Aangepast zoeken

Naar beginpagina
Naar overzicht VD AMOKs

VD AMOK
tijdschrift voor antimilitarisme en dienstweigeren
jaargang 15, nummer 3, 2006


Inhoudsopgave

Vaste rubrieken:

Colofon

VD AMOK
Tijdschrift voor antimilitarisme en dienstweigeren
Jaargang 15, nummer 3, 2006

VD AMOK
Verschijnt minstens 4 maal per jaar en wordt uitgegeven door Stichting VD AMOK.
Voor de inhoud van met naam ondertekende stukken zijn de auteurs verantwoordelijk.

Copyright
Overname van artikelen uit het lopende nummer is uitsluitend toegestaan na toestemming van de redactie. Overname van artikelen uit eerder verschenen nummers is toegestaan onder bronvermelding en toezending van een bewijsexemplaar aan de redactie. Deze artikelen staan op deze website

Adres redactie en abonnementenadministratie
VD AMOK, Obrechtstraat 43, 3572 EC Utrecht
tel. 030-8901341, e-mail vdamok"at"antenna.nl

Redactie
Kees Kalkman, Karel Koster, Guido van Leemput, Tjark Reininga, Barbara Smedema, Egbert Wever

Fotoredactie
Mustapha Bah, Joop Blom, Hans Christian Bouton

Fotografen en illustratoren
Joop Blom, Boyd Noorda, Bert Spiertz

Vormgeving
René Oudshoorn

Drukker
Mittelmeijer Drukkerij in Amsterdam

Verder werkten aan dit nummer mee
Ron Blom, Martin Broek, Vadim Donetsky, Astrid Essed, Ed Hollands, Frank Slijper, Fred van der Spek

Abonnementen
Een abonnement is minimaal € 14,- per jaar.
Een steunabonnement is minimaal € 18,-.
Over te maken op giro 5567607 t.n.v. VD AMOK, Utrecht.
Nieuwe abonnementen schriftelijk aanmelden. Wacht met betaling op toezending acceptgiro.
Opzegging uitsluitend schriftelijk vóór aanvang van het kalenderjaar.
Losse nummers kosten € 3,- (€ 4,- inclusief porto).

Advertenties
Tarieven en opgave bij de redactie.

Sluitingsdatum volgend nummer
1 december 2006



Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Redactioneel -

De inktvlek van Berlijn

Nederland is in staat van oorlog. Het is een oorlog die volgens de hoogste Nederlandse generaal, Dick Berlijn, met de inktvlekmethode wordt gevoerd. Vanuit versterkte plaatsen, verbeeld als dikke inktdruppels, vloeit de inkt geleidelijk door heel Uruzgan en de rest van Zuid-Afghanistan. Daarmee wordt de invloed van de buitenlandse troepen steeds groter in het gebied en winnen Nederland en zijn NAVO-vrienden de Pathaans-Afghaanse bevolking voor de oorlog tegen de lelijke Taliban. Deze contraguerrillastrategie van de inktdruppel is in feite een guerrillastrategie. Waar het om gaat is het geven van vooruitgang aan de bevolking om hen te winnen voor de goede zaak. Bijvoorbeeld landhervorming, eerlijker verdeling van welvaart, het einde van de corruptie, vrijheid van buitenlandse gewelddadige bemoeienis of vrijheid van godsdienst of wat dan ook. Maar anders dan de guerrilla van de Taliban vechten de Nederlandse militairen op vreemd grondgebied voor een bevolking die niet op zulke hulp gesteld lijkt. De militaire strijd is vooral een politieke strijd om invloed onder de bevolking. Tot nu toe is er geen sprake van een succesvolle wederopbouw in Uruzgan en wijde omgeving. Het enige dat in Afghanistan vloeit is bloed… Heel veel bloed, voornamelijk van Afghanen.

Het debat in Nederland wordt gedomineerd door degenen die het alleen willen hebben over humanitaire interventies, opbouwwerk en vredeslegers. Precies wat Berlijn en minister Kamp zo graag horen. Geen oorlog, maar een missie. Vol wederopbouw. Daarmee zijn ze zelf, misschien ongewild, het levende bewijs van de geniale voorspelling van de Britse schrijver Orwell over de aard van propaganda in de voor hem toen (1948) toekomstige maatschappij. Hij had het over het verdraaien van termen, zodat ze precies het tegenovergestelde beschreven van de werkelijkheid. Het ministerie van vrede was er voor oorlogvoering. Deze voorspelling is nu in Nederland bewaarheid geworden.

Een deel van de verklaring voor deze toestand ligt in het marginale belang van de militaire operaties in de landelijke politiek. Dat wordt momenteel geïllustreerd door de verkiezingscampagne, waar voornamelijk binnenlandse thema’s aan de orde komen. De betrokkenheid van het Nederlandse leger en dus de verantwoordelijkheid van het politieke bestel voor de oorlog in Afghanistan is niet meer dan een voetnoot. Het valt zelfs te betwijfelen of Nederlandse gevechtsdoden daar veel aan zullen veranderen. Afghanistan is geen kwestie. Dat wordt sterk in de hand gewerkt door het feit dat er geen dienstplicht is en daardoor geen brede betrokkenheid van de Nederlandse burgers bij de oorlog die in hun naam gevoerd wordt. De spanningen en betrokkenheid leven bij een zeer kleine groep familieleden van de beroepsmilitairen, die bovendien gebonden zijn aan geheimhoudingsverplichtingen en nauwgezet ministerieel toezicht.

Daarnaast is er een andere factor aan het werk: de dominante rol van de media (dagbladen, weekbladen en de belangrijkste TV- en radiostations) die zich hebben gebonden aan het verspreiden van het nieuws op een manier die binnen nauwkeurig vast te stellen piketpaaltjes plaatsvindt. Deze grenzen kunnen als volgt worden gekenschetst: de Nederlandse regering is in Afghanistan om goed te doen; het gaat om opbouwwerk dat helaas verstoord wordt door extremisten; zoiets ordinairs als geopolitieke belangen van Europa en Nederland bestaat niet; en tenslotte: we zijn natuurlijk kritisch op de Amerikaanse aanpak, maar uiteraard moeten we wel samen met hen optreden. Deze grenzen aan het debat bepalen ook hoe de embedded verslaggevers hun verhaal neerzetten. Hun berichtgeving is gecensureerd, maar ze vermelden trouw dat ze niets hoefden weg te halen.

De slachtoffers van dit leugenachtige beleid zijn niet in Nederland te vinden en zelfs amper in het Nederlandse leger, dat gezien de bijzonder sterke bewapening de verliezen wel zal kunnen beperken. Zoals altijd zullen het de Afghaanse burgers zijn die de prijs moeten betalen voor de volgzaamheid van de Nederlandse regering aan het Amerikaanse beleid in de permanente oorlog tegen het ‘terrorisme’.

De inktvlektheorie van Berlijn lijkt, en dit terzijde opgemerkt, ook verdacht veel op de werkwijze waarmee mensen als Che Guevara en Mao Tse Toeng de massa van de bevolking in sommige gevallen wel voor zich wisten te winnen. Toch is het onwaarschijnlijk dat over twee jaar veel Afghanen met een t-shirt rondlopen met daarop de messiaanse kop van commandant Berlijn. De Afghanen lijken tot nu toe niet genegen mee te doen aan dit soort militairacademische verkenningen.

Rest de vraag wat, behalve een ouderwets vloeiblad en een inktlap, verder in deze situatie nodig is. Steun aan de paar journalisten zoals Arnold Karskens, die de moed heben ongecensureerd op onderzoek uit te gaan. Het blijft een gevoelig punt voor de anderen die zich met open ogen in de luren laten leggen en dat ook niet leuk vinden. Van de politieke partijen die tegen de missie stemden (D66, GroenLinks en de SP) moet volledige inzet worden geëist om het dominante beeld van Kamps propagandaorganisatie te doorbreken. Dat kan door informatie te vragen. Kamervragen, interpellaties en debatten. En tenslotte zijn er de brokken en stukken van de vredesbeweging die voortdurend aandacht moet trekken voor de bloedige situatie in Afghanistan en de medeverantwoordelijkheid van Nederland. Dat alles onder de pakkende kop: Haal de soldaten terug thuis.

De redactie



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Midden-Oosten -

Libanon – Het einde van een tijdperk?

Het is simplistisch om het te hebben over winnaars en verliezers na de oorlog tussen Hezbollah en Israël. Dat is net als het conflict in te delen in goed en kwaad. Als er al een verliezer is aan te wijzen dan is het de Libanese burgerbevolking. Het lijkt zinniger het te hebben over wat de gevolgen van het conflict zijn. Het zijn er vele die op langere termijn spelen.

Het belangrijkste gevolg van de oorlog is dat er een gevoel van zelfvertrouwen is gegroeid in de Arabische wereld en dat Israël gaat beseffen dat een militair overwicht in de toekomst niet genoeg is voor haar voortbestaan. Je kunt stellen dat de balans die al lange tijd één richting op slaat in beweging begint te komen.

Bij het resultaat van deze oorlog is niet zozeer gebiedsverovering of militaire overwinning van belang maar psychologische factoren.

Het is tekenend dat binnen de Arabische wereld veel mensen een soort overwinningsgevoel hebben terwijl in Israël een totaal gevoel van verwarring is ontstaan en er waarschijnlijk heel wat koppen gaan rollen.

Was Irak het keerpunt voor de VS, voor Israël is dat Libanon. De in relatief korte tijd opeenvolgende gebeurtenissen, de oorlog in Irak, verkiezingswinst van Hamas in de Palestijnse gebieden en de oorlog in Libanon, lijken allemaal te wijzen op het einde van een tijdperk.

Een tijdperk dat zich kenmerkte door klinkende militaire overwinningen van Israël op Arabische landen, een verdeel-en-heers politiek van de VS en steun aan elites en koningshuizen die in het algemeen in overeenstemming handelden met de belangen van de VS. Israël heeft altijd als belangrijkste strategie gehad de confrontatie te kiezen, de wereld duidelijk te verdelen in joden en arabieren en daarmee een grens te trekken in wij en zij. Hierbij zijn de wij superieur aan de zij en hebben de wij het recht om veroverd land toe te eigenen. Dit is alleen vol te houden met een militair overwicht dat ook telkens ingezet wordt om de vijand verpletterend te ‘overwinnen’ en daarmee op zijn plaats te houden. De oorlog in Libanon is wat dat betreft mislukt.

De VS hebben zoals altijd ook nu Israël gesteund. Openlijker kon het bijna niet.

De internationale gemeenschap kon weer niets doen zonder instemming van de VS. Uiteindelijk heeft het een en ander geleid tot het extra tijd geven aan Israël om de klus te klaren. Nadat bleek dat de klus niet geklaard werd hebben de VS gekozen voor een VN-resolutie die in ieder geval dan nog zoveel mogelijk in het voordeel van Israël werkt.

Dieptepunt in de geschiedenis

De gehele wereld heeft gezien dat Israël vier weken lang de burgerbevolking van Libanon kon terroriseren met tal van slachtoffers als gevolg, om Hezbollah te isoleren. Openlijk worden door Israëlische politici en bevelhebbers van het leger oorlogsmisdaden aangekondigd. Dit alles met instemming van de VS. Na Irak met de schandalen over martelingen en moorden zal dit nog verder schade aanbrengen aan de VS en waar ze voor staan. Buiten een deel van de bevolking in Westerse landen zullen er weinigen op de wereld zijn die nog enig geloof hebben in ‘het nieuwe Midden Oosten’, ‘de oorlog tegen terrorisme’ of de waarden en normen waarvoor Bush en consorten voor staan.

De Bush-periode zal later herinnerd worden als een dieptepunt in de geschiedenis van de VS. Op het punt van haar grootste macht is die niet ingezet voor een meer stabiele vreedzame wereld, maar hebben Bush en zijn kornuiten het klaar gespeeld in een aantal jaren de VS tot de paria van de internationale gemeenschap te maken.

De neergang van de VS zal ook de neergang van Israël betekenen. De VS zijn het enige land dat Israël volledig steunt in haar politiek.

De Arabische massa’s’ lijken zich langzamerhand te organiseren en in opstand te komen. Zelfvertrouwen is enorm gegroeid. Na meer dan vijftig jaar klappen vangen en onderdrukking voelt men weer enig zelfrespect.

Het is vaker gezegd: organisaties als Hezbollah en Hamas zijn de uitkomst van een lange geschiedenis van onderdrukking en overheersing, vertrapping door Israël en de VS van elke vorm van eigenwaarde in het Midden-Oosten, zowel wat betreft de persoon als de cultuur waarvan men deel uitmaakt.

Die organisaties blijken op dit moment het enige krachtige antwoord hierop te zijn. Constateer je dat deze organisaties ondemocratisch en verwerpelijk zijn, dan zul je naast ze terechte kritiek te geven ook iets aan de oorzaak van hun ontstaan moeten doen:

Mythe gebroken

Israël beseft nu dat ze geen bescherming kan bieden aan haar eigen bevolking als het oorlog voert. De mythe van onoverwinnelijkheid gepaard met onaantastbaarheid is gebroken. De Israëlische politiek ‘als je niet luistert zul je het voelen’ is aan herziening toe. Te hopen valt dat de komende jaren een besef doordringt bij de Israëlische bevolking dat zij samen met omliggende landen zal moeten zoeken naar een rechtvaardige vrede gebaseerd op gelijkheid. Het indertijd gedane voorstel van Saoedi-Arabië, om in ruil voor teruggave van alle bezette gebieden een vrede met de gehele Arabische wereld te bieden, is en blijft een goede basis.

Op korte termijn kan er binnen Israël een nog verdere ruk naar rechts verwacht worden. Het is echter een doodlopende weg. Aan het eind blijven er vanuit die politiek geen andere middelen over dan het bedrijven van genocide en etnisch zuiveren (wat overigens nu al op beperkte schaal gebeurt door de nederzettingenpolitiek). Zelfs voor het door de VS gesteunde Israël zit er een grens aan het gebruik van deze middelen.

Het beleid van de VS dat zich laat leiden door de strijd tegen het terrorisme en een verwezenlijking van ‘de democratisering van het Midden-Oosten’ lijkt overal te falen.

Eén van de weinige successen was de cederrevolutie in Libanon. De oppositie binnen Libanon tegen de aanwezige Syrische troepen werd op alle mogelijke manieren gesteund door de VS. De VS kregen steeds meer invloed en een deel van de Libanezen waren hier niet afkerig van. Een maand van Israëlische bombardementen heeft hieraan voorlopig een einde gemaakt.

Condoleeza Rice blijkt de gebeurtenissen in Libanon te zien als “…de geboorteweeën van het nieuwe Midden Oosten”. Je zult maar Libanees zijn en dit moeten aanhoren tijdens het zoveelste bombardement. Het lijkt meer op een miskraam.

De zogeheten dominotheorie voor het Midden Oosten om daar het ene land na het andere te ‘democratiseren’, werkt precies in tegenovergestelde richting als de VS hadden bedoeld. Hamas wint democratisch in de Palestijnse gebieden, in Irak dreigt het Zuiden een volgende Islamitisch staat te worden met sterke banden met Iran, in Libanon heeft Hezbollah (voorlopig) meer steun dan ooit.

Iran lijkt op geen enkele manier in te binden en juist aan kracht te winnen. De laatste weken zijn zelfs geluiden binnen de VS te horen die zich zorgen maken over een nieuw zelfvertrouwen in Syrië.

Hoog spel

Het kan nog veel zwaarder weer worden. Tot nu toe hebben Hamas, Hezbollah en het Mahdi leger zich gericht op een nationale bevrijdingsstrijd. Het kan goed zijn dat door de ontwikkelingen in de komende tijd er langzamerhand een verschuiving gaat plaatsvinden om de handen ineen te slaan en het strijdperk naar een regionaal of international arena te verplaatsen.

Israël en de VS zien het verslaan van Iran als het uiteindelijke doel. Iran is als opkomende regionale macht een grote bedreiging.

En dit leidt er bijna onvermijdelijk toe dat Iran militair aangevallen gaat worden. De aanleiding zullen de nucleaire activiteiten van Iran zijn.

De problemen in Libanon en de problemen in Irak, worden door de VS naar buiten toe grotendeels verweten aan de invloed van Iran.

Bush heeft nu Libanon ook aangewezen als onderdeel van zijn oorlog tegen terreur. Er is de laatste jaren hoog spel gespeeld door de VS. Het heeft alleen maar polariserend gewerkt. Een weg terug lijkt steeds moeilijker zeker zonder gezichtsverlies en verlies aan invloed. Op hoop van zegen dan maar verdergaan op de ingeslagen weg. Het lijkt vanuit VS-oogpunt dan een logische stap om Iran aan te vallen want dat zou de sleutel zijn om het Midden Oosten een ‘betere en democratische’ toekomst te geven.

Er zijn tal van aanwijzingen dat de VS deze oorlog tegen Iran aan het voorbereiden zijn.

Uit verschillende bronnen valt op te maken dat de oorlog in Libanon al langer voorbereid was en voor de VS van belang was om als praktijkvoorbeeld te dienen hoe later Iran aan te vallen. Seymour M. Hersh heeft hierover in The New Yorker van 21 augustus 2006 een artikel geschreven onder de titel Watching Lebanon.

De VS willen de dreiging van Hezbollah verminderen voordat ze Iran aanvallen om hiermee een tweede front te voorkomen. Verder wordt de opbouw van de verdediging van Hezbollah met bunkercomplexen vergeleken met die van Iran. Libanon is daarmee een proeftuin voor de oorlog met Iran.

Iran kan zonder twijfel net als Libanon en Irak tientallen jaren terug in de tijd worden gebombardeerd. Als gevolg hiervan is Iran hierna militair en economisch ernstig verzwakt. Het zal echter geen pro-VS regering opleveren maar eerder een hechtere samenwerking tussen de verschillende Islamitische volksbewegingen en een verdere groei van deze bewegingen.

Het is opvallend dat terwijl in Westserse kranten steeds gewezen wordt op de strijd tussen sjiieten en soennieten er bij Hezbollah ook sprake is van steun van soennieten in de Arabische wereld en dat Hamas geen sjiietisch maar een soennitische beweging is gesteund door het sjiietische Iran.

Bij een aanval op Iran lijkt het ook zeer waarschijnlijk dat een groot deel van de sjiieten in Irak in opstand komen tegen de daar gelegerde VS-militairen.

De grootste demonstratie tegen Israël en de VS in verband met Libanon toe nu toe was in Irak. Meer dan 100.000 mensen demonstreerden na een oproep van Muqtada al-Sadr, de sjiietische geestelijke en leider van het Mahdi leger, in Bagdad.

In de toekomst zal de VS steeds meer voor de keus komen te staan rekening te houden met de gehele Arabische wereld of alleen met Israël. De VS dreigen de grip op het werelddeel waar de grootse olievoorraad van de wereld zich bevindt, deels kwijt te raken.

En zoals steeds wordt gezegd dat Hezbollah niets betekent zonder steun van Iran (in ieder geval militair gezien), is het ook zo dat Israël niets kan zonder de volledige steun van de VS. Gaan de VS kritischer worden op Israël dan moet dit land snel gaan inbinden en is er misschien eindelijk een opening voor een serieus vredesinitiatief.

Het komende jaar gaat bepalend worden. Het lijkt er op dat er doorgezet wordt in confrontaties en militair optreden tegen Iran, wat in wezen een alles of niets strategie gaat worden met verschrikkelijk gevolgen.

Je kunt nu al zeggen dat we zo langzamerhand een wereldoorlog in glijden met Afghanistan, de Palestijnse bezette gebieden, Irak en Libanon als strijdtoneel en de dreigende oorlogen met Syrië en Iran.

Of wordt er nog op tijd gas teruggenomen na de volgende mislukking op rij: Libanon. Het ziet er voorlopig somber uit.

Ed Hollants, 15 augustus 2006

Dit artikel is verschenen op een aantal websites waaronder D4: Dromen, Denken, Durven, Doen waar ook een reisverslag van een recent bezoek aan Libanon te vinden is.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Werkgroep Eurobom -

Nucleaire ontwapening - Nog steeds bittere noodzaak

In zijn nieuwe boek beschrijft Karel Koster de kernwapendreiging anno 2006.

De angst voor een nucleaire holocaust zoals die 25 jaar geleden bestond is verdwenen, maar is de rol van de kernwapens verminderd? Geenszins, er staan nog steeds duizenden kernwapens gereed om binnen luttele minuten een kernoorlog te beginnen. Intussen is er sprake van een gestage toename van het aantal kernwapenstaten: Israël, India, Pakistan, Noord-Korea en hoe ver is Iran? De verspreiding van kernwapens is dan ook een groot gevaar. In Nederland werd de discussie over nucleaire ontwapening en proliferatie de afgelopen jaren in steeds kleinere kring gevoerd. Als het onderwerp al de media bereikt, dan gaat het steevast om andermans kernwapens, om proliferatie. Over de eigen kernbewapening, de aanwezige kernbommen op Volkel en Nederlandse piloten die worden opgeleid om met Nederlandse vliegtuigen deze kernwapens in te zetten, wordt niet gerept, ook niet in de verkiezingsprogramma’s van de meeste politieke partijen.

Naast de feitelijke beschrijving van de nucleaire ontwikkelingen van de afgelopen vijf jaar geven ook Mgr. A.H. van Luyn s.d.b. president van Pax Christi Nederland, de diplomaten Jaap Ramaker en Chris Sanders, de politicus Bert Koenders, de wetenschapper Bart van der Sijde, de arts Herman Spanjaard (voorzitter Nederlandse Vereniging voor Medische Polemologie), de jurist Meindert Stelling en de actievoerders Joris Thijssen (Greenpeace-Nederland), Tera Fopma (Vrouwen voor Vrede) en Barbara Smedema (Acties tegen Kernwapens) hun visie op dat beleid. Zo komen er een reeks meningen aan bod, evenals een uitgebreide documentatie die aan de beschrijving van de ontwikkelingen ten grondslag ligt. Aan de standpunten van de politieke partijen over kernwapens en hun positie in de Tweede Kamer wordt, met het oog op de komende verkiezingen, speciale aandacht besteed.

Uitgave: Nederlandse Vereniging voor Medische Polemologie – Gezondheidszorg en Vredesvraagstukken, Bosschastraat 17, Utrecht (tel: 030-2722940)

Het boek is voor € 17,50 (incl. porto) te bestellen bij het NVMP-bureau, door overmaking van het bedrag op giro 4395340 o.v.v. 'Boek Nucleaire Ontwapening'.

Akiba en Deetman tegen kernwapens

Tien jaar geleden op 8 juli 1996 nam het Internationale Gerechtshof in Den Haag het historische besluit om kernwapens illegaal te verklaren. Het hof concludeerde dat alle landen de verplichting hebben om in goed vertrouwen te onderhandelen voor een kernwapenvrije wereld. Dit is de afgelopen 10 jaar echter allerminst gebeurd, de verspreiding van kernwapens neemt zelfs toe. Om hier de aandacht op te vestigen bezocht Burgemeester Akiba van Hiroshima met een internationale delegatie van Mayors for Peace op 5 juli Den Haag. Akiba stelde dat burgemeesters een speciale verantwoordelijkheid dragen. De burgers in hun steden zijn immers potentieel doelwit voor een nucleaire aanval, door staten of terroristen. Mayors for Peace heeft over de hele wereld meer dan 1300 leden. In Nederland zijn dat er 25, inclusief de belangrijkste gemeenten. Nog eens 60 burgemeesters hebben ondersteunende verklaringen ondertekend.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Militaire interventie -

Guerrillaoorlog in Afghanistan

In Afghanistan wordt door de NAVO en haar bondgenoten een grootschalige interventie gepleegd. Men stelt dat Afghanistan moet worden gered van chaos door de aanwezigheid van de buitenlandse troepen. Afghanistan is een narcostaat, een failed state die uit elkaar zal vallen, als er niet snel wordt opgetreden. De Taliban zullen weer aan de macht komen en het terrorisme zal zegevieren. Het idee dat de aanwezigheid van de westerse interventielegers als een invasie wordt beschouwd door een deel van de bevolking, die deze dan ook om legitieme redenen bestrijdt, is in Nederland het equivalent van vloeken in de kerk.

In plaats daarvan wordt ons voorgehouden dat de aanwezigheid van de NAVO niet allen noodzakelijk is voor Afghanistan, maar ook voor het voorbestaan van het Atlantisch bondgenootschap: een gecodeerde manier om te beweren dat Nederland de VS altijd moet volgen in hun overzeese militaire avonturen.

Achter deze opvattingen schuilen vooroordelen en vooronderstellingen, waarin nog de minste de zelfvoldaanheid van de westerse regeringen is, die menen het recht aan hun kant te hebben en militaire interventie als een vanzelfsprekend stuk buitenland beleid beschouwen.

De aard van guerrilla oorlog

De kern van de guerrillaoorlog en omgekeerd de contraguerrilla zit in de relatie tussen het politieke en het militaire. Leidend principe is dat militaire middelen in zichzelf bijzonder beperkt zijn als politiek instrument; het is zo goed als onmogelijk om mensen te dwingen tot andere gedachten en heel moeilijk om hun gedrag en gewoontes onder dwang te veranderen. Het gaat hier om de meest wezenlijke kwestie van maatschappelijke ordening: de legitimatie van de staatsmacht en de mate waarin die vrijwillig wordt geaccepteerd en ondersteund.

De militaire technieken van guerrillaoorlog hebben niets te maken met de zaak waarover gevochten wordt. Het zijn voor de guerrilla’s methoden om als relatief slechter bewapend en zwakker leger (eigenlijk een burgermilitie) een sterker leger te bestrijden. Guerrillatechnieken kunnen ook door een conventioneel leger gebruikt worden, maar dan door speciale eenheden zoals commando's of special forces (zoals de SAS). Vaak worden deze speciale eenheden door een zittende macht ingezet om de guerrilla die haar omver wil werpen te bestrijden. Deze militaire technieken hebben op zichzelf helemaal niets te maken met de politieke kwestie: waarom en waarvoor wordt de guerrilla dan wel de contraguerrilla gevoerd? De Britse defensie expert Dan Plesch voert een raak kenmerk van dit verschil op: hij suggereerde tegenover een officier van de Special Air Service, de Britse elite eenheid, dat contra-guerrillawerk 95 % politiek en 5 % militair is. Nee, antwoordde de SAS officier: het is 99% politiek en 1% militair. Met dat antwoord illustreert de officier de kern van contra-guerrilla oorlogvoering: de SAS en hun equivalenten in andere legers zijn vooral politieke soldaten. Door het gelijkstellen van de militaire technieken (slecht bewapende milities tegen helikopters en vliegtuigen) aan een guerrillaoorlog – daar heeft de beeldvorming van de media en Hollywood veel mee te maken - verdwijnt de politieke kern van de guerrillaoorlog uit zicht.

De algemene regels voor het voeren van een guerrilla zijn zo oud als de oorlogvoering. In de twintigste eeuw zijn ze verwerkt in handleidingen geschreven door aanvoerders zoals Mao Ze Dong en Che Guevara die de relatie legde tussen het militaire en het politieke zoals dat in hun conflicten speelde. Dat betekende in de praktijk de vertaling door een politieke organisatie (de politieke partij en haar kaders) van de politieke eisen naar de dagelijkse strijd om de steun van de bevolking. Dus eerst en vooral een propagandaoorlog die tot doel had om de bevolking te mobiliseren en rekruteren voor de strijd tegen een gevestigde macht waartegen zich een groot deel van de bevolking al heeft gekeerd (Cuba in de jaren vijftig) of vreemde overheersing (Japanse bezetting in China). Deze guerrillacampagne bestaat veelal uit een aantal fases die één voor één doorlopen worden en bij succes de zittende macht omverwerpen, dan wel een bezetter verdrijven. Propaganda onder de bevolking door middel van beperkte militaire operaties (bijvoorbeeld overvallen door kleine eenheden op wachtposten of militaire vrachtwagens) kenmerkt de eerste fases, langzaam leidend naar het vestigen van veilige gebieden vanwaaruit steeds beter bewapende eenheden een campagne voeren die steeds meer op een conventionele oorlog tussen geregelde legers begint te lijken. Daarvoor is recrutering en uitbreiding een eerste vereiste.

Politiek en guerrilla

Het ligt in de aard van de politieke guerrilla dat men bereid is om jaren, soms tientallen jaren te vechten. Een minimaal doel voor de opstandelingen is om te blijven bestaan en niet verwikkeld te raken in nutteloze veldslagen waar het regeringsleger haar meestal superieure vuurkracht kan aanwenden. Omgekeerd probeert de regering (in Afghanistan is dat vooral de NAVO) juist wel zo’n situatie te bewerkstelligen. De laatste heeft meer haast dan de guerrilla: ze moet een beslissende slag proberen af te dwingen, onder andere vanwege de cruciale politieke steun van het thuisfront. Kort gezegd: het gezag moet beslissend winnen, de guerrilla hoeft alleen maar een slag te vermijden – dus niet verliezen - totdat hij sterk genoeg is om zo’n slag wel aan te gaan. In Afghanistan wordt in Kandahar door grote guerrilla-eenheden wel slag geleverd met de NAVO-troepen. Dat is opmerkelijk: het suggereert dat de Taliban en hun bondgenoten zo zeker van hun zaak zijn dat ze de onvermijdelijke verliezen bij zulke veldslagen accepteren. Daar speelt ook een mate van religieus gedreven fanatisme een rol bij.

Het effect van de oorlog op de bevolking, zowel ter plekke als in landen van herkomst, is cruciaal, omdat het de connectie is tussen militair en politiek. Als de politieke wil om te vechten in elkaar stort (omdat de prioriteiten veranderen of men de prijs in de vorm van uitgaven en slachtoffers niet meer accepteert) worden de militaire operaties zinloos. Bovendien slaat dit ook snel terug op de soldaten van de vechtende partijen. Daarom wordt er bijvoorbeeld aan de regeringskant zoveel gedaan aan het controleren van de berichtgeving uit Afghanistan. De Nederlandse bevolking moet er van overtuigd blijven dat succes behaald wordt, het licht aan het eind van de tunnel moet in zicht zijn.

De politieke lijn van de Afghaanse guerrilla’s (vermoedelijk vooral Taliban) is eenvoudiger omdat ze op eigen terrein vechten. Daarbij wegen de historische ervaringen van de Afghaanse bevolking (met Britse en Sovjetrussische invasies) zwaar. Als de vreemdelingen zich gaan gedragen zoals hun voorgangers, dan expandeert de steun voor de guerrilla exponentieel, al was het maar omdat ze dan gezien worden als het minst slechte alternatief. Daarbij is het onvermijdelijk dat de bevolking klem komt te zitten tussen de strijdende partijen.

Door het opzetten van een parlement en andere instituties wilde het Westen de indruk geven dat de oorlog gaat om een democratisch gekozen meerderheid en een marginaal gesteunde guerrilla. De massale oppositie tegen de westerse troepen (niet noodzakelijkerwijs steun voor de Taliban) die zich kennelijk het laatste jaar ontwikkeld heeft maakt duidelijk dat Karzai nauwelijks een politieke basis heeft en sterk geïsoleerd is.

Inktvlek en guerrilla oorlog in Afghanistan

De NAVO en Nederland hanteren in Afghanistan de zogenaamde ‘inktvlekmethode’. Daarbij worden de NAVO-bases gezien als veilige uitgangsposities voor het vestigen van het Afghaanse regeringsgezag in het zuiden. Vanuit die bases moeten locaties in de omgeving beveiligd worden om de invloed van de Taliban en andere tegenstanders terug te dringen en ruimte te maken voor wederopbouwprojecten. Vervolgens trekken de NAVO-militairen weer verder naar de volgende centra, zodat al doende die locaties op de kaart een steeds groter aantal inktvlekken vormen onder het gezag van de ISAF-troepen en de Afghaanse regering.

De inktvlek methode is net zo goed in gebruik bij de guerrilla’s, maar dan om het omgekeerde te bereiken: een steeds kleiner aantal locaties waar de buitenlandse troepen veilig kunnen vertoeven, de uitbreiding van het gezag van de Taliban over een steeds groter deel van de bevolking. Het is voor de Taliban niet mogelijk om het hele land fysiek te bezetten en loyaliteit af te dwingen. Beslissend is of mensen zelf het idee hebben dat de ene of de andere kant hun belangen steunt of juist ondermijnt.

Bij zo’n guerrilla in een overwegend agrarische economie gaat het om het beheersen van het platteland vanuit een gevestigde machtspositie in de steden en de verbindingen daartussen omdat het sociaal economische leven van een land langs die routes plaatsvindt. Dat is de reden dat de verbindingen, de wegen, of spoorwegen en rivieren zo belangrijk zijn. Als de bevolking grotendeels op het platteland woont wordt het een kwestie van wie de meeste invloed op hen uitoefent, dat wil zeggen, wiens standpunten het meest overeenkomen met hun geloof, normen en waarden en ook hun bestaansmiddelen garandeert.

Daarom is de kwestie van de 'normale gang van zaken' in het dagelijks leven zo ontzettend belangrijk. (meestal gesimplificeerd door de domme Amerikaanse frase hearts and minds) In Afghanistan is daarbij van belang: de plaatselijke economie (papaverteelt), landeigendom, de positie van de plaatselijke machthebbers en de door Kaboel aangestelde (meestal aangeduid als warlord, overigens ook een simplificatie), de clanloyaliteit (sterk geografisch gebonden), de religieuze gebruiken (rol van sharia in bijvoorbeeld onderwijs).

Het gaat er dus om: wie in Afghanistan staat het dichtst bij de bevolking en haar belangen? In het zuiden van het land lijkt het erop dat de coalitie strijdkrachten al een beslissende nederlaag hebben geleden, als we het rapport van de Senlis Council geloven. Dat rapport, gebaseerd op maandenlang veldonderzoek, stelt dat heel zuidelijk Afghanistan al onder invloed staat van de Taliban. Dat lijkt bevestigt te zijn door de bijzonder harde gevechten die in Helmand en Kandahar provincies hebben plaatsgevonden het laatste half jaar, waarbij de Britse en Canadese garnizoenen onder steeds grotere druk komen te staan.

Het succes van een guerrilla hangt af van zijn politieke programma en de manier waarop ze de zaken die spelen aan de orde kan stellen. De Taliban hebben een sociale basis onder een substantieel deel van de bevolking. Het gaat daarbij niet slechts om de militaire operaties zoals aanslagen of overvallen, maar om de organisatie die noodzakelijk is om ze uit te voeren. Die organisatiegraad impliceert een bepaalde mate van steun onder de bevolking.

In de Nederlandse media is het gebruikelijk om die steun af te doen als achterlijkheid, afgedwongen of gekocht. Immers, een guerrilla die steun afdwingt (en door vreemde machten zoals Pakistan en Al Qaeda gesteund wordt) is iets tijdelijks dat kan worden verslagen door de inzet van een sterkere militaire macht. Het is immers een geruststelling voor het Nederlandse thuisfront als breed gedragen negatieve standpunten over bijvoorbeeld de positie van vrouwen, of moslims die christen worden, of godslasterlijke tekeningen, of over de aanwezigheid van buitenlanders kunnen worden afgedaan als van de bevolking afgedwongen standpunten en niet iets dat sowieso al leeft onder de bevolking. Vandaar het steeds weer terugkerende propagandabeeld in de westerse media van de voortstormende progressieve en democratische krachten die Afghanistan aan het veranderen zijn, geleid door de verlichte Karzai. De politieke kwestie verdwijnt als probleem.

Contraguerrilla in het zuiden

Het onlangs verschenen rapport van de Senlis Council (Afghanistan Five Years Later: The Return of the Taliban, september 2006) schetst een heel ander beeld. Veldonderzoekers kwamen tot de conclusie dat het drugsbestrijdingsbeleid van de Afghaanse regering (in wisselende mate ondersteund door westerse troepen) niet alleen totaal mislukt is, maar bovendien grote vijandschap heeft opgewekt onder de boerenbevolking die voor haar bestaan afhankelijk is van de papaveroogst. Duizenden mensen zijn daardoor in de armoede gestort, er is zelfs sprake van hongersnood. Als gevolg van dit beleid hebben de Taliban en hun bondgenoten grote invloed gewonnen in zuid-Afghanistan.

Uiteraard wordt dit alles verder verergert door actief dan wel passief racisme van de bezettingstroepen en de inzet van grote vuurkracht tijdens operaties waarbij altijd collateral damage – dode en gewonde burgers, vernielde huizen en verbrande velden - optreedt. De constante stroom van doden en gewonden onder de burgerbevolking dwingt zelfs Karzai om steeds weer in het openbaar van de NAVO en de VS onderzoeken te eisen, die voortdurend niets opleveren. Ook de constante claims over honderden Talibandoden zijn hoogst bedenkelijk en doen denken aan de Vietnamoorlog waar iedere dode op wonderlijke wijze een Vietcong strijder werd – de Nederlandse media nemen grosso modo de officiële cijfers blind over. Dit militaire optreden wordt steeds dominanter en logenstraft het idee van een beschermde opbouwoperatie voor de bevolking. In plaats daarvan is er een oorlog gaand die steeds meer vijandschap oproept, die omgezet wordt in steun voor de rebellen. Deze factor op zichzelf hoeft niet beslissend te zijn, maar geeft de doorslag als de andere eerder genoemde elementen tegen de bezetters werken.

Door de verdraaide weergave van de situatie – alsof het een technisch militair probleem zou zijn dat eerst moet worden opgelost, waarna het opbouwwerk kan beginnen, is de discussie in de NAVO gereduceerd tot een roep om meer soldaten.

Zo’n militaire aanpak is strijdig met de basisregels van de contra-guerrillaoorlog: die stellen juist het politieke en economische beleid voorop, waarbij gekeken wordt hoe de militaire operaties het proces kunnen ondersteunen. Dus niet het tegenovergestelde, zoals de Nederlandse regering steeds weer beaamt, daarin gesteund dor een Kamermeerderheid.

Willen de bases van de NAVO-troepen niet steeds meer het karakter krijgen van geïsoleerde vestingen in een zee van vijandelijkheid, dan zal er op zijn minst serieus moeten gekeken worden naar de voorwaarden die door Senlis voor vooruitgang worden gesteld:

Zulke stappen vereisen echter een grotere flexibiliteit door de NAVO dan totnogtoe is tentoongespreid. Boven alles moet men af van de levensgevaarlijke visie als zou het mogelijk zijn om in Afghanistan een kopie van westerse democratie op te leggen. Dat is een neoconservatieve wensdroom die in Irak onnoemlijk veel ellende heeft aangericht en dat ook elders dreigt te doen. In die zin gaat het niet alleen om Afghanistan maar ook om andere mogelijk interventiedoelen.

Karel Koster



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Wapenhandel via Schiphol -

Wapens voor Israël gaan via Nederland

Eind juli 2006 stelde GroenLinks Kamerlid Karimi dat ze beschikte over sterke aanwijzingen dat Nederlandse luchthavens fungeren als doorvoerhavens van Amerikaanse wapentransporten voor Israël . "Daarmee zou Nederland medeplichtig zijn aan die oorlog en dat kan niet", aldus het Kamerlid. Ze stelde vragen aan de ministers van Buitenlandse Zaken en Economische Zaken.

De Kamervragen werden begin augustus al zeer uitvoerig beantwoord. Nog nooit eerder was zo gedetailleerd gerapporteerd over wapendoorvoer via Schiphol naar Israël (zie kader). De informatie betreft zowel 2005 (77 vluchten), als juni en juli 2006 (22 vluchten). Dat deze doorvoer plaats vond was al veel langer bekend. Uit officiële informatie blijkt bijvoorbeeld dat in de jaren 2000 (minimaal 22 vluchten), 2001 (113) en de eerste 10 maanden van 2002 (58) en het eerste halfjaar van 2003 (23) vluchten met wapens plaats vonden. (noot 1)

Doorgaans wordt het begin van de functie van Schiphol als transito haven voor exporten van de VS naar Israël in 1973 gelegd. In dat jaar - tijdens de Yom Kippoer oorlog - koos Israël Nederland uit als bevriend land waar de controle op dergelijke zendingen eenvoudig te omzeilen was. Minister van Defensie Vredeling gaf destijds - zonder ruggespraak met zijn collega´s - toestemming voor het gebruik van Schiphol voor wapenvervoer naar Israël.

Verklaring van de gegevens

Het is verleidelijk om allerlei conclusies te trekken uit de vrijgegeven gegevens, maar daar moet voorzichtig mee worden omgesprongen. Het is bijvoorbeeld opvallend dat vooral veel munitie (onderdelen) worden opgesomd. In de Bijlmer Boeing zaten destijds - naast de grondstoffen voor chemische wapens - veel meer helikopter-, vliegtuig- en voertuigonderdelen. Betekent dit nu dat deze onderdelen nu niet meer via Schiphol worden vervoerd of eenvoudigweg dat ze niet meldt? Daarover valt weinig zinnigs te zeggen.

Het zou verklaarbaar zijn als de weg kwijt is in de Nederlandse regelgeving rond `snelle´ wapendoorvoer. (noot 2)

Ze zouden de eerste niet zijn; de Nederlandse overheid stelde zelf de hele wapenexportwetgeving binnen Europa per ongeluk buitenwerking bij het invoeren van de nieuwe doorvoerregeling in 2002. Een extern bureau typeerde de doorvoer regeling als complex en daarom moeilijk uitvoerbaar.

Ook bleek weinig te begrijpen van de Nederlandse wapendoorvoerregeling. In het begin rapporteerde ze alle militaire goederen, terwijl alleen kleine wapens moesten worden gemeld; ze waren daarmee het braafste en overijverige jongetje van de klas. Bijna drie jaar later - eind 2004 - werd de werkwijze van uit 2002 en 2003 opgenomen in de doorvoerregeling en inmiddels moet de doorvoer van alle militaire goederen gemeld worden. Mogelijk is dat nog niet bij de Israëlische vervoerder doorgedrongen. Gezien het nogal rommelige beleid van de Nederlandse overheid kan je dat nauwelijks kwalijk nemen.

Een andere conclusie die je kunt trekken is dat de hoeveelheid transporten aan de vooravond van de Israëlische oorlog in Libanon is toegenomen. In 2005 vonden 6 ½ transporten per maand plaats, in juni en juli 2006 22. Dat is 11 per maand en bijna het dubbele van het aantal vluchten over 2005. Maar bij het ontbreken van duidelijkheid over de regels, de zwakke controle op de naleving en het daardoor bijna vrijwillige karakter van de meldingen is dit een conclusie die te ver gaat.

Bondgenoten niet in de weg lopen

Er is een conclusie die wel getrokken kan worden. Schiphol speelt een belangrijke rol in de Amerikaanse wapentransporten naar Israël. En dit is een bewuste keuze.

Voormalig minister van Buitenlandse Zaken De Hoop Scheffer beaamde dit in 2002. Hij stelde destijds: "dat ook wapenexportbeleid op politieke keuzes berust. De criteria hiervoor dienen te worden gekoesterd, maar het is uiteindelijk altijd een politieke afweging van de regering en ook de controle door de Kamer heeft een politiek karakter. Dit komt zeker ook in het doorvoerbeleid tot uiting, zoals blijkt bij de doorvoer naar Israël. De Verenigde Staten houden Israël in militaire zin overeind door veel wapens aan dit land te leveren, maar het bestaansrecht van Israël wordt door een groot aantal landen nog steeds ontkend. De politieke afweging die de Nederlandse regering daarbij gemaakt heeft, heeft een rol gespeeld bij de totstandkoming van het wapenexportbeleid en het doorvoerregime," aldus een weergave van zijn woorden tijdens het Algemeen Overleg Wapenexportbeleid van november 2002.

Veel duidelijker kan het schijnbaar incoherente Nederlandse wapenexportbeleid niet verklaard worden. Het is geheel vergelijkbaar met wat ook Vredeling dertig jaar eerder al deed. Over de Nederlandse wapenexporten gaat een ethisch sausje, het beleid op Israël is zeer restrictief, maar daar waar het de grote hoeveelheden uit de VS betreft, gaat Nederland Washington en Jeruzalem niet in de weg lopen. In de woorden van de huidige regering heet dit: we gaan het wapenexportbeleid van een bondgenoot niet overdoen. Het wapenexportbeleid - zoals neergelegd in de Nederlandse en Europese wapenexport richtlijnen - wordt hiermee openlijk tot franje verklaard als grotere belangen in het geding zijn.

Martin Broek

Noten:
  1. Het gaat hier over minimale aantallen die vooral via Schiphol naar Israël gingen, zie tabel 4.2 in "ONZICHTBARE HANDEL: Doorvoer van wapens via Nederland," Oxfam Novib mei 2006.
    Terug naar tekst
  2. Bij snelle doorvoer gaat het om goederen die bij vervoer over zee korter dan 45 dagen in Nederland verblijven en korter dan twintig dagen bij alle andere vervoersmiddelen. (Naast het criterium betreffende de duur van het verblijf zijn er nog een aantal criteria, maar het voert te ver dat hier uit te werken.)
    Terug naar tekst


Meldingen doorvoer van militaire goederen via Schiphol naar Israël in 2005
Aantal Aantal
leveringen
Soort Type aanduiding Land van herkomst
112.893.125 31 Slaghoedjes   VS
45.279 10 Ontstekers - VS
3.013 1 Ontstekers voor 108mm tankmunitie VS
76 1 Ontstekers voor geleideraketten VS
108 1 Electrische ontstekers   VS
17.102.358 10 Munitie   VS
39.900 1 Patronen kal. 5,7x28 VS
20 1 Patronen   VS
15.000 1 Bullets   VS
7.150 1 Patronen kal. 37mm VS
100 1 Munitie, ontstekers   VS
44.600 3 Rookgranaten   VS
10.000 1 Rookgranaten kal. 37mm & kal. 40mm VS
10 4 Motoren voor geleideraket VS
2 2 Deel van geleideraket   VS
220 2 Oefengranaten   VS
47.489 1 Fakkels (Aerial flares)   VS
7.904 2 Traangasgranaten   VS
1 1 Communicatiecentrum + toebehoren Roemenië

In deze tabel zijn afzonderlijke leveringen met dezelfde benaming voor de duidelijkheid samengevoegd. Drie leveringen rookgranaten uit 2005 zijn bij elkaar opgeteld. Daar waar sprake is van type aanduidingen zijn deze gehandhaafd.

Bron: Ministerie van Economische Zaken. Meldingen doorvoer van militaire goederen naar Israël in 2005; en antwoorden op Kamervragen Kamerlid Karimi (GroenLinks), 2 augustus 2006 (BEB/HP/6057589).

Meldingen doorvoer van militaire goederen via Schiphol naar Israël in juni en juli 2006
Aantal Aantal
leveringen
Soort Type aanduiding Land van herkomst
32.851 2 Rookgranaten   VS
6.810.000 6 Slaghoedjes   VS
39.265 6 Patronen   VS
35.702 3 Ontstekers   VS
100 1 Flash Bang   VS
4.859.280 2 Signaalpatronen   VS
40.000 1 Patronen   Zuid-Korea
820 1 Ontstekers   Duitsland




Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Wapenhandel via Schiphol -

Stop de explosieve militaire vrachtvluchten van El Al

In 2003 deed de Delftse hoogleraar veiligheidsstudies Ben Ale in opdracht van VROM onderzoek naar de veiligheidsstudies over de uitbreiding van Schiphol. Uit dit onderzoek bleek dat de overheid de burgers rond de luchthaven bewust onjuist en onvolledig heeft geïnformeerd over de kans op een groot vliegtuigongeluk. Volgens de studies neemt de kans niet af, maar juist toe. Tot minimaal het vijfvoudige wanneer Schiphol over een aantal jaren de maximale capaciteit heeft bereikt. Staatssecretaris Pieter van Geel van VROM kon daardoor in de Tweede Kamer niets anders concluderen, dan dat de overheid de burgers indertijd bij de beslissing over de uitbreiding van Schiphol ‘knollen voor citroenen heeft verkocht.’ (noot 1) Maar hier blijft het niet bij. De militaire vrachtvluchten van El Al gooien verder roet in het eten omdat zij zeer grote bijkomende risico’s voor de mensen op de grond met zich meebrengen. De onveiligheid neemt nog verder toe.

Hoe groot deze extra gevaren zijn, wordt duidelijk wanneer we de risico’s van de militaire vrachtvluchten van El Al afzetten tegen de risico’s van de gewone vluchten waarop de veiligheidsstudies zijn gebaseerd.

Ten eerste vinden de militaire transporten vrijwel uitsluitend plaats in grote Boeings 747. De kleinste en oudste hiervan is de Boeing 747-200. Dit type stortte neer in de Bijlmer. Gewicht bij vertrek volgens de enquêtecommissie indertijd ruim 339 ton. (noot 2) Dit is bijna drie keer zoveel dan het gemiddelde vliegtuig van 121 ton waarmee de veiligheidsstudies rekening houden. (noot 3)

Ten tweede gaat het hier niet om vluchten met passagiers of gewone lading, zoals die ten grondslag liggen aan de berekeningen, maar om zeer grote vliegende vuurwerkfabrieken. Zo bevatten bijvoorbeeld de twee vluchten die op 7 juni een tussenlanding maakten op Schiphol respectievelijk 1.218.816 en 3.640.464 – bij een crash zeer explosieve – signaalpatronen. (noot 4) Ter vergelijking: volgens de enquêtecommissie was de lading van de Bijlmer Boeing niet risicoverhogend. Het militaire deel was overigens gering, 3930 kg bruto en bestond voornamelijk uit onderdelen. (noot 5)

Ten derde mag in de toekomst meer doorvoer met explosief materiaal via Schiphol verwacht worden, zeker bij toenemende spanningen in het Midden-Oosten, omdat El Al sinds kort geen tussenlandingen meer mag maken in Engeland, Duitsland, Portugal, Spanje en Italië. (noot 6) Schiphol was al de grootste militaire vrachtdoorvoerhaven van El Al en zal dus nog verder groeien. Waarbij doorvoer van kernwapens niet uitgesloten mag worden.

Ten vierde en nauw samenhangend met het voorgaande stijgt de kans op een terroristische aanslag. De militaire vrachtvluchten van El Al zijn natuurlijk nu helemaal een ideaal doelwit. Een lang bekend en stijgend risico dat niet in de studies is opgenomen.

Waarmee we tenslotte aangeland zijn bij misschien wel het meest schrijnende en risicoverhogende punt dat niet ingecalculeerd is. Uit veiligheidsoverwegingen mogen gewone vliegtuigen slechts in uitzonderingsgevallen over Amsterdam, waaronder de Bijlmermeer, uit- en aanvliegen. Vliegbewegingen daar zijn dan ook tot een absoluut minimum beperkt. El Al-vliegtuigen daarentegen mogen ten alle tijden afwijken van deze regel. Tijdens de verhoren voor enquêtecommissie bracht voormalig premier Kok deze geheime afspraak in een notitie naar voren: ‘Voor El Al-vliegtuigen worden andere landings- en startprocedures toegepast. Hierover worden aan het publiek gelet op de daarmee verband houdende risico’s geen mededelingen gedaan.’ (noot 7)

El Al-toestellen zijn het meest kwetsbaar wanneer ze net als andere toestellen volgens een vast patroon boven de weidse polder vliegen. Je kunt ze gemakkelijk, omdat je ze al van ver ziet aankomen, met een kleine raket opwachten. Maar afwijkend boven Amsterdam ligt de zaak anders, er zijn dan bovendien een groot aantal mogelijkheden – maximaal vier banen – om te starten en te landen. En dat is dan ook de reden dat op 4 oktober 1992 niet in de polder maar in de Bijlmermeer een El Al-Boeing crashte. Maar of er nu in Castricum of in het centrum van Amsterdam een groot El Al-toestel terecht komt met veel explosief materiaal aan boord, gewoon gecrasht of neergehaald, de ravage zal groot zijn en waarschijnlijk alle eerdere rampen ver overtreffen.

Tegenover de Onderzoeksraad voor Veiligheid, nu onder leiding van Pieter van Vollenhoven, zal de overheid dan geen goed verhaal kunnen hebben. De militaire vrachtvluchten van El Al hoeven immers geen tussenlanding te maken op Schiphol. Ze kunnen ook rechtstreeks vanuit de VS naar Israël vliegen, wanneer ze maar meer brandstof innemen en de vliegtuigen minder beladen. Met andere woorden: het is puur een centenkwestie. Verder verbiedt de overheid sinds september 2000 de wapenexport van Nederland naar Israël, maar heft ze dit verbod op als het gaat om doorvoer. Voorts zal de overheid duidelijk moeten maken waarom er nooit een aparte milieu-effectrapportage van de militaire vrachtvluchten is gemaakt. Het gaat immers om activiteiten, die zoals de wet zegt ‘die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu’, en die niet te vergelijken zijn met de andere activiteiten op Schiphol.

Maar ook zonder ongeluk is de Onderzoeksraad gerechtigd om stappen te ondernemen. Het kabinet doet er dan ook verstandig aan om de militaire vrachtvluchten van El Al en risicoverhogende wapenvluchten van andere luchtvaartmaatschappijen ogenblikkelijk te stoppen.

Joop Blom

Noten:
  1. De Volkskrant, 31 oktober en 1 november 2003
    Terug naar tekst
  2. Eindrapport Bijlmer Enquête 1999, p. 228
    Terug naar tekst
  3. Integraal Milieu-effectrapport Schiphol en omgeving 1993; Externe veiligheid, p. 37
    Terug naar tekst
  4. Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, Aanhangsel 4019 t/m 4021
    Terug naar tekst
  5. Eindrapport Bijlmer Enquête 1999, p. 228, 236 e.v.
    Terug naar tekst
  6. Het Parool, 5 september 2006
    Terug naar tekst
  7. www.doemvlucht.nl/doemvlucht, documenten 01-03, notitie 1.3, paragraaf 4.2
    Terug naar tekst


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Boekbespreking -

Neutraal Nederland laverend tussen de strijdende
partijen tijdens de Eerste Wereldoorlog

Al enige tijd groeit de belangstelling in Nederland voor de Eerste Wereldoorlog. Dit conflict met bijna 10 miljoen dodelijke slachtoffers ging wat oorlogshandelingen betreft grotendeels aan het neutrale Nederland voorbij. Lange tijd was de gedachte dat deze oorlog dan ook nauwelijks effect had op ons land.

Die Nederlandse neutraliteit ging overigens wel gepaard met een oorlog voor onze gedachten. Dit is tevens de titel van een publicatie van de hand van Ismee Tames. Vrijwel alle Nederlandse opiniemakers waren het er tijdens de Eerste Wereldoorlog over eens dat hun land neutraal moest blijven. Neutraliteit beschouwden ze als een onderscheidend deel van de eigen identiteit. Maar wat betekende neutraal zijn precies en welke Nederlandse eigenschappen speelden hierbij een rol of zouden dat moeten doen? Was het de taak van Nederland om op te treden als hoeder van het internationaal recht? Of zou het een verzoenende rol kunnen spelen en zo de vrede bevorderen? Of moest men nadenken over de democratie als ordeningsprincipe voor de toekomst?

Tames analyseert het publieke debat, vooral aan de hand van tijdschriften, kranten (`De Toekomst´, `De Telegraaf´) en bijdrages van intellectuelen zoals de historicus G.W. Kernkamp, de dichter-politicus F.C. Gerretson en CHU-leider A.F. de Savornin Lohman en de uitgever L. Simons. Zij laat zien dat er telkens andere begrippen werden gehanteerd om de eigen identiteit te beschrijven. Keer op keer bleek een voorgestelde omschrijving namelijk onhoudbaar - zowel door de loop van de oorlog zelf, als door uitlatingen van politici en intellectuelen uit de oorlogvoerende landen.

Jammer is dat Tames niet of nauwelijks in gaat op de discussies zoals die binnen de linkse beweging werden gevoerd tussen pacifisten, revolutionaire antimilitaristen, aanhangers van de Centralen en van de Geallieerden. Dit soort debatten en de consequenties die ze hadden voor de respectievelijke opstelling van die stromingen ten aanzien van de mobilisatie, speelden wel degelijk een rol binnen bijvoorbeeld de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), de Sociaal-Democratische Partij (SDP) die haar naam op het einde van de oorlog zou veranderen in Communistische Partij (CPN), en de anarchistische groeperingen.

Een uitzondering maakt ze daarbij voor de literator en arts Frederik van Eeden. Deze voormalige pacifist verdedigde in 1915 de noodzaak van militaire verdediging. Daarbij kwam hij in conflict met zijn vroegere geestverwanten, zoals de anarchist Albert de Jong die een brochure tegen hem schreef, waarin hij hem verweet aan de kant van de nationalisten te staan. Hiermee plaatste Van Eeden zich buiten het linkse socialistische milieu.

The art of staying neutral

Waar Tames zich concentreert op de discussie onder opiniemakers biedt de Nieuw-Zeelandse Maartje Abbenhuis (met inderdaad Nederlandse voorouders) in The Art of Staying Neutral vooral een boeiend inzicht in de problemen en uitdagingen van neutraliteit in een tijdperk van `totale oorlog´. Het boek zet uiteen hoe Nederland zijn neutrale status tijdens de Eerste Wereldoorlog wist te handhaven en beschermen, ondanks de constante druk van buurlanden die wél in oorlog waren.

De zogeheten `zand- en grindkwestie´ springt daarbij in het oog. De Duitsers transporteerden zand en grind vanuit het keizerrijk door Nederland naar België. Dit deden ze onder de toezegging dat ze het materiaal alleen voor vreedzame doeleinden, zoals de herbouw van Belgische dorpen, zouden aanwenden. In werkelijkheid gebruikte het Duitse leger het zand en grind voor onder meer de bouw van bunkers en andere verdedigingswerken. Zowel Centralen als Geallieerden poogden druk uit te oefenen op de Nederlandse regering om respectievelijk de scheepstransporten onbeperkt door te laten dan wel juist te verbieden.

Neutraal blijven was een kunst die de Nederlanders volgens Abbenhuis beheersten door middel van uitgekiende diplomatie, zorgvuldige naleving van internationale wetten en nauwgezette controle van de onderdanen, maar ook dankzij een flinke dosis geluk. Daarnaast waren de uitgebreide mobilisatie van gewapende eenheden en de regelmatige patrouillering langs de landsgrenzen van betekenis. Dit resulteerde in een uitbreiding van de invloed van het leger op de burgermaatschappij. De Staat van Beleg en de Staat van Oorlog boden extra instrumenten aan de autoriteiten om zich te ontdoen van de invloed van lastige politieke agitatoren. Politieke bijeenkomsten konden verboden worden en het zelfde gold voor het verspreiden van diverse de autoriteiten niet welgevallige periodieken, zoals de `Soldaten-Tribune´, `De Vrije Socialist´ en `De Wapens Neder´.

Onrust onder de militairen

Abbenhuis behandelt in de hoofdstukken 10 en 11 het afnemende moreel van de militairen in leger en vloot. Zij staat daarbij evenzeer stil bij de onrust, rellen en muiterijen. Maar ze betreurde, zo liet zij mij onlangs tijdens een seminar over dit thema weten, niet eerder kennis te hebben genomen van mijn proefschrift `Niet voor God en niet voor het Vaderland. Linkse soldaten, matrozen en hun organisaties tijdens de mobilisatie van ´14-`18´. Dit getuigde volgens haar van diepgravend onderzoek. Ook haar Engelstalige publicatie verdient dit predikaat, met hier een daar een kritiekpuntje. Zo lijk het er sterk op dat ze niet op de hoogte is van bijvoorbeeld de onderlinge verhouding tussen SDP/CPN en SDAP. Beide politieke groeperingen noemden zich sociaal-democratisch, maar hadden een totaal ander standpunt met betrekking tot de mobilisatiepolitiek van de regering.

De SDAP schortte voor de duur van het conflict de klassenstrijd op en sloot de godsvrede. De belangen van het land en haar pogingen om als neutrale mogendheid buiten de oorlog te blijven hadden nu voorrang.

De radicale SDP stond juist op het standpunt van onmiddellijke demobilisatie en voor het bestrijden van het kapitalistische systeem. Toch levert The Art of Staying Neutral een belangrijke bijdrage aan de studie van neutraliteit en besteedt ook volop aandacht aan de nationale en internationale gevolgen van de opstelling van Nederland tijdens een ingrijpende periode uit de wereldgeschiedenis. Negentig jaar later blijken veel van de bovengenoemde thema´s nog verrassend actueel met Uruzgan als meest recente voorbeeld.

Ron Blom


I. Tames
Oorlog voor onze gedachten
Oorlog, neutraliteit en identiteit in het Nederlandse publieke debat, 1914-1918
28 euro


M. Abbenhuis
The Art of Staying Neutral
The Netherlands in the First World War, 1914-1918

39,50 euro



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Fotoreportage -

Donkere Wolken boven Iran

In mei 2005 bezocht fotograaf Bert Spiertz Iran. Foto’s maakte hij onder andere in Teheran, Isfahan, Shiraz en Yazd. Op deze pagina een impressie van deze reis. Te zien zijn mannen, vrouwen, kinderen op weg naar het werk, naar school of universiteit of zomaar genietend van een vrij moment of een vrije dag. Maar hoe lang zal dit straatbeeld nog bestaan? Hoe zal Iran er over pakweg een jaar of over vijf jaar uitzien? Sommige van deze plaatsen liggen vlakbij nucleaire installaties en zouden doelwitten kunnen vormen in de volgende etappe van Bush’ eindeloze oorlog.

Foto’s van Bert Spiertz zijn te vinden op: www.spiertzfoto.nl



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Geheime diensten -

De AIVD, Veiligheidsdienst voor de burgers of Staat in de Staat

''Those who can give up essential liberty
To obtain a little temporary safety
loose as well liberty as safety''

(Variant op een citaat van Benjamin Franklin)

Sinds haar oprichting op 29 mei 2002, als opvolgster van de voormalige BVD (Binnenlandse Veiligheidsdienst) mag de AIVD (Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst) bogen op een grote belangstelling voor haar activiteiten, met name betreffende terreurbestrijding. Dienaangaande acht ik het van belang, de handelingen, taken en bevoegdheden van de AIVD summier onder de loep te nemen.

Niet alleen wil ik stilstaan bij de uitvoering van haar taakstelling en het gevaar van willekeur in verband met haar zeer ruime bevoegdheden, maar eveneens bij enkele contacten tussen deze dienst en internationale inlichtingendiensten en haar bewijsaandragende rol ten aanzien van de in Nederland gevoerde terreurprocessen.Tenslotte wil ik stilstaan bij haar verschil in benadering tussen de echte of vermeende terroristische activiteiten met betrekking tot het moslimradicalisme enerzijds en de racistisch georiënteerde Lonsdale jongeren anderzijds.

A. Taakstelling en operationele activiteiten:

Op 29 mei 2002 volgde de AIVD (Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst), gebaseerd op de op diezelfde datum inwerking getreden vernieuwde WIV (Wet Inlichtingen en Veiligheidsdiensten), haar voorgangster de BVD (Binnenlandse Veiligheidsdienst) op.

Het verschil met haar voorgangster bestond met name hieruit, dat zij een combinatie werd van veiligheidsdienst en inlichtingendienst, welks laatste met name impliceerde het onderzoek naar ontwikkelingen in het buitenland, in het belang van ''de nationale veiligheid.''

Nog afgezien van deze aanzienlijke verruiming van haar bevoegdheden, is in de wetsartikelen van de vernieuwde WIV haar taakomschrijving zo ruim omschreven, dat een en ander aanleiding kan geven tot willekeur en oncontroleerbaarheid ten aanzien van deze inhoudelijke taakuitoefening.

Een ander zorgwekkend aspect van deze verruimingswetgeving is de onder artikel 21 WIV gestelde bepaling, dat eventuele agenten van de Dienst zich, onder specifieke niet nader omschreven omstandigheden, in het kader van hun taakstelling schuldig mogen maken aan strafbare feiten, zonder dat daarbij een beperking is opgelegd ten aanzien van het te plegen strafbaat feit.

Vòòr de vernieuwde WIV van 2002 was een dergelijk te plegen misdrijf de jure nog illegaal.

Het moge duidelijk zijn, dat een dergelijke verruimingsbevoegdheid niet alleen een onacceptabele verlegging is van de strafbaarheidstelling van te plegen misdrijven, maar daarenboven aanleiding kan geven tot ernstige willekeur, aangezien effectieve controle op de activiteiten van de AIVD maar zeer ten dele aanwezig is. Weliswaar is er sprake van een parlementair controlerend orgaan, de Commissie voor Inlichtingen en Veiligheidsdiensten, in de wandelgangen ook wel de ''commissie Stiekem'' genoemd, die operationele activiteiten van de AIVD met de minister van Binnenlandse Zaken, als zodanig verantwoordelijk voor de AIVD, bespreekt, maar deze sinds 2004 uit alle fractievoorzitters behalve de SP bestaande organisatie vergadert zelden.

Hoewel deze Commissie rapporteert aan de Tweede Kamer, is de hierin verstrekte informatie in principe geheim, waardoor de regering in dezen niet ter verantwoording kan worden geroepen, hetgeen in casu de operationele activiteiten van de AIVD aan een effectieve democratische controle onttrekt.

B. Contacten met buitenlandse inlichtingendiensten:

Zoals reeds opgemerkt draagt de AIVD mede het karakter van een inlichtingendienst, hetgeen in principe impliceert het contact met alle buitenlandse inlichtingendiensten, ook die van landen, die een slechte reputatie hebben op het gebied van de mensenrechten. Met name kan een dergelijke samenwerking, die uiteraard gepaard gaat met wederzijdse informatie-uitwisseling, ernstige gevolgen hebben voor eventueel door Nederland naar die landen uit te leveren en uit te zetten terreurverdachten.

Een voorbeeld hiervan is de uitzetting op 16 januari 2006 naar Marokko, nog voor zijn veroordeling als lid van de zogenoemde Hofstadgroep, van de illegaal in Nederland verblijvende terreurverdachte Zine L.A. na een afgegeven ongewenstverklaring door minister Verdonk van Vreemdelingenzaken en Integratie.

Gelet op de sinds januari 2005 nader aangehaalde banden tussen de AIVD en de zusterdiensten in Marokko, Saoedi-Arabië en Pakistan kon verondersteld worden, dat de Marokkaanse autoriteiten op de hoogte waren van de inbeschuldigingstelling tegen Zine L.A. op grond van terrorisme.

Aangezien bekend is dat de mensenrechtensituatie in Marokko, Saoedi-Arabië en Pakistan met name ten aanzien van uitgezette asielzoekers met een terreurstempel buitengewoon zorgwekkend is, lopen de naar deze landen uitgezette terreurverdachten een verhoogd risico op marteling en andere mensenrechtenschendingen.

Eveneens is het een zorgwekkend gegeven, dat de Nederlandse autoriteiten niet alleen echte of vermeende terreurverdachten uitzetten, maar eveneens op verzoek uitleveren aan mensenrechtenschendende landen, ondanks het verbod daartoe volgens artikel 3, VN Antifolterverdrag. Iedere door de AIVD verstrekte informatie kan uiteraard bijdragen tot een verhoogde kans op martelingen en mensenrechtenschendingen.

C. Door de AIVD aangedragen bewijslast ten aanzien van de in Nederland gevoerde terreurprocessen

Een belangrijke binnenlandse taak van de AIVD is het ''doen van onderzoek naar organisaties en personen die een bedreiging kunnen vormen voor de samenleving.” Hoewel onder dit aandachtspunt zeker ook extreemrechtse organisaties en door extreemrechtse denkbeelden beïnvloede personen gerekend kunnen worden zal ik straks aantonen, dat de aandacht van de AIVD voornamelijk gericht is op de echte of vermeende radicaal-islamitische organisaties en personen.

Het gevaar van het door de AIVD als terrorisme beschouwde verschijnsel is niet alleen de vaagheid ervan, maar de zorgwekkende vervlakking van het begrip, waardoor hieronder een breed scala van al dan niet aan strafbare feiten dan wel voornemens gelieerde opvattingen en begrippen kunnen worden geressorteerd.

Zo gaat de AIVD niet alleen uit van de internationaal-rechtelijke definitie van terrorisme, namelijk het plegen van militaire aanvallen op burgers en/of burgerdoelen met een politiek oogmerk, met als medebelangrijk doel de pressie van de politieke autoriteiten tot het doen dan wel nalaten van bepaalde politieke maatregelen, maar betrekt in haar terrorismeopvatting eveneens begrippen zoals radicalisering en radicaliseringtendensen, alsmede deelneming aan de Jihad (de islamitische gewapende strijd), zonder hiervan overigens een gedegen definitie te geven.

Zij verliest echter uit het oog, dat in geval van de Jihad ofwel de gewapende islamitische strijd, waarmee meestal het gewapende verzet tegen de Amerikaanse militaire aanwezigheid in Irak en het Russische leger in Tsjetsjenië wordt aangeduid, pas sprake is van terrorisme, wanneer deze acties gericht zijn tegen burgers of burgerdoelen. Deelname aan een dergelijke gewapende strijd tegen genoemde legers is weliswaar in de Nederlandse strafwetgeving strafbaar gesteld, maar ressorteert internationaal-rechtelijk onder het recht tot verzet tegen een buitenlandse bezettingsmacht.

Nog ernstiger acht ik het feit, dat de AIVD op het gebied van terrorismebestrijding eveneens refereert aan radicalisme en radicaliseringtendensen, zonder het geven van een specifieke of serieuze definitie van deze begrippen. Zo refereert de AIVD aan het ''zaaien van haat'' op Internet, zonder een en ander nader toe te lichten, hierbij daarenboven gevoeglijk uit het oog verliezend, dat een op Internet geuite mening, tenzij er sprake is van bedreiging of een te plegen strafbaar feit, ressorteert onder vrijheid van meningsuiting, waarbij hooguit vervolging kan plaatsvinden op grond van echt of vermeend racisme of belediging van de religie, cultuur of seksuele geaardheid van een bevolkingsgroep. Van terrorisme is in dezen echter geen sprake.

Daarenboven is het gevaar van de hantering van terminologieën als ''radicalisering'' en ''radicaliseringtendensen'' niet alleen de polyinterpretabiliteit van deze begrippen (de een vindt een referentie aan door de VS in Irak gepleegde oorlogsmisdaden ‘haatzaaierij’, de ander de monopolisering van de eigen religie ten koste van andere religies), daarenboven raakt een en ander, zoals reeds gezegd, niet alleen aan het principe van de vrijheid van meningsuiting, maar worden reeds in een vroeg stadium mensen vanwege hun stellingname in het openbare debat gecriminaliseerd.

Tenslotte is deze referentie aan ''radicaliseringtendensen'' niet alleen ondemocratisch, maar daarenboven oneigenlijk, aangezien niet onderkend wordt, dat juist vanwege de vrijheid van debat wellicht kan worden afgezien van werkelijk extremistische standpunten.

Deze polyinterpretabiliteit speelt mijns inziens eveneens een rol in de door mij aan te tonen bagatellisering van de racistische dan wel terroristische dreiging, die eveneens van een groep extreemrechtse organisaties en deelnemende personen kan uitgaan.

D. AIVD-bewijsmateriaal inzake terreurprocessen:

Zoals bekend heeft de AIVD in een aantal in Nederland gevoerde terreurprocessen middels aangevoerde bewijslast trachten aan te tonen, dat hier daadwerkelijk sprake is geweest van planning dan wel voorbereiding tot het plegen van een terroristische aanslag.

Enkele voorbeelden in dezen zijn de twee Rotterdamse terreurprocessen van 2002 en 2003, de twee inmiddels tegen terreurverdachte Samir A. gevoerde processen en het recentelijk gevoerde Hofstadproces. Zoals bekend zijn de eerste vier processen in vrijspraak geëindigd.

Ten onrechte werd in dezen door delen van de persmedia en de publieke opinie gesteld, dat het AIVD-bewijsmateriaal in het proces niet gebruikt mocht worden.

Niets was minder waar.

Hoewel niet bekleed met opsporingsbevoegdheid, heeft de AIVD niet alleen de taak en de bevoegdheid tot het signaleren van eventuele risicofactoren tot en de preventie van een terroristische aanslag, maar kunnen eveneens onder de invloed van een door haar uitgebracht ambtsbericht ten aanzien van een terreurdreiging, verdachten worden gearresteerd. Daarenboven heeft zij de mogelijkheid tot het toevoegen van de nodige bewijsstukken.

Echter, zowel in de zaak betreffende het Rotterdamse terreurproces in 2002 als in de tot nu toe tegen Samir A. gevoerde processen, ontbrak het de AIVD aan overtuigend bewijsmateriaal.

Eveneens speelde een en ander een rol in het pasgevoerde Hofstadproces, waarbij door de rechtbank voor de waarheidsvinding betreffende de inhoud en herkomst van de in het ambtsbericht aangevoerde bewijslast aan de heren van Hulst (hoofd AIVD), zijn plaatsvervanger Bot en de toenmalige landelijke officier terreurbestrijding, de heer Klunder, nadere toelichting werd gevraagd. Aangezien zij zich dienaangaande bleven beroepen op hun geheimhoudingsplicht, is het ambtsbericht niet als bewijsmateriaal door de rechter toegelaten.

Niet alleen is in dezen sprake van een door de rechtbank op de principes van de Nederlandse rechtsstaat gestoeld genomen besluit, een en ander is eveneens een evenwicht in de reeds mijns inzieens buitenproportionele invloed van de AIVD op een eventueel strafproces.

In de huidige antiterreurwetgeving van 2002 kan namelijk AIVD-bewijsmateriaal gebruikt worden bij een strafproces zonder dat de verdachte of de verdediging op de hoogte is van inhoud en herkomst van het materiaal. Het moge evident zijn, dat een en ander een ernstige schending is van de rechten van de verdachte, aangezien hij zich noch hiertegen kan verdedigen, noch de onjuistheid, dan wel onrechtmatigheid van het bewijs kan aantonen. Wel dient de rechter in de gelegenheid te zijn, dit bewijsmateriaal te kunnen toetsen.

Aangezien de rechter echter niet in het belang van verdachte een en ander kan toelichten en rechtzetten, kan iemand tegenwoordig in Nederland veroordeeld worden op grond van ''geheime informatie''.

Een en ander roept in mijn optiek reminiscenties op aan rechtsvormen in niet-democratisch geregeerde landen en samenlevingen en ik acht een en ander daarom ten enenmale onacceptabel.

In het recente Hofstadproces echter waren kennelijk de heren van de AIVD en de landelijk officier terreurbestrijding al evenmin bereid, zich door de rechter te laten controleren, waardoor het bewijsmateriaal niet is meegenomen in de verdere procesvoering.

E. Discrepantie van de AIVD in standpuntbepaling tussen terrorisme van radicaal-islamitische en extreemrechtse zijde

Tenslotte wil ik nog in het kort aandacht schenken aan de grote AIVD-discrepantie in benadering van het terrorisme, voortkomend uit het moslimradicalisme en het terrorisme, dat is geworteld in het extreemrechtse gedachtegoed.

Dienaangaande is opvallend te constateren de discrepantie in aandacht voor en rapportage over de bovengenoemde doelgroepen. Terwijl er relatief in zeer grote mate aandacht wordt besteed aan het moslimradicalisme, is de rapportage ten aanzien van de dreiging van de zijde van extreemrechtse groeperingen, hoewel wel degelijk onder de aandacht van de AIVD, zeer mager te noemen.

Een en ander wekt de nodige verbazing, aangezien zowel na de aanslagen van 11 september 2001 als met name ook na de moord op de heer Theo van Gogh, een groot aantal mijns inziens terroristische aanslagen zijn gepleegd, die variëren van fysieke en verbale aanvallen op moslims en brandstichtingen in moskeeën en islamitische scholen. Zo maakt de Nederlandse Anne Frankstichting melding van 190 geweldsincidenten na 11 september en 174 geweldsincidenten na de moord op de heer Theo van Gogh.

Hoewel de AIVD wel degelijk de bedreiging voor de openbare orde, die uit is gegaan en nog uitgaat van het optreden van het gewelddadige deel van de Lonsdale-jongeren erkent, associeert zij een en ander echter noch met racisme, noch met terrorisme. Uiteraard is het evident, dat niet slechts en niet alle Lonsdale-jongeren aan genoemd geweld hebben deelgenomen (er waren uiteraard ook andere groepen jongeren en andere personen bij betrokken), maar het is mijns inziens oneigenlijk, de groep, die hierbij betrokken was, niet als racistisch te kwalificeren.

Merkwaardig is in dezen eveneens het feit, dat waar de AIVD spreekt van ''gevaarlijke haatzaaierij'' refererend aan islamitisch radicale teksten op Internet, zij betreffende de na de moord op Van Gogh op een aantal extreemrechtse fora verschenen racistische bijdragen, slechts refereert aan de ''felheid'' van de teksten. Evenmin refereert zij dienaangaande aan haatzaaierij, maar van ''hoog oplopende gemoederen na de moord''.

Het meest frapperende echter acht ik het feit, dat zij dergelijke tekstgedeelten, waarvan een aantal een onmiskenbaar racistische lading heeft, niet als racistisch beschouwt, aangezien er hier geen sprake zou zijn van ''biologisch determinisme'' (het kwalificeren van de eigen etnische groep als superieur ten aanzien van de andere etnische groep of groeperingen).

Ik wil bij dezen graag de AIVD in herinnering brengen, dat nog los van de openlijke racistische scheldpartijen op dergelijke fora, die ook in het rapport van de Anne Frank-Stichting over de ontwikkelingen na de moord op van Gogh als racistisch wordt gekwalificeerd, volgens de internationale mensenrechtenverdragen racisme eveneens betrekking heeft op allochtone groeperingen binnen een samenleving.

Verder is het opvallend, dat de AIVD zichzelf tegenspreekt, aangezien zij weliswaar het racisme ontkent, maar wel toegeeft, dat hier sprake is van xenofobie, hetgeen synoniem is met racisme.

De AIVD valt evenzeer te verwijten, dat zij ten aanzien van de opvattingen van deze jongens refereert aan hun ''frustraties ten aanzien van de multiculturele samenleving''. Met dergelijke kwalificaties laadt zij niet alleen de verdenking op zich, met twee maten te meten, maar tevens dergelijke racistische uitingen te willen bagatelliseren.

Eveneens past zij de zelf gegeven definitie van terrorisme: het plegen van aanslagen met een politiek doel, met eveneens een belangrijk aspect, angstaanjagerij, in casu de in Nederland wonende allochtonen, niet toe.

Nog los van het feit, dat mijns inziens de Nederlandse antiterreurwetgeving strijdig is met de mensenrechtenregels en dat ik de AIVD-invloed op een terreurproces niet evenredig de rechtsprincipes acht, hetgeen naar mijn mening evenzeer geldt voor eventuele terreurverdachten van extreemrechtse zijde, acht ik het leggen door de AIVD van een dubbele standaard ten aanzien van twee groepen potentiële terreurverdachten in alle opzichten in strijd met het gelijkheidsprincipe.

Conclusie

Uiteraard acht ik het bestaan van de AIVD als zijnde veiligheids- en inlichtingendienst van groot belang.

Het is echter evident, dat het functioneren van een dergelijke dienst gepaard gaat met een zekere geheimhouding en de bescherming van haar bronnen, zeker wanneer het informanten betreft. Dit houdt echter niet in, dat zij bij haar bewijsvoering geen verantwoording dient af te leggen van het verkregen bewijs, niet alleen vanwege het gevaar van de oncontroleerbaarheid, maar met name vanwege de evidente schending van de rechten van de verdachte.

Een en ander impliceert uiteraard, dat de functionering van een dergelijke dienst gebaseerd dient te zijn op de eigen naleving van de mensenrechtenregels zoals het niet plegen van strafbare feiten en het geven van een sluitende en duidelijke definiëring van haar aandachtsvelden zoals terrorisme en gewelddadig activisme.

Evenzeer dient zij in een democratische samenleving niet alleen door een aan de Tweede Kamer verantwoording af te leggen commissie te worden gecontroleerd, maar ook dient deze controle voor de burger openbaar te zijn. Het gevaar van een steeds meer aan invloed en macht winnende dienst, ten koste van een soms achter de feiten aanlopend parlement, is anders immers groot.

Vele Nederlandse burgers zijn bereid voor hetgeen zij als veiligheid ervaren, een deel van de persoonlijke vrijheid en zelfs burgerrechten op te geven. Zij dienen zich echter te realiseren, dat zij daarbij uiteindelijk zowel de veiligheid als de vrijheid verliezen.

Astrid Essed
Dit artikel werd eerder gepubliceerd in het Belgische webzine Uitpers, nr. 74, 7de jg., april 2006

Bronnen:
- Britta Bohler: Crisis in de rechtsstaat
- Rapportage Anne Frankstichting ten aanzien van ontwikkelingen na de moord op T van Gogh
- Artikelen Louis Sévèke
- Website AIVD
- Website regering.nl
- Website Justitie
- AIVD-rapportage over 'Lonsdale'' jongeren



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Wapenwedloop -

De grote gelijkmaker
Lessen van Irak en Libanon

De Verenigde Staten hadden slechts een paar jaar het monopolie op kernbewapening voor het betwist werd door andere naties - maar vanaf 1949 tot ongeveer de jaren negentig heeft de afschrikkingstheorie gewerkt. De naties wisten, dat als ze de verschrikkelijke bom gebruikten, ze waarschijnlijk vernietigd zouden worden bij de tegenaanval.

Ondanks voorbeelden van waaghalzerij, zoals de Cubaanse raketcrisis en talrijke dreigementen met nucleaire vernietiging tegen niet-kernmachten, hebben de weinige naties die de bom bezaten, besloten dat een kernoorlog de gruwelijke risico´s niet waard was.

Vandaag de dag echter is de productie of aankoop van massavernietigingwapens of krachtige precisiewapens binnen het bereik van tientallen naties. Door het grote aantal wapens dat nu beschikbaar is, wordt de afschrikkingstheorie in toenemende mate irrelevant en houdt het militaire machtsevenwicht dat in de periode na de Tweede Wereldoorlog bestond, niet langer stand. Dat proces begon na 1950 in Korea, waar de oorlog eindigde in een gelijkspel, ondanks de grote Amerikaanse militaire overmacht op papier. Vervolgens ontdekte het Pentagon in Vietnam, waar de VS werden verslagen, dat ze grote moeite hadden met de combinatie van een uitgestrekt gebied en guerrillaoorlog. Beide oorlogen hadden tot gevolg dat de Amerikaanse militaire en elitestrategen gingen nadenken over de beperkingen van hoogtechnologische oorlogsvoering en een tijdlang leek het of de juiste lessen getrokken waren en kostbare vergissingen niet zouden worden herhaald.

De conclusie uit deze twee grote oorlogen had moeten zijn dat er duidelijke grenzen waren aan de Amerikaanse militaire en politieke macht, dat de VS hun buitenlandse politiek drastisch op maat moesten snijden en ophouden te interveniëren waar ze maar wilden. Kortom, het was noodzakelijk om het feit te accepteren dat ze de wereld niet naar willekeur konden dirigeren. Maar zo´n conclusie, hoewel gerechtvaardigd door de ervaring, was veel te radicaal voor beide grote partijen in de VS om te aanvaarden. Bovendien beloofde de defensie-industrie onophoudelijk met het ultieme nieuwe wapen te komen.

Geloof in wapentechnologie

Na 11 september redeneerden de Amerikaanse leiders en de militaire elite dat ze van meer politieke mislukkingen gered konden worden door technologie. Maar dergelijke illusies - gevoed door het technologisch fetisjisme, dat het waarmerk is van hun beschaving - leidde tot het debacle in Irak. Er heeft nu een kwalitatieve technologische sprong plaatsgevonden, die alle overgeërfde conventionele wijsheid, en oorlog als instrument voor politiek beleid, volkomen irrelevant heeft gemaakt, niet alleen voor de VS, maar voor elke andere natie die zich hieraan wil wagen.

De technologische ontwikkeling gaat nu veel sneller dan de diplomatieke en politieke middelen, of de wil om de onvermijdelijke gevolgen ervan te controleren - om maar helemaal niet te spreken over de traditionele strategische theorieën.

Hezbollah heeft veel betere en dodelijkere raketten dan een paar jaar geleden. Amerikaanse experts denken zelfs dat de Iraniërs ze gedwongen hebben om de nog veel krachtigere en verder reikende kruisraketten die ze ook al bezitten, in reserve te houden.

Iran zelf bezit grote aantallen projectielen waarvan de experts denken dat ze heel goed in staat kunnen zijn om gevechtseskaders met vliegdekschepen te vernietigen. Alle pogingen om zelfs maar de meest primitieve verdediging tegen deze raketten te ontwikkelen zijn op kostbare mislukkingen uitgedraaid, en overal is de antirakettechnologie onbetrouwbaar gebleven, ondanks de inspanningen en de miljarden dollars die er de laatste decennia aan gespendeerd zijn.

Nog onheilspellender is, dat het leger van de VS onlangs een rapport heeft vrijgegeven waarin staat dat lichtwaterreactoren - nu al in bezit van 25 naties, van Armenië tot Slovenië en Spanje, en niet gedekt door enige bestaand ontwapeningsverdrag - gebruikt kunnen worden om gemakkelijk en goedkoop plutonium te verkrijgen dat qua kwaliteit bijna geschikt is om wapens van te maken. Binnen een paar jaar zullen veel meer dan de ongeveer tien huidige landen - het legerrapport acht Saoedi-Arabië en zelfs Egypte waarschijnlijke kandidaten - kernwapens en veel vernietigender en preciezer raketten en projectielen hebben.

Minder goed bewapende strijders zullen over een veel geavanceerdere guerrillatactiek en dodelijkere uitrusting beschikken, die de zwaarbewapende naties zal beroven van de voordelen van hun overweldigende vuurkracht, zoals Afghanistan en Irak aantonen. De veldslag tussen een paar duizend strijders van Hezbollah en het indrukwekkende, ultramoderne Israëlische leger, gesteund en gefinancierd door de VS, toont dit aan.

Een dramatische wijziging in oorlogsvoering

Naast tal van andere dingen biedt de oorlog in Libanon een blik op de toekomst. De uitslag suggereert dat de Israëli’s hun politiek van verwoesting en intimidatie moeten staken en de politieke vereisten van vrede met de Arabische wereld moeten aanvaarden, of ook zij zullen uiteindelijk geteisterd worden door goedkopere en preciezere projectielen en kernwapens in de handen van minstens twee Arabische naties en Iran.

Wat er nu gebeurt in het Midden-Oosten levert lessen op die net zo relevant zijn voor de voortwoekerende problemen in Oost-Azië, Latijns Amerika, Afrika en elders. Toegang tot kernwapens, goedkope projectielen met grotere reikwijdte en precisie, en beperkingen die eigen zijn aan alle antiraketsystemen, zullen de context vormen voor allerlei crises in Noord-Korea, Iran, Taiwan... of Venezuela. Trends die de beperkingen van technologie in de oorlogsvoering vergroten, zijn niet alleen van toepassing op de betrekkingen tussen naties, maar ook op groepen daarbinnen - variërend van kleine groepen samenzweerders tot grotere guerrillabewegingen.

De gebeurtenissen in het Midden-Oosten hebben aangetoond dat er een dramatische wijziging in de oorlogsvoering is opgetreden, en dat de Amerikaanse hegemonie nu overal ter wereld met succes kan worden uitgedaagd.

Een nieuw militair evenwicht

De Amerikaanse macht is voor een groot deel afhankelijk van zijn zeer mobiele marine. Maar schepen worden in toenemende mate kwetsbaar voor projectielen en hoewel ze nog lang niet passé zijn, wordt hun tactische en uiteindelijk strategische inzetbaarheid meer en meer beperkt. Er is een groter militair machtsevenwicht, opnieuw ontwikkelt zich een vorm van afschrikking, waardoor alle toekomstige oorlogen in toenemende mate langdurig en kostbaar zullen zijn en een hoge prijs zullen vragen van politici die de blunder begaan zichzelf in oorlogen te storten met het idee dat ze kort en beslissend zullen zijn.

Olmert en Peretz zullen naar alle waarschijnlijkheid de macht verliezen in Israël en de vernietiging van Libanon zal hun politieke toekomst niet veiligstellen. Dat is zeker ook een signaal dat tot politici zal doordringen. In dit opzicht stevenen we af op een tijdperk van meer gelijkwaardige rivalen. Afdwingbare wereldwijde ontwapening zou verre de voorkeur verdienen. Maar bij gebrek aan dit, binnen afzienbare tijd onbereikbare doel, is de opkomst van een nieuw evenwicht een vitale factor die niet zozeer leidt tot vrede in de ware betekenis van het woord als wel tot grotere voorzichtigheid. Die terughoudendheid zou een belangrijke factor kunnen worden die leidt tot minder oorlog.

We hebben nu de technologie van de 21e eeuw en tegelijk de primitieve politieke opvattingen, diverse soorten nationalisme, en een cultuur van heldendom en irrationalisme die in het hele politieke en machtsspectrum te vinden is. De wereld zal zichzelf vernietigen, tenzij het op een realistische wijze omspringt met het nieuwe technologische evenwicht.

Israël moet deze realiteit nu accepteren en als het weigert het politieke vernuft te ontwikkelen dat nodig is om serieuze compromissen te sluiten, garandeert het nieuwe evenwicht dat het vernietigd zal worden, terwijl het verwoesting op zijn vijanden doet neerhagelen.

Dit is de boodschap van de conflicten in Gaza, de Westbank en Libanon - om enkel de voorbeelden in de kranten van vandaag te noemen. Muren vormen niet langer een bescherming voor de Israëli’s - je schiet eroverheen. De veelgeroemde Merkava tanks zijn enorm kwetsbaar gebleken voor nieuwe wapens die meer en meer ingezet worden en binnenkort ook in het bezit van de Palestijnen kunnen komen. Minstens twintig van deze tanks werden zwaar beschadigd of vernietigd.

De strategie van ‘shock and awe’ faalt

De oorlog van de VS in Irak is een politieke ramp tegenover de guerrilla´s - de half biljoen dollar die daar en in Afghanistan is ingezet, heeft Amerika op beide plaatsen aan de rand van de nederlaag gebracht. De militaire strategie van ‘shock and awe’ heeft volkomen gefaald, behalve dat ze contracten voor de wapenproducenten heeft opgeleverd - ze heeft zelfs in hoge mate bijgedragen tot een de facto economisch bankroet van de VS. De regering Bush heeft meer van Amerika´s formele bondgenoten diepgaand van zich vervreemd dan welke regering in de moderne geschiedenis dan ook.

De Irakoorlog en de daaropvolgende oorlog in Libanon hebben een janboel gemaakt van de Midden-Oostenpolitiek en kunnen zelfs een strategisch overwicht voor Iran opleveren, hetgeen allemaal ook al voor de invasie van Irak was voorspeld.

De Amerikaanse coalities zijn beëindigd, zoals Thomas Ricks aantoont in zijn breedsprakige maar zeer overtuigende boek Fiasco: The American Military Adventure in Iraq. Hun sublieme zelfvertrouwen en vertrouwen op de macht van hun afschrikwekkende bewapening is een cruciale oorzaak van hun mislukking, hoewel we hun preventieve overmoed en nationalistische bijziendheid niet moeten onderschatten.

De Verenigde Staten, waarvan de meest kostbare politieke en militaire avonturen sinds 1950 op een mislukking zijn uitgelopen, moeten nu onder ogen zien dat de technologie om hun macht uit te dagen steeds verder verspreid raakt en goedkoper wordt. Zij komt nu niet alleen binnen het bereik van staten, maar ook in dat van betrekkelijk kleine groepen mensen. Verwoestende machtsontplooiing is nu feitelijk `gedemocratiseerd´.

Als de uitdaging om een realistische blik op de wereld te ontwikkelen die de stijgende gevaren en de beperkingen van de militaire technologie serieus het hoofd biedt, niet snel wordt aangegaan, met de erkenning van het feit dat een beslissend militair machtsevenwicht momenteel bezig is opnieuw te worden afgedwongen, dan staan ons alleen nog maar oorlogen en de uiteindelijke vernietiging van de mensheid te wachten.

Gabriel Kolko
Gabriel Kolko is onder andere auteur van ‘Century of War: Politics, Conflicts and Society Since 1914’, ‘Another Century of War?’ en ‘Anatomy of a War: Vietnam, the United States and the Modern Historical Experience’. Zijn laatste boek is ‘The Age of War’. Hij schreef dit artikel, ‘The Great Equalizer’, oorspronkelijk voor het blad Japan Focus. De Engelse versie is te lezen op ZNet.
Vertaling: Kees Kalkman



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Militarisme -

Rusland terug naar de wapenwedloop?

Op zondag 11 september 2006 maakte minister van defensie Sergej Ivanov bekend dat de Russische marine met succes een intercontinentale ballistische raket had gelanceerd vanaf een atoomonderzeeër in de omgeving van de Noordpool. De atoomonderzeeër K-84 lanceerde de raket op de zaterdag ervoor, met drie proefkernkoppen die alle drie het doel raakten: een testgebied op een marinebasis in Archangelsk-oblast aan de Barentszee. Het verslag van Ivanov over de lancering werd via de televisie uitgezonden in de vorm van een boodschap aan president Poetin.

De lancering van een intercontinentale raket door de marine van de Russische Federatie roept de nodige vraagtekens op, bijvoorbeeld over de status van de door de Russen ondertekende overeenkomst over de vermindering van kernwapens. Voor de pro-westerse oppositie in de Russische Federatie was de door Ivanov bekendgemaakte testlancering weer eens een gelegenheid om fors uit te halen naar de politieke lijn van het Kremlin.

Tegen de achtergrond van de verslechterende Russisch-Amerikaanse betrekkingen doemt ook de vraag op waarom er juist nu - voor het eerst sinds elf jaar - weer proeven worden genomen met intercontinentale raketten die kernladingen kunnen dragen.

De raket van het type `Sineva´ werd afgevuurd door de strategische atoomonderzeeër K-84 `Ekaterinburg´ vanuit een polynia (een niet bevroren wateroppervlak temidden van ijs) in het poolijs van de Noordpool naar het militaire oefenterrein Kizja op kaap Kanin Nos in de provincie Archangelsk in het noorden van de Russische Federatie. De basis grenst aan de Barentszee, berucht als dumpplaats voor afgeschreven of verongelukte atoomonderzeeërs en op tragische wijze ook bekend geworden door de ramp met de onderzeeër `Koersk´.

Supermacht

Dat de lancering van de raket succesvol was, werd openlijk op de Russische televisie bekendgemaakt door minister van defensie Ivanov vanaf de mijnenveger `Nastojtsjivyj´ op de marinebasis Baltijsk in Kaliningrad-oblast aan de Oostzee. Trots berichtte Ivanov aan president Poetin dat de lancering geslaagd was. Nu er voor het eerst sinds elf jaar weer een dergelijke proeflancering plaatsvond, kan er gedacht worden dat de Russische Federatie wil aantonen weer tot de `grootmachten´ te behoren die in gereedheid zijn voor een nucleaire oorlog en materieeltechnisch in de omstandigheden verkeren van het toebrengen van een `antwoordoffensief´ op welke dreiging dan ook.

Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie aan het eind van 1991 leed de voormalige supermacht een tijd aan een `verliezerssyndroom´ en speelde internationaal nog slechts een rol op het tweede plan. Met het aantreden van president Poetin in 2001 wordt weer getracht Rusland een leidende rol te laten spelen op het wereldtoneel, met de organisatie van de G8-top deze zomer in Sint Petersburg als laatste wapenfeit. Dat Rusland ook militair weer een leidende rol wil spelen blijkt uit de hervatting van de oefening met intercontinentale raketten.

Ontwapening van kernwapens

Het belangrijkste van de oefening was evenwel niet de bekendmaking door Ivanov dat `Rusland klaar is voor een nucleaire oorlog´, maar de omstandigheden waaronder de oefening plaatsvond. Uit de woorden van Ivanov bleek namelijk dat er `drie multifunctionele onderzeeërs op een militaire veldtocht waren die kernwapens aan boord hadden´. Juist uit deze woorden volgt dat de oefening van de Russische marine plaatsvond in strijd met de internationale verplichtingen van Rusland. De pro-westerse oppositie in Rusland reageerde meteen door te stellen dat `uit het feit dat Poetin Ivanov dankte voor zijn verslag en hem vroeg deze dank ook door te geven aan zijn ondergeschikten, kan worden begrepen dat de schending van de door Rusland ondertekende internationale verplichtingen voor de hoogste commandant geen nieuws is´.

In oktober 1991 werd op initiatief van de toenmalige Amerikaanse president George Bush sr. voorgesteld om het aantal tactische (niet-strategische) kernwapens aanzienlijk te beperken. Michail Gorbatsjov, toen president van de nog bestaande Sovjet-Unie, sloot zich bij het initiatief aan en kondigde maatregelen aan om het sovjetpotentieel aan tactische kernwapens drastisch te verminderen. In januari 1992, na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, werd het initiatief tot vermindering van tactische kernwapens nog eens bekrachtigd door de Russische president Boris Jeltsin en een akkoord werd getekend, waarbij zich later ook Groot-Brittannië aansloot.

In overeenstemming hiermee zouden door de ondertekenaars een groot deel van de tactische kernwapens, de militaire bunkers waaruit vanaf de grond tactische raketten konden worden afgevuurd en de atoommijnen worden vernietigd. Rusland vernietigde de helft van de lanceerinstallaties voor de PRO- en PVO-raketten en de resterende werden gecentraliseerd opgeslagen. Alle niet-strategische kernladingen werden weggehaald uit de marineschepen en onderzeeërs, een derde deel werd vernietigd en de overige opgeslagen op de diverse marinebases. Dat was althans de officiële versie.

Geen naleving akkoorden

Nu lijkt het er op dat de Russische militaire en politieke leiding niet geheel conform de waarheid hebben gehandeld en de op zich genomen verplichtingen, voortvloeiend uit bovengenoemde akkoorden, niet zijn nagekomen.

Op zondag 11 september maakte Ivanov aan zijn president letterlijk het volgende bekend, uitgezonden via de Russische televisie: "...er waren vijf strategische en drie multifunctionele onderzeeërs op militaire patrouille. De schepen onderscheidden zich in het uitvoeren van hun opdrachten, de één intercontinentaal, de ander multifunctioneel, en aan boord van ieder van hen waren er kernwapens...". Door het ratificeren van de akkoorden over de vermindering van kernwapens door de Russische Federatie mogen de strategische onderzeeërs nog voorzien zijn van kernraketten, maar de multifunctionele absoluut niet.

De verdenking dat Rusland de verplichtingen over de niet-strategische kernwapens niet naleeft, ontstond echter al langer geleden. Bronnen in het Ministerie van Defensie hadden al eens beweerd dat de lanceerinstallaties voor de tactische Tochka-M raketten niet volledig waren ontmanteld. En ook kan men nog steeds zoeken naar een redelijke verklaring waarom de marineleiding destijds pertinent weigerde om militaire reddingswerkers uit NAVO-landen toe te laten tot de gezonken onderzeeër `Koersk´. Waren zij bang dat er aan boord onwettige kernwapens werden ontdekt van de typen Granat en Granit?

Als onderdeel van de atoombewapening werden de langeafstandskruisraketten van het type `Granat´ en `Granit´ in grote aantallen geïnstalleerd op de multifunctionele Russische onderzeeërs. De raketten van het type `Granat´ hebben echter nooit bestaan in een conventionele vorm en voorzover de raket van dit type werd geïnstalleerd na de genoemde overeenkomst uit 1991 en 1992 kan worden geconcludeerd dat dit deel van de kernbewapening nooit werd ontmanteld.

Opnieuw een wapenwedloop?

De pro-westerse oppositie in de Russische Federatie nam de woorden van Ivanov meteen onder vuur: "Onze leiders geven Rusland op deze manier de reputatie van een land van gewetenloze bedriegers. Zij logen voortdurend over de Koersk, zij logen over Beslan. Zij logen tegen de eigen bevolking en nu is ook nog gebleken dat in alle geniep de belangrijke overeenkomst over de beperking van kernwapens werd geschonden". Ook werd het verwijt gemaakt dat Rusland blijkbaar opnieuw een wapenwedloop wil veroorzaken: "Wanneer het al noodzakelijk zou zijn om afstand te doen van de verplichtingen voor atoomontwapening, waarom wordt dit dan niet gedaan langs de diplomatieke kanalen, zoals dat wordt gedaan in de praktijk van de internationale verhoudingen? Waarom niet een openlijke verklaring over de oorzaken van de hervatting van de voor Rusland moordende wapenwedloop?"

Overigens werd in de maand september zonder duidelijke oorzaak of reden op het laatste moment de al veel eerder overeengekomen oefening `Torgau-2006´ afgelast. In deze oefening zouden de Russen samen met Amerikaanse militairen trainen in een vredesmacht in de provincie Nizjni Novgorod. En ook de oefening nabij de stad Pskov, die was bedoeld als training in antiterrorismebestrijding, samen met NAVO-troepen, werd zonder vermelding van een reden afgelast. "Poetin en Ivanov veranderen Rusland in een gedeclasseerd land,” reageerde de oppositie furieus, "in een land dat erom bekend staat zich niet aan zijn woord te houden, dat de eigen ondertekening van akkoorden niet erkent en zijn verplichtingen niet nakomt.”

Vadim Donetsky/INSUDOK



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Column -

Spektakel

Het lijkt erop dat India hard bezig is om zijn gekoesterde ongebondenheid los te laten. Deze status van ‘non-aligned country’ is blijkbaar moeilijk te handhaven. En dat heeft alles te maken met het steeds verder opvoeren van de militaire macht van dit land van 1 miljard inwoners.

De grootste verrassing op dit gebied was, 8 jaar geleden, het tot ontploffing brengen van 5 kernwapens. Na jarenlange aarzelingen leidde dit onlangs tot vèrgaande nucleaire samenwerking met de Verenigde Staten. Daarbij werd niet eens van India geëist om zich aan te sluiten bij het non-proliferatie verdrag.

Uiteraard veroorzaakt dit soort ontwikkelingen (steeds gevaarlijker) reacties van andere landen. Pakistan reageerde kort na de Indiase kernwapenontploffingen met een eigen serie nucleaire explosies. Iran heeft nu een ondergrondse fabriek voor de verrijking van uranium en wordt dan ook door het Westen gewantrouwd ten aanzien van mogelijke kernbewapening.

Volgens de gezaghebbende Amerikaanse journalist Seymour Hersh hebben Bush en vice-president Cheney overwogen om deze ondergrondse fabriek met kernwapens aan te vallen. Alleen het verzet daartegen van de militaire top van de Verenigde Staten heeft hen er van af doen zien.

Wanneer zelfs een land als India nauwe militaire samenwerking met dit soort bewind (Bush/Cheney) vanzelfsprekend vindt, dan wordt je kijk op de toekomst van de mensheid er niet vrolijker op.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Toen en toen -


VeeDee
september 1986

Verkeerde wetenschap

In de vorige aflevering van VeeDee werd ons één van de rechtvaardigingsgronden om dienst te weigeren ontrukt: sociale verdediging kan niet. Op; bruiloften en partijen kunnen we onze rechtse oom alleen nog proberen te overtuigen dat niets doen tegen de Rus altijd nog beter is dan militaire verdediging. Ik vond dat toch wel jammer, daarom heb ik het aangevoerde wetenschappelijke rapport zelf gelezen om het op bewijskracht te onderzoeken. Naar mijn idee kan onze rechtse oom ook na dit rapport nog het oude liedje krijgen.
(..)
De wetenschapsopvatting van het rapport gaat er van uit dat wetenschap tot taak heeft feiten te onderzoeken. Feiten staan hierbij in tegenstelling tot wensen. Feiten voldoen aan wetten die verder buiten menselijke beïnvloeding vallen. Men heeft ze alleen maar goed waar te nemen om de waarheid te vinden. (..) Mensen streven bepaalde doelen na om dezelfde redenen dat stenen naar beneden vallen en gasballonnen de lucht ingaan. Bijvoorbeeld: Bart de Ligt had als doel geweld te elimineren. De Hongaren hadden tijdens de opstand van ’56 het doel de mensenrechten te herstellen. Ze hadden dus geen enkele boodschap aan het antimilitarisme van de Ligt.

Mensen zijn alleen nog nastrevers van partikuliere doelen. Het best te begrijpen is dan nog het nastreven van ekonomische belangen. Die zijn in geld uit te drukken, dus vatbaar voor een kwantitiatief-wetenschappelijke afweging: de NAVO-partners sturen weliswaar veel vaker militairen naar de Derde Wereld dan de Sovjet Unie, maar ze hebben nu eenmaal meer belangen dan het vrijwel zelfvoorzienende Rusland.
(..)
Volgens mij gaan de aanhangers van sociale verdediging er van uit dat iedereen redelijke beweegredenen heeft.. Dat betekent dat de wensen die aan de levensdoelen ten grondslag liggen duidelijk te maken zijn, dus vatbaar zijn voor de vraag of ze wel goed zijn. Op zijn minst Stalin zelf moet het om de een of ander reden goed gevonden hebben dat er miljoenen in kampen zijn gekrepeeerd. Ook alle medeverantwoordelijken aan deze afslachting hebben om voor hun goede redenen besloten om de opdrachten ervoor uit te voeren. Aanhangers van sociale verdediging hebben de overtuiging dat er voldoende argumenten zijn om die mens tot andere gedachten te brengen.
(..)
De uitgangspunten van Schmids rapport laten geen ruimte voor een redelijke dialoog waarbij de deelnemers hun levensdoelen kunnen wijzigen. De wisselwerking met de vijand bestaat alleen uit winnen en verliezen.
(..)
Dit beantwoordt niet de vraag wat we het beste kunnen doen als de russen komen. Ik heb er groot vertrouwen in dat ze helemaal niet komen, maar dat is weer een ander verhaal.

Wageningen, Rob Boer




AMOK
september 1986

Waar blijft de strijdbare vredesbeweging?

(.)
Eén van de taken die de vredesbeweging heeft is het doorbreken van het parlementaristiese denken. Velen zullen ondanks hun afkeer van de uiteindelijke beslissing slecht kunnen breken met dit parlementsbesluit [over Kruisraketten – redactie VD AMOK]. Ten slotte is het parlement als kneed- en zeefmachine gebruikt om gedurende lange jaren de vredesbeweging suf te kneden en de kritiese parlementariërs van de rechtse partijen [CDA-dissidenten] eruit te zeven zodat de NAVO- en de regeringsplannen door konden worden gedrukt. Een vertrouwen op die parlementsleden is een grote blunder gebleken. (..) Het is niet de eerste keer dat het parlement zich laat ringeloren door NAVO en regering. De komst van de kernwapens in Nederland eind jaren vijftig werd geheel niet voorgelegd aan het parlement. Enkel het speurwerk van de vredesbeweging heeft ervoor gezorgd dat deze onderwerpen in het parlement ter sprake kwamen.

De late start van BIVAK [Breed Initiatief tot Verdergaande Aktie tegen Kruisraketten] heeft veel te maken met de hoop die op het parlement gevestigd was. Nu deze weg afgesneden is, is men de weg van de Doe Niet Mee-kampagne ingeslagen. Een kampagne die zich van het parlementaire besluit afkeert. Het is een stap voorwaarts dat de linkse partijen hieraan meewerken. Maar hun praktijk is sinds een – groot – aantal jaren op het parlementaire werk gekoncentreerd. Van het buitenparlementaire strijdtoneel is men dan ook – niettegenstaande een verbale bewondering ervoor – vervreemd.
(..)
Het anti-militarisme op zoek naar een aktieperspektief kan natuurlijk op één organisatie altijd rekenen, de NAVO. Want de NAVO zou de NAVO niet zijn als er voor de komende 12 maanden niet een paar ongekend grote oefeningen op het programma zouden staan.

En dat begint al tijdens de komende vredesweek. Van 22 tot 27 september zullen maar liefst 15.000 militairen op 32 oorlogsschepen onder leiding van NAVO-generaal Rogers ter afsluiting van de marine oefening Northern Wedding op de Atlantische Oceaan – ter evaluatie van de oefening – Amsterdam aandoen.

Deze vloot zal in Amsterdam-Oost aanmeren waardoor een regelrechte invasie van de buurt dreigt. De nadruk zou daarbij liggen op oefeningen in het beheersen van lastige bevolkingsgroepen.
(..)

Guido van Leemput



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina




Wapenhandel
Samenstelling: Frank Slijper

Voor meer informatie over Nederlandse wapenhandel en -industrie: ga naar www.stopwapenhandel.org



De Nederlandse wapenexportcijfers van 2005

Zoals gebruikelijk verscheen in de zomer het jaarlijkse overheidsrapport over het Nederlandse wapenexportbeleid. Samen met de inmiddels voor het tweede jaar verschijnende overzichten van afzonderlijke wapenexportvergunningen vormen zij de basis van een door de Campagne tegen Wapenhandel geschreven alternatieve analyse van de Nederlandse wapenhandel. Wat vooral opvalt is de recordhoogte: 1,2 miljard euro. Hoewel grillig, vertoont de Nederlandse wapenexport de laatste jaren een stijgende lijn, met een gemiddelde waarde van ruim 700 miljoen euro. Volgens het Zweeds vredesonderzoeksinstituut SIPRI was Nederland in 2005 ’s werelds vijfde wapenhandelende natie. Over een periode van dertig jaar staat het op plaats tien.

Grootste wapenexporterende landen: 1976-2005, 2001-2005 en 2005
  1976-2005 2001-2005 2005
1 VS 307.469 Rusland 28.982 VS 7.101
2 Sovjet-Unie 216.389 VS 28.236 Rusland 5.771
3 Frankrijk 62.657 Frankrijk 8.573 Frankrijk 2.399
4 Rusland 55.901 Duitsland 5.603 Duitsland 1.855
5 Duitsland 43.456 Groot-Brittannië 3.933 Nederland 840
6 Groot-Brittannië 43.049 Oekraïne 2.226 Italië 827
7 China 28.092 Canada 1.971 Groot-Brittannië 791
8 Tsjecho-Slowakije 19.102 Nederland 1.868 Zweden 592
9 Italië 18.369 Italië 1.858 Canada 365
10 Nederland 12.176 Zweden 1.760 Oekraïne 188

Bedragen in miljoenen US dollars, tegen constante (1990) prijzen. Getallen zijn zgn. trend indicator values en vertegenwoordigen geen financiële transactie waarden; zie: www.sipri.org/contents/armstrad/atmethods.html#tiv

Bron: SIPRI Arms Transfers Database, mei 2006

Verreweg de grootste order van 2005 is de Chileense overname van vier fregatten met bijbehorende Harpoon scheepsraketten van de Nederlandse marine ter waarde van 295 miljoen euro. Chili is de afgelopen tien jaar uitgegroeid tot een van de grootste klanten van Nederlandse wapens, meest afkomstig uit de overschotten van Defensie. Daar bovenop komt nog de eind 2005 afgesloten verkoop aan Chili van 18 tweedehands F-16s; de vergunning daarvoor is in de loop van 2006 verstrekt.

Veel van de grootste wapenverkopen zijn toe te schrijven aan de verkoop van overtollig defensiematerieel. Ook de export van Orion vliegtuigen naar Portugal (81 miljoen euro) en Duitsland (29 miljoen), YPR pantservoertuigen naar Egypte ( 81 miljoen) en Hawk luchtafweer naar Roemenië (23,5 miljoen) behoren daartoe. Dat de staatskas flink profiteert van de verkoop van overtollig defensiematerieel blijkt ook uit het overzicht dat het jaarrapport wapenexportbeleid geeft: 494 miljoen euro in 2005 (627 miljoen in 2004; 67 miljoen in 2003). Dat zet ook vraagtekens bij de onafhankelijkheid van de toetsing van vergunningsaanvragen, met de Nederlandse staat als grootste wapenhandelaar en dus direct belanghebbende bij een soepel exportcontrolesysteem.

Kijkend naar de afnemende landen vallen verder orders uit Taiwan (onderzeebootonderdelen), Japan (raketvuurleiding voor marineschepen) en Indonesië (militaire brugsystemen als noodhulp na de tsunami en marine elektronica) op.

Belangrijkste bestemmingen van de Nederlandse wapenexport in 2005
(bedragen in miljoenen euro’s)
Duitsland 383,89
Chili 295,62
VS 92,71
Portugal 81,34
Diverse NAVO 42,50
Egypte 40,36
Italië 32,49
Roemenië 23,51
VK 22,62
Taiwan 21,95
Frankrijk 20,27
Japan 14,11
Indonesië 13,46
Turkije 12,42
Zuid-Korea 9,75

Nieuw is dat ook exportvergunningen voor dual-use goederen (met zowel een militaire als civiele toepasbaarheid) openbaar worden gemaakt op de website van Economische Zaken (www.exportcontrole.ez.nl). Zo krijgen we zicht op een grote stroom nachtzichtapparatuur (“beeldversterkerbuizen” - het hart van nachtkijkers) die naar China vertrekt. In 2005 goed voor in totaal 4,1 miljoen euro. Het eindgebruik wordt veelal omschreven als “surveillance- en beveiligingsdoeleinden” voor de Olympische Spelen van 2008, vliegvelden of werven. Twee grote vergunningen noemen de Chinese politie als bestemming. Dat is opvallend omdat eind december 2004 een vergunning voor diezelfde politie werd afgewezen vanwege de mensenrechtensituatie. De vraag is welke ontwikkeling ervoor heeft gezorgd dat dit in 2005 niet langer problematisch geacht wordt. Belangrijke afzetmarkten voor nachtzichtapparatuur buiten Europa zijn verder Thailand, Singapore, Zuid-Korea, Israël (meest assemblage), India en Pakistan.

Wie meer wil weten dan dit korte overzicht kan een gedrukt exemplaar van de wapenexportanalyse van de Campagne tegen Wapenhandel bestellen (020-6164684) of een kijkje nemen op www.stopwapenhandel.org. Ook is recent een factsheet verschenen met feiten en achtergronden over de Nederlands-Chileense wapenhandel.



Mega-order van Chavez ondanks diplomatieke rel

Thales Nederland lift mee op een groot Venezolaans wapencontract met de Spaanse scheepsbouwer Navantia – het vroegere Bazan – dat voor ruim een miljard euro acht bewapende korvetten voor de marine van het Zuid-Amerikaanse land bouwt. Thales heeft voor 190 miljoen euro bestellingen gekregen voor het leveren van het merendeel van de elektronica aan boord. De order biedt in een later stadium nog uitzicht op meer. Het is daarmee vooralsnog de grootste Nederlandse wapendeal van dit jaar. Onder de systemen het TACTICOS gevechtsleidingsysteem en diverse typen radar en vuurleidingsapparatuur. Volgens Venezuela zijn de oorlogsbodems nodig in de strijd tegen drugssmokkel. Om die reden lijkt het een woordvoerder van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken waarschijnlijk dat de order te zijner tijd op een exportvergunning kan rekenen.

De order is om twee redenen opmerkelijk. Allereerst woedde begin dit jaar een kleine diplomatieke rel, nadat defensieminister Henk Kamp in maart zijn zorgen uitte over de mogelijke dreiging van een Falkland-achtig conflict waarbij Venezuela de Nederlandse Antillen en Aruba zou proberen binnen te vallen. Hij noemde Chavez daarbij een “onverdraagzame volkspopulist” die “met grote ogen kijkt naar de snippertjes voor de kust van Venezuela die onderdeel vormen van het Nederlands Koninkrijk”. Die opmerkingen volgden op uitspraken van de Venezolaanse president Hugo Chavez dat de Amerikanen Aruba en Curaçao zouden kunnen gebruiken als springplank voor een militaire interventie tegen zijn land. De VS maken van bases daar gebruik voor drugsbestrijdingsvluchten, vooral op Colombia. Chavez noemde Kamp vervolgens weer een “pion van Washington” en ook minister Ben Bot van Buitenlandse Zaken distantieerde zich van Kamp. Niettemin zei hij zelf tegenover het NRC “dictatoriaal communisme” en de opkomst van “allerlei nieuwe Fidel Castro’s in Latijns-Amerika” te vrezen. Na een vriendschappelijk bezoek van Bot aan Caracas begin juli – daags na de ondertekening van Thales’ wapencontract – was de ergste kou kennelijk weer uit de lucht.

Ook weerstond de order grote Amerikaanse druk. Volgens de Spaanse krant El Pais heeft de VS met een vergrootglas de complete order bekeken om te achterhalen of er geen Amerikaanse onderdelen in de schepen verwerkt zouden worden. Washington voert al geruime tijd een strikt wapenboycot tegen Venezuela vanwege Chavez’ anti-Amerikaanse retoriek. Als gevolg daarvan liep een ander onderdeel van de Spaans-Venezolaanse wapenovereenkomst al in de soep: twaalf bestelde Spaanse transportvliegtuigen bevatten dusdanig veel Amerikaanse componenten dat vervanging daarvan door Europese fabrikanten torenhoge extra kosten zou geven.

Venezuela is trouwens al langer een goede wapenklant van Nederland en Thales in het bijzonder. Los van deze nieuwste order is sinds 1997 60 miljoen euro aan militair materieel de oceaan over gegaan. De Nederlandse regering bevestigde eerder dit jaar dat van Amerikaanse zijde verschillende malen bezorgd is gereageerd op de Nederlandse wapenleveranties aan Venezuela. “Gezien de Koninkrijksbelangen in de regio wordt daarbij in het bijzonder terughoudendheid in acht genomen bij de uitvoer van wapensystemen die een verstorende werking op de regionale stabiliteit kunnen hebben.” Samen met het Israëlische Rafael heeft Thales Nederland de afgelopen paar jaar de Venezolaanse luchtmacht voorzien van een nieuw grondgebonden luchtverdedigingssysteem. Die moet een eventuele Amerikaanse luchtaanval af kunnen slaan.

Bronnen:
Joris Janssen Lok, “Thales deal helps thaw Dutch-Venezuelan relations”, Jane’s Defence Weekly, 19 juli 2006;
“Thales haalt grote order binnen uit Venezuela”, ANP, 1 juli 2006;
Fabiola Sanchez, “Venezuela says deal to buy military planes from Spain cancelled, blames U.S.”, AP, 27 juli 2006;
“Spanning tussen Nederland en Venezuela”, Ministerie van Buitenlandse Zaken, 10 april 2006;
Marcel Haenen, “Hollandse hulp tegen nieuwe Fidel Castro’s”, NRC Handelsblad, 3 april 2006;
Miguel Gonzáles, “Francia suministrará el sistema de combate de los buques para Caracas”, El Pais, 13 maart 2006;
“Kamp niet bang voor Hugo Chávez”, Telegraaf, 9 maart 2006; Verslag van een schriftelijk overleg, TK 22054 nr. 98, 7 maart 2006).



Nederlandse schepen voor kustwacht Singapore

Dat de categorie kleinere oorlogsschepen momenteel goed in de markt ligt blijkt ook uit een andere grote order. Voor omgerekend 67 miljoen euro mag de dochter van Damen Shipyards in Singapore tien snelle patrouilleschepen van het type Stan Patrol 3507 voor de kustwacht bouwen. De 35 meter lange schepen zijn uitgerust met 25mm licht-kaliber kanon en zullen in de loop van 2008 in de vaart genomen worden. De belangrijkste genoemde taken van de vaartuigen zijn de bestrijding van terrorisme, mensenhandel, smokkel en piraterij.

Bron:
Channel News Asia, 17 juli 2006; www.damen.nl



Boeing als virtuele hekkenbouwer tegen immigranten

Wapenfabrikant Boeing heeft een lucratief contract van het Amerikaanse ministerie van Homeland Security (Binnenlandse Veiligheid) in de wacht gesleept. Samen met het communicatiebedrijf L-3 Communications, it-bedrijf Unisys en andere ondernemingen gaan ze een virtueel hek van bewegingssensoren en communicatiemiddelen installeren langs grensstukken met een lengte van 1200 kilometer tussen de VS en Canada en de VS en Mexico. Het nieuwe ‘hek’ is bedoeld om illegale immigranten te weren. Specialisten denken dat het om een order van rond de 2,1 miljard dollar gaat. De concurrentie in de gedaante van andere militaire producenten zoals Lockheed Martin, Northrop Grunman, Raytheon en het Zweedse Ericsson had het nakijken.

Maar de experts wijzen erop dat problemen op het gebied van technologie, financiering en beheer eerdere pogingen van het leger en de grensbewaking om dit soort remote sensing netwerken op te zetten – vanaf Vietnam tot aan Irak en het zuidwesten van de VS – hebben doen mislukken.

Ook vindt meer dan de helft van de illegale immigratie plaats via het inhuren van mensen die via de reguliere grensposten het land binnenkomen met valse documenten of korte termijn visa. Het illegale arbeidsleger in de VS is sinds 1995 aangegroeid van 5 tot 11 miljoen mensen.

Boeing stelt voor een Secure Border Initiative Network (SBInet) te bouwen, bestaande uit 1800 torens uitgerust met camera’s, sensoren en verbindingen met geavanceerde computers.

Het is een toepassing van militaire gevechtstechnologie op het grensgebied.

Zo is het idee om vanaf vrachtwagens met camera’s uitgeruste onbemande vliegtuigjes van het type Skylark te lanceren die het Israëlische en het Canadese leger gebruiken om verdachte elementen gedurende anderhalf uur over een afstand van 10 kilometer te kunnen volgen.

Een ander plan van Boeing is om een reeks op de grond geïnstalleerde sensoren, waaronder ondergrondse seismische apparatuur en op torens geplaatste bewegings- en hittesensoren in te zetten, die eerder zijn gebruikt om opstandelingen in Irak en Afghanistan te dwarsbomen.

Gervasio Prado, de oprichter van sensorproducent SenTech Inc (overigens onderdeel van de concurrentie) zei dat SBInet prima is voor de bedrijfstak maar vermoedelijk niet zal werken. “Ik denk niet dat je hiermee ergens een deuk in kan slaan,” zei hij, “ik zou heel graag zeggen dat je met duizenden sensoren het probleem op kunt lossen. Maar ik denk dat het nauwelijks wat uitmaakt.”

Sinds 1995 zijn de kosten van de grensbewaking vertienvoudigd van 1,2 miljard tot 12,7 miljard dollar en het aantal grensbewakers is meer dan verdubbeld van 5000 tot 12.300.

Sinds 1998 hebben het ministerie voor Binnenlandse Veiligheid en de immigratiedienst 429 miljoen dollar besteed aan bewakingscamera’s en bewaking op afstand. Maar bijna de helft van de geplande 489 camera’s zijn nooit geïnstalleerd, 60% van de alarmeringen via sensoren worden nooit nagetrokken, 90 % van de rest is vals alarm en uiteindelijk resulteert maar 1% in een arrestatie, aldus de inspecteur-generaal van Binnenlandse Veiligheid.

Er werd ook op gewezen dat het Congres al ingestemd heeft met de bouw van 1500 kilometer reëel bestaand hek voor een bedrag van meer dan 2 miljard dollar en 500 miljoen dollar per jaar heeft uitgetrokken voor 2500 extra grenswachters, dit alles met het oog op de verkiezingen van dit najaar. Er bestaat enige twijfel of het Congres daarnaast nog veel geld zal willen uittrekken voor SBInet.

Overigens beginnen ook Nederlandse bedrijven zich te interesseren voor de bouw van hekken en muren om allerlei soorten ‘barbaren’ tegen te houden. Begin juli was in een uitzending van Netwerk te zien hoe een kraan van Riwal bezig was te bouwen aan de Israëlische muur rond de Westelijke Jordaanoever. Riwal is de merknaam van kranen en hoogwerkers die verhuurd worden door de Nederlandse firma Lima Holding in Spijkenisse. Deze heeft een vestiging in Israël die kennelijk meehelpt met de bouw van de muur.
(KK)

Bronnen:
ANP 21 september 2006,
Washington Post, 21 september 2006,
The Electronic Intifada, 18 september 2006

Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina




Korte berichten
Samenstelling: Kees Kalkman

Vrijspraak voor Ierse ploegschaaractivisten

Op dinsdag 25 juli verklaarde een Ierse jury in de High Court in Dublin dat vijf ploegschaaractivisten niet schuldig waren aan vernieling. De ploegschaaractivisten, de zgn. Pit Stop Ploughshares, hadden op 3 februari 2003, vlak voor het begin van de oorlog tegen Irak, op vliegveld Shannon een Amerikaans marinevliegtuig ontwapend. Het vliegtuig was bedoeld voor het transport van Amerikaanse troepen en/of materieel naar Irak.

De vijf werden beschuldigd van het toebrengen van 2,5 miljoen dollar schade aan het Amerikaanse marinevliegtuig. Op de laatste dag van het proces, na een beraad van 4 ½ uur, oordeelde de jury echter unaniem dat de Pit Stop Ploughshares oprecht hadden gehandeld “to safe life and property in Irak” en dat ze gezien de omstandigheden een “reasonable excuse” hadden om het marinevliegtuig te ontwapenen in de opbouw naar de oorlog.

Op 3 februari knipten Deirdre Clancy, Nuin Dunlop, Karen Fallon, Damien Moran en Ciaron O'Reilly een gat in het hek van vliegveld Shannon, een burgervliegveld dat wordt gebruikt voor tussenstops van het Amerikaanse leger naar Irak. Shannon is één van de belangrijkste ‘pitstops’, zonder Shannon zou de (opbouw van) de oorlog niet mogelijk zijn geweest.

Geheel in de traditie van de ploegschaarbeweging goten ze bloed op de startbaan, ook lieten ze foto’s van Irakese kinderen achter, een bijbel en een koran, bloemen en gebeden. In hun verklaring stelden ze: (…)”Zoals de spoorlijnen naar Auschwitz liepen, is deze startbaan gemilitariseerd en is het een onderdeel geworden van een machine die dood brengt. De spoorlijnen naar Auschwitz brachten de mensen naar de dood, deze startbaan brengt de dood naar de mensen.” (…) Daarna gingen ze naar de hangar waar het marinevliegtuig stond. Met hamers en tuingereedschap beschadigden ze het vliegtuig, zodat het niet meer gebruikt kon worden.

Volgens de Ierse media heeft de Amerikaanse ambassadeur in Dublin als reactie op de vrijspraak de Ierse regering opgetrommeld om de consequenties hiervan te bespreken. Joe Noonan, één van de advocaten van de Pit Stop Ploughshares reageerde hierop door te zeggen dat het de eerste keer moet zijn, dat een ambassadeur een regering op het matje roept.

De rechtszaak die leidde tot de vrijspraak begon op 10 juli jl. in Dublin. Het was de derde keer dat deze zaak voor de rechter kwam. Het eerste proces begon in maart 2005 en eindigde in een ‘mistrial’, nadat de rechter een belangrijke getuige (een legerofficier) weigerde te horen. Na een confrontatie met de verdediging gaf de rechter toe dat hij bevooroordeeld was en beëindigde daarop de rechtszaak. Het tweede proces, in oktober 2005, eindigde na 10 dagen, nadat bleek dat de rechter de Amerikaanse president George W. Bush persoonlijk kende.

Het is de niet de eerste keer dat ploegschaaractivisten worden vrijgesproken voor een ontwapeningsactie. In 1996 sprak een jury in Liverpool vier ploegschaaractivistes vrij. Zij hadden een aantal Hawk gevechtsvliegtuigen ontwapend die door Groot-Brittannië aan Indonesië waren verkocht en die gebruikt zouden worden in de oorlog tegen Oost-Timor.

De Pit Stop Ploughshares rusten niet op hun lauweren nu ze zijn vrijgesproken. Ze hebben aangekondigd om door te gaan met geweldloze directe acties, totdat Shannon gedemilitariseerd is. Op 28 oktober zullen ze samen met VS Irak veteranen naar Shannon gaan om hun doden te herdenken en om samen de Irakese doden te herdenken. Die dag is het All Soul’s Day, de dag dat de Ieren hun doden herdenken en ook de dag dat de stad Fallujah is vernietigd door de Amerikanen.

Dit is de laatste oproep aan de Ierse regering om Shannon te demilitariseren. Geeft de regering geen gehoor aan de oproep dan zullen 100 mensen in (en buiten) Ierland worden opgeroepen om Shannon geweldloos te ontwapenen. Als antwoord hierop bewaakt het Ierse leger nu vliegveld Shannon en zijn er 40 agenten in Shannon aangesteld voor de beveiliging.
(BS)

Meer informatie is te vinden op: www.peaceontrial.com



Zuid-Afrika’s nieuwe wet op huurlingen

In de laatste week van augustus is er in Zuid-Afrika een nieuwe wet aangenomen die de activiteiten van huurlingen (oftewel PMC’s - Private Military Companies) drastisch moet inperken. De Zuid Afrikaanse minister van Defensie, Monsioua Lebota.ontwierp de nieuwe wet. “Huurlingen ondermijnen democratie en goed bestuur. Ze zijn de plaag van de armste gebieden ter wereld, vooral Afrika,” zei hij.

De betrokkenheid van huurlingen bij talloze coups en machtswisselingen op het Afrikaanse continent heeft de naam van Zuid-Afrika geen goed gedaan. Op 7 maart 2004 werden 70 mannen door vier geheime diensten opgepakt in een vliegtuig bij een tussenstop in Harare (Zimbabwe). Ze waren op weg naar het olierijke Equatoriaal Guinee om daar een coup te plegen. Behalve de Britse ex-geheim agent Simon Mann, vriend van Mark Thatcher (zoon van Margaret Thatcher) waren de meeste betrokkenen Zuid-Afrikaans. Mark Thatcher had de coup vanuit Zuid-Afrika gepland. Vorig jaar is hij veroordeeld voor zijn aandeel in de mislukte staatsgreep.

De nieuwe wet vervangt de Foreign Military Assistance Act uit 1998, die het ronselen van huurlingen verbiedt. Alle Zuid-Afrikanen die in het buitenland militair of veiligheidswerk willen verrichten, moeten nu zich registreren, doen ze dat niet dan zijn ze strafbaar. De oude wet zat vol mazen. Of de nieuwe wet, die een eind moet maken aan de activiteiten van huurlingen, in de praktijk echt iets verbetert is nog maar de vraag.

Op 29 augustus meldde NRC Next: “Het Amerikaanse leger rekruteert steeds meer huurlingen uit Zuid-Afrika. Velen van hen komen uit legers die het niet zo nauw nemen met mensenrechten. (…).” Voor de VS en Groot-Brittannië die in Irak veel werk door goedkope Zuid-Afrikaanse huurlingen laten doen zou de wet een probleem kunnen zijn. Maar dan moet de wet wel worden uitgevoerd en daar schortte het in Zuid-Afrika de afgelopen jaren vooral aan.
(BS)

Bron: NRC Next/Radio 1



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina



Recensies Recensies Recensies
Recensies Recensies Recensies
Recensies Recensies Recensies






Marin Windrow
The Last Valley – Dien Bien Phu and the French defeat in Vietnam
London : Cassell
2005
ISBN 0304 36692 7
pp 734, namenregister, detailkaarten, foto’s , eindnoten, bronnenlijst, bijlagen.

De laatste jaren is er een nieuw modewoord voor het type oorlog waar nogal wat westerse legers tegenwoordig in verwikkeld zijn: asymmetrische oorlogsvoering. Daar wordt in het algemeen onder verstaan het gebruik van tactieken en wapens tegen een tegenstander die sterker is, op zo’n manier dat diens voordelen teniet worden gedaan. Tot deze categorie behoort zeker ook het verschijnsel guerrillaoorlog: dat is zelfs een betere term voor de operaties waarin onder andere Nederlandse troepen verwikkeld zijn in Afghanistan. Om die reden heeft het zin om de recente geschiedenis nog eens nader te bekijken. Voor de VS in Irak ligt een vergelijking met Vietnam voor de hand; voor Nederland natuurlijk de zogenaamde politionele acties in Indonesië en de Fransen hebben in hun koloniale avontuur in Indochina een uitstekend studieobject. Dat blijkt uit dit omvangrijke werk van Martin Windrow over de vernietigende nederlaag die de Fransen daar in mei 1954 leden bij Dien Bien Phu, na een langdurig beleg door het Viet Minh leger geleid door generaal Giap.

Windrow is een Britse journalist die de Franse bronnen goed bestudeerd heeft en ook nog kans zag Franse veteranen van die oorlog te interviewen. Veel van zijn studie is op die bronnen gebaseerd. Daarnaast gebruikt hij een reeks Vietnamese memoires, documenten en dagboeken. Hoewel het boek overduidelijk vanuit de koloniale kant geschreven is heeft Windrow zijn best gedaan om de ontwikkelingen ook vanuit de Viet Minh kant te bekijken.

Het boek gaat niet alleen over de beslissende slag in ‘The last valley’, bij Dien Bien Phu in 1954. Om die nederlaag uit te leggen heeft Windrow ervoor gekozen om de voorgeschiedenis uiteen te zetten, in detail vanaf 1945 en in ruwe lijnen voor een tiental jaren daarvoor. Dat is nodig om te begrijpen, waarom zowel het guerrilla leger van Ho Chi Minh als het expeditieleger van Generaal Navarre besloten om op die plek en op dat tijdstip een beslissende slag te leveren.

Ter herinnering: de campagne van de Viet Minh tegen de Franse koloniale macht in Indochina tussen 1945 en 1954 was een klassieke guerrillaoorlog die een aantal fases doorliep, beginnend met een rekruteringscampagne onder de overwegend boerenbevolking voor lidmaatschap van de burger milities (en via de milities het reguliere guerrillaleger en eventueel de partijorganisatie) die doorgroeide naar het opzetten van geregelde eenheden die delen van Vietnam bevrijdden, dat wil zeggen het Franse koloniale gezag onmogelijk maakten (bijvoorbeeld door belastingheffing te blokkeren) en de plaatselijke machthebbers te verdrijven. Van groot belang daarbij was de buitenlandse steun (in de vorm van training en bewapening die de Viet Minh tussen 1948 en 1954 ontving uit de net gestichte Volksrepubliek China. Die was misschien niet beslissend voor het succes van de guerrilla, maar versnelde die wel. Vast staat dat de Chinese steun het mogelijk maakte voor de Viet Minh legers in de slotfase van de campagne over te gaan op geregelde gevechten met de veel zwaarder bewapende eenheden van het Franse koloniale leger. Deze genoten op hun beurt aanzienlijke steun van de Amerikaanse regering die, onder invloed van de Koreaanse oorlog, besloten had om in Indochina het koloniale bewind te steunen, terwijl ze daarvoor het Nederlandse gezag in Nederlands-Indië hielpen afbreken tussen 1945 en 1948. De Amerikaanse bezorgdheid over de uitbreiding van de Chinese communistische invloed na de revolutie va 1948 was zelfs zo groot dat men in de laatste dagen van de slag bij Dien Bien Phu overwoog om kernwapens te gebruiken. Windrow vraagt zich terecht af hoe dat had gekund zonder ook de Franse soldaten te vernietigen, maar wellicht had men de bevoorradingslijnen met China op het oog. Tenslotte had Generaal MacArthur tijdens de Koreaanse oorlog (1950-53) een vergelijkbaar idee gehad.

Het zijn dit soort belangrijke details die het boek meer diepgang geven.

De interactie tussen de politiek en het leger verdient aandacht, vanwege de vergelijkbare verhouding die er momenteel is tussen de Nederlandse politiek en haar eigen militaire expedities naar het buitenland, vooral die naar Afghanistan. Het Frankrijk van de vijftiger jaren gaf ook geen grote politieke prioriteit aan de avonturen van wat tenslotte grotendeels een beroepsleger was. De dienstplichtige soldaten moesten meest in Frankrijk en Duitsland dienen, in het aan de NAVO toegewezen leger. Bovendien was een substantieel gedeelte van de manschappen afkomstig uit de rest van het Franse koloniale rijk. Zo kom het gebeuren dat het in Dien Bien Phu omsingelde leger bestond uit een dwarsdoorsnede van Franse parachutisten, het Vreemdelingenlegioen (inclusief ex-Wehrmacht soldaten), Franse West- en Noordafrikaanse (Senegal, Algerije en Marokko) troepen en een groot contingent Vietnamezen. Daarnaast vochten ook Laotianen en Thaise soldaten mee, plus bergstammen uit de omgeving die de Vietnamezen niet vriendelijk gezind waren. In vergelijking daarmee was het Viet Minh leger bijna homogeen en bovendien uiterst gemotiveerd. Dat moest ook wel, want in het verslag van de campagne blijkt keer op keer dat de geavanceerde wapens van de Fransen (luchtmacht en artillerie) gecombineerd met de bijzonder grote gevechtservaring van de Franse elitesoldaten grote aantallen slachtoffers maakten aan de Viet Minh kant. De Chinese steun (vooral in de vorm van opleidingen, bevoorrading, kanonnen en ander zware wapens) compenseerde dat enigszins maar uiteindelijk kwam het neer op de sterke motivatie van de Viet Minh, die tenslotte voor hun onafhankelijkheid vochten. De Amerikaanse waarnemers die de Fransen steun verleenden en na de wapenstilstand van 1954 de splitsing van Vietnam bewerkstelligden leerden weinig van deze oorlog en stuurden het volgende expeditieleger. Hun nederlaag kwam in 1975, 21 jaar later.
(KaKo)


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Berichten van de basis -

Berichten van de basis


Oorlog en Vrede in verkiezingstijd

In de aanloop naar de vervroegde verkiezingen en de daaraan voorafgaande congressen en campagnes van de politieke partijen, heeft de Politieke Werkgroep – een samenwerkingsverband van de landelijke organisaties van Vrouwen voor Vrede en Women’s International League for Peace and Freedom (WILPF) – een belangwekkende brochure uitgegeven met ‘tips’ voor de verkiezingen. De brochure is een weldoordachte en heldere uitleg over wat er tot heden bereikt is op het gebied van Vrede en Veiligheid en bevat aanbevelingen over wat er nu gedaan zou kunnen worden door onze Nederlandse politici o.a. met betrekking tot de mensenrechten.

Vier belangrijke thema’s worden in de brochure onder de loep genomen. Het belang en de stand van zaken wat betreft internationale samenwerking binnen de Europese Unie en de Verenigde Naties en de uitwerking van haar lopende programma’s worden positief onderstreept. Er spreekt, naast de nodige scepsis, ook zeker een vertrouwen van de schrijfsters uit over de ontwikkelingen en welwillendheid om de geweldsproblemen kordaat aan te pakken. VN Resolutie 1325 over vrouwen, vrede en veiligheid krijgt een centrale plaats. Ook de globalisering en haar economische doelstellingen komen ruim aan de orde, met een kritische benadering. In het hoofdstuk over het defensiebeleid en het gebruik van kernwapens en conventionele wapens door de verschillende partijen, staan de feiten op een rij. De afgelopen honderd jaren waren de bloedigste in de geschiedenis van de mensheid. Er vielen talloze slachtoffers, gemeenschappen werden verwoest en er werden miljoenen dollars uitgegeven aan wapens; geld, dat niet voor ontwikkeling en bestrijding van armoede kon worden gebruikt.

De werkgroep spreekt vanuit een lange ervaring in bewust denken en handelen op het terrein van oorlog en vrede en geeft actuele en werkbare oplossingen om geweld te voorkomen en samen te werken in vredesmissies en wederopbouw. ‘Vrede is niet los te koop’. Een begeleidend schrijven met een vergelijking van de net bekend gemaakte verkiezingsprogramma’s van de politieke partijen geeft ook de kiezers inzicht in hoe onze volksvertegenwoordigers denken de urgente vraagstukken op mondiaal gebied aan te pakken.

De brochure, getiteld: “Politiek voor de Vrede. Aanbevelingen voor de verkiezingsprogramma’s” is in allerijl naar partijbesturen en kamerleden opgestuurd. Geïnteresseerden kunnen deze met de programmavergelijking opvragen bij de Politieke Werkgroep of lezen op de website van Vrouwen voor Vrede.

Secretariaat Vrouwen voor Vrede, Amersfoort,
e-mail: vrouwenvoorvrede"at"antenna.nl
Postbus 963, 3800 AZ Amersfoort
Secretariaat Politieke Werkgroep:
e-mail: vanzandbergen"at"wxs.nl
tel : 030-6063551



Nieuwe onderwijsmethode uniek voor Europa

Educatief beursspel voor maatschappelijke vraagstukken

Aankondiging van Euro’s voor Vrede en CMO

Vredesorganisatie Euro’s voor Vrede en Centrum voor Mondiaal Onderwijs (CMO) introduceren in januari 2007 een geheel nieuwe onderwijsmethode die leerlingen op ROC’s en in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs zowel inzicht geeft in maatschappelijke vraagstukken als in de werking van aandelenmarkten. Dit gebeurt via een online optiemarkt in maatschappelijke vraagstukken.

De methode borduurt voort op het idee van predicting markets. Deze markets waren vóór de Tweede Wereldoorlog in de Verenigde Staten een zeer populaire manier om de opinie van de bevolking te peilen. Na enkele decennia uit beeld te zijn verdwenen, komt er inmiddels langzaam maar zeker meer interesse in predicting markets.

Markt voor Vrede

Markt voor Vrede is de eerste predicting market voor het middelbaar onderwijs die ingaat op maatschappelijke vraagstukken. Markt voor Vrede biedt docenten een uitgelezen mogelijkheid om een vernieuwende onderwijsmethode toe te passen. Het is geschikt als lesstof, als onderwerp voor vakoverstijgende projecten en als onderdeel van het competentiegericht onderwijs.

Deelname aan Markt voor Vrede is gratis. Op Markt voor Vrede kunnen leerlingen op ROC’s en in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs zes weken lang via een website handelen in het percentage Nederlanders dat op 16 februari 2007 denkt dat de wederopbouw van Uruzgan binnen afzienbare tijd gerealiseerd zal worden. Voor de datum van 16 februari is gekozen omdat de Nederlandse vredestroepen dan precies tweehonderd dagen in Uruzgan zijn.

Markt voor Vrede wordt mogelijk gemaakt door OxfamNovib en NCDO.
Voor meer informatie kunt u terecht op de website van Euro’s voor Vrede.



Vredesactivisten in toga

Op 13 september hielden in Den Haag een tiental vredesactivisten een demonstratieve optocht in toga, omdat zij bij een eerder niet aangemelde vredesactie op 4 juli waren gearresteerd en beboet. De tocht voerde langs het ministerie van defensie, de tweede kamer en de Amerikaanse ambassade naar het Paleis van Justitie, alwaar zij voor de politierechter op een hoorzitting moesten verschijnen. De hoorzitting ging over de rechtmatigheid van de vervolging van de vredesactivisten en de beperking van het demonstratierecht. Maar omdat de rechter eiste dat de vredesactivisten hun toga uit zouden trekken en zij dit weigerden – aangezien er geen kledingsvoorschriften in de wet staan – kon de rechter niet anders besluiten de zitting te schorsen en voor onbepaalde tijd te verdagen. De actie van de vredesactivisten op 4 juli, waar het allemaal mee begon, vond plaats in verband met het bezoek van burgemeester Akiba van Hiroshima aan zijn collega Deetman van Den Haag in het kader van de Mayers for Peace-campagne.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina