Aangepast zoeken

VD AMOK
archief VredesMagazines

Onderzoeksdossier VD AMOK
Tien jaar na 11 september - 20 jaar na de Golfoorlog

verschenen in het tijdschrift VredesMagazine
nummer 4, jaargang 4, 2011



Inhoudsopgave

Dit dossier is een product van VD AMOK
Redactie: Kees Kalkman



Colofon

VredesMagazine 4e kwartaal 2011
Uitgave van de vereniging VredesMedia waarin samenwerken:
Haags Vredesplatform (HVP), Humanistisch Vredesberaad (HVB), Vereniging Pais, Samenwerkingsverband Stop de Wapenwedloop, Antimilitaristies Onderzoekskollektief VD AMOK, Women’s International League for Peace and Freedom (WILPF) afdeling Nederland.
In Vredesmagazine zijn de tijdschriften Kernwapens Weg!, VD AMOK en de dikke nummers van Vredeskoerier ’t Kan Anders opgegaan. De dunne nummers van Vredeskoerier ’t Kan Anders blijven 4x per jaar verschijnen.

Redactie
Jan Bervoets, Hans Feddema, Benno Houweling, Kees Kalkman, Klaas Meijer, Anke Polak, Jan Schaake, Guido Schokker, Barbara Smedema, Egbert Wever

Aan dit nummer werkten naast de auteurs mee
Daan van der Burgh, David-Jan Donner, Chris Geerse

De auteur is verantwoordelijk voor de inhoud van een geplaatst stuk. De tekst van artikelen mag worden overgenomen op voorwaarde van bronvermelding. Copyrights van foto’s en tekeningen berusten bij de desbetreffende fotograaf /illustrator.

Fotoredactie
Hans Bouton, Anne Vaillant

Medewerkende fotografen en illustratoren
Khalid Albaih, Jan Bervoets, Joop Blom, Bernhard Gagnon, Len Munnik, Noud, Mirja Peters, Dith Pran, Roel Wijnants

Vormgeving
Jimmy Slothouwer

Drukker
Drukkerij Mezclado, Tilburg

Abonnementen
Interesse of aanmelding voor een abonnement op Vredesmagazine kan kenbaar gemaakt worden bij de redactie van Vredesmagazine of bij een deelnemende organisatie.
Een jaarabonnement op VredesMagazine (4 nummers) kost 10 euro. U kunt een abonnement nemen via info@vredesmagazine.nl of 015 7850137

Giften
Bedragen die abonnees overmaken boven het verschuldigde abonnementsgeld worden beschouwd als gift voor het werk van de in VredesMagazine samenwerkende organisaties.

Contact VredesMedia
Vlamingstraat 82, 2611 LA Delft, 015 7850137
info@vredesmedia.nl, www.vredemedia.nl

Redactieadres
Obrechtstraat 43 3572 EC Utrecht tel. 030 8901341
e-post info@vredesmagazine.nl
Kopijsluiting volgend nummer: 15 november
Verschijningsdatum volgend nummer: 15 december

ISSN 1876-0724


Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

11 september en de Nieuwe Wereld Orde

Er is het nodige geschreven over de symboliek van de doelen en de datum van de aanslagen van 11 september 2001. Met name de verwijzing naar 11 september 1973 is tamelijk populair: de datum waarop het Chileense leger met hulp van de CIA een einde maakte aan de regering van Salvador Allende. De betrokkenheid bij deze coup zou dan model staan voor de wijze waarop de Verenigde Staten andere delen van de wereld terroriseren. Vreemd genoeg zie je zelden een verwijzing naar 11 september 1941, de dag waarop de bouw van het Pentagon, het reusachtige Amerikaanse ministerie van defensie, werd begonnen, of naar 11 september 1990, de dag waarop Bush senior, aan de vooravond van de Golfoorlog, in een congrestoespraak zijn ideeën over een Nieuwe Wereld Orde schetste. Een Nieuwe Wereld Orde die door het einde van de Koude Oorlog mogelijk en ook nodig was geworden en die haar vorm kreeg door de Golfoorlog.

Verwachtingen

Meestal hebben oorlogvoerende landen of coalities wel een bepaald idee over de wereldordening na afloop van het conflict. Zo waren ideeën over de Volkerenbond en de Verenigde Naties met hun centrale doelstelling, structuren en middelen, al min of meer ontwikkeld tijdens de Eerste respectievelijk de Tweede Wereldoorlog. Bij het einde van de Koude Oorlog lag een dergelijke blauwdruk gereed voor een Nieuwe Wereld Orde, maar dit keer niet van de zelfverklaarde winnaar. Het Westen heeft kennelijk nooit echt rekening gehouden met een einde van de Koude Oorlog.

Het was Gorbatsjov die op 7 december 1988 als eerste, tijdens een rede voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, over een Nieuwe Wereld Orde sprak. Hij pleitte ervoor dat de grootmachten van de wereld, de VS, de Sovjet-Unie, Europa, India, China, Japan en Brazilië, zouden samenwerken om het milieu te beschermen, de schuldenlast van ontwikkelingslanden te verlichten en tot een veelzijdige ontwapening te komen. Een Nieuwe Wereld Orde gebaseerd op pluralisme, tolerantie en samenwerking.

De westerse bevolking was onder de indruk van deze visionaire gedachten. De westerse leiders hadden er geen even visionair antwoord op, dat werd ze aangewreven door de westerse pers. Tijdens de conferentie in Malta op 2 en 3 december 1989 kwam het tot een compromis over de Nieuwe Wereld Orde tussen Bush en Gorbatsjov: deze zou gebaseerd moeten zijn op de beginselen van politieke vrijheid, zelfbeschikking en non-interventie. Dat zou een eind hebben moeten maken aan de sponsoring door de supermachten van allerhande militaire conflicten in de rest van de wereld en het begin van een gezamenlijk vredesinitiatief inzake het Midden-Oosten (Israël, Palestina en Syrië) terwijl de VS hun handen vrij zouden hebben om aan te dringen op de mensenrechtensituatie in China en Zuid-Afrika. Verder zouden de voormalige machtsblokken samenwerken om de economische ontwikkeling van de Derde Wereld te stimuleren.

Hoe verheffend dit alles in onze oren van 2011 moge klinken, de westerse pers was in 1989 erg teleurgesteld over dit resultaat en sprak over een status quo plus in plaats van een echt Nieuwe Wereld Orde. De daaropvolgende jaren ging het in toenemende mate over een nieuwe ordening van de verhoudingen in Europa (Duitse eenwording, ontbinding Warschaupact en Sovjet-Unie) en veel minder om een daadwerkelijk Nieuwe Wereld Orde.

Golfoorlog

Acht maanden na Malta zou de Iraakse inval in Koeweit tot de Golfoorlog leiden en op 11 september 1990 sprak president Bush in het Congres zijn befaamde Nieuwe Wereld Orde-redevoering uit. Het principe uit die rede was dat er één wereldgemeenschap zou zijn die agressie niet langer zou toestaan en dat de VS als enig overgebleven supermacht verplicht zouden zijn een leidende rol in deze wereldgemeenschap in te nemen. De oorlog zou dienen om de internationale rechtsorde te herstellen. Volgens sommigen werd een nieuwe bipolaire wereldorde geschapen met de VS als machtsfactor en de VN als morele autoriteit; de eerste als mondiale politieagent, de tweede als rechter. Anderen zagen de geproclameerde Nieuwe Wereld Orde als een rationalisatie van de imperialistische ambities van de VS in het Midden-Oosten. De Koude Oorloghistoricus Gaddis schreef al snel, in Foreign Affairs, voorjaar 1991, dat de Nieuwe Wereld Orde van Bush gekenmerkt werd door een onbedreigde Amerikaanse dominantie, mondiale integratie, herlevend nationalisme en religiositeit, uiteenlopende veiligheidsdreigingen en collectieve veiligheid. Een jaar later zou Hans Köchler de Nieuwe Wereld Orde bekritiseren als een ideologie die de mondiale machtspositie van de VS legitimeerde. In de jaren daarna werkten Francis Fukuyama in Het einde van de geschiedenis en Samuel Huntington in Botsende beschavingen de verschillende karakteristieken - mondiale integratie vs. herleving nationalisme en religiositeit - van de Nieuwe Wereld Orde verder uit. Noam Chomsky omschreef de New World Order als "the New World that Orders" - Amerika dat de lakens uitdeelt.

In de Nieuwe Wereld Orde-toespraak van Bush - en de vele andere gelegenheden in die periode waarbij hij in relatie tot de Golfoorlog over een Nieuwe Wereld Orde sprak - ging het feitelijk steeds over drie dingen: het voorkomen van verdere agressie (van Irak), het beschermen van de olievoorziening en het bevorderen van een nieuwe wereldordening. Hij gaf hiermee zelf voldoende voeding aan het verwijt van bijvoorbeeld de vredesbeweging en het net ontstane GroenLinks dat het bij de Golfoorlog niet om een ideale nieuwe wereldordening ging, maar om Amerikaanse oliebelangen.

Militaire prioriteiten

Als enig overgebleven supermogendheid maakten de VS gebruik van de door 'de internationale gemeenschap' vastgestelde Iraakse agressie en de door haar gesanctioneerde Golfoorlog door een blijvende militaire aanwezigheid in de Golfregio te verankeren en Irak onder curatele te houden. De opmerking van toenmalig secretaris-generaal Willy Claes dat de NAVO als verdedigingsorganisatie moest blijven voortbestaan om met name Europa te kunnen verdedigen tegen het opkomend islamitisch fundamentalisme riep in die tijd, 1995, vooral wrevel en kritiek op. Maar ze weerspiegelt wel een houding die toen al onder Europese beleidsmakers in opkomst was, namelijk de opvatting dat de grootste bedreigingen voor de Europese veiligheid niet langer in het Oosten maar in het Midden-Oosten en Noord-Afrika gezocht moesten worden.

Zo stelt de Prioriteitennota 1993, die het Nederlandse defensiebeleid van na de Koude Oorlog uitzette: "Met name in het Midden-Oosten en Noord-Afrika bestaat binnen en tussen landen een groot aantal conflicthaarden. Er kunnen zich regionale conflicten voordoen waarbij grensgeschillen of de zeggenschap over natuurlijke hulpbronnen een rol spelen. Grote economische problemen, demografische ontwikkelingen, etnische of religieuze tegenstellingen en een groeiend nationalisme, al dan niet gevoed door fundamentalistische stromingen, kunnen eveneens tot spanningen leiden. Deze kunnen zeer bedreigend zijn voor de politieke verhoudingen en de stabiliteit in bedoelde regio's, maar ook de belangen van het Westen raken."

Veelzeggend is - juist ook tegen de achtergrond van de Arabische Lente die we dit jaar mee hebben mogen maken - dat, anders dan in de Nieuwe Wereld Orde van Gorbatsjov, in dit soort nota's geen enkele serieuze poging wordt ondernomen om oplossingen voor deze conflicten te zoeken, maar dat eigenlijk vooral wordt ingestoken op een militaire aanpak. Zo vervolgt de Prioriteitennota na bovenstaand citaat: "De beschreven spanningen en conflicten kunnen leiden tot militair ingrijpen bij humanitaire noodsituaties, zoals in Somalië, of zelfs tot oorlogshandelingen zoals in het verleden tussen Iran en Irak en meer recent tijdens de Golfoorlog." En zo werd de Nieuwe Wereld Orde van 11 september 1990 al snel tot een nieuw soort, volstrekt asymmetrische koude oorlog tussen het Westen en de Arabische of islamitische wereld in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, waarbij het feitelijk vooral om de toegang van de eersten tot de onder het zand van de tweeden gelegen natuurlijke hulpbronnen ging. Een asymmetrische Koude Oorlog of Nieuwe Wereld Orde die, elf jaar na haar afkondiging, op 11 september 2001 tot ontbranding zou komen.

Van het brede en rond de val van de Muur positief ontvangen idee van Gorbatsjov over een Nieuwe Wereld Orde, waarin de machtigen van de aarde de handen ineen zouden slaan voor milieu, ontwikkeling en vrede, was na twee jaar al niet meer overgebleven dan een collectief gedragen militair interventionisme. De hoop en verwachtingen van velen na de val van de muur verdwenen al doende als sneeuw voor de zon en maakten plaats voor algehele gevoelens van onveiligheid in een onoverzichtelijke wereld waarbij het hierdoor gevoede wantrouwen uiteindelijk tot een uitbarsting zou komen.

Jan Schaake


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

Snelle interventie en de dorst naar olie

Op 14 februari 1945 ontmoette de Saoedische koning Ibn Saoed aan boord van het Amerikaanse oorlogsschip USS Quincy de Amerikaanse president Roosevelt, die op de terugweg was van de conferentie in Jalta. Er is mij geen schriftelijk verslag van dit gesprek bekend, maar het treffen wordt algemeen gezien als bepalend voor de verdere geschiedenis van het Midden-Oosten. Binnen enkele dagen had Saoed ook nog een gesprek met Churchill. De anekdote wil dat de Britse staatsman in tegenstelling tot de Amerikaan er op stond om in het bijzijn van zijn puriteinse gastheer alcohol te drinken en zijn befaamde sigaren aan liet rukken. Saoed ging vervolgens in zee met de Amerikanen in een deal die tot op heden standhoudt. Het kwam er op neer dat de Saoedi's de belangrijkste olieleverancier van de Verenigde Staten werden en dat de VS op hun beurt Saoedi-Arabië militaire bescherming boden tegen hun rivalen in het Midden-Oosten. De handelsbalans werd daarbij in evenwicht gehouden door de wapenleveranties van de VS aan Saoedi-Arabië, overigens weer deels op kosten van de Amerikaanse belastingbetaler.

Nog minder bekend dan de ontmoeting op de Quincy is, dat de VS al in 1943 een grote militaire basis in Dharan in Saoedi-Arabië hadden gebouwd, vlakbij de oliebronnen van Aramco, de maatschappij waarin de Amerikaanse oliebelangen waren gebundeld. Amerikaanse strijdkrachten waren daar gelegerd tot 1962, toen de stijgende invloed van de Arabische nationale revolutie onder leiding van de Egyptische president Nasser een verder verblijf onverstandig maakte. De strategische overeenkomst tussen de VS en Saoedi-Arabië bleef echter van kracht en werd herbevestigd door elke opeenvolgende Amerikaanse president. Zoals vaker vatte de voormalige veiligheidsadviseur van de Amerikaanse president Carter, Brzezinski een en ander helder samen:

"Wij hebben hun olie nodig en daarom moeten we er van op aan kunnen dat ze ons vriendelijk gezind zijn en daarom houden we ons bezig met de zorg voor hun veiligheid. Zij daarentegen, zijn voor hun veiligheid vrijwel geheel afhankelijk van ons, in een regio waarin ze erg kwetsbaar en erg rijk zijn."
Zwaar weer kwam er voor deze vrienden in 1979 door een drietal gebeurtenissen: de val van de sjah van Iran en de islamitische revolutie, de aanval op de grote moskee in Mekka en de inval van de Sovjet-Unie in Afghanistan.

Iran, zelf ook een belangrijk olieland, was naast Saoedi-Arabië de grote steunpilaar van de VS in het Midden-Oosten en in het bijzonder in het olierijke Golfgebied. Als Saoedi-Arabië de olieboer was, dan was Iran de gendarme die de orde moest bewaren. Iran had deze rol na 1971 gekregen toen de Britse strijdkrachten als gevolg van de neergang van hun imperium de posities ten oosten van het Suezkanaal ontruimden.

Olieconsumptie

Het wegvallen van deze bondgenoot, samen met de grootscheepse aanval van gewapende fundamentalisten op de moskee in Mekka (qua impact goed te vergelijken met de aanslagen van 11 september in de VS) maakte onmiddellijk de kwetsbaarheid van de olieaanvoer, de 'slagader' van de westerse economie, duidelijk. Dit alles werd bovendien gezien in het kader van de militaire krachtsverhoudingen tussen de VS en de Sovjet-Unie. En in dat licht was de inval van het Rode Leger in Afghanistan - nu over het algemeen gezien als de laatste stuiptrekking van een stervend imperium - bijzonder onheilspellend.

De Amerikaanse president Carter had kort tevoren als reactie op de stijgende olieprijzen nog een verstandige oproep aan zijn landgenoten gedaan om hun olieconsumptie te beperken, waarmee hij zich bij het Amerikaanse publiek bijzonder impopulair had gemaakt. Nu vonden regering en Pentagon dat krachtiger maatregelen nodig waren. Een directe militaire rol van het Amerikaanse leger in de Golf moest onder ogen worden gezien. Op zijn laatst in november 1979, toen Iraanse studenten de Amerikaanse ambassade met personeel en al hadden bezet, was al begonnen met de voorbereidingen op basis van eerder uitgestippelde plannen. Op 27 december 1979, enkele dagen na de inval van de Russen in Afghanistan, activeerde minister van defensie Brown het hoofdkwartier van de Rapid Deployment Force in Florida. Deze snelle interventiemacht moest, met behulp van vooruitgeschoven luchtmachtbases en havens in Oman, Egypte, Kenia en Somalië en permanente bevoorradingsschepen in de Indische Oceaan zo nodig de olievelden van de Golf gaan bezetten. Een eerder planningsdocument gaf aan dat 100.000 troepen, vier vliegdekschepen en drie wings (luchtmachteenheid bestaande uit een aantal squadrons) ter beschikking gesteld zouden worden van dit interventieleger. Op 23 januari leverde president Carter in zijn laatste State of the Union (een soort troonrede) de bijbehorende doctrine: hij verklaarde dat de Golf voor de VS "van vitaal belang" was en "met alle noodzakelijke middelen, met inbegrip van het gebruik van militair geweld" zou worden verdedigd.

Controle

Onder de volgende president, Ronald Reagan, werd aanmerkelijk meer geld uitgetrokken voor het snelle interventieleger en werd de eenheid in 1983 een zelfstandig commando, Central Command (CENTCOM), dat nu ook de volledige controle had over de ingezette troepen. Het aantal militairen onder Central Command was in 1986 al 400.000. Het inzetgebied van CENTCOM bestreek de landen van de Golf, de Hoorn van Afrika, Egypte, Iran, Irak en opmerkelijk genoeg toen al Afghanistan en Pakistan. In 1999 werden daaraan toegevoegd de Centraal-Aziatische staten en in 2004 Libanon en Syrië.

CENTCOM kwam in actie tijdens de oorlog tussen Iran en Irak om de tankerroute door de Perzische Golf te beveiligen, de Golfoorlog van 1990 en in 2003 tijdens de Irak-oorlog. Om nog sneller aanwezig te kunnen zijn in het inzetgebied werden steeds meer CENTCOM-troepen op enorme bases in het gebied zelf gelegerd, na de Golfoorlog ook weer in Saoedi-Arabië. Dit was koren op de molen van de fundamentalistische stromingen in het gebied en al-Qaida. Tijdens een interview in 1996 met Abdoel Bari Atwan, de hoofdredacteur van de Londense krant Al-Quds al-Arabi zette Bin Laden zijn strategie uiteen. Het was zijn bedoeling de Amerikanen te provoceren en verder het Midden-Oosten in te lokken om ze daar op zijn eigen terrein te bevechten en economisch uit te putten.

Het is belangrijk om te beseffen dat de aanslagen van 11 september 2001, de oorlog in Afghanistan (vanaf 2001) en de oorlog in Irak (vanaf 2003) hoofdstukken zijn uit een veel langere geschiedenis van de betrokkenheid van Amerikaanse troepen in het Midden-Oosten en het nog ruimere inzetgebied van Central Command.

Kees Kalkman.

Geraadpleegde literatuur:
Gilbert Achcar, The Clash of Barbarisms - September 11 and the Making of the New World Disorder (2002)
Hans Alles, USA's snelle inzetbare eenheden. Anti-militaristies tijdschrift 1983/3
Andrew J. Bacevich, The limits of power - The End of American Exeptionalism (2008)
Jay E. Hines, From Desert One to Southern Watch: The Evolution of US Central Command. Joint Forces Quarterly, voorjaar 2000
John Morrissey, The Geoeconomic Pivot of the Global War on Terror: US Central Command and the War in Iraq (2008)
Michael T. Klare, Beyond the "Vietnam Syndrome" - US Interventionism in the 1980s (1981)


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

Niet arresteren maar elimineren

Drones en de strijd tegen terrorisme

Bij de presentatie van de nieuwe Amerikaanse National Strategy for Counterterrorism verklaarde Obama's belangrijkste terrorisme-adviseur John Brennan vorige maand dat "als ons land wordt bedreigd, de beste aanval niet bestaat uit het uitzenden van grote legers, maar uit doelgericht, nauwkeurig druk zetten op de groepen die ons bedreigen." Dat betekent "een grote rol voor raketaanvallen met onbemande vliegtuigen, invallen door speciale elitetroepen en het opleiden van lokale troepen om terroristen te achtervolgen."

Deze nieuwe antiterrorismeaanpak is eigenlijk een formalisering van wat al jaren gebeurt: in toenemende mate maken de VS en haar bondgenoten gebruik van elitetroepen en drones (robotvliegtuigen) in hun strijd tegen al-Qaida en al wie zij daartoe rekenen. Besluiten hierover vinden grotendeels buiten de democratische kanalen plaats en zijn niet controleerbaar. De oorlog tegen het terrorisme is - naast de grootschalige legeropbouw tegen 'enge' landen als China en Iran - de voornaamste militaire prioriteit van de huidige Westerse wereld. Oorlogsvoering zonder enig democratisch mandaat, met drones en geheime missies, zal met deze nieuwe strategie verder toenemen.

Killer-drones

Ongewapende drones worden gebruikt als verkenners. Ze maken het militairen mogelijk om 'over de volgende heuvel te kijken' en doelwitten te bepalen voor bijvoorbeeld F16-bombardementen. Nederland gebruikte ze in Afghanistan. Gewapende drones, of killer-drones zijn onbemande vliegtuigen die, desnoods bestuurd vanaf de andere kant van de wereld, zelf kunnen schieten en bombarderen. Ze worden steeds vaker ingezet, vooral om gericht verdachten te 'elimineren'. Iemand gevangen nemen is dan niet meer nodig. Een verdacht persoon vermoorden vanaf grote afstand is eenvoudiger en veiliger. De inzet van drones spaart kosten, moeite en risico. En, zoals een andere Obama-adviseur verklaarde: "Omdat het Amerikaanse politieke en juridische systeem van agressief verhoren een omstreden activiteit heeft gemaakt, is er minder reden om arrestatie te verkiezen boven doden."

Geschat wordt dat boven Irak en Afghanistan door de VS en Groot-Brittannië ongeveer 5.000 gewapende en ongewapende drones zijn ingezet. Beide landen gebruiken de Amerikaanse Reapor en Predator, uitgerust met raketten en lasergeleide bommen. Britse militairen verwachten dat over 20 jaar mogelijk een derde van de Britse luchtmacht uit drones zal bestaan. Ook Israël produceert gewapende drones, voor inzet boven Palestijns gebied en voor de export. De bewapende Israëlische drones zijn de Hermes en de Heron. Met de export van drones verdient de Israëlische defensie-industrie jaarlijks gemiddeld 350 miljoen dollar. Kort geleden presenteerde Rusland zijn eigen gewapende drone, de Lutch. China kwam met een ongewapende drone "ter grootte van een pizzapan" volgens de militaire pers, die de Amerikanen vooral leek te verontrusten omdat hij Amerikaanse systemen uit de exportmarkt zou kunnen prijzen, te meer daar Amerikaanse bedrijven bepaalde strategische technologie niet mogen exporteren. Het ligt voor de hand dat China ook zal proberen een gewapende drone te ontwikkelen.

Militaire en politieke leiders claimen dat gewapende drones precisiewapens zijn, maar er vallen bij beschietingen met drones veel burgerslachtoffers. Het blijkt toch moeilijk om op grond van doorgeseinde satellietbeelden te bepalen of een doelwit een gewapende strijder of een boerenzoon is. In Afghanistan werden onlangs zelfs twee Amerikaanse soldaten gedood door een Predator drone omdat ze per vergissing voor Taliban werden aangezien. Bovendien bevinden er zich vaak burgers in de buurt van de strijders. Hoeveel Afghaanse burgers door drones zijn omgekomen is onbekend: dat wordt niet bijgehouden. En al werd het wel bijgehouden, dan blijft het nog geheim, zo ontdekte de Amerikaanse mensenrechtengroep Civil Liberties Union, die er een Freedom of Information Request (Wet Openbaarheid Bestuur verzoek) aan wijdde. Informatie over het 'uitschakelen van individuele doelen' is geclassificeerde informatie.

Oorlog en democratie

Wat maakt drones zo gevaarlijk? Alle wapens maken slachtoffers, ook burgerslachtoffers, daarin verschillen drones niet van andere wapensystemen. Het grootste probleem van drones is dan ook niet hun inzet boven oorlogsgebied. Een veel groter risico is de grootschalige inzet in niet-oorlogsgebied, in veel gevallen door niet-militairen, lees geheime diensten. Het leidt tot een oncontroleerbare uitbreiding van oorlog, aangestuurd door een Amerikaanse geheime dienst (waarvan inmiddels 40% van het personeel 'geprivatiseerd' is) en uitgevoerd door speciale eenheden die ook grotendeels in het geheim opereren. In Afghanistan bevinden zich 7.000 Amerikaanse speciale elitetroepen, in Irak zijn dat er 3.000, die grotendeels naar Afghanistan zullen worden verplaatst als de reguliere troepen zich er terugtrekken.

Maar de inzet van drones beperkt zich niet tot Afghanistan en Irak. Op dit moment worden door de VS en hun bondgenoten met gewapende drones gevlogen in Afghanistan, Irak, Pakistan, Jemen, Somalië en Libië. De inzet van Amerikaanse drones tegen Taliban in Pakistan is een CIA-operatie boven niet-oorlogsgebied, daarom hoeft het Amerikaanse Congres geen toestemming te geven. Bij deze inzet zijn al ruim 2.500 doden gevallen. Er werden naar verluidt 35 "belangrijke doelwitten geëlimineerd", de overige slachtoffers waren "lagere militanten" en naar schatting 20% burgers. Maar deze cijfers zijn afkomstig van de CIA en de Pakistaanse inlichtingendienst ISI, en onverifieerbaar. Het Londense Bureau of Investigative Journalism probeert ontbrekende feiten te documenteren met hulp van plaatselijke mensenrechtengroepen en juristen. Zij telden al 385 burgerdoden waaronder 160 kinderen, en hun tellingen zijn 'conservatief' omdat ze een dode pas registreren als meerdere bronnen de feiten bevestigen. Hun onderzoekswerk wordt bemoeilijkt doordat in het oorlogsgebied van Pakistan geen journalisten meer worden toegelaten.

De woede onder de Pakistaanse bevolking over de drone-aanvallen is groot. Dat leidt tot groei van de Taliban-aanhang, maar er zijn ook andere protestvormen. Een aantal nabestaanden van burgerslachtoffers heeft een juridische klacht ingediend tegen de baas van de CIA in Pakistan, John A. Rizzo. Volgens hun Pakistaanse advocaat is hij betrokken bij 'samenzwering tot moord.' Er is immers geen oorlog tussen Pakistan en de VS, en dus is het ombrengen van mensen, zeker van burgers, gewoon moord die onder de Pakistaanse wet moet worden vervolgd. De Universiteit van New York nodigde de advocaat uit voor een lezing over zijn aanklacht, maar hij kreeg geen visum van de Amerikaanse overheid. Hij zegt daarover: "In het verleden heb ik vaker Amerikaanse visa gekregen, er is geen reden gegeven waarom mijn visum nu geweigerd is. (…) Als het streven naar gerechtigheid middels de wet - in plaats van door geweld - de reden is dat ik niet word toegelaten, is dit wederom een voorbeeld van hoe overheidsmaatregelen uit naam van 'nationale veiligheid' te ver gaan."

Uitbreiding van de inzet

Omdat al-Qaida zich volgens de Amerikanen verplaatst naar Somalië, Jemen en Noord-Afrika is het niet verrassend dat inmiddels ook raketaanvallen met onbemande vliegtuigen worden uitgevoerd in Somalië en in Jemen. In Somalië is één aanval bevestigd door het Pentagon, vermoedelijk zijn het er meer geweest. In Jemen is de situatie ernstiger. Volgens de Jemenitische minister van defensie zijn alleen al in de eerste helft van juni meer dan 15 drone-aanvallen uitgevoerd. Volgens een lokale leider, belast met hulp aan vluchtelingen, hebben al meer dan 40.000 mensen de provincie Abayan verlaten uit angst voor de drone-aanvallen. "De Amerikanen veranderen Jemen in een tweede Pakistan," waarschuwt hij. Boven Libië zijn verkenningsvluchten met (voor de gelegenheid onbewapende) Predators uitgevoerd door de VS en Italië.

Drones kunnen van ver weg bestuurd worden (vanuit Nevada via kabel naar Europa en vanaf Europa via satelliet) maar moeten lokaal kunnen opstijgen en landen. De drones die Pakistan beschieten konden tot voor kort gebruik maken van een vliegveld in de Pakistaanse provincie Baluchistan. Sinds het bekoelen van de relaties tussen Pakistan en de VS na het afschieten van Bin Laden wordt gevlogen vanaf bases in het Afghaanse grensgebied.

Voor dronebeschietingen van Jemen wordt op dit moment vermoedelijk een nieuwe luchtmachtbasis ingericht in Bahrein, het land waar met hulp van Saoedi-Arabië en met stilzwijgende instemming van het Westen de democratiseringsbeweging bloedig de kop werd ingedrukt.

Op dit moment zijn alleen Israël en de VS in staat om bewapende drones te bouwen. Maar in november tekende Frankrijk en Groot-Brittannië een contract met de defensiebedrijven Dassault en BAE Systems voor de ontwikkeling van een eigen bewapende drone, Telemos genaamd, die kan worden uitgerust met lasergeleide bommen. De kosten worden op dit moment geschat op 1 miljard euro, gelijkelijk te verdelen over de twee landen, en de bouwtijd zou vijf jaar gaan bedragen. De eerdere ontwikkeling van een onbewapende drone, de Watchkeeper, door het Franse Thales samen met het Israëlische Elbit, kende echter een kostenoverschrijding van 25% en oplevering is al meerdere malen uitgesteld. Toch zijn drones volgens het weekblad Economist "ideaal voor oorlogsmoede landen met krapper wordende defensiebudgetten" en bovendien een potentieel winstgevend exportproduct. Exporten naar niet-NAVO-partners zullen een versoepeling van het Missile Technology Control Regime vereisen, het exportregime waar gewapende drones onder vallen.

Wendela de Vries
Campagne tegen Wapenhandel, augustus 2011


Nederland heeft voorlopig nog geen plannen voor de aanschaf van gewapende drones, hoewel ze wel eens als alternatief worden genoemd voor het gevechtsvliegtuig Joint Strike Fighter. Nederland beschikt wel over een aantal verkenningsdrones.

De binnenlandse inzet van ongewapende drones voor civiele doelen, bijvoorbeeld voor surveillance door de politie, is vooralsnog verboden door de EU, om de veiligheid van de civiele luchtvaart niet in gevaar te brengen. Maar vorig jaar al presenteerde defensiebedrijf Thales samen met 23 andere Europese defensiebedrijven een rapport met voorstellen dit verbod op te heffen. De technische aspecten van het combineren van drones en civiele luchtvaart in één systeem zullen besproken worden op de World Radiocommunication Conference in 2012.

De lobby om de EU-regels aan te passen is ongetwijfeld al in volle gang. Het leveren van technologie voor de controle op de burgers ('binnenlandse veiligheid') is een belangrijke groeimarkt voor de defensie-industrie.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

Ieder volk krijgt de rechtsstaat die het verdient

De zucht naar uniformiteit en de lage tolerantie voor overlast en afwijkend gedrag zorgen voor een verscherpte repressie. Terrorisme en de dreiging van aanslagen zijn wel een graadmeter voor het gevoel van veiligheid maar niet de oorzaak van het oprekken van bevoegdheden en wetgeving. De aanslagen van 11 september 2001 zijn geen omslagpunt, hooguit een markeringspunt voor een verhoogd budget van de AIVD, de pathologisering van radicaal denken en een verkrampt optreden na geruchten zonder bewijs van mogelijk terroristisch handelen.

Op 13 september 2001 werden vier mannen gearresteerd. Een woordvoerder van het Openbaar Ministerie zei in Trouw dat "zij betrokken zijn bij een internationaal netwerk van islamitische extremisten. Er is genoeg grond voor hun arrestatie." Later werd nog een verdachte van deze 'Rotterdamse cel' gearresteerd. In december 2002 werden vier van de vijf verdachten vrijgesproken door de Rotterdamse rechtbank. Een van de gevaarlijke 'terroristen' was inmiddels gevlucht. De andere verdachten bestempelden hem als provocateur en een agent van een geheime dienst. De rechtbank sprak de verdachten vrij op grond van onrechtmatig verkregen bewijs en slecht onderzoek door de politie. De Volkskrant kopte "vrijspraak voor terroristen." De mannen waren in de media blijkbaar al veroordeeld. Het Openbaar Ministerie ging in beroep en kreeg haar zin. Het gerechtshof veroordeelde twee van de verdachten wegens lidmaatschap van een terroristische organisatie, maar niet voor concrete handelingen.

Zo was twee dagen na 11 september 2001 het terrorisme plotseling heel dichtbij gekomen. Het jaar erop werden in de zogeheten jihadzaak een tiental mensen gearresteerd. De verdachten zouden strijders rekruteren om in Afghanistan en Irak te vechten tegen de 'geallieerden.' Vanaf 2003 werden er aanslagen gepleegd in verschillende Europese steden. Nederland raakte in de ban van de moord op filmmaker Theo van Gogh, Mohammed Bouyeri, de Hofstadgroep en Samir Azzouz.

Groot machtsvertoon

In de afgelopen tien jaar zijn er verschillende wetten ingevoerd die betrekking hebben op terrorisme. De Wet terroristische misdrijven, de Wet afgeschermde getuigen, de Wet verruiming mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven, de Wet strafbaarstelling deelneming en meewerking aan training voor terrorisme en de Wet bestuurlijke maatregelen nationale veiligheid. Er kwam een speciale coördinator terrorisme bestrijding (NCTb) die zich moest richten op de moeizame informatie-uitwisseling tussen inlichtingendiensten en de politie.

Het lijkt of het strafrecht behoorlijk is opgerekt, maar in de praktijk raakt de wetgeving slechts een klein deel van de bevolking. Daarnaast komt veel wetgeving uit Europa. Zowel na 11 september als na de aanslagen in Madrid is de roep om terrorismewetgeving en samenwerking tussen politie en inlichtingendiensten binnen de EU toegenomen.

Waar komt het in de praktijk nu allemaal op neer? Overhaast en bruut optreden in het kader van terrorisme, zoals de brute arrestatie van twaalf mensen van Somalische afkomst op kerstavond van het afgelopen jaar in een belwinkel in Rotterdam, vindt een of twee keer per jaar plaats. Arrestaties zoals van drie mannen op 31 december 2007 in Rotterdam en de mannen die het op de IKEA zouden hebben gemunt in maart 2009 krijgen veel aandacht in de media. De acties vinden met groot machtsvertoon plaats, maar zelfs met de nieuwe mogelijkheid om AIVD-informatie in het strafproces toe te laten zijn er geen gronden voor vervolging. De informatie van de AIVD blijkt volstrekt onvoldoende, maar de dienst blijft volhouden dat het om 'terrorismeverdachten' zou gaan. In de bovenstaande voorbeelden was er geen grond voor de arrestaties. Onterechte verdachtmaking is ernstig, maar is het ook een teken van verscherpte repressie?

Is er dan niets aan de hand? Waar komt de ongerustheid over onze rechtstaat dan vandaan? Doel en middel van bevoegdheden, wetgeving en instanties zijn niet scherp geformuleerd, worden niet geëvalueerd en zijn volstrekt onduidelijk. De traditionele tegenstelling tussen rechtse en linkse politici gaat niet langer op bij het veiligheidsbeleid. D66 minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid Roger van Boxtel pleitte op 25 september 2001 voor een algehele identificatieplicht in de strijd tegen het terrorisme. De WUID, Wet op de uitgebreide identificatieplicht, werd op 1 januari 2005 van kracht, maar haar oorsprong gaat terug naar de jaren tachtig en een identificatieplicht op het werk in 1994. Preventief fouilleren komt voort uit een discussie over het onvoldoende benutten van "bestaande wettelijke mogelijkheden ten aanzien van de bestrijding van vuurwapencriminaliteit" door de politie (brief van de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken uit 1998). De gewone strafrechtvariant (wet BOB) van de wet verruiming mogelijkheden tot opsporing en vervolging van terroristische misdrijven waarbij ook familie, vrienden en bekenden van verdachten in een opsporingsonderzoek belanden, stamt uit begin 2000. De wet BOB volgde op de parlementaire enquête naar ongeoorloofde opsporingsmethoden, de Commissie van Traa, van midden jaren negentig.

Op één terrein lijkt de relatie met de aanslagen op het World Trade Center in New York wel heel duidelijk. Dit zijn de zogenaamde deradicaliseringsprogramma's en het betrekken van het maatschappelijke middenveld zoals dokters, onderwijzers en ambtenaren bij het herkennen van 'radicalen.' Aanvankelijk waren deze programma's alleen gericht op radicale moslims, maar in de loop van de afgelopen twee jaar is daar de aandacht voor extreemrechts en dierenrechtenactivisten bijgekomen. De notie van deradicalisering vloeit voort uit de gedachte dat radicaal zijn het voorportaal is van terrorisme. Gematigdheid is de regel en elke afwijking van de norm wordt binnen het spectrum 'van radicaal tot terrorist' geplaatst. In juni 2011 kondigde de NCTb aan dat zij haar werkterrein wil verruimen naar dierenrechtenactivisme. Er is al een lange traditie bij het pogen om dierenrechtenstrijd als terrorisme te labellen. De verharding van de samenleving waar de overheid naar verwijst om de noodzaak van repressieve maatregelen te onderbouwen, lijkt eerder te komen van die overheid zelf dan van haar burgers. De Nationale Ombudsman schrijft in haar jaarverslag over 2007: "De burger ontmoet bij de overheid vaak kilte, onverschilligheid en verruwing." Dit heeft niets met de aanslagen in New York te maken, dit is een trend die al langer gaande is.

Overheid verruwt

In 2006 publiceerde Buro Jansen & Janssen het rapport Ruimte voor het recht, onderzoek naar het demonstratierecht in Den Haag in de periode 2000 - 2005. Enkele duizenden demonstraties waren onder de loep genomen. Demonstreren in Den Haag is geen eenvoudige zaak en veel mensen voelen de harde hand van gemeente en politie als zij voor hun mening willen uitkomen. Het onderzoek maakt duidelijk dat er na 2001 niet minder wordt gedemonstreerd. Ook wordt er in 2005 niet harder opgetreden dan in 2000. Wat wel opvalt, is dat de overheid niet meer gewend is om adequaat op demonstraties te reageren. Kleine manifestaties van 330 mensen worden al gelabeld als groot. Eén individuele demonstrant bij de Chinese ambassade wordt lastig gevallen. Mensen die folders uitdelen tegen vleesconsumptie worden gearresteerd. Niet alleen in Den Haag is het recht op vrijheid van meningsuiting en manifestatie beperkt. In Zaandam werd een groep jongeren wekelijks door de politie geslagen en gearresteerd voor het houden van een picketline bij een dierenwinkel.

De overheid verruwt, maar niet alleen zij. Ook haar burgers willen steeds vaker en eerder dat drugsgebruikers, dak- en thuislozen, jongeren, krakers uit hun straat of park worden verwijderd. Het adagium van het optreden van de overheid is handhaving in de publieke ruimte, maar in toenemende mate ook achter de voordeur. Bij dit optreden nemen bestuurlijke maatregelen een centrale rol in. De rechter komt daar in eerste instantie niet meer aan te pas. Een gebruiker krijgt een gebiedsverbod en kan klagen bij de gemeente die het verbod uitvaardigt. Het verbod wordt echter niet opgeschort en bij meerdere verboden kunnen dwangmiddelen volgen. Allemaal keurig volgens het bestuursrecht, net als het opsluiten van onschuldige illegalen volgens het vreemdelingenrecht, maar met rechtsstatelijkheid heeft het niets meer te maken. Het bestuursrecht heeft zelfs zijn intrede gedaan bij terrorismebestrijding.

Een duidelijk tegenwicht ontbreekt, zowel in de politiek als in de maatschappij. Er lijkt een grote eensgezindheid met betrekking tot het aanpakken van afwijkend gedrag. Die ontwikkeling is niet versneld, verbreed of verhard na 9/11. Het is een trend die na de Val van de Muur in 1989 een steeds groter momentum heeft verworven.

Rick van Amersfoort
Buro Jansen & Janssen


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

Amerikaanse geopolitieke ambities obstakel voor vrede in Afghanistan

Tien jaar na de Amerikaanse invasie van Afghanistan is een einde van de oorlog in het land nog altijd niet in beeld. Sterker nog, de huidige, trieste trend is juist dat elk jaar meer slachtoffers worden gemaakt dan het jaar ervoor, terwijl serieuze vredesonderhandelingen uitblijven. Het belangrijkste obstakel voor het starten van een proces van politieke verzoening, aldus de Amerikaanse regering, zijn de banden die de Taliban in Afghanistan onderhouden met al-Qaida, de organisatie achter de aanslagen van 11 september 2001. Wie zich in het onderwerp verdiept valt echter op dat Amerikaanse geopolitieke ambities minimaal een even grote hindernis vormen.

Op 2 mei 2011, de dag dat al-Qaida-leider Osama bin Laden werd gedood, liet de trotse Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton weten dat de Verenigde Staten zullen "doorgaan met het bevechten van al-Qaida en hun Talibanbondgenoten". Zij die geloofden dat Bin Ladens dood een nieuwe kans op vrede was, kwamen bedrogen uit. "Onze boodschap aan de Taliban blijft hetzelfde," ging Clinton verder, "jullie kunnen niet wachten tot we vertrekken, jullie kunnen ons niet verslaan, maar jullie kunnen de keuze maken om al-Qaida te verlaten en deel te nemen in een vreedzaam politiek proces". (noot 1) Doordat de Taliban tot op de dag van vandaag weigeren te breken met al-Qaida sleept de oorlog zich voort, zo luidt het Amerikaanse verwijt.

Bereidheid te breken

Anders dan de Verenigde Staten doen voorkomen zijn er echter nogal wat aanwijzingen die doen vermoeden dat de Taliban, als onderdeel van een vredesverdrag, wel degelijk bereid zijn de banden met al-Qaida te verbreken. In december 2009 bijvoorbeeld lieten de Taliban in een verklaring weten "geen agenda om zich te bemoeien met de interne zaken van andere landen" te hebben. Ze zouden bovendien bereid zijn, wanneer ze weer de touwtjes in handen hebben, hiervoor een "juridische garantie" te bieden. (noot 2) Deskundigen zijn het erover eens dat hiermee naar al-Qaida wordt verwezen, ook al wordt de organisatie zelf niet genoemd. De Taliban laten dit bewust achterwege omdat de internationale terroristische organisatie, naast Pakistan, een van de weinige bondgenoten is die het momenteel heeft. Die wil het niet al te nadrukkelijk voor het hoofd stoten.

Eind januari 2010, op de dag dat een grote Afghanistanconferentie in Londen van start ging, kwamen de Taliban met een nieuwe, vergelijkbare verklaring: "Wij zijn niet van plan om buurlanden evenals andere landen in de wereld schade toe te brengen (…). Wij zullen niet toestaan dat onze grond wordt gebruikt tegen welk land dan ook." (noot 3) Dergelijke uitlatingen worden herhaaldelijk gedaan aan de vooravond van grote conferenties. De in Afghanistan wonende onderzoekers Alex Strick van Linschoten en Felix Kuehn concludeerden naar aanleiding hiervan in een paper van februari 2011 voor de universiteit van New York dat "in de laatste drie jaren (2007-2010) de Taliban aanzienlijke zorg eraan besteden om in hun publieke verklaringen zichzelf impliciet van al-Qaida te distantiëren." (noot 4)

Achter de schermen is de bereidheid om met al-Qaida te breken wel expliciet. Dat liet onder andere de voormalige minister-president van Afghanistan, Ahmad Shah Ahmadzai, die in het geheim gesprekken tussen een belangrijke vertegenwoordiger van de Taliban en een Amerikaanse generaal opzette, in een interview met persbureau Inter Press Service weten. Onafhankelijk onderzoeksjournalist Gareth Porter schreef hierover dat de Taliban, aldus de oud-minister-president, "geen probleem hebben met het tegemoetkomen aan de vaak herhaalde Amerikaanse eis dat ze hun banden met al-Qaida volledig verbreken." (noot 5) De onderzoekers van de universiteit van New York merken in dit verband op dat de Taliban in privégesprekken "duidelijke indicaties (geven) van hun ontevredenheid met de buitenlandse militanten." Het is merkwaardig dat deze regelmatig door de Taliban geuite bereidheid om met al-Qaida te breken in Westerse media, zeker ook de Nederlandse, nauwelijks aan bod komt.

Maar nog merkwaardiger is het dat deze bereidheid door de Verenigde Staten niet met beide handen wordt aangegrepen om werk te maken van onderhandelingen. Dergelijke uitlatingen van de Taliban worden daarentegen gemakkelijk afgedaan als misleiding of, vaker, simpelweg genegeerd. De reactie die volgde op het bovengenoemde voorstel van de Taliban om een juridische garantie te geven, is typisch. "Dit is dezelfde groep die weigerde Bin Laden op te geven, ook al hadden ze hun eigen land van oorlog kunnen redden," aldus een Amerikaanse regeringswoordvoerder. "Ze wilden toen niet met terroristen breken dus waarom zouden we ze nu serieus moeten nemen?" (noot 6)

Geen liefde

Deze bereidheid om te breken met al-Qaida is, afgaande op de ideologische, culturele en etnische verschillen tussen de Taliban en al-Qaida en hun uiteenlopende doelen, minder vreemd dan het op het eerste gezicht lijkt. Terwijl de focus van de Taliban, waar Afghanen de leiding hebben, nadrukkelijk ligt op het bestrijden van de vijand in Afghanistan, voert al-Qaida, onder aanvoering van voornamelijk Arabieren, niks minder dan een mondiale strijd tegen de 'verre vijand.' Nationale belangen zijn daaraan ondergeschikt. Als de gezamenlijke vijand in Afghanistan is verslagen (of er een politieke deal mee is gesloten) heeft de Taliban al-Qaida eigenlijk niet meer nodig. Daarnaast hebben de leiders van beide organisaties sterk afwijkende culturele achtergronden en betreft het andere generaties. Hun religieus fanatisme is uiteraard een belangrijke overeenkomst, maar beide behoren tot verschillende stromingen hiervan die, zoals dat zo vaak het geval is, niet zelden met elkaar overhoop liggen.

Ook in de vroege geschiedenis van de relatie tussen de Taliban en al-Qaida, de periode voor de aanslagen in New York en Washington, zijn duidelijke aanwijzingen te vinden dat de twee een minder innige relatie hadden dan politici ons vaak voorstelden. Zo verbond Talibanleider Mullah Omar aan Osama bin Laden's verblijf in Afghanistan bijvoorbeeld een belangrijke voorwaarde. Hij mocht de Verenigde Staten niet direct vijandig bejegenen. Doordat het wantrouwen tussen de twee in deze periode groeide werd Bin Laden bovendien gedwongen in de buurt van Mullah Omar in Kandahar te wonen en kreeg hij Talibanlijfwachten zodat hij beter in de gaten gehouden kon worden. Maar Bin Laden trok zich er weinig van aan en zette de aanvallen op New York en Washington door. Volgens een belangrijke ingewijde die voor beide organisaties werkte wist Mullah Omar hier niets van af. (noot 7) De wetenschappers van de universiteit in New York noemen de relatie tussen de twee in de vroege jaren "gecompliceerd en vaak gespannen." Een zoon van Bin Laden benadrukt dat er in die jaren (net als nu) bepaald "geen liefde" was tussen de twee organisaties. (noot 8)

Dit alles neemt uiteraard niet weg dat er wel degelijk ook indicaties zijn die een hele andere richting op wijzen. Zo heeft het Haqqani-netwerk, dat vooral actief is op de grens tussen Afghanistan en Pakistan en een semiautonoom onderdeel van de Taliban uitmaakt, wel degelijk stevige banden met de mondiale terroristen. "Het is onwaarschijnlijk dat het Haqqani-netwerk op een betekenisvolle manier de banden met al-Qaida zal verbreken," aldus een van de conclusies van een onderzoek over het netwerk van de Amerikaanse militaire academie West Point. (noot 9) Daarnaast zorgt de huidige ontwikkeling van verjonging van de Taliban, in de hand gewerkt door het Amerikaanse beleid om gericht jacht te maken op de belangrijkste Talibankopstukken, voor een sterkere band met al-Qaida. De jongere generatie leiders is namelijk doorgaans meer ideologisch en minder pragmatisch ingesteld.

Nogal wat experts en ingewijden komen echter op basis van de eerder genoemde argumenten tot de conclusie dat de Taliban al een paar jaar klaar zijn om hun banden met al-Qaida te verbreken. De bovengenoemde oud-minister-president van Afghanistan concludeert dat. Hetzelfde stelt oud-medewerker van de Pakistaanse inlichtingendienst, Sultan Amir Tarar, die jarenlang de trainer van Mullah Omar was vast. (noot 10) Wat voorzichtiger, zoals het academici betaamt, concluderen Strick van Linschoten en Kuehn van de universiteit van New York dat "er ruimte is om de Taliban te engageren op de kwesties van het afstand doen van al-Qaida en het bieden van garanties tegen het gebruik van Afghanistan door internationale terroristen op een manier waardoor kerndoelen van de Verenigde Staten behaald worden." Auteurs James Shinn en James Dobbin, die beiden dienden onder president George W. Bush, noemen in hun recent verschenen rapport het verbreken van de banden met al-Qaida en andere extremistische jihadigroepen een "mogelijk terrein voor compromis" met de Taliban. (noot 11)

Permanente militaire aanwezigheid

Maar waarom blijft een serieus vredesoverleg met de Taliban desondanks uit? Een belangrijke reden hiervoor, al zijn andere factoren ook van belang, is de weigering van de Verenigde Staten om tegemoet te komen aan een eis die de Taliban stellen in ruil voor hun concessie met al-Qaida te breken. Ze willen dat de Verenigde Staten alle, maar dan ook echt alle, troepen terugtrekt uit Afghanistan. Dit lijkt een groot obstakel voor een serieuze politieke dialoog met de Taliban, want alles wijst erop dat de Verenigde Staten een, weliswaar flink afgeslankte, permanente militaire aanwezigheid in Afghanistan nastreven.

Eind februari dit jaar liet de inmiddels oud-ambassadeur van de Verenigde Staten voor Afghanistan Karl Eikenberry nog weten dat zijn land geen "permanente bases" ambieert in Afghanistan, noch "een aanwezigheid die een bedreiging zou kunnen zijn voor de buurlanden van Afghanistan." Maar deze woordkeuze laat de nodige manoeuvreerruimte. Wat is immers een permanente basis? "Er zijn Amerikaanse troepen in verschillende landen voor aanzienlijke tijd die daar niet permanent zijn," zo liet een anonieme Amerikaanse militaire bron in reactie op Eikenberry's opmerking weten. (noot 12)

Daarnaast hebben de Verenigde Staten herhaaldelijk en plein public laten weten een rol voor zichzelf in Afghanistan te zien lang na de terugtrekdatum eind 2014. Alhoewel het geen permanente bases mogen heten, willen de Verenigde Staten wel degelijk "gezamenlijke faciliteiten" waarvandaan "gezamenlijke contraterrorisme" missies kunnen worden ondernomen. De Verenigde Staten bereiden zich voor op "een duurzame, lange termijn toewijding aan Afghanistan en de regio," aldus de Amerikaanse onderminister van defensie in maart dit jaar. (noot 13) Drie maanden later liet de inmiddels gepensioneerde Amerikaanse minister van defensie Bob Gates eveneens weten "gezamenlijke bases" te willen, aangezien deze "acceptabeler voor het Afghaanse volk" zijn. (noot 14)

Ook achter de schermen wordt wel degelijk onderhandeld over een of andere blijvende aanwezigheid in Afghanistan. Alweer volgens de boven eerder opgevoerde Ahmad Shah Ahmadzai stelde de Amerikaanse onderhandelaar twee eisen aan de Taliban. Naast de eis om met al-Qaida te breken, moest de beweging toestaan dat de Amerikanen toegang zouden krijgen tot drie luchtbases in het land. De Talibanonderhandelaar had weinig moeite met de eerste eis, maar des te meer met de tweede. "Niet één meter," was zijn reactie. Onlangs verscheen er in de Engelse krant The Daily Telegraph zelfs een bericht, gebaseerd op gesprekken met (deels) anonieme Amerikaanse en Afghaanse vertegenwoordigers, dat een deal over deze permanente militaire aanwezigheid bijna rond is. Het zou gaan over "duizenden" Amerikaanse soldaten die niet alleen Afghaanse soldaten blijven trainen, maar ook door zullen gaan met contraterrorisme missies en luchtaanvallen. (noot 15) Amerikaanse aannemers bouwen momenteel voor vele miljoenen dollars talrijke professionele militaire bases in het land, meer dan het Afghaanse leger nodig lijkt te hebben, waardoor aan geschikte locaties in ieder geval geen enkel gebrek is.

Uitzichtloos

Tien jaar geleden begon het huidige hoofdstuk in de voortdurende oorlog in Afghanistan omdat de Taliban in Amerikaanse ogen onvoldoende weigerden te breken met al-Qaida. Vandaag de dag, door geopolitieke ambities van een tanende grootmacht, lijkt de bereidheid van de Taliban om te breken met het inmiddels Osama-bin-Ladenloze al-Qaida niet genoeg om de oorlog te beëindigen. Voor de door en door oorlogsvermoeide Afghaanse bevolking een bijzonder trieste, uitzichtloze conclusie.

Jip van Dort
www.kunduzmonitor.blogspot.com
www.jip-van-dort.blogspot.com

Noten:

  1. CNBC, Taliban cannot win, should spurn Al Qaeda: Clinton, 2 mei 2011;
    Terug naar tekst
  2. Anand Gopal, Wall Street Journal, Taliban seek deal on foreign forays, 7 december 2009;
    Terug naar tekst
  3. The Unjust Media, Statement of the Leadership Council of the Islamic Emirate of Afghanistan regarding the London Conference, 28 januari 2010;
    Terug naar tekst
  4. Alex Strick van Linschoten en Felix Kuehn, New York University, Separating the Taliban from al Qaida: The core of success in Afghanistan (pdf), februari 2011;
    Terug naar tekst
  5. Gareth Porter, Inter Press Service, Ex-PM says Taliban offer talks for pullout date, 28 juli 2011;
    Terug naar tekst
  6. Gareth Porter, Inter Press Service, US silent about Taliban guarantee offer on al-Qaeda, 16 december 2009;
    Terug naar tekst
  7. Vahid Brown, CTC Sentinel, The facade of allegiance: Bin Ladin's dubious pledge to Mullah Omar (pdf), januari 2010;
    Terug naar tekst
  8. William Maclean, Reuters, Bin Laden's son: no 'love' among Qaeda-Taliban, 26 januari 2010;
    Terug naar tekst
  9. Don Rassler en Vahid Brown, CTC, The Haqqani nexus and the evolution of al Qa'ida (pdf), 14 juli 2011;
    Terug naar tekst
  10. Declan Walsh, Guardian, Afghan Taliban leader ready to end al-Qaida ties, says former trainer, 29 januari 2010;
    Terug naar tekst
  11. James Shinn en James Dobbins, RAND, Afghan peace talks, A primer (pdf), Augustus 2011;
    Terug naar tekst
  12. Bryant Jordan, Military.com, Official denies seeking permanent Afghan bases, 14 juni 2011;
    Terug naar tekst
  13. Spencer Ackerman, Wired, Post-2014 U.S. presence in Afghanistan: 'joint facilities', 15 maart 2011;
    Terug naar tekst
  14. Karen DeYoung, Washington Post, U.S. wants 'joint bases' in Afghanistan, Gates says, 9 juni 2011;
    Terug naar tekst
  15. Ben Farmer, The Daily Telegraph, US troops may stay in Afghanistan until 2024, 19 augustus 2011.
    Terug naar tekst

Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina