Aangepast zoeken

VD AMOK
archief VredesMagazines

Onderzoeksdossier VD AMOK
China - Wereldmacht in wording?

verschenen in het tijdschrift VredesMagazine
nummer 1, jaargang 4, 2011



Inhoudsopgave

Dit dossier is een product van VD AMOK
Redactie: Jip van Dort, Kees Kalkman, Wendela de Vries



Colofon

VredesMagazine 1e kwartaal 2011
Uitgave van de vereniging VredesMedia waarin samenwerken:
Haags Vredesplatform (HVP), Humanistisch Vredesberaad (HVB), Vereniging Pais, Samenwerkingsverband Stop de Wapenwedloop, Antimilitaristies Onderzoekskollektief VD AMOK, Women’s International League for Peace and Freedom (WILPF) afdeling Nederland.
In Vredesmagazine zijn de tijdschriften Kernwapens Weg!, VD AMOK en de dikke nummers van Vredeskoerier ’t Kan Anders opgegaan. De dunne nummers van Vredeskoerier ’t Kan Anders blijven 4x per jaar verschijnen.

Redactie
Jan Bervoets, Hans Feddema, Benno Houweling, Kees Kalkman, Klaas Meijer, Anke Polak, Jan Schaake, Guido Schokker, Barbara Smedema, Egbert Wever

Aan dit nummer werkten naast de auteurs mee
David-Jan Donner, Chris Geerse, Wendela de Vries

De auteur is verantwoordelijk voor de inhoud van een geplaatst stuk. De tekst van artikelen mag worden overgenomen op voorwaarde van bronvermelding. Copyrights van foto’s en tekeningen berusten bij de desbetreffende fotograaf /illustrator.

Fotoredactie
Hans Bouton, Anne Vaillant

Medewerkende fotografen en illustratoren
Jan Bervoets, Piet den Blanken, Joop Blom, Milan Colovic, Stefan Heijdendael, Len Munnik, Boyd Noorda, Paulo Nunes dos Santos, Peleia, Hans de Vreij

Vormgeving
Jimmy Slothouwer

Drukker
Drukkerij Mezclado, Tilburg

Abonnementen
Interesse of aanmelding voor een abonnement op Vredesmagazine kan kenbaar gemaakt worden bij de redactie van Vredesmagazine of bij een deelnemende organisatie.
Een jaarabonnement op VredesMagazine (4 nummers) kost 10 euro. U kunt een abonnement nemen via info@vredesmagazine.nl of 015 7850137

Giften
Bedragen die abonnees overmaken boven het verschuldigde abonnementsgeld worden beschouwd als gift voor het werk van de in VredesMagazine samenwerkende organisaties.

Contact VredesMedia
Vlamingstraat 82, 2611 LA Delft, 015 7850137
info@vredesmedia.nl, www.vredemedia.nl

Redactieadres
Obrechtstraat 43 3572 EC Utrecht tel. 030 8901341
e-post info@vredesmagazine.nl
Kopijsluiting volgend nummer: 15 februari
Verschijningsdatum volgend nummer: 15 maart

ISSN 1876-0724


Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

China en zijn geopolitieke omgeving

In een heldere analyse naar aanleiding van de bloedige onlusten in Tibet van twee jaar geleden heeft de Texaanse militaire denktank Stratfor de Chinese geopolitieke positie geschetst. China is volgens Stratfor eigenlijk een eiland, niet in de zin dat het helemaal door water omringd is, maar overdrachtelijk, omdat het omgeven is door gebieden die moeilijk te passeren zijn (woestijnen, bergen, jungle en de oceaan). Dat maakt het lastig om het land te veroveren, maar biedt ook de mogelijkheid dat China zich probeert terug te trekken in isolement.

China heeft echter traditioneel twee strategische problemen, aldus Stratfor. Ten eerste moeten aanvallen uit zee voorkomen worden. Zo’n aanval werd in de jaren dertig van de vorige eeuw uitgevoerd door Japan, dat eerst het grondstofrijke noordelijke Mantsjoerije bezette en vandaar in zuidelijke richting opmarcheerde naar het Chinese hartland. En in de 19e eeuw kwamen Engeland en de andere Europese mogendheden vanuit zee, voeren met kanonneerboten de rivieren op en dwongen vernederende concessies af.

Het andere risico komt vanuit het binnenland, als invallers bases vestigen in de dunbevolkte westelijke provincies en van daaruit naar het oosten opmarcheren. Tegen dit soort invasies (onder meer van de Mongolen) werd de Grote Muur gebouwd. Buitenlandse indringers konden succesvol zijn als het Chinese rijk intern verdeeld was.

Stratfor leidde uit deze bedreigingen de drie principes van de Chinese geopolitiek af:

  1. Het bewaren van de interne eenheid, zodat buitenlandse mogendheden geen gebruik kunnen maken van de zwakte van de centrale regering.
  2. Het handhaven van een sterke kustverdediging om een invasie vanuit de Stille Oceaan te voorkomen (zie hierover ook het artikel van Martin Broek in dit dossier).
  3. De buitengebieden beschermen door de grenzen te verankeren in ondoordringbare gebieden, ofwel: de huidige grenzen handhaven.

De conclusie van het artikel is dat de Chinese leiders altijd zullen blijven vasthouden aan de westelijke, door moslims bewoonde provincie Sinkiang en aan Tibet. Sinkiang ligt op een traditionele invasieroute over land. Peking zal zijn greep op deze buffer van 2.400 km tussen de meest westelijke Chinese stad Lanzhou (tevens een oliecentrum) en de grens met Kazachstan willen blijven houden. Hetzelfde geldt voor Tibet. Tibet is het Chinese anker in de Himalaya. Ten zuiden daarvan bevindt zich in India een van de grootste bevolkingsconcentraties ter wereld. De Chinese leiders zijn bang dat Tibet een bruggenhoofd van India zou kunnen worden, een land waarmee ze in 1962 een grensoorlog hebben uitgevochten.

Strategisch probleem

Maar sinds China de deuren van de economie heeft opengegooid is er een nieuwe factor bijgekomen. China heeft een steeds grotere behoefte aan olie en gas, waarvan een groot deel moet worden geïmporteerd. In 2010 is China de tweede olieconsument ter wereld geworden. Zelf is het land ook de vijfde olieproducent, maar dat is bij lange na niet voldoende. Saoedi-Arabië is inmiddels, samen met Iran en Angola, een belangrijke olieleverancier van China geworden. In de Iraanse energiesector zou China de laatste vijf jaar al 120 miljard dollar geïnvesteerd hebben. In de toekomst hebben de Chinezen ook grote verwachtingen van Irak.

Hierdoor heeft China een enorm strategisch probleem. De meeste van de olie-importen (80 procent) moet met tankers worden getransporteerd door de Straat van Malakka en de olie die uit de Perzisch Golf komt ook nog eens door de Straat van Hormoez, de ingang tot de Golf. In de omgeving van deze zeestraten houden zich voortdurend vliegdekschepen van de Verenigde Staten op. Tegen deze carriers met hun gebundelde vuurkracht van raketten en gevechtsvliegtuigen heeft de Chinese marine voor eerst komende afzienbare tijd geen verweer, aangezien de marine niet ver van huis kan opereren.

Dat betekent dat het voor de VS in het geval van een langer durend militair conflict met China mogelijk is om de tegenstander af te snijden van een essentieel deel van zijn grondstoffenaanvoer.

Daarom probeert China sinds enige tijd nieuwe aanvoerlijnen te ontwikkelen via een op het land gebaseerde Centraal-Aziatische energiestrategie. In een artikel in de Asia Times worden daarvan een aantal voorbeelden gegeven. Zo rekent China erop deel te kunnen nemen aan de exploitatie van de olievoorraad van Kazachstan. Daartoe zouden de Kazachstaanse olievelden via een pijplijn verbonden kunnen worden met de Chinese olieraffinaderijen. Al vanaf 2005 wordt er door de twee landen aan een gezamenlijk project gewerkt, gefinancierd door de Chinese energiereus CNPC. Ook wordt er gegokt op samenwerking met Rusland via de gigantisch lange Eastern Siberia-Pacific Ocean (ESPO) pijplijn die moet worden aangesloten op de Chinese infrastructuur. Overigens is volgens de Asia Times de Chinees-Russische verhouding niet vrij van spanning, omdat China druk bezig is in landen van Centraal-Azië zoals Turkmenistan spoorwegen aan te leggen in ruil voor olie- en gasconcessies. Rusland beschouwt die delen van de voormalige Sovjet-Unie nog steeds als zijn invloedssfeer.

Pakistan

Een ander groot project is de haven van Gwadar in de Pakistaanse provincie Baloechistan (ook genoemd door Martin Broek).

Gwadar ligt maar 400 km van Hormoez en wordt door de Chinezen uitgebouwd als diepzeehaven. Pakistan is vanouds een militaire bondgenoot van China (overigens ook van de VS!). Als China in Gwadar ook marinefaciliteiten zou krijgen wordt het gemakkelijker om het verkeer door Hormoez te monitoren en wellicht in de toekomst zelfs de Amerikaanse vloot te dwarsbomen. Maar Gwadar is volgens de Asia Times nog om een andere reden belangrijk. De Iran-Pakistan-India (IPI) pijplijn - ook wel de vredespijplijn genoemd - loopt er doorheen. Vorig jaar is tussen Iran en Pakistan een overeenkomst gesloten om hun deel te bouwen. Als India zich onder druk van de VS terug zou trekken uit het project (het heeft nog niet definitief besloten), dan zou China de kans grijpen om in te stappen. De lijn zou dan door gaan lopen via de Karakorumpas van Pakistan naar China, daarmee aanzienlijk korter zijn dan de aanvoerlijn via tankers en onaantastbaar voor Amerikaanse interventie.

Een vooralsnog vreedzame, maar militair riskante omstrengeling van de grote mogendheden met pijplijnen en vliegdekschepen bepaalt de toekomst van het Aziatische continent.

Kees Kalkman

Bronnen:
Pepe Escobar, Betting and bluffing in the new Great Game. Asia Times, 14 oktober 2010
George Friedman, Chinese Geopolitics and the Significance of Tibet. Stratfor, 15 april 2008


Sinkiang en Tibet - twee onrustige gebieden in China

Tibet is een autonome regio van de Volksrepubliek China in het bergland van de Himalaya en het hoogland in het zuidwesten van China. Het land heeft zich vroeger lange tijd in de invloedssfeer van China bevonden, waarbij het ingewikkelde is dat Tibet ook tijdlang het religieus centrum van China is geweest (een beetje vergelijkbaar met het Vaticaan in Europa). Toen China vanaf de 19e eeuw door de Europese mogendheden en Japan werd aangevallen en deels bezet, verloor het zijn greep op Tibet, dat feitelijk onafhankelijk werd. Het communistische regime slaagde er in 1950 in via een invasie in Tibet het Chinese gezag te herstellen. De autochtone Tibetanen vormen vermoedelijk nog ongeveer de helft van de bevolking, de andere helft zijn Chinese immigranten en soldaten.

In 2008 kwamen de Tibetanen in opstand tegen het Chinese regime. De vreedzaam begonnen protesten liepen (mogelijk ook door gewelddadig ingrijpen van de politie) uit op rellen en vernielingen door jonge demonstranten die zich richtten tegen overheidinstellingen en Chinese burgers. Ook het leger werd ingezet en er werd met scherp geschoten om de opstand te onderdrukken.

Sinkiang is een autonome regio in het noordwesten van China. De inwoners zijn in meerderheid Oeigoeren. Dit is een Turkstalige natie, daarom heet deze regio ook wel Chinees Turkestan of Oost-Turkestan (West-Turkestan ligt dan in Rusland).

De regio heeft sinds de oudheid een belangrijke rol gespeeld bij de uitwisseling tussen Centraal- en Zuid-Azië en Europa, zowel op religieus als op handelsgebied (het lag aan de beroemde Zijderoute).

Sinds de 17e eeuw is Sinkiang vrijwel zonder onderbreking onder Chinees bestuur geweest, zij het dat de feitelijke macht vaak bij lokale krijgsheren lag. Als resultaat van eerdere beïnvloeding is de meerderheid van de bevolking moslim. De naam Sinkiang betekent in het Chinees ‘nieuwe grens’.

In juli 2009 zijn er in Sinkiang zware rellen geweest. Naar aanleiding van een moord op Oeigoerse migranten in een fabriek in Kanton gingen in Sinkiang duizenden Oeigoeren de straat op, hetgeen ontaardde in wederzijdse pogroms tussen Chinezen en Oeigoeren, waarbij ook de politie het vuur opende op de demonstranten. De achtergrond is verzet van de Oeigoeren tegen het Chinese assimilatiebeleid en hun angst om als gevolg van Chinese immigratie een minderheid in hun eigen regio te worden.

Bron: Wikipedia/KK


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

De Chinese marine:
van bijwagen naar zelfstandige vloot

In de elfde eeuw had China een bewapende vloot die groter was dan die van de Europese zeevarende mogendheden bij elkaar. De Chinese zeilschepen uit die tijd behoren nog steeds tot de grootste die ooit zijn gebouwd. In de 15e eeuw bevoer China alle Aziatische kusten, het Midden-Oosten en Oost-Afrika. Admiraal Zheng He was de drijvende kracht achter de ontdekkingsreizen naar deze verre oorden. Maar na zijn dood werd de Chinese marine ontmanteld en keerde China zich naar binnen.

China raakte in verval als maritieme grootmacht en na korte tijd was er niets meer van over. Het duurde eeuwen voordat er weer leven in kwam. Momenteel keert China zich weer naar buiten en wordt de vloot belangrijker, al moeten we de huidige sterkte niet overdrijven. Onder de leider Deng Xiaoping zijn er vanaf 1979 weer stappen gezet om een marinetak te creëren binnen het Chinese Volksleger (People’s Liberation Army Navy, PLAN). De marine ging opereren met de zogenaamde kustverdedigingsstrategie (near-coast strategy). Daarvoor had ze een vloot van kleine en van de landmacht afhankelijke schepen, onder meer voor de inlichtingenvoorziening die de kust moest verdedigen tegen amfibische landingen van de Sovjet-Unie. Ze had een ondersteunende taak en van een zelfstandige marine was (en is ook nu nog) geen sprake. De marine valt nog steeds onder het Volksleger.

Twintig jaar opbouw

In 1987 werd een nieuwe strategie geïntroduceerd voor een actieve verdediging van de kustzeeën (near-seas active defence). eilandengordel bij ChinaDe PLAN kreeg de taak om te opereren tot de eerste gordel van eilanden (zie kaartje) die ongeveer 200 zeemijl uit de kust ligt. Hiervoor waren schepen nodig die zelfstandig kunnen opereren rond betwiste eilanden (Taiwan) en het verdedigen van zeewegen. Ruimte voor deze strategiewijziging ontstond door het wegvallen van de Sovjet Unie, steun van het civiele deel van de Communistische Partijleiding en actieve inspanningen van vlootcommandanten. Een dergelijke ontwikkeling sloot bovendien naadloos aan op de groeiende internationale economische activiteiten van China. De ambities werden echter getemperd door gebrek aan financiële middelen (het overgrote deel bleef naar de landmacht gaan) en gebrek aan technologische kennis.

Nadat de Verenigde Staten in 1996 twee vliegdekschepen naar Taiwan hadden gestuurd om China te waarschuwen dat het Taiwan zou steunen bij een Chinees optreden tegen het eiland kwam er meer dynamiek in de ontwikkeling van de marine. Deze confrontatie, het belangrijkste conflict waarbij China betrokken is, is de beste aanbeveling geweest voor de opbouw van maritieme strijdkrachten die de Chinese admiraals zich konden wensen.

In 2004 werd een stap gezet naar een nieuwe strategie voor operaties ver op zee (far-seas operations of far sea defence). De taken van de marine werden uitgereid naar de tweede gordel van eilanden. Dat betekent dat de marine moet kunnen opereren tot 1000 zeemijl uit de kust. Zo bouwt de economische macht China zijn militaire macht op zee uit. Aanvoerlijnen over zee worden daarmee verdedigd. Toch schreef de gerenommeerde website GlobalSecurity.com nog in 2005 dat "de vloot overwegend wordt bevolkt door oude, onbruikbare schepen. Zelfs de meest recent gebouwde schepen hebben evident gebreken waar het onderzeebootbestrijding en luchtverdediging betreft." Voor de kleinere buurlanden is het de Chinese marine echter al wel een geduchte tegenstander.

De marine krijgt inmiddels meer dan een derde van het militaire budget. De geldende maritieme strategie gaat er vanuit dat China binnen de eerste gordel moet kunnen opereren. Toch is dat maar gedeeltelijk mogelijk. Vrij opereren binnen de gordel is alleen mogelijk als de buurlanden Australië of de VS dat toestaan. Voorlopig is het vooral een ambitie. Feitelijk streeft China ook geen volledige vrijheid om te opereren na. De intentie is simpeler: de capaciteit ontwikkelen om anderen het opereren onmogelijk te maken. China kan daarvoor ook de luchtmacht en anti-scheepsraketten vanaf patrouilleboten inzetten.

Verdere ontwikkeling

Op den duur zal de Chinese marine zich ontwikkelen naar een volwaardig krijgsmachtdeel, maar zover is het nog lang niet. China beseft zelf ook dat de marine nog in de kinderschoenen staat. De manier waarop ze hier verandering in probeert te brengen is drieledig:

Dit zijn kleine stappen op weg naar een marine die vrij moet kunnen opereren binnen de eerste en tweede gordel. Nog veertig jaar van opbouw moeten volgen. De planning is dat China in 2050 een zogenaamde Blue Water Navy heeft die op de oceanen kan opereren. De Russen, de VS, Frankrijk en Verenigd Koninkrijk hebben al dergelijke marines.

Conflicten

De Zuid-Chinese Zee is een zee vol conflicten. De zee is rijk aan vis en mineralen. Territoriale wateren overlappen elkaar en om de meest armetierige rotsen en riffen wordt een heisa gemaakt alsof het een heel eiland betreft. Vaak heeft dat te maken met olie of mineralen. Dergelijke conflicten spelen niet alleen tussen China en de buurlanden, maar ook tussen de buurlanden onderling. Overleg tussen de verschillende landen is over het algemeen goed en er is geïnstitutionaliseerde samenwerking. Bijvoorbeeld in het Vrijhandelsverdrag tussen China en de Associatie van Zuidoost-Aziatische landen (ASEAN: Birma, Brunei, Cambodja, Filippijnen, Indonesië, Laos, Maleisië, Singapore, Thailand en Vietnam), het verdrag van Vriendschap en Samenwerking uit 2003, dat China als eerste niet-ASEAN land ondertekende, en de Declaration on the Conduct of Parties in the South China Sea (DOC). China wil wel steeds meer buiten deze verklaring om regelen, aangezien ze stelt dat het niet om conflicten met ASEAN, maar individuele landen gaat. Geen van de partijen hebben er echter belang bij de conflicten te hoog op te laten lopen. Het conflict over de eilandengroep de Paracels tussen China, Taiwan en Vietnam is een lakmoesproef of er een volwassen mechanisme komt voor het oplossen van conflicten.

De strijd om de eilanden kan soms toch hevig oplaaien. Zoals eind oktober rond de Diaoyu of Senkaku eilanden die China, Taiwan en Japan elkaar betwisten. (noot 1) Hilary Cinton stelde eind oktober dat de eilanden bij Japan horen, omdat in een bilateraal verdrag tussen de VS en Japan (Okinawa Reversion Treaty, 1970) staat dat deze eilanden - die bij Okinawa horen - aan Japan zouden worden teruggegeven. Zo is een oud conflict door de VS beslecht, terwijl het eigenlijk voor het internationaal gerechtshof had moeten komen. Zo stelt ook de New York Times blogger Nicholas Kristof. Hij vindt dat het gelijk aan China’s zijde ligt. (noot 2) Via dit soort territoriale conflicten wordt de spanning nu alleen maar nodeloos opgevoerd.

De VS

Het andere conflict dat dreigend over de regio blijft hangen is de animositeit tussen de VS en China. Niet altijd even hevig, maar op de achtergrond altijd dreigend. Alleen het ontwikkelen van meer en sterkere structuren tussen de landen in de regio los van de Verenigde Staten zal tot een meer ontspannen verhouding leiden. Dan kunnen er ook afspraken over bewapening komen. Nu bewapenen alle landen in de regio zich steeds verder en op grote schaal. Met de financieel-economische crisis van eind jaren negentig als onderbreking is dit al dertig jaar gaande. Het heetste hangijzer in de regio is de soevereiniteit van Taiwan. De erkenning hiervan is een onvermijdelijk deel van een vreedzame ontwikkeling van het deel van de wereld om China heen. Maar het is niet erg waarschijnlijk dat dit zal gebeuren. Veel ASEAN-landen, met Singapore en Vietnam voorop, willen de VS in de regio houden om een tegenwicht te vormen tegen de groeiende reus China. De positie van Taiwan is daarbij een sterk argument.

De krachtige woorden van Clinton aan het adres van China in conflict rond de eilanden zullen niet leiden tot een betere veiligheidssituatie. Als dit soort spierballentaal de dynamiek gaat bepalen dan is een nog verdere militarisering van de regio onafwendbaar. Het is duidelijk dat de belangrijkste militaire macht van de regio niet China is, maar de Verenigde Staten met hun bases op Okinawa, de Filippijnen en in Zuid-Korea. Voor China is dit een stimulans te blijven bouwen aan een marine voor grootschaliger operaties. Zo vrij als Zheng He’s vloot zullen de schepen niet zijn, want ook de buurlanden en India zullen hun vloten versterken om hun ruimte op zee te claimen. De Verenigde Staten heeft zijn atoomvloot in de Stille en Indische Oceaan al versterkt. Een nieuwe Koude Oorlog zou het resultaat kunnen zijn.

Martin Broek

Noten:

  1. Een overzicht van territoriale disputen rond China kan gevonden worden op The Open Directory Project
    Terug naar tekst
  2. Zie een van Nicholas Kristof's blogs over de kwestie: More on the Senkaku/Diaoyu Islands
    Terug naar tekst


Binnenlandse inzet van militairen: PAP en PLA

Het Chinese leger wordt, zoals de meeste legers, ook in het eigen land ingezet bij rampenbestrijding en om de orde te handhaven. In China speelt daarbij niet alleen het eigenlijke Volksbevrijdingsleger (People’s Liberation Army - PLA) een rol, maar ook een ander korps naar militaire snit, de Gewapende Volkspolitie (People’s Armed Police - PAP). De PAP is een paramilitaire eenheid, enigszins te vergelijken met onze marechaussee. Ze dragen olijfgroene uniformen in onderscheid van de gewone politie, die blauwe uniformen dragen. Ze worden dan ook vaak verward met militairen.

De PAP werd in 1983 opgericht, toen het leger zijn verantwoordelijkheid voor binnenlandse ordehandhaving en grensbewaking overdroeg aan het ministerie van openbare veiligheid. De PAP werkt echter onder een unieke dubbele leiding en wel van enerzijds de Centrale Militaire Commissie (een van de machtigste groeperingen in China en in de praktijk een orgaan van de Communistische Partij) en anderzijds de plaatselijke bureaus voor openbare veiligheid (de lokale politiebureaus). In oorlogstijd wordt de PAP, als onderdeel van de strijdkrachten, gebruikt als lichte infanterie, belast met grensverdediging en andere ondersteunende taken.

Er wordt geschat dat de PAP een sterkte van 1,5 miljoen heeft, waarvan de helft dient als ordetroepen (de PAP doet daarnaast ook brandweertaken en grensbewaking).

Zowel PAP als PLA worden regelmatig ingezet bij natuurrampen en ongelukken zoals aardbevingen, sneeuwstormen en overstromingen. Het kan enorme aantallen militairen betreffen. Zo werden begin februari 2008 tijdens sneeuwstormen 306.000 soldaten ingezet. Er is dus een enorm potentieel, maar vaak gebrek aan mobiliteit, infrastructuur en materieel. Tien jaar eerder ingekochte sneeuwploegen hielden in Nanking de cruciale bruggen over de Yangtse open, maar verder in het binnenland waren er alleen schoppen en houwelen beschikbaar…

De andere belangrijke taak is de binnenlandse ordehandhaving. Op dit gebied zijn er weinig openbare bronnen, maar er lijkt wel een duidelijke conclusie te zijn getrokken uit de crisis rond de ontruiming van het Plein van de Hemelse Vrede in Peking in 1989. Toen werden PLA- troepen van het platteland ingezet tegen de studenten op het plein en de naburige straten nadat een eerdere poging met lokale militairen mislukt was. Het resultaat was een bloedbad waarvan de omvang nooit bekend is geworden. Sindsdien zien we (zoals bij de opstanden in Tibet in 2008 en Sinkiang in 2009) eerder een rolverdeling waarbij allereerst de PAP optreedt met politionele middelen zoals waterkanonnen, knuppels en uiteindelijk vuurwapens) en de PLA in reserve blijft om belangrijke gebouwen en objecten te bewaken. Zo hoopt men het juiste midden te houden tussen te snel en gewelddadig optreden en de zaak geheel uit de hand laten lopen. Het resultaat laat echter te wensen over, afhankelijk van de kant waaraan je staat.
(KK)

Bronnen:
Wikipedia (Engels), artikel People’s Armed Police;
Harold M. Tanner, The People’s Liberation Army and China’s Internal Security Challenges (pdf), In: The PLA at Home and Abroad: Assessing the Operational Capabilities of China’s Military, Roy D. Kamphausen, David Lai and Andrew Scobell, Strategic Studies Institute, US Army War College, juni 2010.


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

De Sjanghai Cooperation Organization -
een Chinese NAVO?

De Sjanghai Cooperation Organization (SCO) is een intergouvernementele organisatie voor wederzijdse veiligheid die is in 2001 is opgericht in Sjanghai door de leiders van China, Kazachstan, Kirgizistan, Rusland, Tadzjikistan en Oezbekistan. De leiders van de SCO komen elk jaar bij elkaar in een van de hoofdsteden.

De club initieert grootschalige projecten op het gebied van transport, energie en telecommunicatie en houdt geregeld bijeenkomsten met militaire en diplomatieke, maar ook met economische, financiële en culturele overheidsvertegenwoordigers uit de lidstaten.

Het secretariaat van de SCO is in Peking, maar er is ook een Regionale Anti-Terroristische Structuur (RATS!) gevestigd in Tasjkent, de hoofdstad van Oezbekistan.

De SCO gaat ervan uit dat de belangrijkste bedreigingen bestaan uit terrorisme, separatisme en extremisme. Deze drie worden wel "de drie krachten van het kwaad" genoemd.

Er is coördinatie en informatie-uitwisseling tussen de lidstaten op het gebied van militaire zaken, inlichtingenwerk en terreurbestrijding.

De SCO houdt gezamenlijke militaire oefeningen. In 2005, 2007, 2009 en 2010 zijn onder auspiciën van de SCO grootschalige Chinees-Russische oefeningen gehouden onder de naam Peace Mission. In 2010 vonden die plaats in Kazachstan. Er namen 5000 gevechtstroepen met tanks en vliegtuigen aan de oefening deel. Het oefenscenario vertoonde een aantal interessante details, zoals het mobiliseren van reservetroepen, "onderdrukken van vijanden in woonwijken" en een nachtoefening om "vijandelijke bases" uit te schakelen. Het idee was kennelijk dat een multinationaal optreden werd geoefend voor het geval een deel van een Centraal-Aziatische republiek in handen van opstandelingen was gevallen. Voor de Chinezen was het tevens een belangrijke troepenverplaatsing voor een militair optreden in het buitenland, waarbij de luchtmacht ook een luchtaanval over lange afstand met bommenwerpers, begeleidende gevechtsvliegtuigen en onderweg bijtanken oefende.

SCO en NAVO

De SCO wordt soms beschouwd als een tegenhanger van de NAVO. Toch zijn er grote verschillen tussen beide organisaties:

De conclusie is, dat de SCO zeker geen tegenhanger is van de NAVO, maar eerder een manier waarop Rusland en China hun militaire politiek ten aan zien van Centraal-Azië coördineren met de landen uit de regio. Voor die landen biedt dit het voordeel dat ze minder eenzijdig afhankelijk zijn van Rusland. Rusland en China samen hopen via de SCO in dit gebied de VS zoveel mogelijk buiten de deur te houden. Voor China heeft het een extra voordeel dat het land bedreven kan raken in het uitvoeren van buitenlandse militaire operaties samen met lokale partners.

Kees Kalkman

Geraadpleegde bronnen:
Wikipedia-artikel over de Shanghai Cooperation Organization;
M.K. Bhradrakumar, Sino-Russian baby comes of age, Asia Times, 13 juni 2009;
Richard Weitz, China’s Growing Clout in the SCO: Peace Mission 2010, China Brief, 8 oktober  2010.


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

Europa’s oudste embargo

Wapenhandel met grootmacht China

Na het bloedig neerslaan van de protesten op het Pekingse Plein van de Hemelse Vrede in 1989 kondigde de Europese Unie (net als de VS) een wapenembargo af dat anno 2010 nog steeds geldt. Vanuit het oogpunt van de mensenrechten is dat terecht: de situatie is nog steeds abominabel en pogingen tot democratische hervormingen worden in de kiem gesmoord. Tegelijk is het embargo duidelijk ook politiek gemotiveerd, om China in militair opzicht zo klein mogelijk te houden. Waar de economische band met China enorm gegroeid is, blijft militaire samenwerking terecht een heikele kwestie. Ondanks scheurtjes in het embargo gaat het voorlopig nog niet van tafel. Toch is het de vraag hoe lang die blokkade stand zal houden naarmate China zijn machtspositie versterkt.

Met een duur van ruim 21 jaar is het wapenembargo tegen China het langstlopende Europese embargo; alleen dat tegen Birma (Myanmar - uit 1991) komt in de buurt. Aan de andere kant dekt de naam wapenembargo alleen in de meest letterlijke zin de lading. Waar in het geval van Birma de lijst beperkingen tamelijk uitputtend is, is het Chinese wapenembargo nooit gepreciseerd. Om die reden en omdat er in die tijd nog geen sprake was van een gemeenschappelijk gehanteerde lijst van militaire goederen, is het altijd aan de afzonderlijke lidstaten overgelaten wat ze daaronder wensten te verstaan. Zo liet de Britse regering in 1995 weten dat ze ruimte liet voor spullen die niet schieten en die niet voor interne repressie gebruikt kunnen worden; zo mocht bijvoorbeeld Searchwater radar aan China verkocht worden. Al jaren ontvangen Chinese militaire delegaties uitnodigingen voor Britse wapenbeurzen. Frankrijk leverde de afgelopen jaren zelfs scheepskanonnen, naast helikopters en sonar voor fregatten. Ook Duitsland levert op grote schaal dieselmotoren (in sommige gevallen onder licentie gebouwd in China) voor alles van onderzeeërs tot pantservoertuigen en tanks.

Technologische voorhoede

Nederland op zijn beurt heeft altijd gemeend dat nachtzichtapparatuur zonder problemen geleverd kon worden. Al sinds de jaren zeventig levert Photonis (sinds 2005 deel van het gelijknamige Franse concern, daarvoor een divisie van Delft Instruments) nachtzichttechnologie aan China, inclusief complete productielijnen.

Tot 1990 leverde het ook materiaal zonder de benodigde papieren aan China; Delft Instruments treft daarvoor naar verluidt voor minder dan 20 duizend euro een schikking met Justitie. Mét vergunning mag het in de jaren daarna de handel in nachtkijkers gewoon voortzetten - embargo of niet. Van 1990 tot en met 2001 ging er voor bijna tien miljoen euro aan militair geclassificeerde nachtzichtapparatuur naar China. Toen deze technologie eind jaren negentig de status dual-use (met zowel militaire als civiele toepassingen) kreeg, werd export nog eenvoudiger. In 2001 kreeg Delft Instruments een nieuwe order voor het leveren van een productielijn, te danken aan "haar positie in de technologische voorhoede," aldus het jaarverslag. In de jaren erna ging voor vele miljoenen euro’s aan ‘beeldversterkerbuizen’ - het hart van een nachtkijker - naar China, veelal onder de parapluterm "surveillance en beveiligingsdoeleinden." Of ze inderdaad gebruikt worden voor de vaak ‘civiele’ bestemmingen (spoor, havens, boswachterij, Olympische Spelen) waarvoor ze te boek staan, is uiteraard de vraag, zo geven ook Nederlandse ambtenaren toe. In een enkel geval worden ook duidelijk militaire gebruikers, zoals bijvoorbeeld grensbewakingstroepen, als acceptabele bestemming gezien.

Groen licht

Een andere opmerkelijke kwestie is die van het Chinese snelvuurkanon voor marineschepen dat opmerkelijke overeenkomsten vertoont met de Goalkeeper van Thales Nederland. De Nederlandse regering en Thales doen de op de Goalkeeper lijkende kanonnen af als een merkwaardig voorbeeld van Chinese kopieerlust, maar dan van mindere kwaliteit. Daarmee blijft de vraag onbeantwoord hoe China aan de betreffende technologie is gekomen.

De meest belangrijke stap van de laatste jaren is echter het Nederlandse fiat geweest om in 2006, met een door de staat gedekte exportkredietverzekering, de export van militaire elektronica "plus bijbehorende opleidingen en logistieke diensten" van Thales te faciliteren. De apparatuur ter waarde van 3,5 miljoen euro werd geleverd aan een Chinese scheepsbouwer die voor de Pakistaanse marine vier fregatten bouwt. Met het oog op de eerder door de regering erkende Chinese kopieerkunst, mag het bijzonder genoemd worden dat deze export groen licht krijgt met de simpele verwijzing naar het feit dat niet China maar Pakistan de uiteindelijke bestemming is.

Iets later, in 2007 schreven de toenmalige ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie - Verhagen en Van Middelkoop - overigens aan de Tweede Kamer dat de regering "niet afwijzend staat tegenover opheffing van het EU-embargo, mits de context daartoe aanleiding geeft." Dat standpunt is voor zover bekend sindsdien niet gewijzigd.

Het Amerikaanse embargo was altijd wel een volledig verbod op de levering aan China van alle militaire goederen en diensten. Maar nadat de Amerikaanse president Obama in 2010 de deur op een kier zette voor de levering van een Hercules transportvliegtuig - door China uitsluitend te gebruiken voor de bestrijding van olievervuiling op zee - dromen Europese fabrikanten ook van nieuwe afzetmogelijkheden en versoepeling van de Europese exportnormen. Zo liet het Italiaanse Finmeccanica, een van de vier grootste Europese wapenfabrikanten, onlangs weten dat wanneer de exportbeperkingen versoepeld zouden worden China een belangrijke groeimarkt zou kunnen zijn, bijvoorbeeld voor militaire transportvliegtuigen.

Civiele markten

Begin 2010 stond opheffing voor het eerst sinds jaren op de Brusselse agenda, althans dat was de bedoeling van Spanje, maar net als bij eerdere pogingen bleef alles bij het oude. Ook Frankrijk wil er wel van af, maar meer Atlantisch georiënteerde landen blijven voorstander van de Amerikaanse lijn, sommige ook vanuit praktisch oogpunt: Washington heeft meermaals laten weten dat Europese bedrijven zouden kunnen fluiten naar Amerikaanse orders wanneer ze met het Chinese leger contracten zouden tekenen. Daarnaast bestaat een bredere angst de relatie met de VS te beschadigen.

Zolang het embargo standhoudt, richt de Europese wapenindustrie zich daarom vooral op het aanboren van civiele markten, zoals bijvoorbeeld (onderdelen voor) passagiersvliegtuigen (Airbus/EADS, en op kleinere schaal ook Fokker Stork) en niet-militaire schepen (Damen Shipyards), in de hoop dat vanuit die contacten misschien in de toekomst alsnog militaire orders in het verschiet liggen.

Mede gedwongen door de Europese en Amerikaanse embargo’s heeft China zich de afgelopen 20 jaar voornamelijk op Russische wapens moeten richten. Omdat ook de Russen niet altijd het nieuwste van het nieuwste aan de Chinezen wilden verkopen - beducht op hun beruchte kopieerkunst - zijn delen van de krijgsmacht, zoals de luchtmacht, zeker minder geavanceerd dan Peking had gewild. Niettemin is de industrie, met grote sommen staatssteun in vliegende vaart een inhaalslag aan het maken. Op de vliegshow in het Zuid-Chinese Zhuhai in november 2010 werd al met trots een hele serie onbemande vliegtuigen (de grote trend in de militaire vliegtuigbouw) aan de wereld getoond, naast ook steeds modernere gevechtsvliegtuigen en andere wapensystemen. Niet alleen bedient China hiermee de binnenlandse vraag, ook op exportgebied is China niet langer derderangs leverancier aan louter pariastaten. Naast omstreden klanten als Soedan, Pakistan, Birma en Congo, tonen in tijden van economische crisis ook minder betwiste regeringen interesse in de gunstige prijs/kwaliteit verhouding van de Chinese wapens. En net zoals dat voor Westerse landen geldt, is de wapenexport voor China een uitgelezen manier om grondstofrijke landen aan zich te binden: een goede toegang tot natuurlijke hulpbronnen voor China’s industriële motor, in ruil voor degelijke wapens. Om die reden vergroot China de afgelopen jaren zijn invloedssfeer vooral in Afrika en Zuid-Amerika.

Oliedorst

Wat dat betreft zou je kunnen stellen dat de enorme economische groei en de daarmee gepaard gaande militaire modernisering van China de afgelopen jaren de effectiviteit van het Europese wapenembargo vrijwel hebben ingehaald. Nog altijd genieten Westerse wapenindustrieën een aanzienlijke technologische voorsprong, maar gezien het tempo waarin China op militair terrein moderniseert zal daarvan over tien of twintig jaar weinig over zijn. Aan de andere kant gaat het daar natuurlijk vanuit het oogpunt van het wapenexportbeleid niet om. Dat het Chinese regime geen ruimte biedt aan allerlei basale, universele mensenrechten is een prima reden om er geen wapens aan te verkopen. Aan de andere kant meet Europa met twee maten wanneer datzelfde niet geldt voor een hele trits andere landen die op dat gebied een minstens zo twijfelachtige reputatie genieten. Zonder de Chinese werkkampen en de onderdrukking van democratische krachten te bagatelliseren, rijst toch de vraag waarom China al 21 jaar sancties aan zijn broek heeft, terwijl voor landen als Kazachstan, Syrië of Tsjaad geen embargo geldt. Vanwege de eigen oliedorst levert het Vrije Westen massaal en zonder scrupules voor miljarden euro’s wapens aan Saoedi-Arabië, een van ’s wereld meest repressieve regimes.

Frank Slijper
(met dank aan Martin Broek)


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

De modernisering van het Chinese leger

Het Chinese Volksbevrijdingsleger (People’s Liberation Army - PLA) is de laatste tien jaar bezig met een grootscheeps moderniseringsproject. De huidige modernisering is de voorzetting van een ontwikkeling die al is ingezet na de Golfoorlog van 1991. De succesvolle Amerikaanse blitzkrieg tegen Irak maakte diepe indruk op de Chinese leger- en partijleiding en leidde tot het omgooien van de militaire strategie en het aanschaffen van moderne wapens. Dit laatste werd ook mogelijk omdat de Russische wapenindustrie na het ineenstorten van de Sovjet-Unie graag bereid was de oude vijand China als klant te accepteren.

Volgens de Duitse Stiftung Wissenschaft und Politik (SWP), een instituut dat zich in de buurt van de regering in Berlijn ophoudt, kan de basisopstelling van de PLA als ‘tendentieel defensief’ worden beoordeeld. Dit is geheel in de traditie van het vroegere maoïstische China dat zich een gewapend conflict alleen kon voorstellen als een langdurige volksoorlog om een buitenlandse invaller van het Chinese grondgebied te verjagen. Het is ook in overeenstemming met de historische Chinese ervaring van een langdurige bezetting van een groot deel van het land door Japan en de dreiging van een aanval door de Sovjet-Unie zoals men die in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw ervoer.

Wel stelt de SWP dat op het terrein van de strategische kernwapens, de militaire ruimtevaart, de luchtmacht en de marine het offensieve potentieel aan het groeien is. Bij de kernwapens en de marine is de militaire modernisering het verst gevorderd. De grootste lacunes zijn er bij de luchtmacht. De middelen die het mogelijk maken om militaire macht over grote afstand te ontplooien - zoals de Verenigde Staten regelmatig laten zien - schieten tekort.

Landmacht

Hoewel het Chinese leger het grootste ter wereld is neemt het aantal militairen nog steeds af. Zo kromp de landmacht tussen 2005 en 2010 met 21% van 1,6 tot 1,25 miljoen soldaten. Uitgebouwd worden vooral lichtere gemechaniseerde eenheden zoals luchtlandingsdivisies, mariniersdivisies en lichte infanteriedivisies, waarmee de mobiliteit van de landstrijdkrachten wordt vergroot. De SWP ziet nog geen verplaatsing van dit soort eenheden vanuit het binnenland naar de zeehavens, wat snellere inscheping voor expedities mogelijk zou maken. De grotere mobiliteit maakt het momenteel juist gemakkelijker de troepen flexibel in het binnenland in te zetten. Het valt op dat in de militaire regio Nanking (Nanjing) die het dichtst bij Taiwan ligt juist geen snelle interventietroepen gelegerd zijn. De meest moderne pantserdivisies bevinden zich vooral in de noordelijke militaire regio’s Peking (hoofdstad) en Shenyang (bij Korea). De druk op Taiwan wordt vooral uitgeoefend met conventionele ballistische raketten (nu meer dan 1000). Het potentieel aan zware artillerie en tanks wordt de laatste jaren afgebouwd omdat het niet langer als nuttig gezien wordt, terwijl er juist geïnvesteerd wordt in raketsystemen die over grotere afstand kunnen vuren.

Marine

De marine was vroeger vooral belast met kustverdediging, maar werkt nu aan een vloot die geschikt is om te opereren in volle zee. Het aantal schepen is van minder belang, omdat een groot deel daarvan sterk verouderde en kleine boten zijn. Bij de modernisering ligt de prioriteit vooral bij de strategische onderzeebootvloot. Deze wordt in de hele wereld gezien als een statusaanduiding van hoe groot de mogendheid is. Volgens de SWP zijn echter ook de nieuwe types nucleair aangedreven onderzeeërs in vergelijking met de Westerse types duidelijk de mindere.

Belangrijk zijn verder het grote aantal snelle patrouilleboten die een rol kunnen spelen bij manoeuvres rond diverse omstreden eilandengroepen. Opvallend is dat één van deze (type 022, een katamaran ontwerp) gebouwd wordt met ondersteuning van Australië.

Het ontbreken van vliegdekschepen - het belangrijkste maritieme interventiemiddel van de VS - is het meest opvallend kenmerk van de Chinese marine. Weliswaar is er in 1998 van de Oekraïne een oud exemplaar gekocht - de Varyag - maar deze is niet geactiveerd en dient hoogstens voor droogzwemmen. Daarnaast is er het bericht dat Chinese piloten zouden gaan oefenen op Braziliaanse vliegdekschepen. Maar van een feitelijke opdracht tot de bouw van nieuwe carriers is niets bekend.

Wel is de werfcapaciteit de laatste jaren uitgebreid en is op het eiland Hainan een nieuwe vlootbasis ingericht die ver verwijderd is van de vlootbases van de VS en hun bondgenoten. Vooral de zuidelijke vloot die de voor de aanvoer van grondstoffen belangrijke zeewegen moet beschermen profiteert hiervan.

Over de Chinese marine zie verder het artikel van Martin Broek in dit dossier.

Luchtmacht

De luchtmacht is vooral geconcentreerd in de vijf aan de kust gelegen militaire regio’s met concentraties in Nanking en Guangzhou (Kanton) tegenover Taiwan en rond Peking in een defensieve opstelling rond de hoofdstad. De luchtafweer bevindt zich ook vooral rond Peking en wordt technologisch gemoderniseerd tot topniveau.

De Chinese gevechtsvliegtuigen hebben bijna allemaal een buitenlands ontwerp en de modernste types worden met inbegrip van motoren, wapens en sensoren nog voornamelijk in Rusland geproduceerd. Het grootste deel van de gevechtsvliegtuigen is verouderd en heeft maar een gering bereik; ze zijn dus alleen defensief in te zetten. Maar de nog geringe aantallen van de moderne types (J-10B, J-11) hebben een groter bereik en zijn in de lucht bij te tanken. Ze zijn relevant bij een militair conflict over Taiwan, de Zuid-Chinese Zee, Korea en delen van Japan. De J-10B wordt geacht vergelijkbaar te zijn met de Eurofighter of de Franse Rafale.

De capaciteit voor luchttransport zal de komende jaren sterk worden uitgebreid als de in Rusland bestelde vliegtuigen inderdaad worden geleverd. Het ontbreekt echter aan AWACS-vliegtuigen voor luchtcontrole en aan tankvliegtuigen die onmisbaar zijn voor grootscheepse interventies.

Militaire ruimtevaart

China gebruikt de ruimtevaart (net zoals wapenhandel - zie daarvoor het artikel van Frank Slijper in dit dossier) als instrument om de betrekkingen met andere staten te versterken. Naast Nigeria en Venezuela heeft ook Brazilië geprofiteerd van de Chinese ruimtetechnologie. Dit laatste in het kader van het programma CBERS (China-Brazil Earth Resources Satellite). De grote expertise van China op het gebied van satellieten en draagraketten leent zich goed voor militaire toepassingen. Wat betreft het aantal militaire satellieten wordt verwacht dat China de komende jaren Europa gaat inhalen en alleen de VS en Rusland voor moet laten gaan. Bij het aantal lanceringen is dat al zo. De satellieten verzamelen optische en radarinlichtingen Samen met communicatiesystemen en het plaatsbepalingsysteem Beidou (Grote Beer, te vergelijken met GPS) kan China hiermee in principe netwerkgestuurde operaties mogelijk maken zoals de VS al uitvoert. Ten slotte heeft China in 2007 een proef genomen met een antisatellietsysteem, waarbij een raket een oude weersatelliet vernietigde. Dit was een signaal dat het land in staat is technieken voor de ruimteoorlog te beheersen voor het geval de VS die kant op zouden willen gaan.

Nucleaire strijdkrachten

De Chinezen zijn niet bepaald scheutig met informatie over hun kernmacht, maar de SWP denkt uit waarnemingen en bronnen van derden (= inlichtingendiensten) te kunnen afleiden dat het land stappen heeft gezet in de richting van een klassieke nucleaire triade. Deze heeft een landcomponent van intercontinentale raketten, een luchtcomponent van strategische bommenwerpers en een maritieme component van nucleair aangedreven onderzeeërs met ballistische raketten. Volgens de heersende leer zou een dergelijke combinatie een land onkwetsbaar maken voor een nucleaire aanval.

De omvang van het kernarsenaal van China werd door het Bulletin of the Atomic Scientists (mei/juni 2006) geschat op 110 tot 200 kernkoppen. Het grootste deel van de voorraad is gekoppeld aan op het land gestationeerde raketten waaronder ook een aantal verouderde raketten met vloeibare brandstof die niet direct operationeel zijn. Er zouden in 2010 daarnaast 36 moderne op nieuwe onderzeeërs geplaatste raketten zijn waarvan wordt aangenomen dat ze het vasteland van de VS kunnen bereiken vanuit de Oost-Chinese Zee. Een derde poot van de triade is er niet. Het arsenaal is dus vergelijkenderwijs bescheiden en roept de vraag op of de werking ervan niet op zijn minst belemmerd kan worden als er een effectief Amerikaans ruimteschild zou worden gebouwd. De SWP stelt bovendien vraagtekens bij de overlevingskans van de Chinese onderzeeërs in het geval van een oorlog met de VS, waarmee twijfel gewekt wordt over de Chinese capaciteit om een tweede slag uit te delen nadat ze zijn aangevallen. En dat is de voorwaarde voor onkwetsbaarheid zoals de VS en Rusland die denken te hebben.

Deze tekst is hoofdzakelijk gebaseerd op het uitstekende rapport 'Chinas militärische Entwicklung' (pdf 0.3 MB) Sophie-Charlotte Brune, Sascha Lange, Janka Oertel - SWP-Studie Oktober 2009, Berlin


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

China bibliografie

Boeken

C.Fred Bergstein, Charles Freeman, Nicolas R. Lardy, Derek J. Mitchell, China’s Rise. Challenges and Opportunities, Washington DC ( Peterson Institute for international economics/ Center for strategic and international studies), September 2008, 269 pp.

John Wilson Lewis, Xue Litai, China builds the Bomb, Stanford -Ca (Stanford University Press), 1988, 329 pp.

Johan Niezing, Tibet en de Chinese kernbewapening. Een verkennend onderzoek, Nijmegen (SVV- K.U. Nijmegen), 1994, 111 pp.

Peter Worthing, A military history of China. From the Manchu conquest to Tiananmen Square, Westport/ London (Preaeger Security International), 2007, 226 pp.

Rapporten

Marcel de Haas (red.), The Sjanghai Cooperation Organization - towards a full-grown security alliance? Clingendael, november 2007

Roger N. McDermott, The Rising Dragon: SCO Peace Mission 2007, Jamestown Foundation, Occasional Paper, oktober 2007

Elinor Sloan, China’s strategic Behaviour, Canadian Defence & Foreign Affairs Institute, juni 2010

Yuan-Kang Wang, China’s Grand Strategy and U.S. Primacy: Is China Balancing American Power? (pdf 0.37 MB) Brookings Institution, juli 2006

Artikelen

Perry Anderson, Sinomania, London Review of Books, 28 januari 2010 pp  3-6.

John Bellamy Foster, A Failed system - The World Crisis of Capitalist Globalization and its Impact on China, Monthly Review, maart 2009. 23 pp.

Willam A. Callahan, China’s grand strategy in a post-western world, OpenDemocracy, 1 juli 2010

Michel Chossudovsky, China and America: The Tibet Human Rights PsyOp, Global Research, 13 april 2010

Avery Goldstein, The Diplomatic Face of China’s Grand Strategy: A Rising Power’s Emerging Choice, The China Quarterly, 2001, pp 835-864

Peter Hatemi, Andrew Wedeman, Oil and Conflict in Sino-American Relations, China Security, 2007 nr. 7

James Holmes, Toshi Yoshihara, Understanding Asia-Pacific Sea Power, The Diplomat, 21 oktober 2010

Robert D. Kaplan, The geography of Chinese power: how far can Beijing reach on land and at sea? In: Foreign Affairs, mei/juni 2010, pp. 22-41

Michael Klare, China Shakes the World, TomDispatch, 19 september 2010

David Lai, Chinese military going global, China Security, Winter 2009 pp. 3-9

Li Mingjiang, Domestic Sources of China’s Soft Power Approach, China Security, 2009 nr. 2, pp. 55-70

Jacqueline Newmyer, Oil, Arms and Influence: The Indirect Strategy Behind Chinese Military Modernization.,Orbis, Spring 2009 pp. 205-218

Richard Weltz, The Limits of Partnership - China, NATO and the Afghan War, China Security, 2010 nr. 16


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina