Aangepast zoeken

VD AMOK
archief VredesMagazines

Onderzoeksdossier VD AMOK
Militarisme, olie en wereldcrisis

verschenen in het tijdschrift VredesMagazine
nummer 4, jaargang 2, 2009



Inhoudsopgave

Colofon

VredesMagazine 4e kwartaal 2009
Haags Vredesplatform (HVP), Humanistisch Vredesberaad (HVB), Vereniging Pais, Samenwerkingsverband Stop de Wapenwedloop, Antimilitaristies Onderzoekskollektief VD AMOK, Women’s International League for Peace and Freedom (WILPF) afdeling Nederland.
In VredesMagazine zijn de tijdschriften Kernwapens Weg!, VD AMOK en de dikke nummers van Vredeskoerier ’t Kan Anders opgegaan. De dunne nummers van Vredeskoerier ’t Kan Anders blijven vier maal per jaar verschijnen.

Redactie
Jan Bervoets, Hans Feddema, Benno Houweling, Kees Kalkman, Klaas Meijer, Anke Polak, Jan Schaake, Guido Schokker, Barbara Smedema, Egbert Wever

Redactieadres
Obrechtstraat 43 3572 EC Utrecht tel. 030 8901341
e-post info@vredesmagazine.nl
Kopijsluiting volgend nummer: 18 november
Verschijningsdatum volgend nummer: 16 december

Aan dit nummer werkten naast de auteurs mee
David-Jan Donner, Chris Geerse, Frank Slijper,Wendela de Vries

De auteur is verantwoordelijk voor de inhoud van een geplaatst stuk. De tekst van artikelen mag worden overgenomen op voorwaarde van bronvermelding. Copyrights van foto’s en tekeningen berusten bij de desbetreffende fotograaf /illustrator.

Fotoredactie
Hans Bouton, Anne Vaillant

Medewerkende fotografen en illustratoren
Jan Bervoets, Joop Blom, Margot Bordelon, Davide, Findus, Anja Meulenbelt, Len Munnik, Peleia, Jan Schaake, Klaas Strooker, Wil en H.A. Wilmar

Vormgeving
René Oudshoorn

Drukker
Drukkerij Mezclado, Tilburg

Abonnementen
Interesse of aanmelding voor een abonnement op Vredesmagazine kan kenbaar gemaakt worden bij de redactie van Vredesmagazine of bij een deelnemende organisatie.
Een jaarabonnement op VredesMagazine (4 nummers) kost 10 euro. U kunt een abonnement nemen via info@vredesmedia.nl of 015 7850137

Giften
Bedragen die abonnees overmaken boven het verschuldigde abonnementsgeld worden beschouwd als gift voor het werk van de in VredesMagazine samenwerkende organisaties.

Contact VredesMedia
Vlamingstraat 82, 2611 LA Delft, 015 7850137
info@vredesmedia.nl, www.vredemedia.nl

ISSN 1876-0724


Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

Energie – de nieuwe geopolitiek

Het Pentagon gaat de strijd om grondstoffen steeds meer centraal stellen bij zijn strategische planning. Er lijkt een nieuwe periode aan te breken, waarin de rivaliteit met China belangrijker wordt dan het nu overheersende scenario van de oorlog tegen het terrorisme. Dit is van belang voor de locatie van militaire bases, wapenhandel en de inzetgebieden van het Amerikaanse leger.

Terwijl de dagelijkse militaire planning van de VS nog steeds te maken heeft met Irak en Afghanistan, kijken Amerikaanse strategen in toenemende mate verder dan deze twee conflicten naar de wereldwijde militaire context van de periode die nu aanbreekt. Ze zien dan een wereld waarin eerder de strijd om vitale grondstoffen dan ideologische conflicten of de wapenwedloop de oorlogskansen bepaalt.

Hoewel weinig hiervan tot nu toe het publiek domein heeft bereikt, is de militaire elite al bezig de strategische plannen en de militaire capaciteiten aan te passen, zodat de doctrine en de strijdkrachten van de VS in een dergelijke omgeving kunnen overleven.

Sinds 2006 vergelijkt het ministerie van defensie in het jaarlijkse rapport Military Power of the People’s Republic of China de strijd om grondstoffen met een conflict over Taiwan als mogelijke aanleiding voor een oorlog tussen de VS en China. De editie van 2008 merkt op dat het voorbereiden van de confrontatie met Taiwan "een belangrijk motief" blijft voor de modernisering van het Chinese leger, maar dat "een analyse van Chinese wapenaankopen en strategisch denken suggereert dat Peking ook bezig is een capaciteit te ontwikkelen om militaire middelen in andere scenario’s in te zetten zoals een conflict over grondstoffen".

Maar ook het Pentagon vraagt dit jaar om fondsen om het Africa Command (Africom) op te richten, het eerste nieuwe gezamenlijke overzeese commando sinds 1983 toen president Reagan Central Command (Centcom) oprichtte om de olie in de Perzische golf veilig te stellen. Africom gaat zich officieel richten op humanitaire hulp en de oorlog tegen het terrorisme, maar de plaatsvervangende commandant, viceadmiraal Robert Moeller heeft opgemerkt dat "Afrika van toenemend geostrategisch belang is" voor de VS en dat China’s "toenemende invloed in Afrika" een van de grote uitdagingen is voor de strategische belangen van de VS in deze regio.

Ook Rusland wordt bekeken door de lens van de wereldwijde concurrentie om grondstoffen. In tegenstelling tot de VS en China hoeft dit land geen olie en gas te importeren, maar het probeert het transport van energie, vooral in Europa, te domineren. De regering Bush maakte zich hier grote zorgen over en stimuleerde het tot stand komen van olie- en gaspijpleidingen die het Russische grondgebied vermijden.

Het lijkt er dus op dat er een belangrijke verschuiving in de prioriteiten plaatsvindt. Op het moment dat de voorraden olie, gas, uranium en strategische mineralen zoals koper en kobalt beginnen te slinken gaan de industriële grootmachten wanhopig aan de slag om controle te krijgen over wat er nog over is aan onontgonnen reserves. Op de internationale markten wordt deze strijd al gestreden – vandaar de prijsverhogingen voor al deze handelswaar. Maar deze concurrentie neemt ook een militaire vorm aan in de gedaante van wapenaankopen en het inzetten van overzeese operaties en bases.

Vitale zeestraten

Het conflict van de VS met Irak en Iran draagt in hoge mate het stempel van het uitgangspunt van de Carterdoctrine (genoemd naar president Carter): dat de VS niet toe zal laten dat een vijandig gezinde mogendheid de controle krijgt over de oliestroom vanuit de Perzische Golf en daarmee "in de toekomst in staat is de wereldwijde energiepolitiek te dicteren", om met vicepresident Cheney te spreken. Het feit dat deze landen eventueel uit zijn op massavernietigingswapens compliceert alleen de neutralisering van deze dreiging, maar verandert niets aan de onderliggende strategische logica.

Een en ander betekent meer nadruk op de wereldwijde rol van de VS-marine. De marine, het corps mariniers en de kustwacht hebben samen A Cooperative Strategy for 21st Century Seapower uitgewerkt, waarin het belang wordt benadrukt van het beheersen van de oceanen en de vitale zeestraten die de VS verbinden met de overzeese markten en grondstoffenvoorraden. Daartoe is een massale modernisering van de gevechtsvloot gepland, waaronder de aanschaf van nieuwe vliegdekschepen, kruisers, fregatten, onderzeeërs en een nieuw type kustslagschip – een project van tientallen jaren en honderden miljarden dollars.

Ook het inzetgebied van de VS-marine verandert. Tot voor kort waren de meeste marineschepen geconcentreerd in het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan, de Middellandse Zee en het noordwestelijk deel van de Stille Oceaan ter ondersteuning van de NAVO en de militaire verdragen met Zuid-Korea en Japan. Dat is nog steeds van belang, maar er komt steeds meer nadruk op de bescherming van vitale belangen in de Perzische Golf, het zuidwesten van de Stille Oceaan en de Golf van Guinee (dicht bij de Afrikaanse olieproducenten).

Hetzelfde geldt voor de overzeese militaire bases. Vroeger waren de belangrijkste in West-Europa, Japan en Zuid-Korea. In de periode Bush kwam er een verschuiving naar Zuidoost-Europa, Centraal-Azië en Noord- en Centraal-Afrika. Daar zitten natuurlijk al-Qaida en de ‘schurkenstaten’, maar in deze gebieden is ook 80% of meer van de wereldvoorraad aan olie en gas en reserves uranium, koper, kobalt en andere strategische grondstoffen aanwezig. De politiek om militaire bases te vestigen in Centraal-Azië en Irak kan niet los hiervan worden gezien. Zo onthulde de VS-marine in 2007 dat ze een commandocentrale hadden ingericht op een Iraakse offshore terminal voor olie in de Perzische Golf om de bescherming van vitale terminals in dit gebied te garanderen.

Chinese luchtlandingstroepen

Andere mogendheden beginnen weerwerk te bieden. China’s jacht op grondstoffen is het duidelijkst in Afrika, waar Peking banden heeft aangeknoopt met de olieproducenten Algerije, Angola, Tsjaad, Equatoriaal Guinee, Nigeria en Soedan. China zoekt ook toegang tot Afrikaanse minerale voorraden, door de hand te leggen op koper in Zambia en Congo, chroom in Zimbabwe en een reeks mineralen in Zuid-Afrika. In sommige gevallen worden in ruil daarvoor naast ontwikkelingshulp en goedkope leningen ook wapens geleverd – het voorbeeld van Soedan is het meest opgevallen. De wapenhandel wordt gecombineerd met het leveren van Chinese militaire instructeurs, adviseurs en technici. Op die manier wordt met de VS geconcurreerd om de gunst van de Afrikaanse officieren.

Hetzelfde gebeurt in Centraal-Azië waar China en Rusland samenwerken onder de auspiciën van de Shanghai Cooperation Organization (SCO) om wapens en technische hulp te leveren aan de strijdkrachten van de Centraal-Aziatische ’stans’, opnieuw in concurrentie met de VS om de loyaliteit van de plaatselijke militaire elites te winnen. In 2007 werd tijdens een oefening van de SCO voor het eerst een contingent Chinese luchtlandingstroepen buiten het Chinese grondgebied ingezet, een duidelijk teken van het toenemende Chinese zelfbewustzijn.

Het inzetten van steeds meer Amerikaanse, Russische en Chinese adviseurs in onstabiele regio’s levert het risico op dat ze op een gegeven moment aan tegengestelde kanten betrokken raken bij lokale conflicten. Dat wordt bevorderd doordat de productie van olie, gas, uranium en mineralen op zichzelf al een bron van instabiliteit is en een magneetwerking heeft op wapenleveranties en interventie van buiten. De betrokken landen zijn veelal arm en hebzuchtige elites proberen de macht te monopoliseren ten koste van een verarmde bevolking, die nogal eens behoort tot een andere etnische groep – een recept voor onrust en opstand. Voorbeelden daarvan zijn de Nigerdelta in Nigeria, Darfoer en Zuid-Soedan, het uraniumgebied in Niger, de olieprovincie Cabinda in Angola en Georgië, dat ligt op het traject van de Bakoe-Tiflis-Ceyhan (BTC) pijpleiding, een door de VS gesponsorde olieroute van de Kaspische Zee naar de westerse markten

Alternatieve energievormen

Het is van essentieel belang dat Amerika een eind maakt aan de militarisering van zijn afhankelijkheid van geïmporteerde energie en de geopolitieke concurrentie met China en Rusland gaat matigen. Het stimuleren van alternatieve energievormen is daartoe nodig. Het voornaamste obstakel zijn paradoxaal genoeg de enorme militaire kosten voor het in stand houden van deze concurrentie om overzeese grondstoffen. Afdwingen van de Carterdoctrine kost naar schatting rond de 100 tot 150 miljard dollar per jaar. Het uitbreiden van die doctrine tot de Kaspische Zee en Afrika zal miljarden extra kosten. Een nieuwe koude oorlog met China met de marinebewapeningswedloop die daar bij hoort zou de komende tientallen jaren biljoenen dollars extra kosten.

Michael Klare
Michael Klare is de militaire correspondent van The Nation en hoogleraar van Hampshire college. Hij heeft tal van boeken geschreven waaronder War Without End (1972), Low-Intensity Warfare (1988), Blood and Oil (2005) en Rising Powers. Shrinking Planet (2008). Dit artikel is een bekorte en bewerkte versie van het artikel The New Geopolitics of Energy in The Nation van 19 mei 2008.


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

Peak Oil en de komende crisis van het militarisme

Peak oil en het Australische leger

Er komt een dag dat de olie zal opraken. Hoewel dat zonder twijfel nog een hele tijd zal duren, wordt het langzamerhand duidelijk dat de wereldproductie van olie vrijwel zeker binnen enkele decennia en wellicht zelfs al binnen een paar jaar zal pieken en vervolgens definitief af zal nemen. Er is toenemende onrust binnen kringen van de olie-industrie dat de productiepiek (de zogenaamde peak oil) binnenkort zal worden bereikt of zelfs al heeft plaatsgevonden.

Een onderzoeksrapport van het Pentagon waarschuwt dat de toenemende kosten en de afnemende voorraden olie – het levensbloed van de gevechtsvliegtuigen, oorlogsschepen en tanks – de mogelijkheid voor het leger van de VS om over de hele wereld te reageren op een uitbrekende crisis "op de lange termijn onhoudbaar zal maken".

Wat zijn de implicaties voor het Australische leger van peak oil? Een onmiddellijk gevolg is een aanzienlijke toename van de olieprijs, maar ook van de fluctuaties daarin. De Australische economie is bijzonder kwetsbaar hiervoor. Door de olie veroorzaakte recessies zullen leiden tot toenemende druk op de defensiebegroting. Een van de weinige lichtpuntjes voor het leger is dat peak oil zal leiden tot grote werkloosheid. Het leger als werkgever zal veel aantrekkelijker worden. Maar de moderne gemechaniseerde strijdkrachten verbruiken een enorme hoeveelheid brandstof. Zo consumeerde een enkele Amerikaanse divisie tijdens operatie Desert Storm (1991) 9,6 miljoen liter brandstof per dag. Dat komt neer op meer dan 6% van de huidige dagelijkse brandstofconsumptie van heel Australië.

De afhankelijkheid van olie maakt het Australische leger op verschillende manieren kwetsbaar. Een stijging van de olieprijs door peak oil zal er ofwel toe leiden dat een groter deel van de militaire begroting uitgegeven wordt aan brandstof ofwel resulteren in een afname van het brandstofverbruik. Voor het laatste zijn er weinig andere opties dan het reduceren van het aantal operationele uren voor voertuigen en het beperken van de oefeningen. Daarnaast zijn er ook gevolgen voor de ondersteunende logistieke structuur, het netwerk van bedrijven, dat zorgt voor onderhoud en reserveonderdelen. De moderne logistiek werkt op basis van het just in time principe. Dat vereist een goedkoop en betrouwbaar transportsysteem. Peak oil is in staat dit transportsysteem te verstoren en daarmee de reparatie van materieel en de bevoorrading met reserveonderdelen te vertragen. Zo moet bijvoorbeeld veel verbindingsapparatuur terug naar de VS voor onderhoud en reparatie. En een betrekkelijk simpel stuk materieel zoals een aggregaat heeft al 700 aparte onderdelen.

Uiteindelijk zal het ertoe leiden dat het leger meer slachtoffers bij operaties kan verwachten, een afnemende paraatheid heeft en mogelijkerwijs niet langer in staat zal zijn om het volledige scala van mogelijke operaties voor de regering uit te voeren.

Uit: Major Cameron Leckie, Peak Oil and the Australian Army. Australian Army Journal, Volume IV, number 3, zomer 2007

Peak oil en het energie-imperialisme

Matthew Simmons is de directeur van de in Houston, Texas gevestigde energie-investeringsbank Simmons and Company International, lid van de National Petroleum Council en de Council on Foreign Relations. In 1999 publiceerde hij een artikel waarin hij betoogde dat de grote olievelden "veel sneller" dan voorheen uitgeput raakten door nieuwe winningstechnieken. Simmins werd vervolgens een belangrijke adviseur van president George W. Bush in de Energy Transition Advisory Comittee onder leiding van vice-president Cheney. Zijn boek Twilight in the Desert; The Coming Saudi Oil Shock and the World Economy (2005), waarin hij beredeneerde dat de Saoedische oil peak ophanden was werd zeer invloedrijk.

Tussen 1998 en 2001 begonnen leidende kringen in de VS zich toenemende zorgen te maken over de problemen bij de oliewinning en de strategische middelen om ze op te lossen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een rapport van drie delen dat het respectabele Center for Strategic and International Studies in 1998 uitbracht. Het rapport Geopolitics of Energy into the 21st Century van de vroegere voorzitter van de defensiecommissie van de Senaat Sam Nunn en de voormalige minister van defensie James R. Schlesinger was in voorzichtige termen gesteld, maar concludeerde dat de VS als "enige supermacht (..) speciale verantwoordelijkheden had voor het veiligstellen van de wereldwijde energievoorziening" en de "vrije toegang" tot de olie. De noodzaak om manieren te vinden om de olie-export van zowel Irak als Iran te vergroten – twee landen die toen allebei getroffen waren door sancties van de VS – werd benadrukt.

Terugkijkend in 2007 stelde de voormalige voorzitter van de Federal Reserve Board, Alan Greenspan, in zijn boek The Age of Turbulence: "Ik vind het jammer dat het politiek slecht uitkomt om te erkennen wat iedereen weet: dat de oorlog met Irak vooral gaat over olie." Hij vergeleek de onderneming met eerdere pogingen van het Westen om greep te krijgen op de energievoorziening voor Europa zoals in 1951 de omverwerping van de Iraanse regering Mossadeq door de CIA en in 1956 de oorlog om het Suezkanaal.

Eveneens in 2007 bracht het Government Accountibility Office van de VS een rapport uit met de veelzeggende titel: Uncertainty about Future Oil Supply Makes It Important to Develop a Strategy for Adressing a Peak and Decline in Oil Production. Daarin werden de politieke risico’s uiteengezet van het feit dat vier politiek riskante landen samen bijna een derde van de wereldreserve aan olie bevatten: Iran, Irak, Nigeria en Venezuela.

Uit: John Bellamy Foster, Peak Oil and Energy Imperialism. Monthly Review juli-augustus 2008

Een uitstekende Nederlandse site om de ontwikkelingen rond peak oil te volgen is Peakoil Nederland met onder meer de maandelijkse nieuwsbrief Oilwatch Monthly. Daarnaast is er de site transitiontowns.nl voor mensen op lokaal niveau die zelf aan de slag willen gaan om zich minder olieafhankelijk te maken.


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

De oorlog van 3 biljoen

Onlangs heeft de regering Obama de verwachting uitgesproken dat het federale begrotingstekort de komende tien jaar met twee biljoen dollar meer zal oplopen dan tot nu toe verwacht. Een biljoen (Amerikaans: trillion) is 1000 miljard. De nieuwe prognose gaat voor de periode 2010-2019 uit van een duizelingwekkend cumulatief begrotingstekort van 9 biljoen dollar, in plaats van de 7 biljoen die tot nu toe werd verwacht. De tegenvaller werd geweten aan de verslechterende economische situatie in de Verenigde Staten. Een belangrijke bijdrage tot de tekorten wordt echter gevormd door de gigantische kosten van de door president George W. Bush gevoerde oorlogen, oorlogen die nog steeds voortwoeden. Het ontwrichtende effect daarvan op de Amerikaanse economie zal pas in de toekomst duidelijk worden.

In het boek De oorlog van 3 biljoen dollar (2008) proberen de economen Joseph Stiglitz en Linda Bilmes te becijferen hoeveel de oorlog in Irak en die in Afghanistan gaan kosten. Op het moment dat het boek geschreven werd waren de Amerikanen vijf jaar in Irak, een periode langer dan de Amerikaanse deelname aan de Tweede Wereldoorlog (drie jaar en acht maanden), de eerste Wereldoorlog (twee jaar en twee maanden), de oorlog in Korea (drie jaar en een maand) en de Amerikaanse burgeroorlog (vier jaar). Stiglitz, een Nobelprijswinnaar voor de economie, en Harvardprofessor Bilmes zien de oorlog als "een gruwelijke vergissing"en constateren dat er "in die vijf jaar weinig vooruitgang [is] geboekt." De conclusie uit hun berekeningen, waarin ze verschillende scenario’s toepassen - het gunstige scenario van volledige terugtrekking vóór 2012 en het realistische scenario - is dat alleen al de kosten van de directe militaire operaties die van de twaalf jaar durende oorlog in Vietnam overstijgen en meer dan het dubbele zijn van de kosten van de Koreaanse oorlog. De enige duurdere oorlog in de Amerikaanse geschiedenis was de Tweede Wereldoorlog. Maar in die oorlog vochten "16,3 miljoen Amerikaanse soldaten mee in een veldtocht die vier jaar duurde en in totaal - in dollars van 2007 dollars met inflatiecorrectie - rond de 5 biljoen dollar kostte."

In de Tweede Wereldoorlog was vrijwel het hele Amerikaanse leger ingezet. Ter vergelijking: tot 2008 waren in totaal meer dan 1,6 miljoen VS-militairen ingezet in Irak. Een interessant ‘detail’ is dat in de Tweede Wereldoorlog een ingezette soldaat minder dan 100.000 dollar (van 2007) kostte, terwijl dat bedrag in de Irakoorlog is opgelopen tot 400.000 dollar.

Een belangrijk verschil met eerdere oorlogen is dat om de Irakoorlog te bekostigen de belastingen niet zijn verhoogd, voor de rijken zijn de belastingen zelfs verlaagd. De oorlog is "in zekere zin volledig gefinancierd door middel van leningen." Stiglitz en Bilmes stellen dat deze financiering van de oorlog via een begrotingstekort "de illusie [geeft] dat de economische wetten kunnen worden herroepen, dat we zowel kanonnen als boter kunnen hebben."

Voorafgaand aan de oorlog met Irak is er gesproken over de kosten die te verwachten waren. De voorspellingen liepen van 200 miljard dollar, volgens Larry Lindsey, de economische adviseur van Bush, via 50 miljard, volgens minister van defensie Donald Rumsfeld en Mitch Daniels, de directeur van het begrotingsbureau, tot nul, volgens staatssecretaris Paul Wolfowitz die dacht dat de oorlog helemaal kon worden gefinancierd met de opbrengsten van de Iraakse olievoorraden. Wijdverbreid was ook de opvatting dat andere landen in ruime mate zouden bijdragen aan de wederopbouw. Er kon worden verwezen naar de ervaring met de Golfoorlog van 1991 toen bondgenoten als Japan, Duitsland, Saoedi-Arabië en uiteraard Koeweit diep in de geldbuidel tastten zodat het net leek alsof de oorlog voor de VS bijna gratis was.

Zonder enige verdere berekening kunnen Stiglitz en Bilmes al vaststellen dat de oorlogskosten schromelijk zijn onderschat. Op het moment dat hun boek uitkwam had het congres in totaal al 845 miljard dollar toegewezen voor militaire operaties, wederopbouw, bouw en beveiliging van VS-bases en hulpprogramma’s in Irak en Afghanistan (waarvan driekwart voor Irak). De maandelijkse lopende kosten van de oorlog in Irak werden in 2008 geraamd op meer dan 12,5 miljard dollar per maand (in 2003 was dat 4,4 miljard) en met Afghanistan erbij op 16 miljard dollar per maand. Daarbij zijn niet inbegrepen de 500 miljard dollar per jaar aan reguliere uitgaven van het ministerie van defensie, de uitgaven van de inlichtingendiensten en van andere departementen. Zo is het opvallend dat tussen 2002 en 2008 de reguliere defensiebegroting enorm is toegenomen, veel sneller dan de stijging in de afgelopen 40 jaar. Stiglitz en Bilmes schatten dat minstens een kwart van deze toename – meer dan 150 miljard dollar in vijf jaar – kan worden toegeschreven aan de oorlogen in Irak en Afghanistan.

Verborgen kosten

De toegenomen kosten hebben nauwelijks te maken met het aantal soldaten. Zo is het aantal ingezette militairen vanaf 2004 toegenomen met 15%, maar bedraagt de kostenstijging in die periode 130%. Stiglitz en Bilmes zien daarvoor drie belangrijke oorzaken. Ten eerste zijn de personeelskosten gestegen, doordat de uitgaven per militair zijn toegenomen. Niet alleen omdat rekruteringspremies, gevechtstoeslagen en allerlei bonussen allemaal flink zijn verhoogd (een bonus kan oplopen tot 150.000 dollar), maar ook omdat voor allerlei activiteiten steeds meer gebruik wordt gemaakt van particuliere contractanten, waarvan er in 2006 al 100.000 in dienst waren. Die huurlingen van bedrijven als Blackwater en Dyncorp kunnen tot 445.000 dollar per jaar verdienen. Ter vergelijking: een sergeant van de landmacht verdient tussen de 51.000 en 69.350 dollar per jaar.

Een tweede oorzaak voor de uit de hand gelopen kosten zijn de stijgende brandstofprijzen. Toen de oorlog begon was de prijs van een vat olie 25 dollar, in 2008 was dat bijna 100 dollar. Bovendien moet de olie zonder welke de Amerikaanse oorlogsmachine niet voort kan, worden aangevoerd via lange en gevaarlijke en dus extra kostbare aanvoerlijnen.

De derde reden is de groeiende noodzaak voor steeds weer nieuwe uitrusting en wapens, niet alleen voor vervanging door de snelle slijtage en omdat de voorraden opraken, maar ook omdat de bestaande uitrusting tekortschiet. Zo moesten nieuwe speciale pantserwagens worden aangeschaft die betere bescherming bieden tegen bermbommen en hinderlagen. Ook is sinds 2004 al meer dan 30 miljard uitgegeven aan het opleiden van Iraakse en Afghaanse strijdkrachten, een kostenpost die bij de oorspronkelijke planning helemaal niet was opgenomen.

Maar voor Stiglitz en Bilmes is dit pas het begin van het hele verhaal. Ze wijzen op de verborgen kosten die het Pentagon niet meerekent zoals die van de zieke, gewonde en dode soldaten die niet rechtstreeks het gevolg zijn van gevechtshandelingen en de manier waarop de Amerikaanse overheid zich baseert op de dagelijkse kasuitgaven, waarbij toekomstige uitgaven zoals die van de medische zorg en invaliditeitsuitkeringen voor veteranen op lange termijn buiten beschouwing blijven. "Het verschil tussen onze rekening en de officiële rekening wordt voor een groot deel bepaald doordat wij deze toekomstige (..) verplichtingen erbij betrekken."

Daarbij moet worden bedacht dat door de betere medische voorzieningen op het slagveld, in de huidige oorlogen het aantal gewonde soldaten dat overleeft veel groter is dan vroeger. Zo was in de Tweede Wereldoorlog het aantal gewonden 1,6 per gesneuvelde. Maar in Irak en Afghanistan is de verhouding meer dan 7 gewonden voor elk dode.

Het meerekenen van de kosten voor de invalide veteranen tot in lengte van dagen is een belangrijke vernieuwing die de beide auteurs bij hun calculatie van de kosten van de oorlog invoeren. Het gaat om aanzienlijke bedragen. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat het patroon van de invaliditeitsclaims van de veteranen ongeveer dat van de Golfoorlog van 1991 zal volgen. Dat wil zeggen dat 45 procent uiteindelijk een uitkering wegens een bepaalde mate van invaliditeit aanvraagt en dat 88 procent van de aanvragen geheel of gedeeltelijk wordt gehonoreerd. In het meest gunstige scenario van Stiglitz en Bilmes leiden deze veronderstellingen ertoe dat de lange termijnkosten van gezondheidszorg en uitkeringen voor de veteranen 398 miljard dollar zullen bedragen. En in het gematigd realistische scenario (als de oorlog tot 2017 doorgaat) komt dat neer op 683 miljard dollar.

Een hoofdstuk apart is de rente die betaald moet worden, omdat de oorlog niet uit belastinginkomsten is gefinancierd. De belastingen zijn vooral voor de hogere inkomens juist verlaagd. In het gematigd realistische scenario zullen de rentebetalingen alleen al tot 2017 1 biljoen dollar bedragen.

Gevolgen voor de economie

Het boek "verkondigt een eenvoudige boodschap, een boodschap die keer op keer moet worden herhaald: dingen die gratis lijken zijn dat juist vaak niet en dat geldt ook voor oorlogen." De berekeningen leiden tot het resultaat dat in de optimistische variant de volledige kosten voor twee oorlogen in Irak en Afghanistan inclusief rente tezamen 2,3 biljoen dollar bedragen en in de gematigd realistische variant 3,5 biljoen. Daarbij is de verhouding tussen de kosten van de Afghanistanoorlog en de Irakoorlog ongeveer 1:3.

Stiglitz en Bilmes wijden ook een hoofdstuk aan de gevolgen van de oorlogen voor de economie als geheel. Het is natuurlijk opvallend dat de olieprijzen direct na het begin van de Irakoorlog begonnen te stijgen en – althans tot 2008 – hoe langer hoe hoger werden. Het ligt dus voor de hand hiertussen een verband te zien. Een indicatie kan het gedrag op de termijnmarkten zijn, waar gehandeld wordt in toekomstige oliecontracten. Voor de oorlog begon gingen die termijnmarkten er vanuit dat de prijzen in de komende jaren ongeveer hetzelfde zouden blijven, tussen de 20 en 30 dollar. De markten werken volgens het principe van ‘de gebruikelijke gang van zaken’. De opvallendste uitzonderlijke gebeurtenis in de periode dat de prijzen begonnen te stijgen was de oorlog tegen Irak. Het is in 2003 en 2004 moeilijk een andere verstoring aan te wijzen die de prijsstijging zou kunnen verklaren. In 2005 komen de orkanen Katrina en Rita daar nog bij die een grote tijdelijke daling in de Amerikaanse olieproductie veroorzaakten. Als maar de helft van de prijsstijging voor olie in de post-Irakwereld over de periode waarover er termijnmarkten zijn (in het boek tot 2015) kan worden toegeschreven aan de oorlog, dan valt te berekenen dat alleen al de directe kosten daarvan voor de Amerikaanse economie ongeveer 1,6 biljoen dollar bedragen. Een tweede verschijnsel sinds het begin van de oorlog zijn de sterk stijgende buitenlandse leningen van de VS. Zo leende Amerika in 2006 850 miljard dollar, gedeeltelijk omdat het een van de duurste oorlogen uit de geschiedenis aan het voeren was. In het boek wordt hierover een interessante uitspraak aangehaald van David Walker, de thesaurier-generaal van de VS. Hij merkte op dat er "opvallende overeenkomsten" zijn tussen de huidige situatie in Amerika en de factoren die het klassieke Rome ten val hebben gebracht, waaronder een "overmoedig en overbelast leger in verre landen en onverantwoordelijk budgettair gedrag door de centrale overheid." Omdat toch nog de helft van de leningen in het binnenland wordt gefinancierd leidt dit tot verdringing van particuliere investeringen, waarmee de economie verder werd verzwakt. Onder meer om dit effect tegen te gaan voerde de Amerikaanse centrale bank een politiek van geldverruiming door de rentevoet minimaal te houden met de bekende gevolgen in de hypotheek- en kredietcrisis, waarvan de omvang toen het boek uitkwam nog niet duidelijk was. Maar Stiglitz en Bilmes kunnen al constateren dat de lage rentepolitiek en de slappe normen voor leningen de nadelige gevolgen van de hoge olieprijzen, het begrotingstekort en de bodemloze put in Irak lange tijd aan het zicht hebben onttrokken. "Amerika heeft van geleend geld en geleende tijd geleefd."

Noodbegrotingen

In een recent artikel na het besluit tot terugtrekken uit Irak constateren Stiglitz en Bilmes opnieuw dat volgens hun berekeningen de VS nu al 1 biljoen dollar hebben uitgegeven aan militaire operaties in Irak en Afghanistan, dat de teller doorloopt en dat het vermoedelijk in de toekomst meer dan 2 biljoen dollar extra zal kosten om de oorlogsschulden terug te betalen, de militaire uitrusting aan te vullen en de veteranen te verzorgen en te behandelen. "De uitgaven tijdens de oorlog hebben zonder twijfel een belangrijks bijdrage geleverd aan onze huidige economische ineenstorting. (..) Het is onmogelijk om drie biljoen uit te geven aan een roekeloze oorlog in het buitenland zonder de pijn thuis te voelen." Ze zijn bang dat de fouten rond Irak herhaald worden in Afghanistan. President Obama heeft onlangs weer een ‘noodbegroting’ van 80 miljard dollar ingediend om de operaties in Irak en Afghanistan te bekostigen. Het was voor de 30ste maal sinds 2001 dat extra-uitgaven door het Congres werden gejaagd zonder fatsoenlijke controle. De belangrijkste les van het Irakdebakel zou in hun ogen juist moeten zijn dat van tevoren geld opzij wordt gezet voor veteranenzorg, fraude en profiteurs worden bestreden en de werkelijke kosten van de oorlog in de reguliere begroting worden opgenomen, zodat de Amerikaanse belastingbetaler kan zien hoeveel de oorlog gaat kosten.

Kees Kalkman


De militaire kosten van door de VS gevoerde oorlogen
(in dollars van 2008)
1775-1783 Amerikaanse revolutie1825 miljoen
1846-1849Mexicaanse oorlog1801 miljoen
1861-1865Amerikaanse burgeroorlog60443 miljoen
1898-1899Spaans-Amerikaanse oorlog6848 miljoen
1917-1921Eerste Wereldoorlog253 miljard
1941-1945Tweede Wereldoorlog4114 miljard
1950-1953Koreaoorlog320 miljard
1965-1975Vietnamoorlog686 miljard
1990-1991Golfoorlog96 miljard
2003- Irakoorlog648 miljard
2001- Afghanistan/GWOT171 miljard
2001- Totaal na 9/11
(Afghanistan, Irak, GWOT en binnenlandse veiligheid)
859 miljard

Cijfers zijn meest gebaseerd op gegevens van de Amerikaanse regering.
GWOT= Global War On Terrorism
Bron: Congressional Research Service, Costs of Major U.S. Wars,. 24 juli 2009


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

Militair Keynesianisme en bewapeningseconomie

Wapens worden niet alleen geproduceerd om militair overwicht te creëren, maar soms ook om economische politiek te voeren. Dit wordt militair Keynesianisme genoemd.

Onder militair keynesianisme verstaan we een economische politiek van westerse landen, waarbij militaire uitgaven worden gebruikt om de nationale economie te stimuleren. Opmerkelijk genoeg werd dit concept al beschreven twee jaar vòòr John Maynard Keynes zijn beroemde theorie over werkgelegenheid, rente en geld publiceerde. In 1935 schreef de Poolse econoom Michal Kalecki een essay, waarin hij erop wees dat de Duitse nazi-regering een politiek van begrotingstekorten combineerde met de opbouw van een bewapeningseconomie. In de periode na de Tweede Wereldoorlog, toen de ideeën van Keynes allerwegen werden geaccepteerd, werd het begrip militair keynesianisme vooral gebruikt om te verwijzen naar economische praktijken van opeenvolgende regeringen van de VS. Terwijl Europese regeringen leken te vertrouwen op sociale uitgaven om hun economieën in crisistijd te reguleren, hebben de regeringen van de VS in de tweede helft van de 20e eeuw vaak de militaire uitgaven verhoogd om een voldoende niveau van de vraag naar producten te garanderen.

Verschillende dimensies van militair Keynesianisme

Bij militair keynesianisme gaat het om onproductieve investeringen in het militaire apparaat. Ter verdere verduidelijking hanteren we drie paren van begrippen.

Ten eerste is er het verschil tussen het ‘aanzwengelen van de economie’ (pump priming) en het voeren van een expansieve politiek op de lange termijn. Een regering kan op korte termijn ingrijpen in de economie door wapens, computers, uniformen of andere legergoederen te kopen, om een recessie in de economie te doorstaan. Maar ze kan ook kiezen voor de aanschaf van grote wapensystemen, zoals gevechtsvliegtuigen, oorlogsschepen of andere militaire producten, waarmee uitgaven worden gedaan die zich uitstrekken over alle jaren in de economische cyclus van crisis en welvaart. De verleiding om de economie uit de crisis te trekken via een plotselinge of tijdelijke sprong in de militaire uitgaven is erg groot. Er is vaak een samenhang in de tijd tussen historische beslissingen om een (nieuwe) oorlog te beginnen en recessies. Zo vielen de recessie van 1991 en die van 2001-2003 telkens samen met het begin van een bloedige oorlog in het Golfgebied. Maar omdat de bouw van grote wapensystemen uitgebreide planning en onderzoek vereist, geven kapitalistische staten in het algemeen de voorkeur aan de aankoop van grote wapensystemen voor economische politiek en regulering op de lange termijn.

Een andere belangrijk verschil is dat tussen primaire en secundaire vormen van militair keynesianisme. In beide gevallen gebruikt een staat een expansief mechanisme (de zogenaamde multiplier) om de vraag naar producten te stimuleren. Steeds gaat het om uitgaven die een verspillend karakter hebben en verdere verspilling van economische hulpbronnen stimuleren Maar terwijl bij de primaire vorm van militair keynesianisme de staat wapenaankopen en andere militaire uitgaven gebruikt als de belangrijkste middelen om de economie te sturen, heeft het gebruik van de secundaire vorm van keynesianisme een meer beperkte economische betekenis. Hier leveren de militaire uitgaven een ‘bijdrage’ aan het opkrikken van de vraag in de samenleving als geheel, maar niet in die mate dat de economie volledig door deze uitgaven wordt voortgestuwd. Als er een secundaire vorm van militair keynesianisme wordt toegepast, wordt de economie hetzij voortgedreven door particuliere investeringen van bedrijven in de civiele sector of door het civiele bestedingsprogramma van de regering.

Een derde fundamenteel onderscheid is dat tussen binnenlands en extern gericht militair keynesianisme. In wezen gaat het er hierbij om dat kapitalistische economieën niet functioneren als gesloten systemen, maar vertrouwen op buitenlandse handel als uitlaatklep voor de verkoop van (een deel van) hun overschotten. Ook de militaire sector gebruikt die uitlaatklep. Uit de omvangrijke gegevens over het promoten van wapenexporten blijkt dat westerse landen er actief naar streven dat hun wapenleveranciers niet al hun producten aan de eigen staat verkopen, maar ook orders van buitenlandse staten binnenslepen. Door deze wapenexporten worden de verspillende effecten van de wapenproductie geëxternaliseerd. Terwijl de expansie ten goede komt aan de economie waar de wapens worden geproduceerd, wordt het negatieve effect in de vorm van het verlies van financiële middelen en hulpbronnen geëxporteerd naar andere economieën.

Voorbeelden van militair keynesianisme

Om te beginnen het voorbeeld van de economische politiek van de regering van Bush jr. in de recessie in de VS van 2001-2003. Het begin van de oorlog tegen Irak kan zelf al worden gezien als een vorm van aanzwengelen van de economie. Precies in het kwartaal van 2003 dat de oorlog begon, kwam de economie van de VS weer op stoom, waarbij zeker 60% van de hervatte groei het resultaat was van militaire uitgaven door de regering van de VS, gedaan in 2002 en 2003. Het aanzwengeleffect werd onder meer bereikt door specifieke orders van het Pentagon voor bedrijven in de sector van de informatietechnologie – precies de sector die in de tien jaar daarvoor de economie van de VS had aangedreven. Terwijl de negatieve effecten van deze politiek de vorm aannamen van massamoord en een langdurige oorlog in Irak, was het voor de economie en de bedrijven in de VS het begin van een nieuwe – zij het korte – periode van welvaart.

Maar de expansie van de militaire uitgaven van de VS was niet incidenteel. Die was al begonnen aan het eind van de jaren negentig, dus zelfs vòòr de genoemde recessie. Opeenvolgende regeringen van de VS hebben tien jaar lang consequent de militaire uitgaven opgevoerd. Om diverse redenen kan de militaire begrotingspolitiek van de regering Bush jr. dan ook worden gezien als een voorbeeld van langdurige economische stimuleringspolitiek. Zo is de totale toename van de militaire begroting omvangrijk. Terwijl de begroting in 1998 minder was dan 300 miljard dollar, ligt het gecombineerde cijfer voor de officiële militaire begroting en alle oorlogsuitgaven die buiten de begroting om worden toegekend nu boven de 700 miljard dollar. Voegt men daar alle militair gelieerde uitgaven in brede zin aan toe (uitgaven voor de ontwikkeling van kernwapens, oorlogsveteranen, pensioenen en rente) dan mag men er nog eens 300 miljard dollar bijtellen, waarmee het niveau van 8% van het bruto nationaal product van de VS wordt bereikt.

Secundaire effecten

De klassieke voorbeelden voor de toepassing van de primaire vorm van militair keynesianisme zijn nazi-Duitsland in de jaren dertig van de vorige eeuw en de VS tijdens de economische cycli van na de Tweede Wereldoorlog. In die gevallen gebruikten regeringen van moderne staten begrotingstekorten en schuldenpolitiek om de vraag naar producten in hun economieën te stimuleren in combinatie met grote nadruk op militaire uitgaven.

De praktijk van de huidige Europese regeringen is een voorbeeld van meer secundaire effecten van militaire uitgaven. De militaire uitgaven van de Europese staten hebben wel degelijk expansieve effecten, maar contrasteren met die van de VS. De economieën van de VS en de EU zijn qua grootte goed te vergelijken. Maar als we de officiële cijfers voor bewapenings- en andere militaire uitgaven vergelijken, dan zien we een groot verschil. De jaarlijkse militaire uitgaven van de VS liggen, zoals we zagen boven de 700 miljard dollar. De gecombineerde militaire uitgaven van de staten van de EU zijn minder dan de helft daarvan. Hier zien we het verschil tussen primair en secundair militair keynesianisme.

Wapenexport als expansiepolitiek

Bij de geëxternaliseerde vorm van expansie van de militaire uitgaven worden, zoals we zagen de kosten voor de productie van een wapensysteem niet gedragen door de producerende staat en economie, maar door de importerende staat en zijn burgers. Dit leidt tot de overdracht van de sociale gevolgen van de militaire productie naar de importerende staat. In de binnenlandse economie van de exportstaat ontstaat een stimulans voor verdere investeringen, terwijl de importerende staat hulpbronnen die hadden kunnen worden gebruikt voor verlichting van armoede, meer werkgelegenheid of vergroting van de welvaart, aanwendt voor wapenaankopen. Niet alleen de VS, maar ook EU–landen als Frankrijk en Engeland, gebruiken de wapenexporten als dit soort aanvullende vorm van expansief beleid.

Allerlei combinaties van vormen van militair keynesianisme zijn mogelijk. Vergelijk bijvoorbeeld de expansieve politiek van de regeringen Johnson en Reagan in de VS. Allebei voerden ze de militaire uitgaven dramatisch op, respectievelijk vanaf 1965 en 1982. Maar bij Johnson ging het militaire programma gepaard met uitbreiding van de sociale programma’s terwijl het bij Reagan juist werd gecombineerd met bezuinigingen in de sociale sector.

In de huidige periode met een verdiepte crisis sinds 2008 is de politiek van Keynes weer actueel geworden. Het is daarbij van groot belang het verschil tussen productieve en improductieve expansiepolitiek – militaire uitgaven zijn een voorbeeld van het laatste – bij het debat te betrekken.

Peter Custers
(Peter Custers in activist en theoreticus op het gebied van de economische dimensies van het militarisme. Dit is een verkorte versie van zijn artikel Military Keynesianism Today – An Innovative Discourse, onder meer te vinden bij www.economischegroei.net/file/214 (pdf 0,2 MB). De vertaling is van Kees Kalkman/VDAMOK)

Onder productieve arbeid verstaat Peter Custers de arbeid die resulteert in producten welke een bijdrage leveren aan het voortbestaan van het menselijke en niet-menselijke leven op aarde. Zie: Peter Custers, Questioning Globalized Militarism: Nuclear and Military Production and Critical Economic Theory. Merlin Press. Londen 2007, p. 84.


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

De geboorte van de oorlog uit de crisis

Crisis en oorlog zijn broer en zus. Dat is niet nieuw. Het bekendste voorbeeld is de economische crisis van 1929, die langs de weg van fascistische dictaturen rechtstreeks leidde tot de Tweede Wereldoorlog.

Economisch gezien baseerden de fascistische regimes in Europa zich op een radicale vorm van nationaal keynesianisme. Ook de New Deal in de Verenigde Staten nam destijds de eigen economie in bescherming tegen ‘vreemde’ concurrentie. Dit hoeft niet direct te leiden tot een militaire dictatuur, maar versterkt wel een nationalistische denkwijze die de eigen ‘standplaats’ het belangrijkst vindt.

Van daaruit is het geen grote stap naar een destructieve vorm van nationalisme, dat anderen uitsluit. De consolidatie van een ‘volkseconomie’ vergt echter ook een versterkte arbeidsdiscipline. De ‘heersende’ bevolkingsgroep wordt aan het werk gezet. Een ander deel van de bevolking, dat niet is te integreren in het arbeidsproces, wordt als ‘overtollig’ bestempeld (aldus Marx). Het nationaalsocialisme verminderde het door de crisis overtollig geworden arbeidaanbod, door een deel van de bevolking – vooral het door hen als joods gedefinieerde deel – te stigmatiseren, uit te drijven en uiteindelijk te vernietigen. Auschwitz was ook een onderdeel van de consolidatie van de Duitse nationale economie.

Hoewel de huidige economische crisis die van 1929 kwantitatief overtreft, bevinden wij ons nu niet aan de vooravond van een dergelijke situatie. Het vredes- en conflictonderzoek heeft al vaak vastgesteld dat democratische markteconomieën niet de neiging hebben oorlog tegen elkaar te voeren, onder meer omdat de onderlinge marktafhankelijkheid daarvoor te groot is. Het lijkt er momenteel eerder op dat de crisis zelfs nog voordelen kan hebben voor vredespolitiek. Barack Obama is alleen al om financiële redenen gedwongen om de operaties in Irak en Afghanistan af te wikkelen of op zijn minst aanzienlijk te beperken. Anderzijds heeft de crisis wel een verbazingwekkend sabelgekletter rond het raketschild vanuit Rusland tegen de VS tot gevolg. Momenteel is er wel geen concrete crisiscompenserende oorlog in zicht, maar de stemming kan heel snel omslaan. Ten slotte heeft de crisis zijn hoogtepunt nog niet bereikt – dat wordt pas in de loop van 2009 verwacht.

Van de Joegoslavische crisis tot de Balkanoorlogen

Een vergelijking die meer voor de hand ligt dan die met de situatie in 1929 is die met de gebeurtenissen in Joegoslavië. In 1980 had Joegoslavië ongeveer 14 miljard dollar aan buitenlandse schuld. Om de stagnerende economie te stimuleren had het land – ook om binnen het arbeiderszelfbestuur nieuwe economische projecten te kunnen beginnen – vanaf begin van de jaren zeventig westerse kredieten binnengehaald. Deze bleken nu onrendabel. Joegoslavië trad toe tot het IMF, dat in 1981 een gigantisch krediet aan deze staat verleende. Via het IMF onderhandelde de Joegoslavische regering met 600 westerse banken over een herziening van de schuldpositie. Als voorwaarde voor het IMF-krediet kwamen de gebruikelijke structurele aanpassingsprogramma’s, in dit geval loonkortingen, opheffen van de beperkingen op prijsstijgingen, verhoging van de rente en een devaluatie van de dinar met 25%. Veel van de plaatselijke zelfbeheerde bedrijven gingen door deze maatregelen failliet, terwijl de banken steeds meer dinars drukten om de crisis de baas te worden. Een dergelijk procedé passen de VS momenteel ook toe (..).

Omdat Joegoslavië – ook en vooral onder druk van de eigen bevolking – niet kon voldoen aan de economische eisen van het IMF, stortte het land in 1988 ineen. Op dat moment hadden het IMF, de Wereldbank en consorten al 30 miljard dollar uit het land geperst. Vervolgens werd de directeur van de bank van Belgrado, Slobodan Milosevic, president van de Joegoslavische federatie. Toen de economische crisis dramatisch verergerde staakten rijke deelrepublieken als Slovenië de betalingen aan het ontwikkelingsfonds voor de ‘onderontwikkelde’ gebieden (Kosovo, Macedonië, Montenegro). De betalingen van Slovenië maakten 40% van dit herverdelingsfonds uit. De Joegoslavische economische ruimte werd in feite opgedeeld tussen de deelrepublieken. Zo maakte het federale solidariteitsdenken onder invloed van de crisis plaats voor egoïstisch standplaatsregionalisme. (..) Nadat in 1990 de verkiezingen in de meeste deelrepublieken waren gewonnen door nationalistische partijen begonnen deze hun eigen legers op te bouwen. Het kwam tot de eerste aanvallen tussen Serven en Kroaten. Die aanvallen werden gedramatiseerd in de media en een oorlog werd geforceerd als oplossing voor de economische crisis.

Oorlog en crisis – een noodzakelijke samenhang

(..) Een beslissend verschil tussen de Tweede Wereldoorlog en de Balkanoorlogen bestaat er echter uit dat de ‘totalitaire’ regimes van de jaren dertig hun economieën niet alleen tegen die van hun rivalen wilden beschermen (dus een oorlogszuchtige nationalistische politiek voerden om globalisering te verhinderen), maar ook hun eigen economie wilden uitbreiden door een internationale roofeconomie (imperialisme) – steeds ten koste van de anderen.

Het idee dat de huidige crisis nog geen oorlogen heeft veroorzaakt berust op een misverstand dat de duur van de crisis onderschat. Er is van verschillende kanten al opgemerkt dat het bij de huidige economische gebeurtenissen gaat om de voortzetting van de crisis van 1973 die nu haar – voorlopige – hoogtepunt bereikt.

Toen het neoliberalisme in 1973 met het Chileense experiment van de Chicago boys tot dogma werd verheven, was dit een poging om de crisis de baas te worden. (..) Het neoliberalisme was echter nooit een pasklaar programma, maar functioneerde eerder op een experimentele basis die telkens weer op haar grenzen stuitte. De crises in de ontwikkelingslanden van de jaren tachtig, de Joegoslavische crisis en de Mexicaanse pesocrisis waren daarvan de eerste voorbeelden. De laatste grens waar het neoliberalisme op stuitte was het barsten van de dot-com zeepbel aan het eind van de 20ste eeuw. Rond die tijd had ook de crisis in de auto-industrie zich al voltrokken, die door het doorprikken van de hypotheekzeepbel alleen maar werd versneld en geïntensiveerd. (..)

In de ‘nieuwe oorlogen’ gaat de overtollige arbeidskracht op zoek naar werk dat voorhanden is, dat van soldaten of huurlingen. Tegelijkertijd dragen de soldaten bij tot een verdere reductie van de overschotten. De ‘nieuwe oorlogen’ zijn het logisch gevolg van de neoliberale crisiseconomie: oorlog is voortzetting van de economie met andere middelen.

Tegelijkertijd probeert men met de WTO, vrijhandelsverdragen zoals de NAFTA, structurele aanpassingsprogramma’s van het IMF en de Wereldbank of met de in 1998 mislukte overeenkomst over multilaterale investeringen (MAI) oorlogen te vermijden.

Het aantal slachtoffers van deze politiek is echter niet noodzakelijkerwijs kleiner. Eduardo Galeano en Subcomandante Marcos van de Zapatistas hebben het neoliberalisme niet voor niets aangeduid als de ‘Vierde Wereldoorlog’. Deze vorm van politiek is voortzetting van de oorlog met andere middelen.

De huid verkopen

Er is veel voor te zeggen dat de huidige crisissituatie de definitieve mislukking van de neoliberale projecten inluidt. De ‘Vierde wereldoorlog’ is ten einde. Of de komende economische wereldoorlog een ‘hete’ of een ‘koude’ wordt is nog geen uitgemaakte zaak. De crisisbestrijding zal in elk geval met conflicten gepaard gaan. Nationalisering van sociale conflicten en etnische vervorming van het sociale, sowieso een trend, zullen grote invloed hierop hebben. Dat begint al met een vorm van standplaatsnationalisme dat zelfs door sommige Duitse vakbonden wordt bepleit. Het gaat erom de eigen huid zo duur mogelijk te verkopen. Dat betekent vooral zich niet economisch te laten individualiseren en als gevolg daarvan aan de kant te laten zetten. De individualisering was immers het scherpste wapen van het neoliberalisme. (..)

Er zijn twee mogelijkheden: Ofwel we laten ons tegen elkaar ophitsen als onderling concurrerende arbeidskrachten en strijdende soldaten, ofwel we bundelen onze krachten. Er zijn momenteel maar weinig economische strijdorganisaties van onderop. Als we de crisis niet willen betalen met ons bloed (als soldaten) en ons zweet (als arbeiders) moet dat snel veranderen.

Dit artikel van Torsten Bewernitz (FAU) in de Graswurzelrevolution van februari 2009 is door de redactie bewerkt en enigszins bekort. De originele versie is te vinden op www.scharf-links.de.


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

Conversie als oplossing voor Crisis en Militarisme?

We hebben een meer democratische, relevante, en sociaal en ecologisch verantwoorde technologische vernieuwing nodig om omschakeling naar andere producten in bedreigde bedrijfstakken snel mogelijk te maken. Conversie gaat niet vanzelf: er zijn grote aanpassingen nodig in het productieproces. Maar het kan wel. De oorlogsindustrie laat – op perverse wijze – zien dat grootschalige en snelle omschakeling succesvol kan zijn. In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog is conversie massaal toegepast. We hebben nu de kans conversie in een meer menselijke richting vorm te geven. Om dat te kunnen doen moeten we werk maken van onze creativiteit en alternatieven. We moeten en kunnen niet wachten tot bijvoorbeeld de westerse auto-industrie in elkaar stort en mensen massaal op straat komen te staan terwijl eerdere onder slechte arbeidsomstandigheden en voor lage lonen miljoenen vervuilende transportmiddelen worden geproduceerd. We hebben de keus: uitbuiting van mens en milieu en verspilling van arbeid en kapitaal, of bedenken wat je in de autofabrieken aan nuttige producten van de band kunt laten rollen.

Conversie biedt een mogelijkheid om deze overproductiecrisis aan te wenden om radicaal te breken met de winstlogica en gemanipuleerde consumptiedrift en over te schakelen naar het produceren van nuttige producten die goed zijn voor mens en milieu. Dat kunstje is al eens eerder geflikt. Dertig jaar geleden was conversie een begrip in de linkse beweging. Met een koude oorlog en wapenwedloop als actualiteit was het niet vreemd om na te denken over alternatieve en meer vreedzame producten die in wapenfabrieken gemaakt konden worden. In die tijd was ook Lucas Aerospace een begrip. Een grote speler op de markt van militaire vliegtuigen en raketten. Toen daar eind jaren zeventig grote reorganisaties en massaontslagen aangekondigd werden, gaf de Britse vakbeweging zich niet zo snel gewonnen. Van ontwerper tot procesoperator werd in het bedrijf mee gedacht over nieuwe producten en lijnen. Er waren meer dan 150 nieuwe plannen die gecombineerd werden tot een alternatief bedrijfsplan met ruim 1200 pagina’s aan voorstellen, uitgewerkt en al. De meest sprekende voorbeelden: nierdialyse apparatuur; draagbare life-support systemen en andere medische toepassingen; de hybride auto, een milieuvriendelijk hoogstandje zijn tijd ver vooruit; allerlei andere toepassingen voor duurzame energieopwekking zoals warmtepompen, zonnecellen en windturbines; en een voertuig voor openbaar vervoer over zowel rails als weg.

Lot van Baaren in Grenzeloos, 25 augustus 2009

Zie ook: Mary Beth Sullivan, Conversion for Survival. Common Dreams 28 maart 2007


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

Bibliografie wereldcrisis en militarisme

Boeken

Paul A. Baran & Paul M. Sweezy, Monopoly Capitalism – An essay on the American Economic and Social Order. Penguin Books 1968, 390 blz.
Hieruit hoofdstuk 7 The Absorption of Surplus: Militarism and Imperialism

Linda Bilmes & Joseph Stiglitz, De oorlog van $3 biljoen. Spectrum 2008, 285 blz.
ISBN 9789027479693

Peter Custers, Questioning Globalized Militarism: Nuclear and Military Production and Critical Economic Theory. The Merlin Press 2007, 431 blz. ISBN 9780850365955

Michael Kidron, Western Capitalism Since the War. Penguin Books 1970 (revised edition), 196 blz.
Hieruit hoofdstuk 3 An Arms Economy en hoofdstuk 8 The New Arms Race

Ernest Mandel, Der Spätkapitalismus. Suhrkamp 1972, 542 blz.
Hieruit hoofdstuk 9 Permanenter Rüstungswirtschaften und Spätkapitalismus

Artikelen

Mohsen Massarat, Die Ölwaffe in Amerikas Weltordnung. Forum Wissenschaft 2/2003

Peter Custers, The War on Iraq and the US-Business Cycle (pdf 3,8 MB). XminY, augustus 2004

Mark Karlin, Is the American Empire on the Brink of Collapse? Interview met Chalmers Johnson, 24 maart 2007

William D. Hartung, War is Hell, But What the Hell Does It Cost? TomDispatch, 4 maart 2008

Kenneth Rogoff, Militaire hegemonie VS staat op de tocht. NRC Handelsblad 18 september 2008

Philip Stephens, Crisis marks out a new geopolitical order. Financial Times, 9 oktober 2008

John Bellamy Foster, Hannah Holleman & Robert W. McChesney, The US Imperial Triangle and Military Spending, Monthly Review oktober 2008

Shaun Waterman, Costs of war: War on banktrupcy. ISN Security Watch, 21 oktober 2008

Immanuel Wallerstein, Die Grosse Depression. Blätter für deutsche und internationale Politik 11/2008

Chris Hedges, US Intel Chief’s Shocking Warning: Wall Street’s Disaster Has Spawned Our Greatest Terrorist Threat. Truthdig, 17 februari 2009

Michael Klare, Will Iraq Be a global Gas Pump? TomDispatch, 14 juli 2009


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina