruikt door de kapitein van het schip voor het welbevinden van de meerderheid van de bemanning. De oorlog wordt blijkbaar niet gevoerd tegen de piraten en de terroristen in de Arabische Zee, maar tegen vrouwen en andere arme drommels die als pispaaltjes in de groep dienst moeten doen. Daarmee worden macht en wellust gecombineerd tot welbevinden van de meerderheid van de bemanning die seksueel getint vertier zoekt en ter plaatse vindt. De situatie zoals die in het artikel in Oplinie worden beschreven leidt tot de conclusie dat seksuele criminaliteit en algemeen seksistische gedrag bij de krijgsmacht in de praktijk van alledag een gedoogde vorm van disciplinering is. Bedoeld om de meerderheid te laten functioneren zoals het hoort voor een schip op volle zee en in oorlog. Het is het opleggen van ondergeschiktheid aan de slachtoffers en een vorm van (crimineel) vermaak van de daders. Niet alleen vrouwen zijn daarvan het slachtoffer, maar velen die in de groep een zwakke positie krijgen toegedicht. Tevens komt de vraag op hoe zal worden omgegaan met eventuele gevangen genomen vijanden in de oorlog tegen terrorisme als machtsmisbruik, geweld en intimidatie in eigen kringen normaal worden geacht. In het licht van het oorlogsrecht in de praktijk van de laatste jaren een onheilspellende gedachte.

Genderbeleid

Dat leidt ook tot de vraag waarom na de vele jaren van discussie over militarisme en seksisme en na een zogeheten genderbeleid van Defensie niets lijkt te zijn verbeterd. Klachtenprocedures en vertrouwenspersonen moeten een dempende werking op dit soort misstanden uitoefenen. Treedt de politieke leiding in de praktijk, dus niet alleen in beleidsnotities, op tijd en voldoende op tegen deze vorm van machtswellust? De regering heeft de schijn sterk tegen. Ze slaagt er niet in de structurele kenmerken van seksisme en seksualiteit als interne machtsinstrumenten te bestrijden. Ze probeert het misschien, waardoor berichten daarover als incidenten of excessen kunnen worden afgedaan, maar slaagt er niet in daarvan de meest ernstige vormen te voorkomen of zelfs te bestrijden. Gelukkig wordt daarover hardop geklaagd en heeft de AFMP de moed de zaak aan de orde te stellen. (noot 2)

In september brengt de commissie Staal verslag uit. De vraag wordt of het rapport het deksel op de doofpot zal zijn of de gesel van iedere commandant tot de hoogste man aan toe, de minister van Defensie.

Guido van Leemput

Bronnen:
1. In de brief van staatssecretaris Van der Knaap van 29 maart 2006 staat de opdracht als volgt geformuleerd: "De commissie krijgt als taak onderzoek te doen naar het bewuste incident op Hr Ms Tjerk Hiddes, de cultuur waarin seksuele intimidatie kon voorkomen en de reacties van leidinggevenden op deze en andere vormen van ongewenst gedrag. De commissie zal nauw contact onderhouden met het Openbaar Ministerie. Daarnaast zal de commissie onderzoek doen naar ongewenst gedrag binnen de gehele krijgsmacht. De commissie zal ook de werking van procedures, waaronder de tijdigheid en kwaliteit van incidentenmeldingen, onderzoeken. Tenslotte zal zij het functioneren van leidinggevenden, vertrouwenspersonen en klachtencommissies tegen het licht houden."
Terug naar tekst
2. Met het artikel in Oplinie "Zorg dat je er bij komt" onderscheidt de AFMP zich voor de tweede keer dit jaar. Na haar afwijzing van de missie Uruzgan, toont zij opnieuw haar tanden. De AFMP begint een sleutelrol in te nemen in de Nederlandse vredesbeweging. Zie Oplinie, no 4 april 2006, of www.afmp.nl.
Terug naar tekst



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- 'Nieuwe' oorlog -

Op een bajonet kun je niet zitten

Tomdispatch.com is een vanuit een website uitgegeven nieuwsbrief die de bedoeling heeft meer kritisch inzicht te verschaffen in de wereld na 11 september 2001. De redacteur is de ervaren essayist en mediavolger Tom Engelhardt. In een serie interviews laat hij momenteel oorlogstegenstanders aan het woord. In dit artikel hebben we de belangrijkste delen vertaald uit een gesprek met journalist Mark Danner. Danner heeft sinds de jaren tachtig bericht vanuit de strijdtonelen van Latijns-Amerika, voormalig Joegoslavië en Irak. Hij heeft onder meer boeken geschreven over El Salvador (The Massacre at El Mozote) en de oorlog tegen het terrorisme (Torture and Truth: America , Abu Ghraib and the War on Terror). Zijn analyse raakt de kern van de kritiek op het regime Bush in de 'nieuwe' oorlog.

Tomdispatch: Ik wil beginnen met een gebied waarop u deskundig bent, het beleid ten aanzien van martelingen. Voor mij was het besluit van de regering Bush om, kort na 11 september, zich op deze weg te begeven een greep naar de macht. Wie kan martelen, kan alles.

Mark Danner: Kijkend naar de gebeurtenissen rond ondervragingstechnieken en vele andere stappen die Bush's uitzonderingstoestand kenmerken, komt één zinnetje steeds opnieuw bij me boven: 'de handschoenen gaan uit'. Ik hoor het steeds weer. Het interessante van dat zinnetje is de implicatie, dat we tot dan toe de handschoenen aan hadden gehad, dat de wetten en principes die deel uitmaken van niet alleen ons geloof in democratie, maar ook in mensenrechten, ons land kwetsbaar maakten. De Amerikaanse trouw aan de Geneefse Conventies, het feit dat de Amerikanen hun gevangenen humaan behandelen sinds George Washington en wetten als de FISA-wet die de macht van de regering om de inwoners te bespieden aan banden legde - het waren handschoenen om de Amerikaanse macht en 11 september was het sein aan de machthebbers dat dit systeem - 'met handschoenen aan' - ontoereikend was om de Amerikanen te beschermen. Dat lijken zij althans te geloven.

Zoals bekend hield de toenmalige adviseur Alberto Gonzales van het Witte Huis kort na 11 september president Bush voor dat de bepalingen van de Geneefse Conventies door dit nieuwe paradigma overbodig geworden waren, ja zelfs ouderwets. De Geneefse Conventies, het Verdrag tegen Martelingen, en de federale wetten tegen marteling - allemaal verplichtingen van de Verenigde Staten - betekenden beperkingen die het land kreupel maakten in de oorlog tegen het terrorisme en vormden, in het verlengde daarvan, een bedreiging voor het voortbestaan van de Verenigde Staten. En ik denk dat op dit punt marteling - eufemistisch aangeduid als 'extreme ondervraging' - het hart raakt van de reactie op de manier waarop dit land in het verleden de mensenrechten heeft nageleefd, in zekere zin een reactie tegen de wet. Het gaat hierbij om een conflict tussen recht en macht.

Marteling is een weg die rechtstreeks van mensenrechten - dat wil zeggen inperking van macht - naar onbeperkte machtsuitoefening leidt. Ik signaleer een beweging tegen de idealen die aan de wortels van dit land stonden ten tijde van de Verlichting: het inperken van de macht van de overheid en de overtuiging dat mensen bepaalde onvervreemdbare rechten hebben, waarvan het gevrijwaard zijn van wrede en onmenselijke behandeling er een was. Zo bezien zijn de Verlichtingsidealen die in de Onafhankelijkheidsverklaring en de Grondwet verankerd zijn voor de Amerikanen, door de Geneefse Conventies en het Verdrag tegen martelingen, uitgebreid tot alle mensen. En deze regering, met haar extreme ondervragingen, met haar ommezwaai van heimelijk naar openlijk machtsmisbruik ....

Tomdispatch: Was het niet meer het tonen van macht dan het misbruiken ervan?

Danner: Precies. In wat ik Bush's uitzonderingstoestand noem, zijn we intussen in het tweede stadium aangeland. Veel stappen, waaronder extreme ondervragingen, afluistering, het arresteren van buitenlanders - en ga zo maar door - werden in relatieve of totale geheimhouding gezet. Ze zijn geleidelijk aan het licht gekomen, zijn onderwerp van politiek debat geworden. En ze zijn, voorzover de politieke tegenstanders van de regering ze niet hebben kunnen afwenden, deel gaan uitmaken van de aanvaarde praktijk. Zover zijn we gekomen. We naderen op dit moment de tweede verjaardag van de openbaarmaking van de foto's uit Abu Ghraib. Alleen een zeer onconventionele waarnemer had, bij het zien van die foto's in april 2004, kunnen voorspellen dat twee jaar later extreme ondervragingsmethoden binnen de CIA algemeen aanvaard zouden zijn. En hoewel de Senaat een amendement heeft aangenomen dat deze verbood, heeft de president in een verklaring laten weten dat hij zich het recht voorbehield om dat amendement naast zich neer te leggen vanwege zijn macht als opperbevelhebber.

Feitelijk is de president er van overtuigd dat zijn bevoegdheden in oorlogstijd hem carte blanche geven om de wet te negeren op ieder punt waarvan hij meent dat de nationale veiligheid in het geding is. [...]

Tomdispatch: Heeft het u verrast dat van alle dingen die leidende figuren in de regering Bush deden, hun neiging tot martelingen, om 'de handschoen uit te trekken', de eerste en de snelste was? Een impuls van bovenaf.

Danner: Ik vind dat een interessante formulering, een impuls van bovenaf. De president en de vice-president hebben gezegd dat zij de organisaties voor nationale veiligheid en justitie na 11 september om voorstellen hebben gevraagd. Wat moesten de VS doen? Het is nu tijd om de handschoenen uit te trekken en jullie moeten me maar eens laten zien hoe we dat aan kunnen pakken. In een interview zei generaal Michael Hayden onlangs dat hij door met het afluisterprogramma van de NSA te beginnen, reageerde op een verzoek uit het Witte Huis.

Tomdispatch: Was het Rumsfeld niet die de mensen die de zogeheten Amerikaanse Taliban John Walker Lindh "ondervroegen" heeft opgedragen de handschoenen uit te trekken?

Danner: Volgens Newsweek gaf Rumsfeld zelf iemand inderdaad opdracht de ondervragers te bellen met de boodschap te doen wat ze moesten doen, zo ver te gaan als nodig was.

Feiten creëren

Tomdispatch: Martelingen hebben in onze tijd in het beleid van de Amerikaanse regering nooit ontbroken, maar in mijn ogen maakt de mate waarin onze leiders daarbij betrokken zijn het verschil. Ik geloof dat Rumsfeld van uur tot uur verslagen kreeg van de verhoren van Lindh.

Danner: Als we kijken naar de technieken die de CIA gebruikt, dan is er een lange geschiedenis. Alfred McCoy en anderen hebben daarover al geschreven. Marteltechnieken die in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw zijn ontwikkeld worden weer ingezet. Maar er is een belangrijk verschil, de expliciete officiële goedkeuring en de bereidheid om het gebruik van deze middelen te verdedigen als zij bekend zouden worden en er publiek debat zou ontstaan. De martelingen hebben hun onthulling overleefd, wat een essentieel verschil is. Ook het duidelijk bewijs van opzet bij het topniveau van de regering zelf is opvallend. Op een bepaald moment moeten we ons op het gebied van de politieke psychologie begeven, een zeer zompig gebied.

Tomdispatch: Laten we dat toch maar doen.

Danner: De centrale vraag is waarom de reactie kwam zoals die na 11 september kwam. De regering Bush, die zich zo sterk had gemaakt voor de nationale veiligheid, had de Verenigde Staten de meest rampzalige aanval op zijn grondgebied laten overkomen. We moeten de gevolgen daarvan in gedachten houden. De belangrijkste veiligheidsprogramma's waren het Strategisch Defensie Initiatief en de houding tegenover China. Ze vonden terrorisme, waarin ze weinig geïnteresseerd waren, een zaak voor slappelingen. Zoals interventie om humanitaire redenen was de dreiging die van niet-staten uitging - zoals zoveel bezigheden van de vorige regering - kinderspel voor de nationale veiligheid, en dus negeerden ze hem. En achteraf wisten ze heel goed dat er rapporten waren die dit aan konden tonen, met als meest opmerkelijke het dagelijkse rapport voor de president met de beruchte titel 'Bin Laden vastbesloten in de VS toe te slaan'. Dit was heel menselijk. Nadat ze gezegd hadden hoe belangrijk ze de nationale veiligheid vonden, werden ze aangevallen. Ik denk dat dit - voor een deel - de heftigheid van de tegenaanval verklaart. We hoeven niet diep te graven om dat te zien. In het licht van het uittrekken van de handschoenen verklaart dat veel. Eigenlijk zeggen ze: omdat we handschoenen aan hadden hebben we deze aanval niet kunnen voorkomen.

Generaal Hayden heeft expliciet verklaard dat - als dit programma (van ongebreideld afluisteren door de NSA) had bestaan, 11 september voorkomen zou zijn. Daar is geen bewijs voor, maar voor wie naar de politiek-psychologische basis van het verhaal kijkt is deze uitspraak onthullend. Hij sluit bovendien uitstekend aan bij de zorgen van sommige vooraanstaande regeringsfunctionarissen, in het bijzonder Rumsfeld en Cheney, over de ongewenste handicaps waarmee de regering sinds de periode van de Vietnamoorlog te kampen heeft. Cheney heeft zich expliciet in die zin uitgelaten.
[...]
Ten dele heeft dit dus te maken met het rechtzetten van fouten die naar hun mening gemaakt zijn in een eerdere en zeer traumatische periode in hun leven. Rumsfeld was net na afloop van de Vietnamoorlog Minister van Defensie, Cheney stafchef in een Witte Huis onder beleg. De geschiedenis belaagt hen dus op dit moment op een persoonlijke en zeer levendige manier.

Tomdispatch: U hebt vaak verwezen naar een artikel waarin verslaggever Ron Suskind door een niet bij naam genoemde hoge regeringsfunctionaris [denigrerend - Red. VD AMOK] wordt voorgehouden dat hij deel uitmaakt van de "op de werkelijkheid gebaseerde samenleving", waarna deze functionaris iets zeer treffends zegt: "Wij zijn nu een wereldmacht en scheppen door ons handelen onze eigen werkelijkheid." Uw reactie?

Danner: Ik vind dat citaat uitermate onthullend. Het onderstreept het beleid op tal van terreinen, hun geloof dat de overweldigende en hegemonistische macht van de Verenigde Staten gewoon de feiten kan veranderen, de waarheid kan veranderen. Het is illustratief voor het informatiebeleid in de Verenigde Staten. Ze maken zich geen zorgen over mensen die, bijvoorbeeld, de New York Times lezen. Ze maken zich geen zorgen over de mensen die de feiten willen. Het gaat ze om de grote lijnen van het verhaal. Wij hebben het voortdurend over feiten - dat ze deze of gene wet overtreden hebben, dat wat ze eerder zeiden een leugen blijkt. Maar dat interesseert ze nauwelijks.
[...]
Wat betreft dat wereldrijk: het ongebruikelijke aan deze regering is niet alleen zijn gerichtheid op macht, maar die op unilateralisme. Dat is de keerzijde van isolationisme. De gedachte dat bondgenootschappen, economisch of politiek, en het internationaal recht de machtigste staat ter wereld onvermijdelijk tot last zullen zijn. Het beeld, begrijpt u, van de met touwen vastgebonden Gulliver. In de Nationale Veiligheidsstrategie van de Verenigde Staten, jaargang 2005, heet het dat de tegenstanders ons zullen blijven uitdagen met de middelen van de zwakken, waaronder 'internationale fora, juridische procedures en terrorisme'. Ze zetten terrorisme en asymmetrische oorlogvoering op een lijn met het internationaal recht als vergelijkbare methoden om de overweldigende macht van de Verenigde Staten onschadelijk te maken. Dat vertegenwoordigt een houding tegenover het internationaal recht en de internationale instellingen die, denk ik, een wezenlijke en dramatische breuk betekent met de traditionele opstelling van de Verenigde Staten. Zij hebben in onze geschiedenis, zeker in de recente, geen evenknie - geen regering was bij benadering zo radicaal.

Tomdispatch: Het zijn eigenlijk extreme Amerikaanse nationalisten, al mogen we dat woord in dit land niet gebruiken.

Danner: Zo is het, en met dit geloof in de grootmacht Amerika combineren ze een bijna aangeboren wantrouwen tegen internationale instellingen. Dat is het verschil tussen het Amerika van Truman en het buitenlands beleid van dit regime. Ze stellen internationale instellingen vrijwel op één lijn met terrorisme - de wapens van de zwakken. Tomdispatch: Storingswapens voor de massa

Danner: Ik wil daaraan toevoegen dat in mijn ogen de tijd van het neoconservatieve leiderschap duidelijk op zijn eind loopt. Het beeld dat die ooit de volledige controle hadden is in alle opzichten onjuist en de overtuigingskracht van de neoconservatieven is duidelijk afgestompt door de mislukking in Irak - aangezien de aanname dat Amerika oppermachtig was niet juist bleek. Van Napoleon is de fantastische uitspraak dat je met een bajonet alles kunt doen behalve erop zitten. Militaire kracht is goed om dingen op te blazen, te vernietigen. Maar ze is niet goed om een nieuwe orde te scheppen. Het vergt veel meer macht, bekwaamheid en geduld om in Irak een bestendige orde te scheppen. De Verenigde Staten heeft daarvoor onvoldoende macht, ze mist de bekwaamheid en we weten dat ze het geduld mist. Een deel van de As van het Kwaad is bezet - denk maar dat dit deel van de As zich heeft opgeofferd om de weg vrij te maken voor een grotere vrijheid (vrijheid van aanvallen, vrijheid wellicht om atoomwapens te maken) voor Noord-Korea en Iran. Hoewel ik denk dat de VS tamelijk slim met Iran zijn omgegaan, hebben ze een zwakke hand bij dit kaartspel. Tenslotte is het gebruik van militaire macht tegen Iran op dit moment uitgesloten, vooral vanwege het rampzalige gebeuren in buurland Irak en de manier waarop die ramp de positie van Iran versterkt heeft.

Tomdispatch: Dat betwijfel ik. Ik denk dat ik, als deze mensen met de rug tegen de muur staan, me een scenario kan voorstellen waarin Iran, hoe vreemd dat ook lijkt, aangevallen zou kunnen worden.

Danner: Het verschil tussen ons op dit punt heeft ermee te maken in hoeverre we bereid zijn ons de uiterste ongerijmdheid van deze regering te realiseren. Als ik naar Iran kijk, dan zijn de voordelen van het soort militaire aanval waartoe ze in staat zijn, met luchtbombardementen, en de nadelen van zo'n stap overduidelijk zo buitenproportioneel, dat ik niet kan geloven dat ze die stap zullen nemen.

De Eeuw van het Bevroren Schandaal

Tomdispatch: Volgens u verkeert de Amerikaanse wereld in een staat van 'bevroren schandaal', wat een interessant concept is. Toen u dit concept lanceerde hadden we te maken met het schandaal van het Downing Street Memo, maar er gebeurde niets. Nu zitten we diep in het NSA- en andere schandalen, en er gebeurt nog steeds niets ...

Danner: Het is het topje van een ijsberg. Ik heb die formulering gebruikt om aan te geven dat manier waarop we voorheen met schandalen omgingen is veranderd. In het verleden kenden we - stap één - mediaonthullingen over wandaden, doorgaans met hulp van lekken vanuit de regering. Stap twee was een openbaar onderzoek door justitie, vaak in samenwerking met het Congres, dat een officiële versie van het gebeurde moest opleveren. Zo ging het bij Watergate, het Iran-Contra schandaal en vele andere. En tenslotte zou in stap drie boetedoening volgen - rechters, of het Congres, leggen straffen op die de samenleving de kans geven om tot een soort amnestie te komen, waarin centraal staat dat het onrecht hersteld is en men verder kan. Over deze regering kennen we intussen onthullingen over martelingen, onwettige afluisterpraktijken, binnenlandse spionage, allerlei vormen van misbruik bij de aanhouding van buitenlanders, opgeblazen en onjuiste beweringen over massavernietigingswapens voor de oorlog, over grootschalige bevoordeling en corruptie in Irak. En ga zo maar door. Maar nooit volgt er een officieel onderzoek.

Tomdispatch: De geschiedenis herhaalt zich.

Danner: Telkens weer. De inval in en bezetting van Irak is drie jaar oud, en er is nog geen officieel onderzoek geweest naar de wijze waarop de regering informatie gebruikt heeft om de gedachte te doen postvatten dat de inlichtingendiensten er zeker van waren dat Irak over massavernietigingswapens beschikte. Het gevolg daarvan is dat we deze schandalen kennen, omdat erover geschreven is in kranten, tijdschriften en boeken, maar dat op geen enkele manier officieel erkend wordt dat wandaden begaan zijn, en dat er evenmin straf wordt opgelegd. Misschien worden uiteindelijk een paar mensen gestraft ...

Tomdispatch: ... kleine vissen ....

Danner: ... die dom genoeg waren om te worden gesnapt. Zoals bijvoorbeeld de militaire politie op de digitale foto's uit Abu Ghraib. De eigenlijke beleidsmakers die verantwoordelijk zijn voor de gewijzigde ondervragingstactiek zullen op geen enkele manier gestraft worden. Ze werken nog steeds. Geen enkel onderzoek heeft hun positie aangetast. En we weten nog nauwelijks iets over de mensen die de eigenlijke ondervragingen hebben uitgevoerd.

Tomdispatch: u hebt sommige ondervragers gesproken, nietwaar?

Danner: dat klopt, en ze hebben me iets verteld van wat er gedaan is. Het grote probleem van de Eeuw van het Bevroren Schandaal is, dat we een soort vliegwiel zijn. De feiten die we al kennen worden steeds opnieuw bevestigd en dus zijn de onthullingen steeds minder effectief in het bewerkstelligen van publieke woede. Het publiek raakt eraan gewend, is op zijn beurt corrupt.
[...]

Tomdispatch: We zien dus geheimzinnigheid, leugens en een derde aspect dat u hebt genoemd, een bizarre vorm van oprechtheid. Daar wil ik het graag over hebben.

Danner: De regering vertoont een interessante ambivalentie tegenover al de acties die zij heeft ondernomen terwille van de nationale veiligheid - enerzijds is er de neiging te ontkennen en tegen te werken en anderzijds wil ze naar buiten laten zien dat ze concrete stappen heeft gezet in naam van de nationale veiligheid. Dat zien we bij het afluisterschandaal, waarbij Karl Rove een duidelijke voorkeur voor openheid heeft aangegeven - in een slimme reactie op de onthullingen over de NSA: "Als Al Qaida contact heeft met iemand in de Verenigde Staten dan willen wij dat weten. En sommige Democraten willen dat kennelijk niet." Wat feitelijk neerkomt op: wie zich hier zorgen over maakt, verzwakt de Verenigde Staten. Al dat gepraat over mensenrechten en de Gondwet is nonsens.

In de kern is dit een aanslag op de Bill of Rights. Die is in de Grondwet opgenomen omdat de opstellers begrepen dat veel van deze rechten, zeker onder druk in oorlogstijd, niet erg populair zijn. Daarom zijn ze er vast in opgenomen, zodat ze niet onderworpen zijn aan de zeggenschap of loochening door de meerderheid. Het beleid toont zich van zijn hardste en gevaarlijkste kant wanneer het gebruik maakt van de kloof tussen de procedures, zoals vastgelegd in de Grondwet, en het gegeven dat vele daarvan in oorlogstijd weinig geliefd zijn, om politieke tegenstanders te vernietigen. En dat is wat deze regering doet.

Diverse mensen in deze regering willen voor deze opstelling zelfs vierkant uitkomen, zoals we ook zagen in het ondervragingsschandaal. Ze hadden na Abu Ghraib naar buiten kunnen treden - die signalen waren er - met het verhaal "Ja, er zitten rotte appels in de mand, en ja, we gebruiken extreme ondervragingsmethoden, maar dat doen we om het land te verdedigen." En als ze dat gedaan hadden, dan hadden ze wellicht een meerderheid kunnen mobiliseren die, bijvoorbeeld, waterboarding [ondervragingstechniek, waarbij een gevangene wordt vastgebonden aan een plank, met zijn hoofd in cellofaan of ander plastic wordt gewikkeld en vervolgens onder water wordt gehouden, zodat de gevangene denkt dat hij verdrinkt - Red. VD AMOK] gesteund had.

Het gaat niet om informatie, het gaat om beleid.

Tomdispatch: Ik wil nu terugkeren naar Irak via een terugblik, een vreselijke slachting in El Salvador in de jaren tachtig, waar jij verslag van hebt gedaan. Een slachting door Salvadoraanse troepen, die waren getraind en gesteund door de Verenigde Staten, over de naweeën waarvan je verslag gedaan hebt. Kunnen we dit gebeuren in het begin van het Reagan tijdperk vergelijken met de huidige positie, in de wetenschap dat een groot aantal hoofdrolspelers dezelfde zijn, zoals

Danner: ... Elliott Abrams ....

Tomdispatch: .. en Cheney, Rumsfeld, Negroponte, en vele anderen. Ik wil daaraan een meer algemene vraag koppelen: Hoe komt het dat de Verenigde Staten zo vaak tot zijn oksels in het bloed staat?

Danner: Toe maar ... Terugkijkend op de slachting van El Mozote, die aan het begin van de regeringstermijn van Reagan plaatsvond, valt vooral de manier op waarin dit diende om uiting te geven aan de hernieuwde vastberadenheid - van de aan de macht gekomen functionarissen van de regering Reagan en de nieuwe uitdagende Salvadoraanse militairen - om in El Salvador een grens te stellen en het zogenaamde oprukken van communistische belangen op het Westelijk halfrond tot staan te brengen. De situatie toen en nu vergelijkend denk ik aan de macht van een regering die vastbesloten is de feiten te ontkennen en die, als zij meedogenloos is, die ontkenning kan volhouden. Het huidige beeld van El Mozote is dat twee verslaggevers, Raymond Bonner en Alma Guillermoprieto, van de New York Times en de Washington Post binnen enkele weken op de plek van die slachting konden kijken en hun verhalen publiceerden op de voorpagina van de twee meest invloedrijke kranten van het land ...

Tomdispatch: ... toen veel meer dan nu.

Danner: Precies. Hoewel de Times en de Post op dat moment domineerden trad de regering naar buiten met de ontkenning van deze slachting en wist die visie ingang te doen vinden. Denk er aan dat we wisten dat vanuit de Salvadoraanse regering doodseskaders georganiseerd waren; dat de Amerikaanse ambassade hiervan volledig op de hoogte was; dat het officiële beleid van de Amerikaanse regering was dat zoiets niet kon en dat, als het toch gebeurde, de hulp gestaakt zou worden. Maar na iedere wandaad berichtte de pers de ontkenning door de regering en door de Amerikaanse ambassade in El Salvador dat zij iets zouden weten van de band tussen de doodseskaders en de regering die door de Verenigde Staten gesteund werd.

De conclusie die ik toen getrokken heb is dat het in de meeste gevallen niet om de informatie gaat, maar om het beleid. Het ontbrak ons niet aan informatie. Het gaat er om dat die, toen ze naar buiten kwam, werd ontkend en dat de machthebbers hun beeld van de werkelijkheid konden laten overheersen. De politieke macht besliste wat de werkelijkheid was, in weerwil van heldere informatie over het tegendeel. En dat verschijnsel zie ik nu opnieuw, nog sterker. Het gaat nu om veel meer dan een slachting in een relatief onbetekenend Centraal Amerikaans land. Het gaat om beleid en verklaringen die voor de Verenigde Staten aanleiding waren om een land binnen te vallen dat ons niet had aangevallen, om gevangenen te martelen en te ontkennen dat we dat doen, ondanks duidelijke bewijzen dat we dat wel doen, om binnenlandse spionage te organiseren waarmee de regering overduidelijk de wet overtreedt en de president, die verklaart dat hij hiermee door zal gaan. In alle gevallen gaat het niet om de feiten maar om het beleid. Het valt journalisten zwaar dit te erkennen omdat de standaard voor de houding van journalisten door Watergate gesteld is. Het valt journalisten zwaar in het reine te komen met de werkelijkheid dat wandaden inderdaad aan het licht gebracht kunnen worden, steeds opnieuw, zonder dat dit iets oplevert. In een soort eeuwigdurende kringloop.

De gapende kloof

Tomdispatch: Kijk naar Irak. U bent drie keer in Irak geweest. Het moet een schok zijn om bij aankomst in het veelbeschreven land de feitelijke situatie onder ogen te zien.

Danner: Een van de treffende zaken bij een bezoek aan Irak is de buitengewoon grote kloof tussen het verhaal zoals we dat hier kennen en het werkelijke verhaal. In de eerste plaats is het schrille, met veiligheid doordesemde landschap in het land moeilijk duidelijk te maken aan de mensen hier: de kilometers lange betonnen scherfmuren, de kilometers prikkeldraad, de permanente angst tijdens het rijden en daarvan verslag doen, en de absolute en constante aanwezigheid van de dood. De meeste moordpartijen in Irak halen de media hier niet en toch denken de Amerikaanse kijkers dat ze de oorlog zien, terwijl wat ze feitelijk zien een televisieverslaggever is, die op het dak van zijn zwaarbewaakte hotel zijn verslag doet, achter scherfmuren en prikkeldraad en talloze bewapende schildwachten, en die dat hotel die dag misschien helemaal niet uit is geweest. Veel verslaggevers doen bijzonder werk onder verschrikkelijke omstandigheden, maar die omstandigheden maken een adequate berichtgeving, zoals wij die kennen, nagenoeg onmogelijk.

Het gevolg is dat het Irak dat wij zien maar een heel klein schilfertje is van een zeer complexe, zeer gewelddadige werkelijkheid, en de voortdurende herhaling van slecht nieuws, van de voortdurende stroom doden daar, wordt afgevlakt door het systeem van verslaggeving in de Verenigde Staten. Daarmee bedoel ik, dat vroeger tien doden wellicht de voorpagina's gehaald zouden hebben of een filmverslag in een nieuwsuitzending in plaats van een korte mededeling, terwijl dat nu pas bij veel meer doden het geval is. Het land en de media raken langzamerhand gewend aan hoe slecht de oorlog tot nu toe verlopen is, zodat het 'normale' tempo waarin doden vallen geen nieuws meer is. Als we dat tempo voor de oorlog hadden durven voorspellen, was dat een afgrijselijk resultaat geweest. Als we dat hadden geweten, zou niemand deze oorlog hebben gesteund.
[...]
Ik denk dat in de top van de regering vrij algemeen bekend is dat Irak een mislukking is. Velen erkennen ook dat, strategisch gezien, de oorlog in Irak op een ramp kon uitlopen omdat hij uiteindelijk een shi'itische islamitische regering in het leven geroepen heeft met sympathie voor Iran en die het, onder andere, de Verenigde Staten onmogelijk gemaakt heeft Iran rond het thema kernenergie adequaat onder druk te zetten. De uitkomst van deze bezetting zal een omkering zijn van vijftig jaar Amerikaans beleid in de Golf, dat vertrouwde op de soennitische autocratieën in het gebied. Met dat beleid was veel mis. De steun aan die autocratieën gedurende vele decennia heeft zeker bijgedragen aan het ontstaan van al-Qaida en zijn epigonen. Feitelijk heeft de regering Bush dat beleid overboord gezet zonder dat het iets had om er voor in de plaats te stellen.

Vertaling: Tjark Reininga



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Iran -

Nucleaire crisis en binnenlandse repressie in Iran

Iran is naar de VN Veiligheidsraad verwezen wegens zijn nucleaire ambities en trekt zich niets aan van internationale kritiek. Mensenrechtenactivist Bijan Moshaver vindt dat economische sancties door de VN Veiligheidsraad niet alleen de nucleaire activiteiten van Iran zullen versnellen, maar ook dat daardoor de mensenrechtensituatie in Iran enorm zal verslechteren. Daarom benadrukt hij dat de uitweg uit deze situatie niet bij de VN Veiligheidsraad, maar bij een helder politiek beleid via diplomatieke onderhandelingen tussen VS, EU, Iran en IAEA ligt.

Interne situatie

Iran is een theocratische dictatuur. Binnen Iran is er echter een steeds groeiende oppositie. Studenten trekken de straat op, men luistert clandestien naar de buitenlandse radio, kijkt naar buitenlandse tv-programma's en surft op het internet en schrijft in blogs. Hoe religieus de mensen ook zijn, hoe arm ze ook zijn, mensen verlangen naar vrijheid. Er bestaat weinig twijfel over het feit dat momenteel een grote meerderheid van de Iraniërs naar een betere manier van leven streeft. Een ontredderde economie, niet-succesvolle hervormingen en een gebrek aan politieke en sociale vrijheid hebben geleid tot een ontmoedigde maatschappij die in toenemende mate los staat van zijn overheersende theocratische oligarchie. Volgens verschillende officiële bronnen leeft 40-53% van de 70 miljoen tellende Iraanse bevolking (28-37,1 miljoen) onder de armoedegrens en heerst er een grote werkloosheid (18%) die elk jaar groeit.

De verkiezing van president Mohammad Khatami in 1997, gevolgd door de verkiezing van een hervormingsgezind parlement in 2000, was een duidelijke bevestiging van de wensen van de Iraniërs met betrekking tot politieke, economische en sociale veranderingen. Na het niet nakomen van de belofte tot hervormingen door de hervormingsgezinde president was de jonge Iraanse bevolking (70% is jonger dan 30 jaar en 50% jonger dan 20) enorm teleurgesteld. Want één ding werd tijdens de acht jaar durende ambtsperiode van president Khatami duidelijk: de grondwettelijke en werkelijke macht in de Iraanse islamitische republiek ligt in handen van de niet gekozen conservatieven - voornamelijk geestelijk leider Ayatollah Ali Khamenei en de door hem aangestelde twaalfkoppige Raad van Hoeders. Door dezelfde Raad van Hoeders kregen de hervormingsgezinde kandidaten voor de Iraanse parlements- en presidentsverkiezingen in februari 2004 en juni 2005 geen "islamitische goedkeuring" voor de verkiezingen, hetgeen betekende dat zij geen kandidaat konden zijn. Daarom besloten veel Iraniërs, moe en ontevreden na 27 jaar revolutie, om niet meer aan de verkiezingen deel te nemen.

Interne krachtsverhoudingen

Binnen het Iraanse staatsapparaat zijn vier machtsgroeperingen te onderscheiden.

  1. De ongekozen leiders onder leiding van de conservatieve havik en geestelijke leider Ayatollah Khamenei als het hoofd van de Islamitische Republiek Iran, die de werkelijke touwtjes in handen hebben en de binnenlandse en buitenlandse politiek bepalen. Khamenei bepaalt de samenstelling van het justitiële apparaat en de Raad van Hoeders die alle wetsvoorstellen en verkiezingskandidaten op hun islamitische en revolutionaire gehalte toetst.
  2. De Revolutionaire Garde die na de revolutie in het leven werd groepen om haar te verdedigen. De commandanten van deze garde hebben door allerlei zakelijke relaties en belangen enorme macht.
  3. De Bonyads zijn religieuze stichtingen die na de revolutie werden opgericht om het nagelaten economische imperium van de Shah te beheren. Deze grote conglomeraten hoeven geen belasting te betalen en door hun hechte band met de geestelijken (die zij financieren) hebben zij enorme politieke macht. Het zijn in feite oncontroleerbare instellingen waarvan het management wordt aangewezen door de geestelijke leider Khamenei.
  4. De gekozen leiders zoals de Raad van Experts (deze raad kiest de geestelijke leider), president, parlement en gemeenteraad die door de bevolking gekozen worden.
De laatste groep heeft in werkelijkheid weinig macht want de eerste groep heeft het vetorecht, dat wil zeggen, de ongekozen leiders kunnen alle wetten die uit het parlement komen en ook alle ongeschikte (lees: andersdenkende) kandidaten voor de Raad van Experts, parlements- en presidentsverkiezingen blokkeren.

Wie is president Ahmadinejad?

Na de verkiezing van de onbekende Mahmoud Ahmadinejad als president van Iran in augustus 2005, is er een toenemende druk op het land ontstaan door zijn buitenlandsbeleid. Ahmadinejad werd gekozen vanwege de beloftes die hij maakte over rechtvaardigheid, aanpak van corruptie, steun voor de armen en goede relatie met de rest van de wereld. Hij heeft ondanks zijn populistische campagne en de belofte dat hij het oliegeld zal besteden aan alle Iraniërs, bij de eerste ronde van de presidentiële verkiezingen in juni 2005, slechts 5,7 miljoen stemmen gekregen. Dit betekent dat 11,5% van in totaal 49,6 miljoen stemgerechtigden op hem heeft gestemd. Bij de tweede ronde werd hij met 17,4 miljoen stemmen gekozen (35% van de stemgerechtigden), terwijl zijn tegenkandidaat de zeer onpopulaire Ali Akbar Hashemi Rafsanjani was. Bovendien is Ahmadinejad sterk gebonden aan en wordt gesteund door het grootste economische maffianetwerk in Iran, de Revolutionaire Garde, Basidj (paramilitaire islamitische macht) en invloedrijke radicale ayatollahs. Ze bezitten duizenden bedrijven met allerlei exclusieve rechten op het gebied van import, export en productie in Iran. Het ineenstorten van de Iraanse beurs, de overdracht van meer dan 600 miljard dollar naar het buitenland in minder dan 100 dagen na het begin van presidentschap van Ahmadinejad; het ontbreken van enige strijd tegen de maffianetwerken in Iran; dit alles samen met de achtergrond van Ahmadinejad laat zien dat Ahmadinejad niet alleen niet gemotiveerd is om iets voor de armen te doen, maar juist door het creëren van een buitenlandse crisis de schuld voor het verergeren van de economische situatie aan het Westen probeert te geven. De vraag is: wie is hij eigenlijk en is er in Iran iets wezenlijk door zijn komst veranderd?

Hij vertegenwoordigt een fundamentalistisch utopia, een nieuwe generatie politici van voormalige officieren van de Revolutionaire Garde en de paramilitaire islamitische militie Basidj die de macht in Iran stevig in handen heeft genomen. Deze politici staan bekend om hun fanatisme en radicalisme. Zelfs de opperste leider Khamenei heeft geen volledige controle over hen. Door het militariseren van het land wint deze radicale groep steeds meer aan kracht binnen het regime. Zowel onder conservatieven als hervormers zijn er velen die vrezen dat deze kleine groep fundamentalisten via Ahmadinejad de macht probeert over te nemen. Door een golf van ontslagen van ambtenaren binnen het regeringsapparaat heeft Ahmadinejad deze groepen volledig buitenspel gezet en dit heeft tot veel ergernis en protesten geleid. Khamenei heeft opgeroepen de regering van Ahmadinejad de tijd te geven en te steunen, maar veel hooggeplaatste Iraanse politici gaan openlijk de strijd aan met hem. De geestelijke Ali Akbar Hashemi Rafsanjani, een van de steunpilaren van het Iraanse regime die de verkiezingen verloor van Ahmadinejad, klaagde recentelijk over de golf van ontslagen. Ook binnen zijn neoconservatieve achterban is er groot verzet ontstaan tegen Ahmadinejad. Drie keer werden de kandidaten van de president voor het Ministerie van Olie door het conservatieve parlement weggestemd. Ex-president Khatami waarschuwde recentelijk tegen de ambities van deze groep door hen de "Iraanse Taliban" te noemen omdat zij vijanden een excuus geven om Iran en de Islam aan te vallen. Maar Ahmadinejad krijgt steun uit streng fundamentalistische hoek. Een van de grootste haviken van het land, ayatollah Mesbah Yazdi, heeft de regering van Ahmadinejad een "heilige zegening" genoemd. Volgens Mohammad Malekzadeh, adjunct-hoofdredacteur van het fundamentalistische blad Partow, is de Iraanse elite doodsbang voor hem en proberen ze hem zwart te maken, omdat ze vrezen voor hun machtsbasis en handelsbelangen.

Nucleaire ambities

Iran als kernmacht is de nachtmerrie van de VS. Iran probeert de internationale gemeenschap gerust te stellen door te zeggen dat het atoomprogramma voor uitsluitend vreedzame doeleinden bestemd is, namelijk de opwekking van energie. Maar om te geloven dat Iran echt hunkert naar kernenergie (zoals het beweert) is zuivere fantasie. Iran bezit overvloedige olie en gas reserves, en is de tweede grootste olieproducent in OPEC. De samenwerking met het Internationale Atoomenergieagentschap van de Verenigde Naties (IAEA) is schoorvoetend en wisselvallig; soms mochten inspecteurs reactors bezoeken, maar delen van de administratie waren 'zoek'. Sommige documenten mochten wel door de inspecteurs ingezien maar niet meegenomen worden. Maar hard bewijs dat Iran inderdaad aan kernwapens werkt, is er niet.

De IAEA heeft het Iran dossier met grote meerderheid van stemmen naar de VN Veiligheidsraad overgedragen, met mogelijke consequenties zoals strenge sancties en zelfs oorlog als gevolg. Omdat het regime in Iran negatief heeft gereageerd op deze resolutie en nog steeds doorgaat met zijn confrontatiepolitiek, is het aannemelijk dat dergelijke sancties er vroeg of laat zullen komen. De diplomatieke initiatieven om Iran voor de VN Veiligheidsraad te brengen en economische sancties op te leggen worden geleid door de VS. Helaas neigen de drie bovengenoemde Europese landen steeds meer naar het Amerikaanse beleid. De VN Veiligheidsraad is volgens het Handvest van de Verenigde Naties verantwoordelijk voor (de) veiligheid, waar ook ter wereld. De verwijzing van het nucleaire dossier van Iran naar de Veiligheidsraad betekent dat de nucleaire installaties van Iran een bedreiging vormen voor vrede en veiligheid in de wereld. Deze interpretatie zal waarschijnlijk de voorbereidingen voor strenge sancties en militaire actie tegen Iran op gang brengen. De toenemende binnenlandse oppositie en buitenlandse dreiging zijn in Iran aanleiding voor het militariseringsbeleid van het Iraanse regime. Met hun nucleaire beleid willen de conservatieve machthebbers een aantal doelen bereiken: hun politieke rivalen onder druk zetten, de groeiende sociale beweging blokkeren, mensenrechten makkelijker kunnen schenden en het proces van democratisering frustreren.

Om hun beleid aan de Iraanse bevolking te kunnen verkopen, verklaren de autoriteiten dat de kerntechnologie de sleutel is tot de oplossing van de werkeloosheid, van het energieprobleem en van vele medische problemen in Iran. Naast 8 jaar oorlog met Irak, ruim 24 jaar sancties door de VS, en het jarenlange isolement van de Iraanse bevolking, hebben ook de militaire invasies van de Amerikanen rondom Iran en de zware propaganda van het regime er toe geleid dat veel Iraniërs de beschikking over kernenergie als een garantie voor soevereiniteit en stabiliteit beschouwen. Alle officiële en inofficiële peilingen in Iran van het afgelopen jaar laten een groeiende wens zien tot voortzetting van kernactiviteiten en een groeiende ontevredenheid onder de Iraniërs over het beleid van de IAEA, de EU en de VS. Het nieuwe Iraanse bewind maakt bewust gebruik van deze (door hem zelf veroorzaakte) externe crisis met de internationale gemeenschap, om, zoals gezegd, door middel van een beleid van militarisering de Iraanse bevolking te onderdrukken, de mensenrechten te kunnen schenden, en een proces tot democratisering te frustreren. Daarom is de meerderheid van de Iraanse bevolking tegenstander van een economische sanctie of een Amerikaanse aanval op Iran.

Iran in het Midden-Oosten

Iran als kernmacht is de nachtmerrie van de VS, Israël en de Arabieren. Iran wordt in de Arabische wereld gezien als arrogant en gevaarlijk, een land immers dat zich openlijk boven de Arabieren verheven voelt en absoluut geen geheim maakt van zijn streven naar regionale hegemonie. Dus de landen in de regio zijn niet blij met het huidige conservatieve bewind in Iran, dat op zijn minst de schijn wekt om op termijn nucleaire wapens te produceren. Maar de bevolking in de regio stelt terecht de vraag waarom het Westen het Israëlische kernwapenprogramma niet aan de orde stelt? Hoewel de joodse staat meer dan 200 kernkoppen bezit, negeert het Westen dat en meet het met twee maten. Soennitische regimes met een shi'itische minderheid (Saoedi-Arabië, Qatar) of zelfs meerderheid (Bahrein) vrezen Iraanse opruiing. De Egyptische en Algerijnse regeringen zijn bang voor Iraanse samenzweringen met fundamentalistische oppositiebewegingen. Ten slotte maken alle soennitische leiders zich zorgen over de opkomst van een fundamentalistisch-shi'itisch machtsblok in het Midden-Oosten onder aanvoering van Iran sinds de shi'itische meerderheid in Irak daar de politiek dicteert. Onder de soenniet Saddam Hussein was Irak Iran's vijand; nu zijn de relaties tussen Teheran en Bagdad heel plezierig.

Het gaat echter om veel meer dan kernwapens. Iran's overkoepelende ambitie is om de regio te domineren en te vormen naar zijn eigen inzicht. Dat streven botst direct met de VS, die ook het Midden-Oosten willen hervormen (lees domineren). Iran schuift zijn aspiraties niet onder stoelen of banken. Generaal Yahya Safavi, opperbevelhebber van de Revolutionaire Garde, verklaarde afgelopen zomer in een toespraak voor hoge marineofficieren dat de missie van Teheran was om "een multipolaire wereld" te scheppen waarin "Iran een leidende rol speelt". Met andere woorden: als het aan Iran ligt zijn de VS niet langer de enige wereldmacht. President Mahmoud Ahmadinejad deed daar een schepje bovenop. Het ultieme doel van het buitenlandbeleid van Iran is niets minder dan "een regering voor de hele wereld" onder leiding van de Mohammad al-Mahdi, het sjiitische equivalent van de christelijke Messias. De al-Mahdi verschijnt aan het einde der tijden en zal dan de ongelovigen vernietigen en een islamitisch rijk stichten waar moslims in vrede kunnen leven. Ahmadinejad's doctrine komt neer op de export van een radicale islam. Overheersing van het Midden-Oosten is in de ogen van Ahmadinejad het "onbetwistbare recht van de Iraanse natie". Ironisch genoeg profiteert Iran van de door de VS geïnitieerde 'war on terror'.

In twee buurlanden zijn voor Iran vijandige regimes verwijderd: Saddam Hoessein in Irak en de Taleban in Afghanistan. Iran speelt handig in op de ontstane machtsvacua. De invloed van Iran in Irak, waar tweederde van de bevolking ook sjiitisch is, is groot. In het zuiden van Irak domineren door Iran getrainde en gefinancierde milities. Ook in het Koerdische noorden laat Iran zich gelden, door zijn goede contacten met de Koerden. Na de terugtrekking van Syrië uit Libanon, is Iran de grootste buitenlandse invloed geworden in de vorm van Hezbollah. Dat geeft onrust in de regio. Met name in Israël, dat volgens de Iraanse president van de kaart moet worden geveegd. Ook in Saudi-Arabië, Turkije en India bestaat vrees voor de ambitieuze plannen van Iran. De Amerikaanse regering stelt volgens mediaberichten scenario's op voor een mogelijke militaire aanval op Iran. Daarnaast lijkt de Amerikaanse politiek gericht te zijn op vriendschappelijke relaties met landen in de regio, waarbij ingespeeld wordt op de angstgevoelens in deze landen. Israël is al een trouwe bondgenoot, de militaire relaties met India verbeteren zienderogen.

Het recente bezoek van president Bush aan India is vanuit geostrategische overwegingen succesvol te noemen. Beide landen zullen de militaire samenwerking intensiveren. De Indiase premier Manmohan Singh zei tijdens het bezoek dat India en Amerika een strategische relatie hebben opgebouwd, die gebaseerd is op gemeenschappelijke waarden. President Bush zei dat beide landen als partners werken om de wereld veiliger te maken. In dit kader zal hij ook aan Iran hebben gedacht. De nieuwe Iraanse raketten kunnen namelijk India bereiken. Vorig jaar december waarschuwden Israëlische officials tegen Iraanse kernwapens. Het hoofd van de inlichtingendienst van het Israëlische leger, majoor-generaal Aharon Zeevi, waarschuwde dat maart 2006 het 'point of no return' zou zijn. Dat betekende naar zijn mening dat daarna diplomatieke pogingen om het Iraanse nucleaire programma te beperken, zinloos zouden zijn. Dus door bovengenoemde en alle problemen die de VS momenteel met het gelden van hun gezag in Irak hebben; voor een Amerikaanse aanval hoeft Iran niet te vrezen.

Mensenrechtenschendingen

Terwijl de publieke opinie van de wereld zich met de nucleaire crisis van Iran bezighoudt, gaat het regime door met de onderdrukking van de Iraanse bevolking. Iran trekt zich van kritiek op de slechte mensenrechtensituatie weinig aan. De leiders in Iran willen de rijen gesloten houden, ze dulden nauwelijks kritiek. De hervormingsbeweging staat buitenspel en hardliners bepalen de politiek. Het regime ziet dissidenten die openheid, democratie en vrijheid van meningsuiting willen als het begin van het einde van de islamitische republiek. Daarom moeten dissidenten worden geëlimineerd.

Na de Iraanse parlements- en presidentsverkiezingen in februari 2004 en juni 2005 is Iran weer een ander tijdperk ingegaan. Toen een paar jaar geleden de hervormers de macht in de Majles (parlement) overnamen, hadden sommige mensen hoop dat er langzame veranderingen gerealiseerd konden worden. Het feest voor de hervormers was compleet, toen Khatami de conservatieve presidentskandidaat wist te verslaan. Nu, acht jaar na dato, heeft de politiek in Iran weer een andere wending genomen en een nieuwe generatie politici van voormalige officieren van de Revolutionaire Garde en de paramilitaire islamitische militie Basidj heeft de macht in Iran stevig in handen gekregen. Men wil graag de islamitische waarden - althans zoals gedefinieerd door de Islamitische Republiek - weer doen herleven en daar hebben de vrouwen het meest onder te lijden. Verschillende vrouwengroepen hebben de laatste jaren geprobeerd verbetering van vrouwenrechten te bereiken, zoals het recht op het aanvragen van echtscheiding. Zover is het niet gekomen; er is geen perspectief op verbetering in de nabije toekomst.

Sinds 7 maanden na zijn verkiezing als president van Iran, zijn er meer dan 150 doodsvonnissen geveld in Iran. Na de komst van president Ahmadinejad is de situatie in Iran met de dag aan het verslechteren. In de afgelopen maanden is Iran in de wereldmedia het toneel geweest van schrijnende mensenrechtenschendingen, executies van homoseksuelen en minderjarigen, met als dieptepunt een rapport van de rechterlijke macht in Iran, waarin onomwonden wordt toegegeven dat er mensenrechten in de Iraanse gevangenissen worden geschonden. Dat laatste was een unicum.

De huidige mensenrechtensituatie in Iran is uitermate zorgwekkend en omvat systematische mishandeling en marteling, wettelijke willekeur, vervolging van dissidenten en religieuze minderheden, beperking van de vrijheid van meningsuiting en beteugeling van de persvrijheid. Grote aantallen politieke gevangenen, onder wie gewetensgevangenen, zitten straffen uit die hen zijn opgelegd na oneerlijke processen. Talloze anderen werden in 2004 en 2005 gearresteerd, velen vanwege artikelen in kranten en op Internet die 'een gevaar voor de nationale veiligheid' vormden of hoge functionarissen of religieuze geboden te schande maakten. Veel familieleden van gearresteerde personen werden geïntimideerd en onafhankelijke mensenrechten activisten lastig gevallen. Sinds september werden twintig hervormingsgezinde internetjournalisten en ngo-activisten opgepakt. De arrestaties zijn uitgevoerd in opdracht van de gevreesde procureur van Teheran, Saeed Mortazavi.

De persvrijheid en vrijheid van meningsuiting zijn de laatste maanden ook achteruit gegaan. De meeste onafhankelijke massamedia zijn de mond gesnoerd. Hervormingsgezinde kranten en tijdschriften werden gesloten. De cijfers over persvrijheid van Journalisten zonder Grenzen (RSF) bieden enig vergelijkingsmateriaal. In de laatste Wereld Persvrijheid ranglijst van RSF eindigt Iran op plaats 164. Deze plaats is een maat voor persvrijheid (lees onderdrukking van media en journalisten) in Iran. Internationale organisaties zoals Amnesty International, Human Rights Watch (HRW), International Federation for Human Rights, en Reporters without Borders hebben al verschillende keren de mensenrechtensituatie in Iran onder de aandacht gebracht. Amnesty International ontving geen reactie op haar voorstel om een waarnemer naar Iran te sturen om processen van dissidenten bij te wonen.

Ondertussen gaan de politieke gevangenen door met een hongerstaking. Deze groep riep internationale mensenrechten organisaties op om onmiddellijk te handelen en humanitaire missies te sturen om hun situatie te onderzoeken en te werken aan hun vrijlating. De politieke gevangenen in een aantal gevangenissen door het land (Evin Gevangenis in Teheran, Rajai-Shahr in Gohardasht, gevangenissen in Semnan, Bandar Abbad en Birjand) brachten in december een verklaring uit en nodigden de VN en secretaris-generaal Annan uit om een internationale onderzoekscommissie te vormen ter identificatie van betrokken verantwoordelijken bij de afslachting en onderdrukking van vrijheidsactivisten in Iran. Maar helaas is er vanuit de VN tot nu toe geen reactie op deze oproep geweest. Bekende dissidenten zoals Naser Zarafshan en Abodlfattah Soltani zitten nog steeds onder erbarmelijke omstandigheden in de gevangenis. Daarom is het minstens even belangrijk dat de EU de mensenrechtenschendingen nauwlettend in de gaten houdt en aan de kaak stelt. Respect voor de mensenrechten in Iran is een fundamentele voorwaarde om de binnenlandse ontwikkeling naar een democratisch Iran mogelijk te maken en de mensenrechtensituatie mag niet ondergesneeuwd raken door de nucleaire dreiging van het Iraanse regime.

Een uitweg uit de crisis

De huidige dreiging jegens Iran in het kader van de Amerikaanse War On Terrorism beïnvloedt de politieke ontwikkelingen in Iran. De radicale machthebbers van de Islamitische republiek Iran zijn bang dat na de aanval op Afghanistan en een aanval op Irak, hun land aan de beurt zal zijn. Deze dreiging zet de radicale islamieten in Iran onder druk, en heeft mede daardoor een tweezijdige uitwerking: op de interne machtsstrijd tussen de hervormers en de conservatieve machthebbers enerzijds, en op de strijd voor democratie van de Iraanse bevolking tegen het islamitisch regime anderzijds. De dictatuur in Iran reageert nog steeds meer of minder en met veel aarzeling op internationale druk voor wat betreft de schendingen van mensenrechten in Iran. De internationale druk heeft nog steeds invloed op de omvang van de onderdrukking van de sociale beweging in Iran door het regime, zelfs onder het bewind van Ahmadinejad. De belangrijkste redenen hiervoor zijn de economische banden en de behoefte van Iran aan westerse technologie aan de ene kant en de vrees van de radicale machthebbers voor een eventueel Westers plan van 'regime change' in Iran aan de andere kant.

Deze voorbeelden laten zien dat het Iraanse regime haar relatie met de EU probeert te behouden. Daarin past het aanbieden van economische contracten vooral aan invloedrijke Europese bedrijven in ruil voor diplomatieke bescherming tegen de VS. Daarom betekent beschikking hebben over kernwapens een bijzonder grote opluchting vooral voor de radicaalste militaire en geestelijke leiders van Iran. Onder zulke omstandigheden zal het regime niet meer onder druk van het Westen op gebied van mensenrechten, steun aan extremistische islamitische groeperingen en het vredesproces in het Midden-Oosten reageren. Dit zal de situatie van mensenrechten en sociale beweging in Iran en de stabiliteit van het Midden-Oosten en de hele wereld op een zeer negatieve wijze beïnvloeden. Daarom is het niet de vraag of het Iraanse regime over kernwapens moet beschikken, maar juist hoe de wereld dit probleem moet oplossen.

Het is van bijzonder belang dat de toegang van Iran tot kernenergie voor civiele doeleinden, in conformiteit met NPV, verzekerd wordt; terwijl geen toegang tot geavanceerde kerntechnologie aan het regime wordt gegeven. In dit opzicht, is het van groot belang dat het Westen zich realiseert dat overgaan tot genoemde economische sancties de nucleaire activiteiten van Iran zal versnellen, de mensenrechtensituatie en de sociale beweging in Iran radicaal zal verslechteren, ten gevolge waarvan de Iraanse bevolking tegelijkertijd onder zware economische druk zal komen te staan. Onder dergelijke omstandigheden - in combinatie met zware propaganda van de zijde van de Iraanse autoriteiten - kunnen sancties slechts de populariteit van het regime in Iran en de regio bevorderen. Gezien de recente ervaringen in Afghanistan en Irak, ligt het voor de hand dat een economische sanctie, of een oorlog tegen Iran, het Islamitische radicalisme in de wereld zal versterken en uiteindelijk verdere escalatie in de Perzische golf en het Midden Oosten met zich mee zal brengen, met omineuze gevolgen voor vrede en veiligheid in de wereld.

De vraag is nu hoe de huidige crisis opgelost kan worden. Strenge controle op de kernactiviteiten van Iran door IAEA inspecteurs, in combinatie met het handhaven van diplomatieke druk, kunnen de voortzetting van de kernactiviteiten misschien tijdelijk voorkomen, maar bieden geen blijvende oplossing voor dit probleem. Het vinden van een oplossing zonder gezichtsverlies voor alle partijen zou uitkomst moeten bieden. Voor de internationale gemeenschap is (in die benadering) de toegang van het islamitische bewind tot geavanceerde kerntechnologie niet aanvaardbaar, anderzijds is voor het regime in Teheran (de) volledige en definitieve staking van verrijkingsactiviteiten van uranium geen aanvaardbare optie.

Gezien de groeiende behoefte aan energie, de stijgende olie- en gasprijzen en het perspectief van de eindigheid van fossiele energiebronnen, denken veel ontwikkelingslanden in kortere of langere termijnplanningen al aan het gebruik van alternatieve energie, voornamelijk kernenergie. Onder zulke omstandigheden is de toekomst van het Non-Proliferatie Verdrag onzeker. Bovendien hebben Turkije en Saudi-Arabië te kennen gegeven ook het bezit van kernwapens na te streven als Iran een atoombom heeft. Daarom moet de internationale gemeenschap een vreedzame en definitieve oplossing vinden voor de problematiek van de toegang tot kerntechnologie bij nieuwe landen. De beste oplossing hiervoor lijkt multilaterale samenwerking op het gebied van verrijking van uranium te zijn. Dreigementen, sancties, en/of oorlog, bieden geen duurzame oplossingen voor de groeiende vraag naar kernenergie in een vreedzame wereld. Daarom ligt de uitweg uit deze crises met Iran niet bij de Veiligheidsraad van de VN, maar wordt deze gevormd door een helder politiek beleid via diplomatieke onderhandelingen tussen de VS, de EU, Iran en de IAEA.

Europa kan handelsakkoorden met Iran als een breekijzer hanteren. De EU is de grootste handelspartner van Iran en kan daarmee de druk op de hardliners opvoeren, hetgeen kan leiden tot meer vrijheid, hervormingen, politieke veranderingen en uiteindelijk een regime change in Iran. Want een democratisch regime in Iran is de beste garantie voor de vrede in de regio en de wereld. Met zo'n beleid kan de EU tevens een zinvol signaal afgeven aan de VS. Europa kan de Amerikanen zo laten zien dat de weg naar politieke veranderingen in het Midden-Oosten niet met oorlogsvoering gediend is, maar juist via politieke steunverlening aan de strijd van het Iraanse volk loopt. Oorlogsgeweld zal democratiseringsprocessen in Iran negatief onder druk zetten en als zodanig juist averechts werken. Diplomatieke onderhandelingen zijn de sleutel tot een vreedzame oplossing voor dit dreigende en wereldwijd omvattende conflict.

Bijan Moshaver
Bijan Moshaver is voorzitter van Stichting Iran Future

Stichting Iran Future

Stichting Iran Future (IF), een Iraans/Nederlands netwerk dat zich sinds 2003 in Nederland inzet voor de mensenrechten in Iran, probeert de erbarmelijke mensenrechtensituatie in Iran onder de aandacht van de Nederlandse bevolking, politiek en media te brengen en pleit voor de onmiddellijke vrijlating van alle politieke gevangenen in Iran. IF gelooft dat verbetering van de mensenrechtensituatie in Iran de sleutel is tot een vreedzame oplossing voor het ontstane conflict rondom de nucleaire ambities van het Iraanse regime.



Laat Iran geen tweede Irak worden
Stop de oorlog voor hij begint!

Naar aanleiding van de toenemende oorlogsdreiging richting Iran is onlangs de Campagne geen oorlog tegen Iran van start gegaan. Deze campagne is een initiatief van een onafhankelijke groep jonge Iraniërs die zich ten doel stelt de oorlog(sdreiging) tegen Iran een halt toe te roepen. Steunt u ook deze doelstelling, dan kunt u de beginselverklaring van de campagne ondertekenen op www.GeenOorlogTegenIran.nl

Campagne Geen oorlog tegen Iran
Ondersteund door:
Prof. Touraj Atabaki, hoogleraar moderne geschiedenis aan de UvA
Prof. Asef Bayat, directeur International Institute for the Study of Islam
Harry van Bommel, Tweede-Kamderlid Socialistische Partij
Prof. Halleh Ghorashi, hoogleraar Management van Diversiteit en Integratie aan de VU
Bijan Moshaver, voorzitter stichting Iran Future
Shervin Nekuee, Iraans-Nederlandse socioloog en publicist



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Stop AWACS -

Massale acties tegen bomenkap Schinveld

Inwoners van Schinveld en actievoerders van GroenFront! zijn sinds december vorig jaar in opstand gekomen tegen de kap van zes hectare bos bij de Awacs-basis nabij het dorp.

foto protest tegen bomenkap SchinveldHet bos moest wijken voor de naastgelegen NAVO-basis Geilenkirchen. Op die basis staan 17 AWACS toestellen gestationeerd die al meer dan 25 jaar voor extreme geluidsoverlast (meer dan 100 decibel) zorgen in Schinveld. Al die jaren hebben zowel de lokale politiek als de buurtbewoners zich verzet tegen de basis, en ook tegen de plannen om zes hectare bos te kappen. Volgens de NAVO is dit noodzakelijk om de veiligheid van het vliegverkeer te garanderen, buurtbewoners vrezen dat de vliegtuigen nog lager over komen vliegen. In nog eens 14 hectare wil de NAVO alle hoge bomen verwijderen. De beslissing daarover valt deze zomer.

Het voorlopige hoogtepunt in de campagne die het eco-anarchistische GroenFront! netwerk samen met buurtbewoners heeft opgezet, werd bereikt op zondag 8 januari toen 2000 mensen naar het bos kwamen om tegen de kap te protesteren. 1500 van hen trokken, ondanks een noodverordening waarbij het terrein tot verboden gebied verboden werd verklaard, het bos in om de in boomhutten verblijvende actievoerders te ondersteunen.

Op 9 januari startte een 39 uren durende politieoperatie om de meer dan 100 GroenFront! activisten en enkele honderden buurtbewoners uit de bossen rond Schinveld te verdrijven en daarmee de kap mogelijk te maken.

GroenFront!, het lokale actiecomité STOP AWACS en veel buurtbewoners hebben al laten weten dat zij alles in het werk zullen stellen verdere kap van bomen te voorkomen en dat wat hen betreft de basis zo snel als mogelijk gesloten wordt.

foto protest tegen bomenkap Schinveld foto protest tegen bomenkap Schinveld foto protest tegen bomenkap Schinveld

foto's: GroenFront!
Klik op een foto om een grotere versie te zien.

foto protest tegen bomenkap Schinveld foto protest tegen bomenkap Schinveld foto protest tegen bomenkap Schinveld foto protest tegen bomenkap Schinveld foto protest tegen bomenkap Schinveld


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Iran -

Komt er een aanval op Iran?

Na jarenlange onderhandelingen en verklaringen, lijkt de Iraanse crisis in een stroomversnelling te zijn gekomen. Iran heeft zijn nucleaire programma, dat tijdens de onderhandelingen met de Europese Unie was opgeschort, hervat. De bestuursraad van het internationale atoomagentschap (de IAEA) besloot in februari om het dossier door te sturen naar de Veiligheidsraad. En in de Veiligheidsraad wordt naarstig vergaderd over de volgende stappen.

Escalatie in de Veiligheidsraad

Duidelijk is dat de VS en haar Britse bondgenoot aansturen op snelle verhoging van de politieke druk op Iran. De andere EU onderhandelaars, Frankrijk en Duitsland, lijken dit plan met enige tegenzin te ondersteunen. Iran heeft na een reeks waarschuwingen aan de EU onderhandelaars het proces van uraniumverrijking in een proefopstelling hervat. Intussen trekken Rusland en China om uiteenlopende redenen aan de rem: ze willen niet dat de zaak verder escaleert, maar hebben er toch voor gekozen om de Westerse landen te ondersteunen in hun pogingen om de druk op te voeren. Verder heeft het blok van niet-gebonden landen, dat tot voor kort aan de rem hing, het laten afweten. India (dat het Non-Proliferatie Verdrag niet heeft ondertekend) heeft gekozen voor een strategische alliantie met de VS, waarbij ze door dat land als kernwapenstaat erkend wordt.

De stappen van het IAEA hebben de ruimte gegeven aan de Westerse staten om de druk te verhogen. De media in het Westen geloven de Britse stellingname als zou het slechts gaan om een veredelde vorm van blufpoker - Iran zou alleen concessies doen als er afdoende druk wordt uitgeoefend. Maar ongelukkigerwijs komen de stappen die hiervoor nodig zijn verdacht veel overeen met een systematisch proces van escalatie dat kan uitlopen op een oorlog. Een eind maart uitgelekt Brits regeringsmemorandum, gericht aan Duitsland, Frankrijk en de VS, stelt voor om de zaak zo snel mogelijk als een zogenaamd artikel VII geval te behandelen. Daarmee wordt de mogelijkheid om te escaleren naar een oorlog uitdrukkelijk geopend.

Wat vooraf ging

Het is wellicht nuttig om even een stap terug te nemen. Waar ging het ook al weer om?

Nadat Europese en Iraanse onderhandelaars er in februari niet in slaagden om tot een overeenkomst te komen, werd door de bestuursraad van het Internationaal Atoomagentschap (IAEA) op 4 februari een resolutie aangenomen dat directeur generaal El-Baradei vraagt om de stand van zaken aan de Veiligheidsraad te rapporteren. In een begeleidend rapport aan de bestuursraad schreef El-Baradei dat hij "geen diversie [omleiding] van nucleair materiaal naar kernwapens of andere explosieve apparaten had geconstateerd." (UPI 28 februari 2006)

Omdat de door het IAEA gevraagde documentatie over (delen van) het Iraanse nucleaire programma slechts mondjesmaat of niet werd geleverd, trok de bestuursraad de conclusie dat verdere druk noodzakelijk was. De raad heeft ook de eis van de Europese Unie overgenomen dat Iran zijn uranium verrijkingsactiviteiten moet stilleggen. Iran, er van uitgaand dat het op grond van het door haar ondertekende Non-Proliferatie Verdrag recht heeft op het opzetten van een volledige nucleaire cyclus en toegang tot alle daarvoor benodigde nucleaire technologie (artikel 4 van het verdrag), weigert dit te doen. Wel ging het op dat moment nog door met onderhandelingen, vooral met Rusland, dat een aanbod heeft gedaan om de Iraanse verrijkingsactiviteiten op Russische bodem te laten plaatsvinden. Iran wil echter een deel van de activiteiten op eigen bodem uitvoeren. Intussen zijn door Amerikaanse en Israëlische woordvoerders herhaaldelijk dreigementen geuit, die er op neer komen dat een militaire optie om de Iraanse nucleaire infrastructuur te vernietigen, niet van tafel is. De Franse president Chirac heeft in een toespraak gehouden op 19 januari nadrukkelijk gewezen op de mogelijkheid om Franse kernwapens in te zetten tegen staten die "terroristische middelen" gebruiken tegen Frankrijk. De Iraanse regering interpreteerde dit als een dreigement en liet weten dat de substantiële olie export naar diverse landen stopgezet kon worden in een crisis. Andere dreigementen werden gericht aan de omringende landen en Israël.

Sindsdien ligt de zaak, tegen de zin van directeur El-Baradei van het IAEA, bij de Veiligheidsraad.

Oorlogsplannen

De grote achterliggende vraag bij dit alles is: wat willen de VS en haar bondgenoten bereiken met het boven geschetste escalatieproces?

Er is door woordvoerders van zowel de Amerikaanse als de Israëlische regering veelvuldig gezinspeeld op een mogelijke luchtaanval op de Iraanse nucleaire installaties. Die mogelijkheid wordt ook wel eens gecombineerd met het inzetten van speciale eenheden om doelen te vernietigen die door bommenwerpers niet geraakt kunnen worden. Een belangrijk onderdeel daarvan is dan weer het vermoorden van de Iraanse technici en wetenschappers die het programma uitvoeren.

Binnen de internationale anti-oorlogsbeweging circuleren daarnaast nogal wat speculaties over de mogelijke inzet van kernwapens tegen de diep ingegraven installaties. Daarbij wordt gewezen naar de nucleaire doctrine van de Amerikaanse strijdkrachten, die de mogelijkheid handhaaft om als eerste kernwapens in te zetten tegen staten die massavernietigingswapens ontwikkelen of gaan inzetten.

Een verdere variant is een snelle grondaanval met gemechaniseerde eenheden vanuit Azerbeidzjan richting Teheran, eventueel gecombineerd met luchtaanvallen.

Wat is er waar van deze speculaties? Ze zijn geloofwaardiger omdat ze door militaire analisten en regeringswoordvoerders worden aangewakkerd. Maar er bestaat een verschil tussen dreigen met militaire plannen en de uitvoering daarvan. Iedereen is het er over eens dat een aanval vergaande gevolgen zou hebben in het hele Midden-Oosten, onder andere vanwege de Iraanse reacties. Het is ook waarschijnlijk dat de olietoevoer vanuit Iran (en misschien van elders in de Golf regio) voor onbepaalde tijd zou worden afgesloten. Dat zal een bijzonder hoge olieprijs tot gevolg hebben, met de bijbehorende gevolgen voor de economieën die afhankelijk zijn van de aanvoer van olie uit Iran en omringende landen.

Amerikaanse overwegingen

Is het gegeven deze aarzelingen waarschijnlijk dat er toch een aanval plaatsvindt? Daarvoor moeten we beoordelen wat de belangrijkste invloeden zijn op de Amerikaanse buitenlandse politiek. Zeker is dat de neoconservatieve krachten die een aanval op Iran als wenselijk zien, niet zijn verdwenen. De vraag is of hun invloed nog beslissend is, gezien de situatie in Irak, die door de meeste Amerikanen nu als een mislukte operatie wordt gezien. Maar het kan ook zo zijn dat een deel van de Amerikaanse politici, met verkiezingen in zicht, een verdere escalatie juist wenselijk vindt. Men ziet dan een aanval op Iran als een oplossing en niet het probleem zelf. Daarover is de Amerikaanse regering echter verdeeld.

Helaas wordt de 'aanvalspartij' ondersteund door het EU beleid, dat anderhalf jaar lang een confrontatiekoers heeft gevolgd in de onderhandelingen met Iran en daarmee de Amerikaanse standpunten stilzwijgend ondersteunt en legitimeert. Dat wil zeggen, het uitgangspunt dat er een kernwapenprogramma is en dat Iran moet afzien van haar rechten op vreedzaam gebruik van nucleaire technologie.

Een dergelijk expliciete ramkoers doet vermoeden dat er verdergaande belangen in het spel zijn. Voor de hand ligt dat de EU de doelen van de VS ondersteunt. Dat wil zeggen, de beheersing van de oliebronnen rond de Golf en in het verlengde daarvan de handhaving van Westerse garnizoenen met het oog op verdere machtsprojectie naar Centraal-Azië.

In Nederland moet er nog steeds een reëel publiek debat over dit soort strategische doelstellingen ontstaan. De meeste deskundigen gaan niet verder dan oppervlakkige discussies over de noodzaak om samen met de VS op te trekken in de wereld, in NAVO verband. Dat beleid wordt de facto in Afghanistan al ingevuld. Om die reden kan het geen kwaad voor de critici van het beleid om een debat over de beleidsdoelstellingen van de Europese landen in de Golfregio en Centraal-Azië te voeren.

Karel Koster



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Proliferatie -

Dubbele standaarden en dubbele moraal

Terwijl Iran al tweeëneenhalf jaar dreigende taal uit Washington hoort, gooit de VS het ten aanzien van India over een heel andere boeg. Begin maart sloten premier Singh en president Bush een volgens beide 'historisch' akkoord over nucleaire samenwerking. Het contrast kan amper groter zijn: Iran, lid van het Non-proliferatieverdrag (NPV), kan met een beetje pech een bommencampagne tegemoet zien, waar India - geen NPV-lid, wèl kernwapenstaat - in ruil voor enkele kleine concessies kan rekenen op steun bij haar 'civiele' nucleaire programma. Dat meten met twee maten is het failliet van het huidige nucleaire non-proliferatiebeleid. Toch bleef kritiek op de Amerikaanse stap vrijwel uit.

Acht jaar na de kernproeven van India en Pakistan is de Amerikaanse regering duidelijk een nieuwe richting ingeslagen. Gold aanvankelijk een harde lijn van militaire en nucleaire sancties, direct na 11 september 2001 werden wapenexporten formeel alweer toegestaan. Naar de smaak van India bleef Washington echter een stroeve partner; naast een enkele order en wat gezamenlijke militaire oefeningen bleef de toenadering vooral een van mooie woorden. In New Delhi bestond het beeld dat in de strijd tegen het terrorisme de VS meer naar Pakistan neigde, vanwege diens sleutelpositie als buurland van Afghanistan. Pakistan, en niet India, kreeg de erestatus van major non-Nato ally. Pakistan, en niet India, kreeg toegang tot een militair steunpakket ter waarde van vele honderden miljoen dollars.

Smokkeloperatie

Hoewel voor 11 september geen land nauwere banden onderhield met de Taliban dan Pakistan, koos de zelfbenoemde president Musharraf na de aanslagen in de VS ijlings de kant van Bush. Hij had daarbij misschien ook weinig keus: verdere steun aan de Taliban was vragen om moeilijkheden. Niettemin vormt de huidige samenwerking met de VS evengoed een bedreiging van zijn machtspositie. Een groeiende, streng religieuze en fel anti-Amerikaanse politieke beweging zaagt aan de stoelpoten van zijn bewind. Al verscheidene malen ontsnapte Musharraf ternauwernood aan een moordaanslag. In een land met een geschiedenis die wordt gekenmerkt door staatsgrepen, is een succesvolle aanslag op zijn leven voldoende voor complete chaos of zelfs een radicaal-islamitische coup. Het Pakistaanse kernwapenarsenaal in handen van een Taliban-achtig bewind is daarmee een reëler gevaar dan de lange weg die Iran nog te gaan zou hebben.

De Amerikaans-Pakistaanse samenwerking liep een flinke deuk op toen eind 2003 duidelijk werd dat Abdul Qadeer Khan - de ooit in Nederland opgeleide en werkzame atoomspion - aan de basis stond van een nucleair smokkelnetwerk waarvan de omvang nog steeds niet ten volle bekend is. Met zijn publieke schuldbekentenis en dat hij onder huisarrest is geplaatst, zijn de Amerikanen vooralsnog tevreden. Een uit de school klappende Khan zou de positie van de VS wel eens enorm kunnen schaden. Nu al staat vast dat de Amerikaanse (en Nederlandse) regering in de jaren zeventig en tachtig al wisten van de omvangrijke smokkeloperatie richting Pakistan. Het zou verbazen als men niets heeft geweten van de handel in de jaren erna richting Iran, Libië en Noord-Korea. Merkwaardig is in ieder geval dat de Amerikanen zich zomaar neerleggen bij de weigering van Musharraf om Khan beschikbaar te stellen voor ondervraging door de VS of het atoomagentschap IAEA. Liever verklaart men dat een tijdperk is afgelopen met de uitschakeling van Khan en zijn kornuiten.

Wat dat betreft is India in veel opzichten een aantrekkelijker partner voor de VS. De aanhoudende snelle economische groei en de voelbare dreiging van de opkomende grootmacht China hebben de laatste paar jaar tot meer toenadering geleid. India, dat zich graag afficheert als 's werelds grootste democratie, biedt gouden kansen voor het bedrijfsleven: goedkope, relatief goed geschoolde arbeidskrachten en een snel groeiende middenklasse. Bovendien betekent vriendschap met India een belangrijke buffer en bondgenoot tegen een eveneens booming China. Hoewel de relatie tussen China en India min of meer vriendschappelijk is betwisten beide landen nog de nodige vierkante kilometers grensgebied. In 1962 was dat reden voor een - door India gevoelig verloren - conflict.

Nucleaire status aparte

In dat kader past de nucleaire samenwerking zoals die op 2 maart door beide leiders werd beklonken. India heeft in het verdrag beloofd een handjevol nucleaire installaties als niet-militair te bestempelen en (gedeeltelijk) open te stellen voor inspecties. Die winst was voor directeur-generaal El-Baradei van het IAEA reden genoeg de overeenkomst toe te juichen: beter iets dan niets. Dat India buiten het NPV blijft is daarmee een geaccepteerd gegeven dat nucleaire samenwerking niet in de weg hoeft te staan. De overeenkomst laat het Indiase kernwapenprogramma volledig ongemoeid. Hoewel het toestaan van beperkte inspecties voor sommige Indiërs als hoogverraad geldt, is de uitzonderingsstatus een overwinning voor de Indiase regering. "India had niet op een betere deal kunnen hopen," aldus regeringsadviseur Amitabh Mattoo tegenover de New York Times. "Het biedt toegang tot civiele kernenergie, het beschermt je strategische [kernwapen]programma en het brengt India in de hoofdstroom." Met de nucleaire samenwerking hoopt de regering Bush de deur open te zetten naar nauwere handelsbetrekkingen en intensivering van de militaire banden. Waar vooral Rusland, Israël en de EU-landen de laatste decennia met wapenorders wegliepen, hoopt Washington nu op de verkoop van gevechtsvliegtuigen (F-16 of F/A-18) en een raketschild (Patriot en Arrow luchtafweer). Als gunstig bijeffect wordt gehoopt dat met een stijgend kernenergiegebruik de druk op de olieprijzen zal verlichten.

De Indiaas-Amerikaanse samenwerking is tegelijk het failliet van het NPV. Ondanks de gegronde kritiek op het oude non-proliferatiesysteem, is Amerika's eenzijdige stap om dat systeem nu maar te verlaten waarschijnlijk het begin van het einde. Met een uitzondering voor India kan tegenover andere niet-leden met nucleaire ambities moeilijk een andere lijn gekozen worden. Het zet de deur open voor andere niet-NPV kernwapenmachten als Israël en Pakistan om vergelijkbare initiatieven te ontwikkelen. Niet voor niets liet Musharraf daags na de overeenkomst weten dat het meer hulp uit China zocht. China werkt nu al voor Pakistan aan een tweede kerncentrale bij de plaats Chasma.

Ondanks dat de sfeer tussen India en Pakistan de laatste jaren iets ten goede is gekeerd, kan die ook zo weer omslaan. Dat bleek ook vier jaar geleden toen India na een aanslag op het parlement in Delhi Pakistan daarvoor verantwoordelijk hield. Ondanks een massale mobilisatie bleef een vierde Indiaas-Pakistaanse oorlog ternauwernood uit. De vorming van een Chinees-Pakistaans en een Indiaas-Amerikaans machtsblok kan gemakkelijk leiden tot toenemende polarisatie.

Ook gaat het akkoord met India voorbij aan het ontbreken van een goed exportcontrolesysteem in India. Dat voortdurend naar A.Q. Khan wordt verwezen als reden om Pakistan uit te sluiten van nucleaire samenwerking, betekent echter niet dat India de zaken zo goed voor elkaar heeft. Een recent rapport van het Amerikaanse onderzoeksinstituut ISIS wijst erop dat India clandestiene routes gebruikt om een geheim uraniumverrijkingprogramma op te zetten. Bovendien lekt door slechte controlemechanismen nucleaire technologie weg uit India. Het is in dit verband belangrijk te weten dat India bijvoorbeeld met Iran goede betrekkingen onderhoudt. In 2002 sloten beide landen een defensiesamenwerkingsovereenkomst af. In maart nog volgden ruim tweehonderd Iraanse soldaten een training aan het belangrijkste marineopleidingscentrum van India. Daarnaast heeft Iran belangstelling getoond voor allerhande militaire elektronica, waaronder het in India onder licentie geproduceerde Flycatcher vuurleidingssysteem van Thales Nederland.

Op diplomatieke gebied heeft de relatie tussen India en Iran wel schade opgelopen doordat India onlangs de kant van het Westen koos bij de beslissing om de kwestie Iran voor de VN-Veiligheidsraad te brengen.

Frank Slijper,
Campagne tegen Wapenhandel



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Oorlog en grondstoffen -

De oorlog in Soedan

Net als de burgeroorlog die in Ivoorkust woedt, moet de burgeroorlog in Soedan geplaatst worden in de context van globalisering. Maar dat blijkt pas als de historische evolutie van de economie van het land wordt bezien. De laatste jaren hebben de Westerse media vooral het geweld tegen de burgerbevolking in de westelijke provincie Darfoer belicht. Hier hebben leden van een Arabische militie, de Janjaweed, met steun van leden van het regime in Khartoem, dorpen geplunderd en platgebrand, en wreedheden tegen de bevolking begaan. Daarbij zijn de mensenrechten zonder twijfel met voeten getreden. Ook moet de relatie van Darfoer met de wereldeconomie worden bezien. Zoals in sommige kranten te lezen was is Darfoer voor internationale ondernemingen voornamelijk van belang omdat het tweederde levert van de wereldproductie van Arabische gom, het sap van een boom, dat een onontbeerlijk ingrediënt is voor zulke gevarieerde producten als softdrinks en cosmetica. (noot 1) Maar iedere analyse die het conflict in West-Soedan geïsoleerd probeert te verklaren, is kortzichtig. De huidige oorlog in Darfoer is eigenlijk de derde fase van de Soedanese burgeroorlog; de twee eerdere fases hebben zich voornamelijk in Zuid-Soedan afgespeeld. Vooral in de tweede fase van de oorlog, tussen 1983 en 2002, is aan het patroon van oorlogvoering en de relatie met globalisering vorm gegeven.

Allereerst moeten we constateren dat de economie van Soedan in de hele twintigste eeuw internationaal georiënteerd is geweest, nl. op de wereldmarkt. De vroegere Britse overheersers hebben die externe oriëntatie geïntroduceerd en de achtereenvolgende Soedanese regeringen hebben hieraan sinds de onafhankelijkheid in 1956 vastgehouden. In de eerste helft van de twintigste eeuw werd zo een 'eiland'-economie geconstrueerd, gebaseerd op de winning van een enkele grondstof. In die tijd specialiseerde de Britse textielindustrie, vooral gevestigd in Lancashire, zich in toenemende mate op de productie van fijne katoen, waarvoor langvezelige katoensoorten vereist waren. De kolonie Soedan werd als bron voor deze grondstof aangewezen. (noot 2) Om aan de wensen van de Britse industriëlen tegemoet te komen, hebben de koloniale machthebbers de bouw van een grootschalig irrigatiesysteem bevorderd, dat als het Gezira-stelsel bekend staat. Uit economisch onderzoek naar de ontwikkeling van de Soedanese economie is gebleken dat ruwe katoen in de drie decennia voor de onafhankelijkheid zeventig procent van de Soedanese exportinkomsten heeft uitgemaakt. Niet minder dan tachtig procent daarvan werd bijgedragen door het Gezira-stelsel. En hoewel het aandeel van katoen in de export van Soedan nadien gedaald is (in 1987 was het 42,1%), is het tot het eind van de jaren negentig het belangrijkste exportartikel van het land gebleven. (noot 3)

Voordat ik verder inga op de overgang in de exportoriëntatie van Soedan, van katoen naar olie, zal ik kort de rol belichten, die de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF) gespeeld hebben bij de vormgeving van het economische beleid van Soedan. Hoewel de relatie tussen de internationale financiële instellingen, en in het bijzonder het IMF, en de regering in Khartoem de afgelopen jaren conflictueus is geweest, hebben de internationale instellingen het economische beleid van Soedan in het verleden sterk beïnvloed. Aanvankelijk, toen de regering in het kader van het Eerste Tienjarenplan (1961/1971) besloot om de voor export bedoelde katoenproductie uit te breiden, heeft de Wereldbank een hele reeks leningen verstrekt. Deze leningen werden gebruikt om machines in te voeren en om de gemechaniseerde katoenproductie op te voeren, vooral in het zuidelijke Kordofan. (noot 4) Vanaf het eind van de jaren zeventig heeft ook het IMF de Soedanese regering met advies terzijde gestaan, in het kader van groeiende buitenlandse schulden. De IMF stelde een gebruikelijke combinatie van maatregelen voor, waaronder omvangrijke devaluaties van de Soedanese munt, versterking van de exportoriëntatie van het land, en besparingsmaatregelen. De Soedanese politiek is de afgelopen vijftien jaar steeds verder gemilitariseerd. Des te belangrijker om in herinnering te brengen dat de economische problemen die door stijgende voedselprijzen veroorzaakt werden in het verleden vaak tot massaal politiek protest hebben geleid, - verzet dat zowel tegen de regering als tegen het IMF was gericht. (noot 5) In de jaren negentig hebben de Wereldbank en het IMF alle leningen aan Soedan opgeschort. Desondanks bieden de kolossale buitenlandse schulden van het land - in 2003 naar schatting 21 miljard US dollar - nog steeds een aanzienlijke hefboom om het beleid van buitenaf te beïnvloeden.

Afhankelijkheid van olie

Ik kom nu op de dramatische verandering van de laatste jaren, waardoor de uitvoer van Soedan niet langer primair op katoen stoelt. Volgens het UNCTAD-rapport over Minst Ontwikkelde Landen (LDC´s) van 2002, is de positie van Soedan als exporteur van niet-brandstof grondstoffen in 1999 veranderd in die van energie-exporterende LDC. (noot 6) Katoen raakte zijn positie als belangrijkste exportartikel van Soedan kwijt aan olie. Aanvankelijk leek deze wending het resultaat van verstandig beleid van de Soedanese regering. Die werd in het begin van de jaren tachtig geconfronteerd met snel stijgende kosten voor olie-importen. De olie-import legde in 1982 beslag op niet minder dan driekwart van de Soedanese exportopbrengsten en zorgde voor een groeiend tekort op Soedans betalingsbalans. In de jaren negentig bleef Soedan afhankelijk van de import van olie, die het land jaarlijks 300 miljoen Amerikaanse dollars kostte. In eerste instantie zou je de keuze van Soedan voor oliewinning als gezond kunnen beschouwen, omdat die oliewinning het land helpt zijn afhankelijkheid van olie-invoer af te bouwen. Maar de uitbreiding van de oliewinning moet toch vooral begrepen worden tegen de achtergrond van de voortdurende burgeroorlog. Zij is veeleer zelf bron van oorlogvoering, en gaat gepaard met het begaan van ernstige oorlogsmisdaden.

In de eerste plaats zijn de gebieden waar de olie gewonnen wordt en van waaruit een lange pijpleiding gebouwd is naar Port Soedan in het noordoosten, geenszins onbetwist gebied. Ze maken deel uit van Zuid-Soedan, waar al tientallen jaren guerrillatroepen opereren die zelfbeschikking eisen voor de etnische bevolking van de regio. De eerste olievondsten zijn in de jaren tachtig gedaan door het Amerikaanse Chevron in de olievelden van Heglig en Unity. Destijds verkreeg het bedrijf concessies van de Soedanese regering op basis van een overeenkomst voor 'deling van opbrengsten' (product-sharing). Maar de oliewinning door Chevron werd al snel een doelwit voor gewapende strijders van het Southern People's Liberation Army (SPLA). Die gingen er terecht vanuit dat de Zuid-Soedanese bevolking onder het heersende politieke systeem niet van deze oliecontracten zou profiteren. Vanaf haar kant probeerde de toenmalige regering het verzet tegen de oliewinning met grove middelen te stoppen. Zoals in verschillende rapporten die de laatste jaren over de mensenrechten in Soedan verschenen zijn wordt gesteld, volgt de regering al sinds de jaren tachtig een beleid gericht op ontvolking, op het verhuizen van de bevolking uit gebieden die voor de oliewinning zijn aangewezen. (noot 7)

Bovendien is het zoeken naar, het winnen en het bewerken van olie (in een door Shell gebouwde raffinaderij) niet alleen gestart om te voorzien in de Soedanese thuismarkt en om de afhankelijkheid van invoer te beëindigen. Dit is ook gebeurd om olie te kunnen exporteren naar de wereldmarkt. Concessies zijn in blokken opgedeeld en de rechten zijn, in eerste instantie in ieder geval, door Westerse en Aziatische oliemaatschappijen samen gedeeld. Zo zijn de blokken 1 en 2 in de regio Westelijke Boven-Nijl, waar de olievelden van Heglig en Unity liggen, toegewezen aan een consortium waarin oorspronkelijk zowel het Canadese Talisman Energy Inc. als de China National Petroleum Company (CNPC) deelnamen. Blok 5A werd toegewezen aan een consortium met het Zweedse Lundin Oil als leidende partij, met een aandeel van meer dan veertig procent. Blok 5, dat nog niet in ontwikkeling is, is verreweg de grootste concessie, met een oppervlakte van 120.000 km2. Dit blok is toegewezen aan de Franse multinational TotalFinaElf. (noot 8) De olieconcessies die vanaf het gereedkomen van de pijpleiding in 1999 in exploratie genomen zijn, hebben de Soedanese regering in staat gesteld de opbrengst uit olie-exporten te verhogen. In de jaren 2001 tot 2004 heeft de regering met de lucratieve olie-export naar verluidt zo'n 400 tot 500 miljoen US dollar per jaar verdiend. Tweederde van de export (meer dan 64%) was voor China bestemd, dat Soedans voornaamste handelspartner is geworden.

Wapenproductie en -importen

De grote inkomsten die de overheid uit deze olie-exporten heeft verkregen zijn niet gebruikt om de welvaart van de Soedanese bevolking te vergroten, maar om de oorlogsinspanning van de regering in het zuiden en in Darfoer op te voeren. In tegenstelling tot andere oorlogvoerende staten in Afrika bezuiden de Sahara heeft de Soedanese regering niet op wapenimporten alleen vertrouwd, maar heeft met door de olieconcessies en exporten verkregen gelden verschillende militaire productiestructuren opgebouwd. Hierover is onder andere bericht in 'The Scorched Earth', het in 2001 verschenen rapport over Soedan van Christian Aid. Volgens dit rapport is een afdeling van het nieuwe Military Manufacturing Complex (MMC) gespecialiseerd in de vervaardiging van lichte wapens, machinegeweren en munitie. Een andere locatie, gebouwd voor 450 miljoen US dollar, is volgens de Soedanese president Al-Beshir onder andere opgezet voor de productie van raketwerpers, machinegeweren en mortieren. (noot 9) Het is duidelijk dat het Soedanese regime niet vertrouwt op de aankopen van wapens op de wereldmarkt alleen, maar probeert te garanderen dat minstens een deel van de bewapening voor de oorlog door eigen ondernemingen wordt geleverd.

Desondanks hebben de stijgende inkomsten uit olie-exporten zonder twijfel de invoer van belangrijke wapensystemen mogelijk gemaakt, en daarbij dramatische negatieve gevolgen gehad voor de Soedanese burgers. Naar verluidt is het militaire budget van Soedan sinds het aanleggen van de oliepijpleiding meer dan verdubbeld, van 162 miljoen Amerikaanse dollars in 1998 naar 327 miljoen Amerikaanse dollars in 2000, slechts twee jaar later. (noot 10) Internationale mensenrechtenorganisaties melden ook dat de Soedanese regering de laatste jaren zeker de helft van zijn jaarlijkse begroting heeft gebruikt voor uitgaven in verband met de burgeroorlog. Wapensoorten die na 1999 zichtbaar meer worden ingevoerd zijn tanks, gevechtsvliegtuigen en gevechtshelikopters. Een van de landen die het regime in Khartoem maar al te graag wapens levert is Rusland. De Russische regering heeft tegenover de Verenigde Naties bevestigd dat zij Soedan in 2001 22 pantservoertuigen en 12 aanvalshelikopters geleverd heeft. In 2002 werden dezelfde soort wapensystemen door Rusland aan Soedan verkocht. (noot 11) Een door het Zweedse vredesinstituut SIPRI samengesteld overzicht van de wapenimporten van Soedan in de periode 1994-2004 laat zien dat meer dan driekwart van de wapenimporten in die periode werd geleverd door Rusland alleen. (noot 12) En hoewel een direct verband tussen specifieke wapenimporten en oliewinning lastig is te leggen, bestaat erover weinig twijfel dat de stijgende uitgaven voor bewapening en de invoer van geavanceerde wapensystemen zijn gefinancierd met de olie-export. Dit mechanisme van internationale ruil van wapens tegen olie kan het beste worden gekarakteriseerd als ´ongelijksoortige ruil´. (noot 13)

Ontvolkingscampagne

Een centraal punt in iedere analyse van de Soedanese burgeroorlog dient het ontvolkingsbeleid van de regering te zijn. De verdrijving van burgers in het Zuid-Soedan als onderdeel van de hierboven genoemde oorlogsstrategie van de regering kent in Soedan een lange geschiedenis, die teruggaat tot de jaren tachtig. De tactiek werd eind jaren negentig weer opgepakt en heeft tot massale volksverhuizingen geleid. Een rapport van Human Rights' Watch uit 2003, dat waarschijnlijk het meest gedetailleerde rapport is over dit onderwerp, raamt het aantal gedeporteerde burgers in de regio Westelijk Boven Nijl/Unity op circa 174.200 in drie jaar tijd. Deze deportaties vonden bovendien plaats in gebieden die zijn aangewezen voor de oliewinning. Ze werden uitgevoerd met behulp van geavanceerde wapensystemen: de luchtmacht bestookte de dorpen eerst vanuit gevechtshelikopters en troepen van de landmacht kwam de bewoners daarna met bruut geweld verdrijven, een spoor van verwoesting achterlatend. Human Rights' Watch voert, evenals anderen, aan dat recent geïmporteerde helikopters voor deze ontvolkingscampagne zijn ingezet, en laat daarmee een verband zien tussen het mechanisme van ongelijksoortige ruil en het begaan van oorlogsmisdaden. (noot 14) De kracht van dit rapport was, net als die van eerdere rapporten van Amnesty International, van Christian Aid en van de European Coalition on Oil in Sudan (ECOS), dat gewezen werd op de verantwoordelijkheid van oliemaatschappijen voor het lijden van de Soedanese bevolking. (noot 15) Volgens Human Rights' Watch hebben oliemaatschappijen in sommige gevallen, zoals in de concessies van Talisman Energy Inc en de Greater Nile Petroleum Operating Company, de regering bijgestaan bij de ontvolking. Dit door regeringstroepen toestemming te geven voor het gebruik van de infrastructuur, vliegvelden en wegen, die door de oliebedrijven zijn aangelegd. (noot 16)

Voordat ik dit overzicht afrond wil ik de rol van de Amerikaanse regering bij de recente ontwikkelingen in de Soedanese burgeroorlog nader analyseren. Sinds Chevron zich in de jaren tachtig heeft teruggetrokken is geen enkele Amerikaanse oliemaatschappij meer betrokken bij het zoeken naar, en het winnen van olie in Soedan. Er bestaat in de Verenigde Staten echter een belangrijke lobby van conservatieve religieuze organisaties ten gunste van de zuidsoedanese oppositie met zijn christelijke achterban. In het verleden heeft de Amerikaanse regering aangedrongen op sancties tegen Soedan. Maar na de bouw van de pijpleiding, die een belangrijke verschuiving betekende in het machtsevenwicht in de Soedanese oorlog, heeft ze haar opstelling veranderd en is gaan pleiten voor onderhandelingen tussen het regime in Khartoem en de SPLA. Human Rights' Watch wijst in zijn rapport veelbetekenend op het feit dat in het Amerikaanse Congres kapitaalmarktsancties zijn voorgesteld tegen buitenlandse oliemaatschappijen die zaken doen met Soedan. Die sancties zijn niet aangenomen als gevolg van verzet van Amerikaanse (olie- en financiële) bedrijven. (noot 17) In 2002 zijn met Amerikaanse bemiddeling vredesgesprekken gehouden. Er werd een overeenkomst gesloten over het staken van de vijandelijkheden, in een op 15 oktober 2002 getekend memorandum of understanding. Deze overeenkomst ontmoette echter onmiddellijk kritiek van oppositionele politieke krachten uit het Soedanese noorden, die hem afdeden als dictatoriaal handjeklap tussen twee militaire machten. Bovendien rees kort nadat deze overeenkomst getekend was grootschalig verzet in de westelijke provincie Darfoer. Kennelijk hadden de Verenigde Staten de belangen van een belangrijk deel van de Soedanese bevolking over het hoofd had gezien. In een interview met NRC Handelsblad heeft de VN-afgezant voor Soedan, Jan Pronk, onlangs verklaard dat men een grote blunder heeft begaan door de kwestie Darfoer buiten deze door de VS bewerkstelligde vrede te houden. (noot 18) Het lijkt erop dat de toenmalige Amerikaanse regering vooral gehandeld heeft vanuit de gedachte dat de Amerikaanse oliebelangen bij de Soedanese olieafspraken buiten spel zijn gezet. Ongeacht de gevolgen voor de Soedanese bevolking moest terrein terug worden gewonnen, dit door een 'middenkoers' te varen.

Dit overzicht van de Soedanese burgeroorlog pretendeert niet een volledig beeld te schetsen van alle aspecten van de oorlog. Op basis van het tot nu toe verzamelde bewijsmateriaal kan een hoofdlijn van analyse echter wel worden getrokken. In de eerste plaats biedt Soedan een voorbeeld van een bestendig op export gericht regeringsbeleid. Dit geldt sinds de koloniale tijd toen de katoenproductie werd opgezet, en wordt voortgezet in de huidige, op olie-export gebaseerde regeringsstrategie. Die strategie moet zeker doorgrond worden om de oorlog te begrijpen, en ook de rol die de Wereldbank en het IMF daarin gespeeld hebben. In de tweede plaats moet worden onderkend dat het zoeken naar en het winnen van olie door buitenlandse oliemaatschappijen de evolutie van de Soedanese burgeroorlog doorslaggevend beïnvloed hebben. Er zijn omvangrijke bewijzen dat er een ontvolkingsbeleid is gevoerd. Internationale mensenrechtenorganisaties houden oliemaatschappijen ervoor verantwoordelijk dat de regering middelen gebruikt die onder internationaal recht als oorlogsmisdaden te boek staan. (noot 19) Daarom zal iedere analyse van de oorlog in Soedan en globalisering zowel de oorlogsmisdaden die zijn gepleegd moeten belichten, als het verband daarvan met de zoektocht naar en winning van olie. In de derde plaats is het mechanisme van de ongelijksoortige ruil, van de internationale ruil van grondstoffen tegen wapens, een intrinsiek onderdeel van de geschiedenis van de Soedanese oorlog. Dit handelsmechanisme wordt tegenwoordig in het mondiale economische systeem op veel plaatsen toegepast. Oorspronkelijk is het echter met name door de Amerikaanse regering ingezet als reactie op de strijd van de olie-producerende OPEC-landen, en ter verdediging van Amerikaanse bedrijfsbelangen in het Midden-Oosten. (noot 20) Omdat ongelijksoortige ruil verweven is met globalisering, en gebruikt is in een hele reeks van oorlogen in Afrika, moet ook dit handelsmechanisme aan de kaak worden gesteld.

Dr. Peter Custers
(Vertaald uit het Engels door Tjark Reininga)



Noten:
  1. Marc Lacey, 'Sudan's Prize Tree Becomes a Casualty of War', New York Times, 31 mei 2004; de VS heeft Arabische gom in het verleden uitgezonderd van de economische sancties die Soedan zijn opgelegd.
    Terug naar tekst
  2. Normal O´Neil, 'Class and Politics in the Modern History of Sudan' (in O'Neill & O'Brien, Economy and Class in Sudan - Gower Publishing Co., England/USA, 1988, p. 32) en ook Peter Custers, 'Globalisation and Cotton Production in Africa in Historical Perspective' (oktober 2002, www.petercusters.nl).
    Terug naar tekst
  3. Peter Custers (2002), op. cit.
    Terug naar tekst
  4. Abdel Basit Saeed, 'Merchant Capital, the State and Peasant Farmers in Southern Kordofan' (in O'Neel & O'Brien, Economy and Class in Sudan - Gower Publishing Co., Engeland/VS, 1988, p.188 en 209).
    Terug naar tekst
  5. Kamal Osman Saleh, 'The Sudan: 1985/1989: The Fading Democracy' (Journal of Modern African Studies, 1990, no. 2, p. 199/224).
    Terug naar tekst
  6. UNCTAD, The Least Developed Countries Report, 2002. Escaping the Poverty Trap (The United Nations, New York en Geneva, 2002);
    Terug naar tekst
  7. Zie bijvoorbeeld Amnesty International, 'Winning Oil - Loosing People' (Amnesty International, Londen, Groot-Brittanië, 3 mei 2002 - AI Index: AFR 54/01/00ERR); Christian Aid, 'The Scorched Earth. Oil and War in Sudan' (Christian Aid, Londen, GB, 2001).
    Terug naar tekst
  8. Zie voor een volledig overzicht van de olieconcessies in Soedan: Human Rights' Watch, 'Sudan, Oil and Human Rights' (2003).
    Terug naar tekst
  9. Christian Aid (2001), op. cit., hoofdstuk 3, 'Paying for the War: Oil for Arms'.
    Terug naar tekst
  10. Ibid.
    Terug naar tekst
  11. Human Rights' Watch (2003), op. cit.
    Terug naar tekst
  12. Zie Christian Aid, op. cit; Human Rights' Watch (2003), op. Cit.; en het overzicht van SIPRI over wapenleveringen aan Soedan in de periode 1994-2004; zie voor een overzicht van eerdere leveranties het rapport van Human Rights' Watch uit augustus 1998.
    Terug naar tekst
  13. Peter Custers, 'System of Disparate Exchange. African Experiences', (The Economic and Political Weekly, Mumbai, 12 mei 2001, p. 1594).
    Terug naar tekst
  14. Human Rights' Watch, 2003, op.cit., 'Summary'.
    Terug naar tekst
  15. Rapporten over de verantwoordelijkheid van oliemaatschappijen voor de ontvolkingspolitiek in Soedan, naast de rapporten van Human Rights' Watch en Christian Aid, zijn: Amnesty International (2002), op.cit., en Diana de Guzman, 'Depopulating Sudan's Oil Regions'(European Coalition on Oil in Sudan (ECOS), januari/maart 2002); voor een inleidend artikel over ontvolking en ongelijksoortige ruil zie Peter Custers, 'The Civil War in Sudan and the Trading Mechanism of Disparate Exchange' (augustus 2002 - www.petercusters.nl).
    Terug naar tekst
  16. Human Rights Watch (2003), op.cit.
    Terug naar tekst
  17. Ibid; advies voor het nieuwe Amerikaanse beleid werd verschaft door Randolph Martin in 'Sudan's Perfect War' (Foreign Affairs, Volume 81, number 2, maart/april 2002, p. 111).
    Terug naar tekst
  18. Zie Juurd Eijsvogel's interview met Jan Pronk, voormalig Nederlands minister en VN afgezant voor Soedan, NRC Handelsblad, 9 maart 2006.
    Terug naar tekst
  19. Amnesty International (2002), op.cit.
    Terug naar tekst
  20. Voor details over de verschuiving in het Amerikaanse regeringsbeleid ten tijde van de oliecrisis van 1973, toen de olieprijzen als gevolg van het beleid van de OPEC omhoog gingen, zie Pierre Terzian, OPEC: The Inside Story, Zed Books, Londen, Groot-Brittanië, 1985.
    Terug naar tekst
Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Column -

Spektakel

Het militarisme in Duitsland wordt nog altijd enigszins getemperd door de schaduwen uit het verleden: het Hitlertijdperk van 1933-1945. Met de Amerikaans-Britse oorlog tegen Irak in 2003 deden dan ook geen Duitse troepen mee, wel andere vreemde troepen zoals Nederlandse.

Toch waren er Duitse bijdragen aan deze Amerikaanse oorlog tegen Saddam Hoessein, met name in de vorm van inlichtingen van de BND (Bundesnachrichtendienst). Een parlementaire enquête in Duitsland zal een aantal duistere zaken moeten ophelderen die hierbij een rol speelden.

Overigens is een deel daarvan nu al duidelijk. Na afloop van de Irakoorlog kregen drie Duitsers onderscheidingen van de Amerikanen. Het ging om twee spionnen in Bagdad, die informatie over de positie van Iraakse troepen verstrekten en om een verbindingsofficier bij de Amerikanen. In een geheime vergadering van een speciale commissie van de Bondsdag verschaften zij inlichtingen. Ontevredenheid daarover bij de oppositiepartijen in de Bondsdag leidde tot het instellen van de parlementaire enquête.

Ook in Nederland zou een dergelijke enquête naar de besluitvorming inzake de Irakoorlog op zijn plaats zijn. De argumenten die destijds werden gebruikt (de aard van de Iraakse bewapening) zijn volkomen vals gebleken. Nederland is zelfs, anders dan Duitsland, feitelijk mee gaan vechten. Daarbij zijn slachtoffers gevallen, ook dodelijke.

Het zou toch onbegrijpelijk zijn als nu niet tot op de bodem werd uitgezocht hoe deze zinloze ellende heeft kunnen ontstaan.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Toen en toen -


VeeDee
april 1986

De vleugels van de vredesduif

De brede kruisrakettenkoalitie dreigt roemloos ten onder te gaan. IKV-voorzitter Jan van Putten heeft zijn bureau aan het Haagse Anna Paulownaplein voorgoed verlaten na een knetterende ruzie met Mient Jan Faber. Gijs von der Fuhr en Leny Dijkman, bezoldigde medewerkers van Stop de N-bom, staan op de keien. De ruzies waren te voorspellen geweest. De ratten die niet meer in staat waren het zinkend schip te verlaten zitten nu in de val, en geven elkaar daar de schuld van. Knap lullig voor iedereen die, moreel bezield, probeerde het topje van de ijsberg te breken. (..)

Volgens Jan ter Laak (sekretaris van Pax Christi en bestuurslid van het IKV) zat het konflikt al lang in de lucht. "Twee harde koppen zijn op elkaar gebotst", zegt hij. En het feit dat beide heethoofden gereformeerd zijn, was daar volgens de katholieke priester niet vreemd aan. Natuurlijk waren er ook politieke meningsverschillen. Faber ging teveel op de stoel van de politikus zitten, terwijl van Putten de positie van de traditionele aktiegroep innam: een 'nee' zonder kompromissen. Een ander verschil van mening betrof het beleid ten aanzien van Oost-Europa. (..)

Ter Laak is bang dat de vredesbeweging teveel optreedt als opponent van het CDA. En dat vinden de kerken natuurlijk niet goed. Dus had het KKN wat hem betreft allang opgeheven moeten worden.

"Ik noem Jan ter Laak altijd - schertsend hoor - de slippendrager van het CDA. Daar kan hij meestal niet tegen, maar feitelijk is het zo, natuurlijk."Dat zegt Cees Commandeur, die jarenlang aktief was in het FNV.

Opmerkelijk is de deelname [aan BIVAK - Breed Initiatief voor Verdergaande Aktie tegen de kruisraketten] van CPN en Stop de N-bom. In het verleden waren het juist deze twee die niets moesten hebben van radikale akties. Hoe breder de deelname, hoe mooier. Het liefst zouden ze de leuzen zo hebben aangepast, dat zelfs de VVD had kunnen meedemonstreren. En nu plotseling een eerste viool voor Nico Schouten (sekretaris Stop de N-bom) bij BIVAK.
(..)

Flip ten Cate



AMOK
maart 1986

Inbreken in de militaire werkelijkheid

Het stelen van (geheime) papieren lijkt steeds populairder te worden. (..)
Het jatten van dokumenten is in een nieuw politiek krachtenveld terechtgekomen.
Ik ben natuurlijk hartstikke enthousiast over de hausse in inbraken, over - mag ik dat schrijven? - de inval bij AMOK gezien de afloop die zij tot nu toe heeft gekregen, over alle publiciteit.
(..)
Er is nooit de keuze gemaakt dokumenten te jatten als de nieuwe aktievorm te ontwikkelen, te maken tot dè onkruitmethode. De akties zelf sproten bijna als vanzelfsprekend voort uit de politiek die de onkruiterssters eind jaren '70, begin jaren '80 ontwikkelden: het voeren van direkte akties, waarbij geen eisen werden gesteld, waarbij de konfrontatie wordt gezocht. Direkte akties waarbij het zelf handelen, zelf inbreken in de militaire werkelijkheid centraal staat. Handelende mensen veranderen de wereld, niet de woorden van politieke partijen.
(..)
Nooit eisten we: geen geheimen meer! Nooit eisten we het aftreden van een minister omdat hij gelogen had, nooit zeiden we dat inbraken helaas noodzakelijk zijn, spraken we van een korrektie op de demokratie.
(..)
Het klinkt misschien snel wat patheties, maar vanuit onkruit proberen we toch altijd veel meer de staat te ondermijnen, te saboteren, uit te dagen, dan haar te hervormen.
Inbreken waarbij goeie dokumenten buitgemaakt worden zijn offensieve akties. Het zijn per definitie inhoudelijke akties. Zij brengen degene waar ingebroken is in de verdediging, zìj moeten zich verantwoorden, hoe ze zich er ook aan hebben proberen te onttrekken: ze worden de publieke diskussie ingetrokken. Zij kunnen een werkelijkheid tonen die voordien niet op die manier gekend werd.
Of je dit bereikt hangt nauwelijks samen met het soort klassifikatie dat het gestolen dokument heeft. Of het een 'dienstgeheim' of 'geheim' is. (..) Of je tot een goeie publikatie van de dokumenten kunt komen hangt, behalve van de inhoud van de papieren, vooral af van je vermogen ogenschijnlijk kleine details met elkaar te kombineren. Het is vaak lang puzzelen om er uit te komen. En dan moet je je best doen en hopen dat de publikaties niet leiden tot het aanwakkeren van latente angstgevoelens, maar juist wijzen op de mogelijkheden van verzet, op de breekbaarheid van het systeem.
(..)

Wijnand



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


Wapenhandel
Samenstelling: Frank Slijper

Voor meer informatie over Nederlandse wapenhandel en -industrie: ga naar www.stopwapenhandel.org

Ruim honderd miljoen vergooid aan Boxer pantservoertuigen

Alle mooie woorden over Europese defensiesamenwerking ten spijt blijft het gezamenlijk bouwen van wapensystemen doorgaans een zeer kostbare hobby, die ten koste gaat van veel zinnigere overheidsbestedingen. Vorig jaar mei pleitte EU defensiechef Solana in een stuk in de Financial Times voor een efficiënter Europees materieelbeleid, juist op het gebied van pantservoertuigen. Hij rekende voor dat binnen de EU op dat gebied momenteel 23 verschillende programma's lopen. Met meer samenwerking zou het aantal programma's en daarmee de kostprijs per voertuig aanzienlijk naar beneden kunnen. Het door hem geleide Europese Defensieagentschap (EDA) zou daarin het voortouw moeten nemen. Solana ziet alleen een belangrijk aspect over het hoofd: veel landen - denk aan Nederland - willen altijd een stukje eigen industrie in de bouw van de wapens die ze aanschaffen vertegenwoordigd zien. Bovendien heeft ieder land steevast allerlei specifieke eisen: zo wil de een juist vooral veel extra bepantsering, de ander juist zware bewapening en weer een ander juist een licht, luchtmobiel exemplaar.

Een droevig, of eigenlijk ronduit schandalig voorbeeld van die weerbarstige praktijk is de ontwikkeling van de Boxer, het nieuwe pantservoertuig waar Nederland bijna tien jaar terug al op inzette. Samen optrekkend met Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland zou een grote afname gegarandeerd zijn en waren er goede mogelijkheden voor Nederlandse bedrijven om mee te kunnen te doen.

Niet dus. Na eerst Frankrijk en drie jaar terug Groot-Brittannië heeft nu ook Nederland zijn vertrek uit het projekt aangekondigd. Hoewel de deur nog op een kier staat heeft staatssecretaris Van der Knaap van Defensie eind februari in een brief aan de Tweede Kamer geschreven dat de huidige offerte onacceptabel is, en dat hij weinig hoop heeft dat er nog een oplossing gevonden wordt. Daarmee blijft alleen Duitsland nog over als potentiële klant en verliest de in Amsterdam gevestigde poot van Stork zijn vijftig procent belang in de met Rheinmetall gedeelde joint venture Artec. Naar verluidt zien vijftig potentiële Nederlandse toeleveranciers hun kans op orders verdampen. Schokkender dan dat is dat het ministerie van defensie voor 113 miljoen euro het schip in gaat - voor al diegenen die nog wel eens naar guldens terugrekenen: een kwart miljard! Jaren terug pleitten experts al voor aanschaf 'van de plank' van exact de voertuigen die Defensie nu alsnog onder de loep gaat nemen. Het is het zoveelste bewijs van een al decennia falend en failliet wapenindustriebeleid. Hoogste tijd voor een diepgravend parlementair onderzoek. Er zijn kabinetten die over heel wat minder struikelden.

Bronnen:
Raymond Vermeulen, "Defensie vindt pantserwagen te duur: 113 miljoen euro overboord", AD, 3 maart 2006;
Martin Agüera, "Price dispute over Boxer", Defense News, 6 maart 2006;
"Voortzetting deelproject "Groot Pantserwielvoertuig (PWV)", Ministerie van Defensie, 28 februari 2006.



Reed Elsevier onder vuur wegens organisatie wapenbeurzen

Het Brits-Nederlandse uitgeversconcern Reed Elsevier staat onder grote druk afstand te doen van Reed Exhibitions en Spearhead Exhibitions, twee dochters die de organisatie van een groot aantal wapenbeurzen wereldwijd voor hun rekeningen nemen. Naast de regelmatig in Nederland gehouden ITEC simulatiebeurs, is de tweejaarlijkse DSEi (Defence Systems and Equipment international) in Londen de grootste klus. Samen met de IDEX in Aboe Dhabi en Eurosatory in Parijs is het de crème de la crème voor wapenminnend legervolk. Reden genoeg voor onze Britse collega's van de Campaign Against Arms Trade om Reed Elsevier eens flink voor het voetlicht te halen. Met succes. In de week van de DSEi, september vorig jaar, schreef medisch tijdschrift The Lancet - een van de vlaggeschepen van het bedrijf - een vernietigend redactioneel commentaar, waarin het de vloer aanveegde met de wapenbeursactiviteiten.

De Britse komiek Mark Thomas liet diezelfde week zien hoe hij bij een Israëlische standhouder verkoopbrochures met onder meer stroomstokken en ander in Engeland verboden marteltuig kon krijgen. In 1999 werden door Roemeense en Pakistaanse bedrijven op de beurs verboden anti-personeelsmijnen te koop aangeboden aan undercover journalisten van de zender Channel 4.

Geen reclame dus voor een bedrijf dat zich graag beroept op z'n maatschappelijk verantwoord ondernemen. Uit welingelichte bronnen hebben wij inmiddels vernomen dat het veelgeprezen Reed Elsevier bij ethische beleggingsfondsen afgewezen dreigt te worden. Tot die tijd kan een venijnige steek her of der geen kwaad. Een serie auteurs - waaronder Nadime Gordimer, Graham Swift en JM Coetzee - hebben onlangs een brief ondertekend waarin ze Reed Elsevier oproepen de wapenbusiness af te stoten. De brief verscheen begin maart in de aanloop naar de London Book Fair, eveneens een van de grootste in z'n soort en eveneens door Reed georganiseerd - op dezelfde plek waar een half jaar eerder de wapens stonden opgesteld.

CAAT organiseert op 18 april acties rond de jaarlijkse aandeelhoudersvergadering van Reed Elsevier in Londen. Een dag later vindt in het Okura hotel in Amsterdam de Nederlandse aandeelhoudersvergadering plaats.

Bronnen:
http://www.caat.org.uk/armsfairs/reed.php en CAAT News, juni/juli 2005;
"Reed criticised for 'arms link' ", BBC News, 9 september 2005;
Richard Norton-Taylor, "Banned stun guns and leg irons advertised at arms fair", The Guardian, 16 september 2005



Kredietsteun voor wapenhandel

In maart verscheen van de Campagne tegen Wapenhandel de brochure 'Militaire exportkredieten - niet ontwikkelingsrelevant'. Daarin wordt ingegaan op de financiële garantstelling door de Nederlandse overheid bij de verkoop van wapens aan ontwikkelingslanden. Naast een overzicht van feiten en cijfers bevat het rapport scherpe kritiek op het gebruik van overheidsgeld als smeermiddel voor de wapenhandel. In een uitzending van VPRO's radioprogramma Argos over dit onderwerp uitte het bedrijfsleven (onder meer ABN Amro) kritiek op de inzet van dit instrument bij de verkoop van korvetten aan Indonesië, omdat het kredietverzekeringsplafond voor dat land nu is bereikt. Andere bedrijven, waaronder het in medische apparatuur gespecialiseerde Enraf Nonius, komen daardoor in de problemen met het afsluiten van orders. De SP heeft kamervragen over de kwestie gesteld en pleit nu voor afschaffing van door de overheid gedekte exportkredietverzekeringen voor wapenhandel.

Bronnen:
Brochure: www.stopwapenhandel.org;
Radio-uitzending Argos, 17 maart 2006 ;
www.sp.nl/nieuwsberichten/060317-van_velzen_bepleit_afschaffing_exportkrediet_wapenhandel.html



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina



Korte berichten
Samenstelling: Kees Kalkman

Dienstweigeraar Mehmet Tarhan onverwacht vrijgelaten

Op 9 maart is de Turkse gewetensbezwaarde dienstweigeraar Mehmet Tarhan plotseling vrijgelaten uit de militaire gevangenis in Sivas na een opdracht van het militair hof van beroep in Ankara. Tarhan en de militaire officier van justitie waren beide bij dit hof in beroep gegaan tegen de uitspraak van de krijgsraad in Sivas van 15 december 2005. Het beroepshof voerde als reden voor de nieuwe uitspraak aan, dat het onwaarschijnlijk was dat een eindoordeel tot een hoger vonnis zou leiden dan de tijd die Tarhan al had uitgezeten. Maar de volledige motivatie voor het vonnis zal pas later bekend worden gemaakt. De uitspraak kwam bovendien als een verrassing omdat normaal gesproken het beroepshof niet de bevoegdheid heeft om de vrijlating van een gevangene te gelasten - het kan gevallen alleen terugverwijzen naar de krijgsraad en de geldigheid van een vonnis beoordelen.

Na zijn vrijlating uit de gevangenis werd Tarhan naar het rekruteringsbureau in Sivas gebracht, waar hij bevel kreeg zich te vervoegen bij zijn legeronderdeel. Tarhan heeft dit bevel niet opgevolgd en is nu op bezoek bij zijn familie. Dit betekent dat hij binnenkort officieel zal worden aangemerkt als 'deserteur' en op elk willekeurig moment opnieuw kan worden gearresteerd. Deze procedure lijkt op die van het geval van Osman Murat Ülke die onlangs zijn beroep bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg heeft gewonnen.

Het lijkt aannemelijk dat het hof van beroep heeft gereageerd op de druk die veroorzaakt werd door het oordeel van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in het geval van Ülke. Dit hof oordeelde dat de talloze aanklachten, de cumulatie van opeenvolgende straffen die daarvan het resultaat waren, en de mogelijkheid dat Ülke zijn hele verdere leven zou worden vervolgd, in geen enkele verhouding meer stonden met het doel, dat immers was dat hij zijn dienstplicht zou vervullen. Het hof oordeelde dat de bestraffing er eerder op uit was om zijn persoonlijkheid en zijn wil te breken en hem angst aan te jagen. Het resultaat hiervan, een leven in de clandestiniteit, dat neerkomt op een 'civiele doodverklaring' is volgens het hof op geen enkele manier verenigbaar met het strafregime in een democratische maatschappij.

Tarhan zit nu in dezelfde situatie, tenzij Turkije eindelijk het recht op dienstweigeren zal erkennen en het probleem van de tachtig nu bekende dienstweigeraars zal oplossen.

Bron: War Resisters International (Andreas Speck) 10.3.2006



Soldaten vluchten naar Canada om dienst in Irak te ontlopen

Honderden deserteurs uit het Amerikaanse leger zijn de Canadese grens overgestoken en zoeken daar nu politiek asiel, met de argumentatie dat ze daar recht op hebben vanwege de schendingen van het oorlogsrecht door de VS in Irak.

Een beslissing over een proefproces van twee VS-militairen wordt binnenkort verwacht en de zaak wordt met grote belangstelling gevolgd door collega-militairen aan beide kanten van de grens. Er zijn nog minstens twintig asielverzoeken en rond de 400 dienstweigeraars in Canada van de in totaal 9000 die gedeserteerd zijn sinds het uitbreken van de oorlog in 2003.

Jeffrey House, een advokaat uit Toronto die een aantal van de militairen bijstaat vertelde, dat sommigen illegaal in Canada verblijven en een aantal met een studentenvisum. Volgens de richtlijnen van de VN mogen ze zijns inziens asiel aanvragen.

Lee Zaslofsky (61), coördinator van de War Resisters Support Campaign in Toronto was onder de indruk van de dienstweigeraars die hij had gesproken. "Sommigen zijn in Irak geweest en anderen hebben gehoord wat daar gebeurt," zei hij. "Waar ze het vooral over hebben, is dat hun gevraagd wordt dingen te doen die ze walgelijk vinden. De meeste zijn heel vaderlandslievend. Veel van hun voelen zich bedrogen door het leger."

Bron: Guardian (Duncan Campbell) 28.3.2006



Sluipende coup op de Filippijnen?

Op 23 februari, aan de vooravond van de 20e verjaardag van de omverwerping van het corrupte regime Marcos, kondigde de Filippijnse president Gloria Macapagal Arroyo de noodtoestand af. Alle bijeenkomsten en demonstraties werden verboden en de politie deed een inval op de redactie van de Daily Tribune, een oppositiekrant, waarbij documenten en exemplaren van de krant in beslag werden genomen. De redacties van de Daily Tribune en een andere krant, de Abante, werden vervolgens door de politie een aantal dagen bezet gehouden. Zelfs de Nederlandse minister van buitenlandse zaken Bot vond dit (in antwoord op vragen van Krista van Velzen van de SP) een "onaanvaardbare" inbreuk op de persvrijheid.

De noodtoestand breidde de macht van de veiligheidsorganen uit en maakte willekeurige arrestaties mogelijk. Zo werden arrestatiebevelen wegens rebellie uitgevaardigd tegen 59 personen waaronder zes linkse parlementsleden die hun toevlucht hadden gezocht in het parlementsgebouw, gepensioneerde en actieve officieren, een mensenrechtenadvokaat en maatschappijcritici.

Het uitroepen van de noodtoestand was volgens Arroyo gericht tegen een dreigende poging van militairen om de regering omver te werpen. De namen van enkele officieren die in verband werden gebracht met de veronderstelde coup zijn veelbetekenend. Het zijn hooggedecoreerde en bij de soldaten gerespecteerde veteranen met gevechtservaring, die echter niet tot de hoogste legertop behoren. Zo werd brigadegeneraal Danilo Lim, die twee jaar geleden de jongste generaal van het Filippijnse leger werd, ontheven van zijn commando van het eliteonderdeel First Scout Ranger Regiment. Een kolonel van de mariniers, Ariel Qerubin, die een bezettingsactie op het hoofdkwartier van de marine leidde tegen het ontslag van zijn commandant, had in 1999 de hoogst verkrijgbare medaille in de wacht gesleept voor zijn strijd tegen de moslimstrijders op Mindanao. Als dit soort officieren in de reuk van rebellie geraken en samen met de linkse oppositie worden aangepakt, is het regime beslist in de problemen. De klachten van de gevechtseenheden zijn hetzelfde als destijds onder het bewind van dictator Marcos: terwijl de legertop zich laat korrumperen door burgerpolitici lopen zij in de jungle met verouderd materieel de risico's in de eeuwigdurende kontraguerrilla tegen de communistische en moslimopstandelingen.

Tegen een algemene achtergrond van toenemende armoede, repressie tegen linkse politieke partijen en ernstige verdeeldheid bij de elite, is de crisis van het regime acuut geworden sinds vorig voorjaar toen geluidsopnames vrijkwamen waaruit zou blijken dat Arroyo de verkiezingsuitslag van 2004 vervalst had. Eind vorig jaar ontsnapte ze voorlopig aan een afzettingsprocedure.

Tegelijkertijd is er onrust ontstaan rond de toenemende aanwezigheid van Amerikaanse militairen die deelnemen aan de 'oorlog tegen het terrorisme'. Dit jaar zullen er al meer dan 5500 worden ingezet, zogenaamd alleen als adviseurs. Maar vorig jaar november waren er incidenten op het eiland Sulu waar de Amerikanen deelnamen aan een offensief van het Filippijnse leger tegen de Aboe Sayyaf groep, die in de buurt van al-Qaida wordt gesitueerd. De plaatselijke bevolking klaagde dat vliegtuigbommen niet waren ingezet tegen de Aboe Sayyaf maar tegen het populaire moslim Moro National Liberation Front. Getuigen verklaarden dat de Amerikanen tijdens de operaties in de Filippijnse militaire trucks zaten, hielpen met het afvuren van mortieren, landmijnen ruimden en spionagevliegtuigen bedienden. Een daarvan, die neerstortte, werd later door een boer gevonden. Er zouden zelfs vier Amerikanen zijn gedood, hoewel daar geen onafhankelijke bevestiging voor is, omdat het Pentagon geen volledige verliescijfers bekend maakt. De Amerikanen geven wel toe ter plekke te zijn geweest maar zeggen dat ze beschadigde waterleidingen aan het repareren waren.

De noodtoestand is inmiddels opgeheven, maar de Filippijnen glijden verder af naar een situatie die trekken begint te vertonen van de dictatuur van Marcos. In de 'oorlog tegen het terrorisme' wordt het land wel aangeduid als het Afghanistan van het Oosten.

Bronnen:
Asia Times 28.2.2006 (A Lin Neumann);
BBC News 1.2.2006 (Sarah Toms);
Scotsman 3.3.2006;
Focus on the Global South 6.3.2006 (Herbert Docena);
Counterpunch 17.2.2006 (James Petras en Robin Eastman-Abaya)



Hoeveel helikopters koopt defensie?

Defense News bericht dat Nederland de eerste buitenlandse klant wordt voor het nieuwste F-model van Boeings CH-47 Chinook. Er is een voorlopig contract getekend dat in de loop van het jaar kan leiden tot de aankoop van tien nieuwe helikopters door het Nederlandse leger. Hierdoor wordt de Nederlandse helikoptercapaciteit aanmerkelijk uitgebreid en kunnen bovendien de twee Chinooks die sinds juli in Afghanistan zijn neergestort worden vervangen. Merkwaardigerwijs weigerde het ministerie van defensie in Den Haag de deal te bevestigen terwijl een woordvoerder van Boeing bevestigde dat het contract op 23 januari was ondertekend. Als de overeenkomst definitief wordt, kunnen de nieuwe helikopters vanaf 2008 worden geleverd.

Het bericht is opmerkelijk omdat staatssecretaris van defensie Van der Knaap nog in december een brief naar de kamer had gestuurd waarin de behoefte aan nieuwe Chinooks werd gesteld op zes, namelijk vier voor uitbreiding van de vloot plus twee ter vervanging van de neergestorte exemplaren. Hierbij ging het al om zo'n 350 miljoen euro, bepaald geen geringe som.

In dit verband is nog van belang te wijzen op enkele opmerkingen van Mat Herben van de LPF tijdens de behandeling van de defensiebegroting in de Tweede Kamer. Herben treedt op als woordvoerder van belangen die op enige termijn de omvang van de militaire uitgaven behoorlijk willen verhogen, al was het alleen maar om daarmee de aanschaf van de Joint Strike Fighter te kunnen financieren. Tijdens het kamerdebat noemde hij de operatie in Afghanistan "een vorm van verplichte winkelnering". Hij wees erop dat Afghanistan zo ongeveer het moeilijkste operatieterrein ter wereld is, zowel om erheen te gaan als om je binnen het land te verplaatsen. Dit wordt dan gefinancierd door al het materieel af te stoten dat niet geschikt is voor Afghanistan. Daarmee worden toekomstige inzetmogelijkheden in bijvoorbeeld Afrika beperkt. Hij concludeerde - verrassend - "dat het materieelbeleid meer dan wat ook duidt op een naderende coalitie tussen CDA en PvdA. Wij schaffen helikopters en transportvliegtuigen aan, waarmee de Partij van de Arbeid waarschijnlijk weinig problemen heeft. Deze drukken rond 2010 echter enorm op de begroting zodat er dan weinig geld is om te investeren in de JSF. De Partij van de Arbeid was toch al niet gediend van dat project."

Ziet Herben spoken rijden achter de wolken? Of wordt het parlement als het niet uitkijkt weer eens voor voldongen feiten geplaatst?

Bronnen:
Defense News 30.1.2006;
Tweede Kamer 30300X nr. 33 en 55



Vermomd als journalisten

Velddetachementen van de gevechtsinlichtingendienst van de Bundeswehr hebben bij buitenlandse inzetten meerdere malen onder valse identiteit gerechercheerd en daarmee gehandeld in strijd met de reglementen van de dienst. Bij één van deze illegale optredens werd de familie van een tot 2004 in Guantanamo gevangen gehouden man, Mohammed Wazir, in Kunduz in Afghanistan ondervraagd door een zogenaamde TV-ploeg van RTL.

Dit heeft de familie Wazir bevestigd aan het Duitse TV-programma Frontal 21. Het programma beschikt bovendien over een drie bladzijden tellend Intelligence Report waaruit blijkt dat personeel van een velddetachement van de Bundeswehr de ondervraging doorvoerde. Het velddetachement Kunduz berichtte daarin over het bezoek aan de familie op 18 augustus 2004.

Ook in Bosnië hebben velddetachementen van de gevechtsinlichtingendienst zich uitgegeven als verslaggever om undercover inlichtingen over mogelijke terroristennetwerken te vergaren. Zo hebben in Zenica een kapitein van de Bundeswehr en een tolk de vrouw van de in Guantanamo vastzittende Algerijn Bensayah Belkacem ondervraagd.

Deze vrouw, Anela Kobilica, bevestigde dat de mannen zich voorstelden als verslaggevers van de Süddeutsche Zeitung (SZ) en zich legitimeerden met perskaarten.

Het team stelde na de onder dekmantel doorgevoerde ondervraging op 16 juli 2003 een Intelligence Report van vijf bladzijden op, waarover Frontal 21 beschikt.

Kobilica toonde de zogenaamde SZ-verslaggevers documenten over de ontvoering van haar man en een brief uit Guantanamo. Ze liet zich ook met haar vader en haar kinderen fotograferen. De mannen kregen te horen dat de vrouw al eerder door Amerikaanse agenten naar haar man was gevraagd. Aan hen had ze echter geen documenten overhandigd. "Ze had meer vertrouwen in Duitsers", staat er in het geheime verslag.

Ook de militaire veiligheidsdienst MAD heeft in Afghanistan wettelijke regelingen overtreden, zo blijkt uit het vertrouwelijke rapport van de Bondsregering over de BND (Bundesnachrichtendienst) en de CIA-affaire. Volgens het rapport hebben drie militairen van de MAD van 27 mei tot 2 juni 2004 op het Afghaanse ministerie van binnenlandse zaken in opdracht van de Duitse ISAF-commandant een aantal verdachten verhoord met het doel om een bomaanslag op een bus van de Bundeswehr op te helderen die op 7 juni 2003 was gepleegd. Deze deelname aan ondervragingen van gevangenen buiten de kampementen van de Bundeswehr in inzetgebieden is in strijd met de wet.

Volgens Michael Konken van de Duitse journalistenbond overtreden Duitse militairen die zich als journalisten vermommen niet alleen de wet, ze brengen ook mensenlevens in gevaar. Journalisten kunnen op die manier schietschijf voor plaatselijke rebellen worden. Bovendien zal zo niemand meer als informant voor journalisten willen optreden.

Bron: Franz Hutsch en Ulrich Stoll, Frontal 21 (ZDF) 14 maart 2006

Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

Recensies Recensies Recensies
Recensies Recensies Recensies
Recensies Recensies Recensies



Robert Fisk
The Great War for Civilisation - The conquest of the Middle East
London : Harper Collins
2005 pp.
1366 1-84115-007-X

vertaald in Nederlands:
De grote beschavingsoorlog
Anthos i.s.m. uitgeverij Standaard, 2005 ISBN 90 854 9001 4, ca. 1440 pagina's

Robert Fisk staat in de anti-oorlogsbeweging bekend als een verslaggever die ongewenste verhalen over de gebeurtenissen in het Midden-Oosten schrijft. Ongewenst in de zin dat zijn verslagen in het Britse dagblad Independent vaak afwijken van de gebruikelijke teneur in de grote media, niet alleen in het Verenigd Koninkrijk maar nog meer in Nederland. Zijn verslagen verschijnen al dertig jaar op de krantenpagina's, eerst bij The Times en sedert 1989 bij de Independent. Af en toe worden ze vertaald in een Nederlandse krant, maar dat is uitzonderlijk. Dat is erg jammer, omdat de bijzonder bevooroordeelde manier waarop het grootse deel van de publieke opinie en de politiek naar het Midden-Oosten kijken, daardoor nauwelijks van tegengas wordt voorzien. Om die reden is het verschijnen van dit werk in 2005, snel gevolgd door een vertaling naar het Nederlands, van groot belang. Het boek van Fisk is een mengeling van ooggetuigenverslagen, analyses en beschrijving van de honderden gebeurtenissen die de geschiedenis van het Midden-Oosten vooral de laatste dertig jaar bepaald hebben. Omdat hij daar zelf vaak getuige van was, komen die zaken het meest tot leven. Indrukwekkend zijn de sfeerbeschrijvingen van Kaboel in januari 1989, net na de Russische inval in Afghanistan; de cruciale vredesconferentie in Madrid in 1992 en het befaamde gesprek met Osama bin Laden in de bergen van Afghanistan, in 1996. Indringend zijn de oorlogsverslagen: aan het front in de Iran-Irak oorlog in 1981, Israëlische razzia's in Gaza en de aanval van Afghaanse vluchtelingen op hemzelf, tijdens de Amerikaanse bombardementen in 2001.

Maar het boek gaat verder terug: het is eigenlijk een poging om een indruk te geven van de gevolgen van de westerse interventie in het Midden-Oosten vanaf de Eerste Wereldoorlog. Daar was Fisk niet bij, dus heeft hij ervoor gekozen om die gebeurtenissen tot leven te wekken door gesprekken (het moeten er duizenden zijn, zo langzamerhand) met de - meest bejaarde - mensen die dat wel waren. Die interviews hebben een eigen kwaliteit, omdat we daardoor meningen en gevoelens te zien krijgen waarmee we meestal in Nederland niet worden lastig gevallen. Gesprekken met stokoude overlevenden van zowel de Joodse als de Armeense holocaust, Egyptische soldaten die in 1956 vochten tegen de Brits-Franse invasiemacht bij het Suez-kanaal; Palestijnse vluchtelingen die als kind in 1948 uit hun geboortedorpen verjaagd werden door het Israëlische leger. Die getuigenverslagen zijn het belangrijkste element in het boek. Maar zulke gesprekken worden in allerlei media gevoerd: het is de is verdienste van Fisk dat hij de belevenissen van de individuen plaatst tegen de achtergrond van de politieke gebeurtenissen die het leven van die mensen geschapen heeft. Daarnaast is het ook zaak om niet blindelings op de ervaring van die getuigen af te gaan.

Fisk lost het probleem van de noodzakelijke uitleg op door het boek in thematische hoofdstukken te verdelen: (Armeense holocaust, Iran-Irak oorlog, Russische inval in Afghanistan, etc). Binnen elk hoofdstuk worden de belangrijkste politieke gebeurtenissen (bijv de Sykes-Picot overeenkomt, de Balfour Declaration en het ontstaan van Israël) beschreven, die het leven van de ooggetuigen ingrijpend hebben veranderd. Daarin schuilt waarschijnlijk de grootste kracht van het boek: je wordt als lezer steeds weer geconfronteerd met de gevolgen van de besluiten van de politici: de holle woorden, frasen, propaganda en leugens worden keurig uiteengezet, soms door interviews met de politici: Arafat en zijn droom; Osama Bin laden en zijn beweegredenen. Daarnaast worden we meegenomen naar de mensen die de bevelen uitvoerden en de gevolgen van de besluiten moesten ondergaan.

Omdat Fisk een gezond wantrouwen heeft tegen mondelinge getuigenissen, controleert hij cruciale zaken door andere onderzoeksmethoden: documenten, zoals processtukken of landeigendomspapieren van Palestijnse vluchtelingen; oude kaarten en proclamaties van het Britse bezettingsleger in Irak in 1918; de precieze definities van zoiets simpels als een avondklok (dat voor een Israëlische officier in Gaza kennelijk bestond uit het ter plekke invullen van een document met de gewenste locaties en tijden) en het fabrieksregistratienummer op de scherven van een ontplofte Amerikaanse Hellfire raket. Zo'n methodologie is overtuigend en geeft de verhalen van de ooggetuigen extra gewicht.

Er is één rode draad in het hele boek: namelijk de interventie van westerse legers in het Midden Oosten, waaronder Fisk alles tussen Algerije en Afghanistan verstaat. Die interventies komen tot leven met behulp van de ooggetuigenverslagen, zowel van hemzelf als van de oude getuigen die hij nog kon vinden. Symbolisch voor die interventie zijn de herinneringen van zijn overleden vader, die in de eerste wereldoorlog meevocht in het Britse leger dat het beleid uitvoerde, waardoor zoveel van in het boek beschreven ellende werd veroorzaakt. Het is begrijpelijk dat de meeste media, ook hier in Nederland, deze zaken niet graag aan de orde stellen. Fisk bespaart ons geen enkel detail van de gevolgen van de oorlogshandelingen voor de mensen en is compromisloos in zijn kritiek op degenen die verantwoordelijk zijn, aan welke kant ze ook vechten.

Zo'n aanpak is in Nederland onbekend. De discussie over de Nederlandse deelname aan de operaties in Afghanistan is bijvoorbeeld kenmerkend. De eerste zorg is de veiligheid van de eigen troepen, het waarom van de aanwezigheid en de gevolgen daarvan zijn ongewenste discussieonderwerpen. Men volstaat met vage verwijzingen naar het terrorisme - ongetwijfeld de reden dat Fisk veel aandacht besteedt aan het hypocriete westerse gebruik van die term. Als de angst er maar goed in zit zal niemand zich afvragen wat Fisk zich al zijn hele journalistieke carrière door afvraagt: wat vinden die mensen daar van de westerse invasies, wat hebben ze ondervonden en waarom is er zo een breed verspreide haat in grote delen van het Midden Oosten niet alleen voor de Amerikanen, maar alles wat Westers is? Fisk geeft een heel scala van antwoorden, niet door hemzelf verzonnen maar verteld door de mensen die de gevolgen ondervinden van operaties zoals die waar Nederlands troepen nu steeds vaker aan meedoen.
(KaKo)



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Berichten van de basis -

Berichten van de basis

Nederlands Sociaal Forum

Aanbevolen workshops op het Nederlands Sociaal Forum
zaterdag 20 mei 2006, universiteitscampus in Nijmegen.

11.00 - 12.15 12.45 - 14.00 14.30 - 15.45 16.15 - 17.30 18.00 - 19.15 20.00 - 20.15


Omslag, Redactie Aktie Agenda

Alle acties in één agenda

Twee jaar na de grote 'restyling' van de Aktie Agenda, begint deze nog meer de functie te krijgen zoals die bedoeld is: het bieden van een algemeen overzicht van maatschappelijke activiteiten van mensen die werken aan een betere wereld. De Aktie Agenda, die permanent wordt geactualiseerd, is te raadplegen via www.aktieagenda.nl.

Het begrip 'actie' wordt breed geïnterpreteerd. Thema's in de Aktie Agenda zijn: anti-nucleair, bouwen en wonen, consument, cultuur, dieren, duurzaamheid, economie, Europa, globalisering, Internationale solidariteit, Irak, jongeren, milieu, voedsel, vluchtelingen, vrede, vrouwen en zorg

Zeventien jaar geleden verscheen de digitale Aktie Agenda voor het eerst, in de tijd dat internet nog nauwelijks bekend was. Doel was van het begin af aan om alle aankondigingen van acties, manifestaties, symposia en andere actievormen samen te brengen in één overzicht, dat zowel te raadplegen is voor individuen, maar waaruit ook redacties en journalisten kunnen putten om selecties aan te bieden voor hun eigen publiek. Ook organisatoren van activiteiten kunnen gebruik maken van de Aktie Agenda, om te voorkomen dat 'concurrerende' activiteiten op dezelfde dag plaatsvinden.

Oorspronkelijk is de Aktie Agenda een initiatief van Socia Media in Den Haag. In 1994 ging deze een samenwerkingsverband aan met Omslag, Werkplaats voor Duurzame Ontwikkeling. Beide organisaties besloten in 2004 tot een grondige herziening van de Aktie Agenda, waarbij meer gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden van internet. Organisatoren kunnen hun activiteiten nu zelf invoeren in de Aktie Agenda, waardoor deze vollediger wordt. Bovendien kan elke webmaster nu een korte actuele Aktie Agenda van vandaag op de eigen website publiceren, die automatisch actueel blijft. In de toekomst zal het mogelijk worden dat selecties uit de Aktie Agenda automatisch op andere websites kunnen verschijnen.

Meer over de Aktie Agenda op www.aktieagenda.nl.



BIJWERKINGEN VAN OORLOG
Psychische effecten van vredesmissies op militairen en van terrorismedreiging op burgers
Symposium zaterdag 20 mei 13.00 - 16.00 uur
Wilhelmina Kinderziekenhuis (WKZ) Lundlaan 6, Utrecht

Sprekers:
Drs. Jos Weerts, oud-voorzitter NVMP, hoofd kennis- en onderzoekscentrum Veteraneninstituut.
Op de weg terug. Onderzoek naar veteranen met psychische trauma's
Prof. dr. Berthold Gersons, hoogleraar psychiatrie.
Het effect van terreur op mens en samenleving

Met het uitzenden van militairen naar de gevaarlijke Afghaanse provincie Uruzgan heeft Nederland een nieuwe stap gezet op het pad van 'Vredesmissies'. Deze militairen komen gelukkig  meestal ook weer heelhuids thuis, maar voor een deel van hen beginnen daar pas de problemen. Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS) en andere gezondheidsklachten nemen in omvang toe naarmate de uitzendingen een minder vreedzaam karakter krijgen.

Een aantal van de huidige missies nu maakt deel uit van de 'War on terror'. In een huis aan huisfolder wordt verteld wat u kunt doen tegen terrorisme. Maar wat doet de terrorismedreiging eigenlijk met de gewone burger?

Deelname is gratis, opgave vooraf is wenselijk.

NVMP, vereniging voor Gezondheidszorg en Vredesvraagstukken.
Bosschastraat 17, 3514 HN Utrecht.
Tel. 030-2722940 E-mail: office"at"nvmp.org



8 Maart Internationale Vrouwendag

Den Haag - Op 8 maart 2006 demonstreerden Iraanse vrouwen voor vrouwenrechten in Iran.
De demonstratie was een afsluiting van een toer georganiseerd door Karzar Zanan (vrouwenstrijd) en begonnen in Duitsland. In Den Haag liepen zo'n 800 vrouwen mee, voornamelijk Iraanse, maar ook veel Afghaanse vrouwen. Het was een strijdbare en solidaire demonstratie. De dreigende oorlog tegen Iran had de verschillende progressieve, Iraanse vrouwengroepen voor het eerst bij elkaar gebracht. De vrouwen spraken zich uit tegen de dreigende oorlog en tegen een zogenaamde bevrijding door westerse landen. De Afghaanse vrouwen wezen erop dat de oorlog tegen Afghanistan de positie van vrouwen niet heeft verbeterd.


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina