Aangepast zoeken

VD AMOK
archief VredesMagazines

Onderzoeksdossier VD AMOK
Chemische wapens

verschenen in het tijdschrift VredesMagazine
nummer 1, jaargang 7, 2014



Inhoudsopgave

Dit dossier is een product van VD AMOK
Redactie: Kees Kalkman



Colofon

VredesMagazine 1e kwartaal 2014
Uitgave van de vereniging VredesMedia waarin samenwerken:
Haags Vredesplatform (HVP), Humanistisch Vredesberaad (HVB), Vereniging Pais, Samenwerkingsverband Stop de Wapenwedloop, Antimilitaristies Onderzoekskollektief VD AMOK, Women’s International League for Peace and Freedom (WILPF) afdeling Nederland.
In VredesMagazine zijn de tijdschriften Kernwapens Weg!, VD AMOK en de dikke nummers van Vredeskoerier 't Kan Anders opgegaan.

Redactie
Jan Bervoets, Boudewijn Chorus, Hans Feddema, Benno Houweling, Kees Kalkman, Klaas Meijer, Anke Polak, Jan Schaake, Guido Schokker, Barbara Smedema, Egbert Wever.

Aan dit nummer werkten naast de auteurs mee
David-Jan Donner, Frank Feiner, Chris Geerse, Francis Janssen, Koert Lindijer, Martijn de Rooi, Frank Slijper.

De auteur is verantwoordelijk voor de inhoud van een geplaatst stuk. De tekst van artikelen mag worden overgenomen op voorwaarde van bronvermelding. Copyrights van foto’s en tekeningen berusten bij de desbetreffende fotograaf /illustrator.

Fotoredactie
Hanneke Suijs, Anne Vaillant.

Fotografen en illustratoren
Henry Arvidsson, Eveline van Egdom, Len Munnik, Peleia, Stefan Philipp, R. Santana, Bert Spiertz, Jens Volle.

Vormgeving
Jimmy Slothouwer

Drukker
Drukkerij Mezclado, Tilburg

Abonnementen
Interesse of aanmelding voor een abonnement op Vredesmagazine kan kenbaar gemaakt worden bij de redactie van Vredesmagazine of bij een deelnemende organisatie.
Een jaarabonnement op VredesMagazine (4 nummers) kost 10 euro. U kunt een abonnement nemen via info@vredesmagazine.nl of 015 7850137.

Giften
Bedragen die abonnees overmaken boven het verschuldigde abonnementsgeld worden beschouwd als gift voor het werk van de in VredesMagazine samenwerkende organisaties.

Contact VredesMedia
Vlamingstraat 82, 2611 LA Delft, 015 7850137
info@vredesmedia.nl, www.vredemedia.nl

Redactieadres
Obrechtstraat 43 3572 EC Utrecht tel. 030 8901341
e-post info@vredesmagazine.nl
Kopijsluiting volgend nummer: 19 februari 2014
Verschijningsdatum volgend nummer: 26 maart 2014

ISSN 1876-0724


Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

Gifgasgebruik in de oorlog tussen Irak en Iran

In september 1980 viel Irak buurland Iran binnen. De acht jaar durende oorlog kostte aan honderdduizenden het leven. Het leger van Irak zette op grote schaal chemische wapens in. In totaal stierven meer dan 100.000 Iraniërs en Koerden aan de gevolgen hiervan. De aanval op de Koerdische plaats Halabja is later symbool geworden voor de gruwelijke gevolgen van die oorlog en chemische oorlogsvoering in het bijzonder.

Veel chemische stoffen om wapens te kunnen maken, werden geleverd door westerse landen. Nederland speelde daarbij een sleutelrol. Voor het mosterdgas dat op grote schaal werd gebruikt door Irak, leverden Nederlandse bedrijven en personen vele honderden tonnen grondstoffen. De Nederlander Frans van Anraat werd pas na de Amerikaanse inval in Irak in 2003 het gezicht van die chemicaliënhandel voor Saddam Hoessein. In 2007 werd hij veroordeeld tot 17 jaar gevangenisstraf. Voor de meeste andere leveranciers in binnen- en buitenland had hun bijdrage aan het chemische wapenprogramma van Irak amper juridische consequenties.

Opbouw wapenprogramma

Begin jaren zeventig zette Irak de eerste voorzichtige stappen op weg naar een eigen chemisch wapenprogramma. De oorlog tegen Iran versnelde dat proces. Volgens de Amerikaanse inlichtingendienst CIA had Irak zich tussen 1978 en 1981 bekwaamd in de productie van mosterdgas, en beschikte in 1981 over een voorraad van zeker tien ton.

In augustus van dat jaar startte Irak een ambitieus productieprogramma in Samarra. Als cover-up werd gekozen voor de onschuldig klinkende naam State Establishment for the Production of Pesticides (SEPP).

Het Duitse bedrijf Heberger Bau bouwde een groot deel van de productieruimtes. Karl Kolb uit Dreieich, vlakbij Frankfurt, leverde veel van de productieapparatuur en nam de inrichting van het gros van de laboratoria voor zijn rekening. Het motto van het bedrijf luidde nog altijd: Serving mankind by serving science. De chemische wapenexpert Jonathan Tucker schrijft daarover: "Hoewel de Westerse steun aan het Iraakse programma voor chemische oorlogsvoering soms onbewust was, verkochten sommige zakenlui zonder scrupules chemicaliën of apparatuur aan SEPP, met volledige kennis van de uiteindelijke bestemming. Een zo'n persoon was Helmut Maier, de directeur van de West-Duitse firma Karl Kolb".

Medio 1983 waren de laboratoria klaar en werd de productie van mosterdgas daar opgestart. Het jaar erop begon ook de productie van de zenuwgassen sarin en tabun. Tussen 1981 en 1989 produceerde Irak in totaal bijna 3500 ton chemische strijdmiddelen. (Na een 'pauze' in 1989 nog eens 400 ton in 1990.) Grofweg driekwart daarvan was mosterdgas.

Al vroeg in de oorlog verschenen de eerste berichten over chemische wapens in de pers. Begin november 1980 meldde de Washington Post dat Irak zich trainde in chemische oorlogsvoering. Twee weken later berichtte de Britse Daily Telegraph op basis van radio Teheran over gebruik van brandbommen en chemische wapens bij Susangerd, in Iran. Dergelijke berichten vallen achteraf moeilijk te verifiëren. Wel is bekend dat Irak in de beginjaren van de oorlog CS traangas gebruikte, waarvan militair gebruik verboden is. Het gebruik ervan had vooral een psychologisch effect: Iran dacht met dodelijk gifgas te maken te hebben. De Iraanse fysioloog Dr. Foroutan, die als legerarts het gebruik van chemische wapens in de Irak-Iran oorlog van dichtbij heeft gevolgd, komt tot ongeveer 25 aanvallen met chemische middelen voor de periode tot augustus 1983; daarbij zouden in totaal twintig doden zijn gevallen.

Daarna, en parallel aan de ingebruikname van de laboratoria in Samarra, nam de inzet van gifgas rap toe. De eerste goed gedocumenteerde aanvallen vonden in juli en augustus 1983 plaats in en rond Haj Omran, in het noordelijke Koerdische grensgebied. Iraakse MiG-21 gevechtsvliegtuigen voerden voor het eerst luchtbombardementen met gifgas uit. Het uitblijven van een internationale reactie zou Irak hebben gesterkt om met dergelijke aanvallen door te gaan, die in elk geval de daaropvolgende maanden geleidelijk toenamen.

Dat wil niet zeggen dat men in Europa en elders toen nog van niets wist. Het was klaarblijkelijk alleen geen issue dat ook op de agenda stond. Op 9 september 1983 stuurde minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek een telex naar Teheran en Bagdad om te vragen naar berichten over gifgasgebruik, naar aanleiding van een artikel van persbureau AFP de maand ervoor. Pas twee maanden later kwam van beide kanten bericht terug dat een en ander inderdaad aannemelijk werd geacht. Vanzelfsprekend was Washington al lang en breed op de hoogte van zowel de buitenlandse hulp bij de opbouw van het wapenprogramma, als het gebruik van het gifgas. Ondertussen waren Donald Rumsfeld - op dat moment speciale gezant van president Ronald Reagan - en Frits Bolkestein allebei eind 1983 op bezoek in Bagdad, de laatste om als minister van Buitenlandse Handel een handelsakkoord met Irak te tekenen. Het tekent de verhoudingen met Irak, al drie jaar verwikkeld in een bloedige oorlog die het zelf begon.

In februari 1984 was Irak het eerste land dat ooit zenuwgas - tabun - inzette op het slagveld, niet veel later gevolgd door sarin, ook een zenuwgas. In 1986 en nog een keer begin 1988 vonden zware offensieven plaats met als inzet het schiereiland Faw. Mede door massaal Iraaks gebruik van mosterdgas en zenuwgas vielen duizenden slachtoffers.

Genocide op de Koerden

Het gebruik van gifgas door Irak leunde op twee gedachten: als tegenwicht tegen de massale aanvallen van Iraanse soldaten - vaak nog jonge jongens - en als strafmaatregel tegen Koerden die van collaboratie met Iran werden verdacht, als onderdeel van de zogenaamde Anfal campagne.

De eerste grote aanvallen met gifgas op Koerden vonden tussen half april en eind juni 1987 plaats aan weerszijde van de grens. Met name het Iraans-Koerdische Serdasht werd zwaar getroffen. Duizenden gewonden en meer dan honderd doden vielen te betreuren. In Iraaks Koerdistan vielen de valleien van Balisan en Jafati ten prooi aan het gifgas. Niet langer waren Iraanse soldaten en hun bondgenoten het doelwit, maar specifiek de Koerden.

Vanaf februari 1988 volgden nieuw offensieven om af te rekenen met de 'binnenlandse vijand' in een militaire campagne die met recht het etiket genocide verdient. Ali Hassan al-Majid, een neef van Saddam Hoessein en beter bekend als Ali Chemicali, mag verantwoordelijk worden gehouden voor de aanvallen op de Koerden. Op geluidsopnames uit die tijd - hij was als een soort gouverneur aangesteld voor Noord-Irak - viel uit zijn mond te horen: "Ik zal ze allemaal doden met chemische wapens! ... Wie zal er wat van zeggen? De internationale gemeenschap? Fuck them!"

Het gifgas veroorzaakte niet alleen veel doden, het zaaide ook immense angst onder hen die het overleefden. In paniek renden zij vaak uit hun boerderijen en gehuchten naar de dichtstbijzijnde verharde weg, om medische hulp te zoeken of om naar veiliger gebied te vluchten. Velen liepen daar echter regelrecht in de handen van Iraakse troepen die hen opwachtten, om ze vervolgens in de woestijn in het westen van Irak te executeren.

Halabja

Een van de best gedocumenteerde verslagen van het gebruik van chemische wapens door Irak onder Saddam Hoessein is Joost Hiltermann's A poisonous affair uit 2007. Hij beschrijft op basis van archiefonderzoek en talloze interviews gedetailleerd hoe de vernietiging van de Koerden op 16 maart 1988 het einde betekent van de mensen in Halabja.

De gruwelen van de massaslachting onder de bevolking van Halabja bereikten pas dagen later de internationale pers. Het was geen groot voorpaginanieuws en dat werd het ook nooit. Dat had veel te maken met de slechte toegankelijkheid van het gebied, maar meer nog met de desinteresse voor de Koerden en een apathische houding tegenover het regime van Saddam Hoessein. De Koerden delfden het onderspit in de geopolitieke context van dat moment, waar het Iran van de ayatollahs de gemeenschappelijke vijand van Saddam Hoessein en het Westen was en Irak daarom maar weinig weerwoord kreeg van de wereldmachten.

Het maakt de directe aanleiding van de Irak-oorlog van 2003 des te cynischer. Terwijl in de jaren tachtig de ogen voor het gebruik van gifgas door Irak werden dichtgeknepen, was in 2003, ondanks de afwezigheid van overtuigend bewijs van het bestaan ervan, het chemisch wapenprogramma een van de belangrijkste voorwendselen om het land binnen te vallen. Daarbij schroomden westerse politici, die in een eerder leven nog zo hard hadden gepleit voor nauwere banden met het regime van Saddam Hoessein, niet om hem nu als personificatie van Het Kwaad te kenschetsen.

Verenigde Naties

Aan het eind van de oorlog hadden zeven speciale missies van de Verenigde Naties (VN), mede op verzoek van Iran, het gebruik van chemische wapens in de oorlog gedocumenteerd. Geen enkele resolutie van de VN-Veiligheidsraad uit die periode stelde Irak daarvoor verantwoordelijk, hoewel andere VN-documenten daar wel van uitgingen. Gesteund door Amerikaanse anti-Iran propaganda werd echter voortdurend gesuggereerd dat ook Iran schuld kon hebben aan het gebruik ervan, hoewel dat door de meeste kenners werd uitgesloten. Acht weken na de bombardementen op Halabja veroordeelde Resolutie 612 van de Veiligheidsraad "het voortdurende gebruik van chemische wapens in het conflict" tussen Iran en Irak en riep "beide kanten op af te zien van toekomstig gebruik van chemische wapens". De militaire planners van Saddam Hoessein lieten zich er bepaald niet door weerhouden.

Handel aan banden

Tijdens de Irak-Iran oorlog bestond er nog geen chemisch wapenverdrag en werd de handel in chemicaliën die als grondstof voor chemische wapens kunnen dienen, amper of niet gecontroleerd. Het Geneefs Protocol uit 1925, dat gebruik van chemische en bacteriologische wapens verbiedt, gaat niet over de handel en productie ervan.

Cynisch genoeg gaf het gifgasgebruik in de oorlog tussen Irak en Iran de benodigde doorslag om tot de huidige Chemische Wapen Conventie (CWC) te komen. Het duurde nog tot 1992 voor er een akkoord was over de CWC, die in 1997 van kracht werd. Vanaf eind maart 1984, toen de berichten van gifgasgebruik niet langer genegeerd konden worden, begonnen een aantal landen (onder meer de VS, Japan, West-Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en Nederland) maatregelen te nemen om de uitvoer van gevoelig materiaal naar Irak te controleren.

Bolkestein

Dat ging bepaald niet altijd zonder pardon, ook niet in Nederland. Pas nadat ambassadepersoneel eind maart 1984 in Washington op het ministerie van Buitenlandse Zaken apart genomen werd om zorgen te uiten over de grote Nederlandse leveranties aan Irak, ondernam Den Haag actie. Dat wil zeggen: op het ministerie van Buitenlandse Zaken ging men tamelijk voortvarend van start, met actieve steun van de internationaal geroemde expert Koos Ooms van TNO. Maar Frits Bolkestein en zijn ambtenaren op Economische Zaken zetten hun hakken in het zand. Nederland dreigde zichzelf buitenspel te plaatsen vond Bolkestein, die zich met hand en tand verzette tegen verdergaande exportbeperkingen, zo bleek afgelopen jaren uit documenten die het radioprogramma Argos in samenwerking met de Campagne tegen wapenhandel openbaar gemaakt kregen. Uiteindelijk werd in april 1984 een veel beperktere lijst te controleren (en in het geval van Irak en Iran verboden) chemicaliën gehanteerd dan oorspronkelijk door Ooms was voorgesteld.

Ook nog jaren later voerden handelsbelangen de boventoon. "Waar was jij op 16 maart 1988?" Met die vraag opent Joost Hiltermann A poisonous affair. In Nederland moeten toenmalig staatssecretaris van Economische Zaken Yvonne van Rooy en enkele topambtenaren zich 16 maart 1988 vast nog wel kunnen herinneren. Op die dag stond namelijk haar Iraakse ambtsgenoot Kubais met een handelsdelegatie op de stoep in Den Haag. De directeur van de afdeling Buitenlandse Economische Betrekkingen betoogde bij die gelegenheid dat "ook in deze voor Irak moeilijke tijden [...] het Nederlandse bedrijfsleven zich daar staande [dient] te houden; de Nederlandse overheid komt daarbij een aanmoedigende rol toe."

Geen cent spijt

Arnold Karksens, Geen cent spijt - De jacht op oorlogsmisdadiger Frans van Anraat, Meulenhoff, 2006.

Frans van Anraat is een Nederlandse zakenman, die is veroordeeld voor het leveren van grondstoffen voor chemische wapens aan Irak tijdens de Irak-Iran-oorlog (1980-1988). De Nederlandse rechter heeft het aannemelijk geoordeeld dat de chemicaliën die door Van Anraat waren geleverd, gebruikt zijn om chemische wapens te maken. Die zijn onder meer ingezet bij een strafexpeditie tegen de Koerdische stad Halabja. Bij luchtaanvallen in maart 1988 zijn 5000 inwoners van die stad om het leven gekomen. Op zijn website (www.arnoldkarskens.com) noemt de vrije onderzoeksjournalist Arnold Karskens dit "de grootste chemische aanval op een burgerdoel ooit".

Dit boek is het verslag van een spannende speurtocht. Karskens liep Van Anraat ('Franz') bij toeval tegen het lijf in een hotel in Bagdad tijdens de eerste dagen van operatie Desert Storm in 1991. Kort daarna werd Karskens weggebonjourd uit Irak, maar uit een boek van een collega begrijpt hij dat 'Franz' een Nederlander is en dat hij werkt aan een geheim militair project.

Karskens laat nooit meer los en publiceert als eerste in Nederland (in Nieuwe Revue) over het netwerk van Van Anraat, dat uit pure winstzucht de chemische bewapening van Irak mogelijk maakte. In het boek duikt hij ook in de archieven van het ministerie van Buitenlandse Zaken en interviewt zowel Iraakse militairen, die hem in detail vertellen over de procedures bij de chemische aanvallen, als inwoners van Halabja die het hebben overleefd.

Het boek eindigt in 2005 ,als Van Anraat uiteindelijk in Nederland wordt veroordeeld wegens medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden (genocide was niet bewijsbaar) tot 15 jaar gevangenis, later bij de Hoge Raad verhoogd tot 16,5 jaar. Het boek is nog antiquarisch verkrijgbaar. (KK)

Van Anraat, Melchemie en KBS

Met recht een unieke zaak is de veroordeling in 2007 van de Nederlander Frans van Anraat tot 17 jaar cel wegens medeplichtigheid aan oorlogsmisdaden. Dat was een paar jaar eerder nog ondenkbaar. In antwoord op Kamervragen werd aanvankelijk de mogelijkheid tot vervolging van de hand gewezen, ondermeer vanwege verjaring. Daarom kwam het als een verrassing toen het Openbaar Ministerie uiteindelijk de zaak rond kreeg.

Nu onderscheidde Van Anraat zich (samen met een handvol andere buitenlandse bedrijven en handelaren) door ondanks de in april 1984 ingestelde exportbeperkingen en ondanks het dan al breed bekende gebruik van gifgas, te blijven handelen. Dat ontslaat overigens andere betrokkenen niet automatisch van hun verantwoordelijkheid voor het geleverde.

Volgens de belangrijkste getuige-deskundige in de zaak Van Anraat zouden de grondstoffen voor het gifgas van Irak voor 45 procent van Nederlandse handelaren afkomstig zijn geweest. Van Anraat, maar ook de bedrijven Melchemie en KBS, zo blijkt uit de rapportage van Irak aan de VN, waarmee het in de jaren negentig verslag deed van de inkoop, productie en gebruik voor het chemische wapenprogramma (de zogenaamde FFCD). Andere namen van leveranciers die in dat verslag terugkomen zijn onder meer het Indiase Exomet, het Egyptische Abu Zaabal en de vanuit Singapore opererende Arabier Kim Al-Khaleej. Enkele Duitse bedrijven als Reininghaus, Preussag en WET leverden kleinere hoeveelheden.

Veel van de artilleriegranaten, bommen en raketten die voor het gifgas gebruikt werden, waren afkomstig van Italiaanse en Spaanse fabrikanten.

Melchemie en KBS waren tot begin 1984 de grootste leveranciers van de meest cruciale chemicaliën voor het gifgasprogramma van Irak, zo blijkt uit de FFCD. Vooral de stoffen thionylchloride en TDG zijn veel door de Nederlandse handelaren geleverd - allebei cruciale stoffen voor de productie van chemische wapens. Met name TDG is een stof met maar beperkte civiele toepassingen, en zeker gezien de hoeveelheden die naar Irak gingen op voorhand bijzonder verdacht.

Hoewel toen dus nog geen exportverbod bestond, is de vraag relevant in hoeverre deze bedrijven hebben kunnen of moeten weten van het mogelijke eindgebruik van het door hun geleverde. De combinatie van omvang, aard en bestemming van de leveranties zou toch alarmbellen hebben moeten doen afgaan. En dat is niet een kwestie van wijsheid achteraf. Zo mocht bekend worden verondersteld dat Irak over een beperkte (chemische) industrie beschikte en voor veel van de geleverde stoffen praktisch geen civiele verwerkende industrie bestond. Anderen waren met recht wel wantrouwend. Bekend is dat chemieconcern BASF begin jaren tachtig een grote Iraakse order afsloeg omdat het vreesde voor gebruik in gifgas.

Frank Slijper, Campagne tegen Wapenhandel

Literatuur:


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

Ook sarin van Syrië was het resultaat van angst

Volgens het rapport Syria and WMD - Incentives and Capabilities van het Swedish Defence Research Agency (2004) vertoont de verspreiding van chemische wapens in het Midden-Oosten de typische kenmerken van een wapenwedloop. Het proces is goed te vergelijken met wat er in Europa gebeurde tussen de beide wereldoorlogen en tussen de NAVO en het Pakt van Warschau na de Tweede Wereldoorlog tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw.

De inzet van chemische strijdmiddelen door het Egyptische leger in de Jemenitische burgeroorlog in de jaren zestig baarde in het Westen weinig opschudding en niemand nam de moeite om de zaak echt grondig uit te zoeken. De Oktoberoorlog (Yom Kippoer) van 1973 tussen Israël en de Arabische landen peperde het Syrische regime in dat hun infrastructuur kwetsbaar was voor een campagne van strategische bombardementen door Israël. Samen met de steeds terugkerende berichten over een Israëlisch kernwapen leidde dit tot een groeiende behoefte bij het regime aan meer afschrikkend vermogen. Omdat ze niet in staat waren zelf een kernwapen te ontwikkelen, lag het streven naar chemische bewapening - het massavernietigingswapen van de arme landen - voor de hand. Het voorbeeld van Irak in de jaren tachtig bij de steeds systematischer inzet van chemische wapens tegen de offensieven van het Iraanse leger en uiteindelijk zelfs tegen Koerdische burgers leidde tot de conclusie dat deze weg ook straffeloos kon worden ingeslagen.

Heeft Syrië ook biologische wapens?

De berichten over Syrische biologische wapens zijn zo mogelijk nog vager dan over het chemische arsenaal. Een goed artikel hierover is:

Sonia Ben Ouaghram-Gormley, Bioweapons alarmism in Syria. Bulletin of the Atomic Scientists, 4 oktober 2013

De bronnen over het chemische-wapenprogramma van Syrië zijn schaars, spreken elkaar soms tegen en zijn vaak oncontroleerbaar. De eerste rapporten in de westerse militaire pers over Syrische chemische wapens (gewoonlijk gebaseerd op informatie van inlichtingendiensten) dateren uit de jaren tachtig. Gecombineerd met de afwezigheid van relevante industriële capaciteit in Syrië werd daaruit de conclusie getrokken dat het land zijn chemische wapens vermoedelijk van derden kant-en-klaar had gekregen. Aangezien Syrië de trouwste bondgenoot was van de Sovjet-Unie in het Midden-Oosten en ook grotendeels gebruik maakte van Russische conventionele wapens viel de verdenking op de Russen, zij het dat er rond de Oktoberoorlog ook enige berichten waren dat Syrië chemische munitie van Egypte had gekregen. Het vermoeden bestond dat de Russen ook zorgden voor overbrengingsmiddelen (artillerieraketten, raketten en vliegtuigbommen). Overigens heeft Rusland zelf, ook na het verscheiden van de Sovjet-Unie, altijd ontkend chemische wapens aan Syrië te hebben geleverd.

Buitenlandse hulp

Hoe dit ook zij, met het aantreden van Gorbatsjov als leider van de Sovjet-Unie in 1986 veranderde de situatie. Het nieuwe bewind ging minder exclusief steunen op de traditionele bondgenoten in het Midden-Oosten zoals Syrië. Na de Golfoorlog van 1991 kantelde het beeld volkomen.

Chemische wapens werden meer omstreden en heel geleidelijk werden exportbeperkingen ingevoerd op de stoffen die konden dienen voor de productie ervan. Het ligt voor de hand dat Syrië pogingen in het werk is gaan stellen om een eigen industrie te gaan ontwikkelen die hiervoor nodig is. In een overgangsfase werden granaten van Russische makelij gevuld met chemicaliën die volgens de Zweedse nota onder meer door West-Duitse bedrijven waren geleverd. De directeur van de CIA William Webster getuigde al in 1989 in de Amerikaanse Senaat: "West-Europese firma's waren behulpzaam bij het leveren van de benodigde voorloperchemicaliën [grondstoffen - KK] en installaties. Zonder het verschaffen van deze cruciale elementen zou Damascus niet in staat zijn geweest om chemische wapens te produceren."

Heeft Israël ook chemische wapens?

Volgens NSA-klokkenluider Matthew M. Aid circuleren er in kringen van ontwapeningsexperts al twintig jaar rapporten die erop neerkomen dat Israël in het geheim beschikt over een voorraad chemische en biologische wapens als aanvulling op hun nucleaire arsenaal. Er is echter nauwelijks hard bewijs voor. Het meest concreet is nota bene een inlichtingenrapport van de CIA uit 1983. Daarin staat wat Amerikaanse spionagesatellieten in 1982 ontdekten: "Een vermoedelijke CW-installatie voor het produceren van zenuwgas en een opslagdepot (..) op het 'Dimona Sensitive Storage Area' in de Negev-woestijn. Bovendien denken we dat productie van CW ook plaatsvindt binnen de goed ontwikkelde chemische industrie van Israël." Dit rapport - althans de ongecensureerde versie ervan met de informatie over Israël - werd pas onlangs ontdekt in de Ronald Reagan-bibliotheek in Californië. De reden van het Israëlische programma (volgens Aid vrijwel zeker sarin) was gelegen in de beduchtheid voor de chemische wapens van Egypte en Syrië. Of het chemische arsenaal van Israël nog steeds intact is, is onbekend, maar analyse door experts van nu verkrijgbare commerciële satellietbeelden laat op het betreffende opslagterrein een speciaal afgeschermd zwaar bewaakt gedeelte zien, omringd door een dubbel hek met prikkeldraad. Daarop bevinden zich drie grote opslagbunkers. Dit is naar alle waarschijnlijkheid het depot waarvan het CIA-rapport uit 1983 melding maakte.

In dit verband is in de Amerikaanse pers onlangs ook weer bericht over van een deel van de lading van het El Al-vliegtuig dat in 1982 neerstortte op de Bijlmer. Het betrof een chemische stof die gebruikt kan worden bij het maken van sarin. Volgens een Israëlische woordvoerder destijds was het bestemd om gasmaskers en andere filters ter bescherming tegen gifgas te testen in het Instituut voor Biologische Research ten zuiden van Tel Aviv.

Een commentaar in het liberale Israëlische dagblad Haaretz riep ertoe op om naar aanleiding van de Syrische chemische ontwapening nu de Chemische Wapens Conventie alsnog te ratificeren.

Nog in 2003 schatte de CIA in dat Syrië wel een flinke voorraad zenuwgas van het type sarin had, maar voor sterkere middelen (lees: VX) nog steeds afhankelijk was van buitenlandse hulp. Later werd deze opvatting in een rapport van de Amerikaanse Directeur Nationale Inlichtingen over het jaar 2011 nog eens herhaald.

Glycolaffaire

Dat ondanks de exportcontrole leveranties van potentiële grondstoffen voor chemische wapens nog lang zijn doorgegaan, ook vanuit Nederland, bleek uit de zogenaamde glycolaffaire van dit voorjaar. Aan de hand van bij WikiLeaks verkregen telegrammen van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken berichtten NRC en RTL Nieuws over Nederlandse leveranties door het bedrijf Brenntag van deze typisch dual-use-grondstof, die zowel volkomen onschuldige civiele toepassingen kent (antivries) als een grondstof is voor chemische wapens zoals mosterdgas en sarin. In een analyse voor het VPRO-onderzoeksprogramma Argos constateerde de Campagne tegen Wapenhandel: "Uit de tweede set Kamervragen blijkt 68 ton glycol te zijn geleverd van 2008-2010. Ondanks dus de Amerikaanse waarschuwingen in 2003 en ondanks dat AIVD dit meermaals aan de orde heeft gesteld, TNO er in 2006 een rapport over schreef en Nederland de stof in de Australiëgroep [het internationale overleg waar afspraken worden gemaakt over dit soort stoffen - KK] op de agenda zette. Dat is toch wel erg halfslachtig, zo niet meer dan slordig."

Voor de recente internationale crisis over de Syrische chemische wapens was het erg onduidelijk in welke staat het arsenaal van mosterdgas, sarin en VX zich bevond. Een rapport van het Non-Proliferatie Consortium van de EU (Syria's Proliferation Challenge and the European Union's Response, pdf) beklemtoonde vorig jaar: "Het is belangrijk op te merken dat de voorraad CW van Syrië waarschijnlijk aan het verouderen is en de stoffen zelf waarschijnlijk in aanzienlijke mate zijn aangetast. Vooral VX en sarin zijn erg onderhevig aan slijtage als ze niet van de hoogste graad van zuiverheid zijn. Het VX van Irak bijvoorbeeld had een effectieve houdbaarheid van rond zes maanden, terwijl hun sarin tussen de een en twee jaar bruikbaar bleef. Hoewel de gedegenereerde stoffen nog steeds giftig zijn, is dat in veel mindere mate het geval dan bij de oorspronkelijke formule."

Volgens William H. Polk, een diplomaat die al actief was tijdens de Cubacrisis van 1962, hebben staten massavernietigingswapens omdat ze bang zijn voor elkaar. Die angst kan volgens hem uiteindelijk worden beheerst door de rede, ook in het Midden-Oosten.

Kees Kalkman

Bronnen:
Matthew M. Aid, Does Israel Have Chemical Weapons Too? Foreign Policy, 9 september 2013;
Joel Greenberg, Syria weapons plan renews talk of whether Israel also has them. McClatchy Washington Bureau, 19 september 2013;
Sander Becker, En het zenuwgas van Israël dan? Trouw, 21 september 2013.


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

Korte geschiedenis van het gebruik van gifgas

De moderne chemische oorlogsvoering begon op 22 april 1915 met een chloorgasaanval in het Belgische Ieper. Diverse gassen, waaronder ook mosterdgas, werden tijdens de Eerste Wereldoorlog ingezet in de loopgravenoorlog. Naar schatting 90.000 mensen kwamen daarbij om het leven en in totaal vielen er meer dan een miljoen slachtoffers. Degenen die het overleefden hadden er vaak de rest van hun leven onder te lijden.

124.000 ton chemische strijdstoffen werden ingezet in de vorm van artillerie- en mortiergranaten, vliegtuigbommen, sproeitanks en landmijnen. Een erfenis van oude en vergane chemische munitie bleef liggen in de grond of werd in zee gegooid en vormt tot op de dag van vandaag een niet opgelost probleem. In de Tweede Wereldoorlog, waarin chemische oorlogsvoering geen rol speelde, werden wel grote voorraden mosterdgas en fosgeen aangelegd, die na afloop ook her en der werden gedumpt.

Volgens Patrick Cockburn in The Independent zijn gifgassen historisch gezien het wapen van de tovenaarsleerling: de gevolgen zijn onvoorspelbaar en vaak contraproductief. Dit is waarschijnlijk de belangrijkste reden dat de arsenalen in de Tweede Wereldoorlog niet zijn ingezet. Bovendien dachten de Duitsers ten onrechte dat de geallieerden de zenuwgassen tabun en sarin ook hadden ontdekt, waardoor het effect zou zijn geneutraliseerd.

Robert Harris en Jeremy Paxman stellen in A Higher Form of Killing. The Secret Story of Chemical and Biological Warfare dat de Britten het dichtst bij inzet zijn gekomen. Er was een plan om als de invasie was doorgegaan de Duitse troepen op het moment dat ze op de stranden nog geconcentreerd aanwezig waren vanuit de lucht te bestoken met mosterdgas. Volgens dezelfde auteurs was er overigens al bij het begin van de oorlog in 1939 een geheime afspraak tussen Engeland, Frankrijk en Hitler dat geen van beide kanten chemische of biologische oorlog zou toepassen als de ander dat ook niet deed.

Tegen onbeschaafde stammen

In koloniale oorlogen, waar de vijandelijke bevolking (strijders, vrouwen en kinderen) geen enkel verweer had, was er minder terughoudendheid. Befaamd is de uitspraak van Churchill (toen minister van Oorlog) over de inzet door Engeland in 1920 van chemische wapens om opstandige stammen in Irak een lesje te leren: "Ik begrijp die kieskeurigheid over het gebruik van gas niet. Ik ben sterk voor het gebruik van gifgas tegen onbeschaafde stammen."

Generaal Foulkes, de 'gas-adviseur' van het Britse leger raadde in 1919 het ministerie van Oorlog aan om chemische wapens in te zetten tegen de Afghanen en de opstandige stammen aan de noordwestelijke grens van Brits-India: "Onwetendheid, gebrek aan training en discipline en het afwezig zijn van bescherming aan de kant van de Afghanen en de stamleden zal bij de grensoorlog zonder twijfel de waarde van mosterdgas om slachtoffers te produceren vergroten."

Grote hoeveelheden fosgeen en mosterdgas werden aangevoerd naar de Khyberpas. In de ministerraad werd wat geprutteld. Majoor Salt, chemisch adviseur van het Brits-Indische leger: "Na het gebruikelijke gepraat over 'schone handen' en 'het gebruik van lage trucs tegen de arme onwetende stamleden' heeft de regering het politieke besluit genomen om aan de grens gas in te zetten."

De andere koloniale mogendheden keken het kunstje al snel af en in 1925 zetten de Fransen en de Spanjaarden gifgas in tegen de opstand van de Berbers onder Abd el Krim in Marokko.

Na de Tweede Wereldoorlog hebben ook regionale machten gifgas ingezet tegen opstandige bewegingen. Een bekend voorbeeld is de interventie van Egypte aan de republikeinse kant in de burgeroorlog in Jemen (1963-1967). Onder royalistische stamleden zouden 1400 doden en 900 zwaar gewonden zijn gevallen. Een onderzoek van het Rode Kruis bevestigde de inzet van gifgas.

De belangrijkste recente inzet vond plaats in de Iran-Irak oorlog en Syrië (zie daarvoor de andere artikelen in dit dossier).

Witte fosfor

Er zijn ook gassen die worden ingezet als relbestrijdingsmiddelen, zoals traangas. Dit zijn geen chemische wapens. Het officiële verschil is dat ze niet bedoeld zijn om te doden of letsel toe te brengen en militair gebruik zou verboden zijn. In de praktijk hangt veel af van de dosering en de plaats waar het middel gebruikt wordt. Om het ingewikkeld te maken: de Amerikaanse militairen gebruiken volgens hun eigen handboeken dit soort middelen soms juist wel om een vijand uit schuilplaatsen te verdrijven.

Een vergelijkbaar probleem doet zich voor bij (witte) fosfor. De artillerie van het Nederlandse leger was standaard uitgerust met fosforgranaten. Ik heb er zelf wel eens mee geschoten. Ze waren bedoeld om brandstofdepots te vernietigen. Daarnaast zijn ze geschikt om rookgordijnen te leggen. Inzet tegen mensen (zowel burgers als militairen) is strikt verboden, het is in feite een oorlogsmisdaad. Toch gebeurt het en komt men er mee weg, bijvoorbeeld door de VS in Fallujah in Irak en door Israël in Gaza. In feite is dit chemische oorlogsvoering, maar de sanctiemechanismes treden niet in werking, ook omdat de bewijsvoering wordt belemmerd en lastig is.

Ontbladeringsmiddelen zijn een ander voorbeeld van deze problematiek. De definitie van chemische wapens hecht veel belang aan de bedoeling van het wapen om mensen te doden of te verwonden. De inzet van ontbladeringsmiddelen zoals het beruchte Agent Orange in Vietnam was gericht tegen vegetatie, om vervolgens beter te kunnen bombarderen en de guerrillastrijders te beroven van hun schuilplaats. Het indirecte resultaat was echter dat talloze Vietnamese burgers zijn gedood of tot op de dag van vandaag ernstig zijn geschaad in hun gezondheid. Secundaire gevolgen zijn geboortedefecten en vervuiling van de voedselketen in de vorm van dioxine. Volgens de definitie is het geen chemische oorlogsvoering en de verantwoordelijke militaire en politieke toppen van de VS hebben nooit verantwoording hoeven af te leggen voor hun daden.

Kees Kalkman


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

Moeizame ontwapening van supermachten

Rusland en de VS proberen al tientallen jaren moeizaam om hun voorraden chemische wapens en grondstoffen te ontmantelen. Het proces kwam na het einde van de Koude Oorlog op gang en vindt plaats onder auspiciën van de Chemische Wapen Conventie van 1993, hetzelfde verdrag waarbij Syrië zich nu heeft aangesloten.

De voorraad chemische wapens waarover de VS beschikken stelt de 1000 ton van het Syrië van Assad nog steeds in de schaduw. In het Pueblo Chemical Depot in de woestijn van Colorado is 2600 ton mosterdgas opgeslagen, deels in projectielen en mortiergranaten. Een tweede voorraad bevindt zich vanaf 1942 in het Blue Grass Army Depot in Kentucky. Het is een kleiner depot, maar bevat een grotere verscheidenheid van dodelijke gassen en zenuwgassen als sarin en VX, die bovendien voor een groot deel zijn opgeslagen in tal van soorten wapens. De chemische wapens bevinden zich op een afgescheiden deel van het depot, het Chemical Limited Area achter borden waarop staat: "Use of Deadly Force is Authorized" (gebruik van dodelijk geweld is toegestaan). De wapens (in totaal 433 ton sarin en VX en 90 ton blaartrekkend en mosterdgas) zijn opgeslagen in houten kratten en gestapeld als wijnflessen in een 44-tal betonnen 'iglo's'. Een grote installatie om dit gif te vernietigen door verhitting in chemische reactors zou in 2015 afgebouwd zijn (net als die in Colorado). Het probleem is dat veel van de raketten en artilleriegranaten zijn doorgeroest. Er zal veel gebruik worden gemaakt van robots om chemische lading, explosieven en metaal te scheiden. Het restant na het vernietigingsproces kan worden behandeld als chemisch afval.

In 2014 wil het leger een aantal raketmotoren van M55-projectielen losschroeven van de chemische ladingen om op een andere plaats na te gaan of de vaste brandstof van de raketten niet gecorrodeerd is, wat het geheel instabieler maakt. Het klimaat in Kentucky is namelijk vochtiger dan dat in de woestijn.

Gretig gebruik van uitstel

Al weer enige tijd geleden, in 2007, hadden de VS beloofd om hun voorraad chemische wapens in 2012 te hebben vernietigd. Die datum werd niet gehaald en nu zeggen ze dat het depot in Colorado in 2018 zal zijn leeggemaakt en dat in Kentucky in 2023. Rusland, dat ook over een grote voorraad beschikt (oorspronkelijke opgave: maar liefst 44.000 ton!) zegt nu het ontmantelingsproces in 2015 af te gaan ronden.

Ten tijde van het sluiten van het verdrag hadden de aangesloten landen beloofd om hun voorraden chemische wapens binnen tien jaar te vernietigen. Er was ook een optie om van die termijn uitstel aan te vragen voor vijf jaar. Daarvan is gretig gebruik gemaakt. Het verdrag is in 1997 van kracht geworden. Vijf landen - de VS, Rusland, Zuid-Korea, India en Albanië misten de deadline van 2007. Twee jaar geleden kregen de VS, Rusland en Libië (dit laatste land had zich pas later aangesloten) opnieuw uitstel van de al eerder verlengde uiteindelijke termijn.

De VS hebben tot nu toe 90% van de chemische wapens die ze in 1993 hadden opgegeven (totaal een verbijsterende 31.500 ton) vernietigd. Naar schatting zal het hele Amerikaanse programma uiteindelijk 40 miljard dollar gaan kosten. Daarnaast hebben de Amerikanen andere landen ook geholpen bij het vernietigen van hun wapens. Daarvoor is 500 miljoen dollar uitgetrokken.

Rusland had in augustus van dit jaar 76% van de oorspronkelijke productie aan chemische wapens vernietigd, daarbij onder meer geholpen door Canada. Er werden zes speciale installaties voor gebouwd, waarvan er inmiddels twee gesloten zijn.

Landen als India en Zuid-Korea, met een vergelijkbaar arsenaal als Syrië hebben er drie tot vier jaar over gedaan om hun wapens te ontmantelen, maar daarbij is de tijd die het kostte om de installaties te bouwen waarin dat gebeurde, niet meegerekend.

Onontplofte chemische munitie

Naast de arsenalen uit de Koude Oorlog is er nog een tweede chemische erfenis van het Amerikaanse leger die zorgen baart: niet-geëxplodeerde chemische munitie die is achtergebleven na proeven. Dat speelt bijvoorbeeld op het Panamese San Jose Island in de Stille Oceaan op 100 km van Panama City. Van 1945 tot 1947 testten 200 Amerikaanse militairen hier onder tropische omstandigheden chemische wapens zoals in elk geval fosgeen en mosterdgas. De bewoners waren op dat moment van het eiland verwijderd. Er zijn zeker acht niet ontplofte bommen van 500 en 1000 pond achtergebleven op een deel van het eiland. De rest wordt nu weer bewoond. Tien jaar geleden boden de VS aan Panamezen op te leiden om de troep op te ruimen op voorwaarde dat de VS gevrijwaard zouden worden van schadeclaims. Maar Panama wees dit aanbod van de hand en eiste dat de VS de plek zelf schoonmaken en de munitie verwijderen. Hoewel er nog steeds geen overeenkomst is, lijkt de huidige Amerikaanse regering van Obama flexibeler dan haar voorgangers. Het Pentagon wil nu in elk geval nog dit jaar een team het probleem verder in kaart laten brengen. In mei van dit jaar heeft Panama via de OPCW in Den Haag officieel geëist dat de VS acht chemische bommen verwijderen die tijdens een eerder onderzoek in 2002 waren gevonden. Volgens actievoerders zijn er overigens nog veel meer plekken in Panama waar het Amerikaanse leger tests met chemische wapens heeft uitgevoerd.

Bronnen:
Dylan Lovan, Army wants to move aging chemical weapons. Associated Press, 11 december 2012;
Interfax, Russia destroys over 76 percent of its chemical weapons stockpile. 6 augustus 2013;
Greg Kocher, Chemicals allegedly used in Syria are the type stored by the US in Kentucky. Kentucky.com, 9 september 2013;
Paul Lewis, US struggles show hazards of chemical weapons destruction. The Guardian, 11 september 2013;
Tim Johnson, Panama hopes US will clean up chemical weapons it left on island. McClatchy Washington Bureau, 9 oktober 2013.


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

Een chemische waakhond in Den Haag

De Organization for the Prohibition of Chemical Weapons (OPCW - Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens) is opgericht in 1997. Het is een intergouvernementele organisatie, die toezicht moet houden op de uitvoering van de Chemische Wapen Conventie, het verdrag tegen chemische wapens. Alle 190 landen die aangesloten zijn bij de Conventie zijn lid van de OPCW. De OPCW is gevestigd in Den Haag en heeft opslag- en laboratoriumfaciliteiten bij TNO in Rijswijk.

De aangesloten landen komen elk jaar bijeen in een conferentie met gelijk stemrecht voor allen. Daarnaast is er een uitvoerende raad waarin 41 landen zitting hebben, voor twee jaar benoemd door de conferentie. De meeste activiteiten worden uitgevoerd door het Technisch Secretariaat.

De belangrijkste taak bestaat uit inspecties ter plaatse om na te gaan of de leden zich houden aan de Conventie. Het gaat daarbij de laatste tijd vooral om de voortgang van de vernietiging van eerder opgegeven voorraden chemische wapens en de aantallen vernietigde wapens. Bij de inspecties wordt vanwege de risico's veel gebruik gemaakt van CCTV (cameratoezicht). Daarnaast worden ook bepaalde chemische installaties geïnspecteerd om na te gaan of daar geen nieuwe chemische wapens worden geproduceerd.

Ten slotte zijn er nog incidentele inspecties mogelijk wanneer er meldingen binnenkomen van gebruik van chemische wapens of verboden productie. Dit soort inspecties kan de OPCW alleen uitvoeren op verzoek van een lidstaat, na verificatie van het aangeboden bewijs voor het incident. De recente inspectie in Syrië werd op die manier uitgevoerd door de OPCW als onderdeel van een VN-missie.

Na bezuinigingen zijn er momenteel iets meer dan 100 inspecteurs, terwijl er ooit 200 in vaste dienst waren. Men is druk bezig personeel te werven voor het werk dat in Syrië moet gebeuren. De inspecteurs mogen maar maximaal zeven jaar in dienst blijven. Het jaarlijkse budget van de OPCW is 70 miljoen euro.

Invasie in Irak

Er zijn twee staten die de Conventie wel hebben getekend maar het verdrag niet hebben geratificeerd, Israël en Birma. Zij vallen niet onder het regime van de OPCW. Dat geldt ook voor de landen die de conventie nooit hebben ondertekend: Angola, Egypte, Noord-Korea en Zuid-Soedan. Syrië is onlangs lid geworden. Egypte, Israël en Syrië wilden het verdrag nooit tekenen, omdat zij elkaar ervan verdachten chemische wapens in reserve te houden.

In 2002, in de aanloop naar de Irak-oorlog, ontstond een conflict tussen de Braziliaanse directeur-generaal van de OPCW, José Bustani en de VS. Bustani was het jaar daarvoor benoemd voor een tweede termijn. Maar nu eiste de Amerikaanse ambassadeur bij de VN, de neoconservatief John Bolton, dat Bustani zijn onmiddellijke ontslag zou indienen. Toen Bustani dit weigerde, dwongen de VS zijn ontslag af door middel van een stemming in een speciale zitting van de uitvoerende raad van de OPCW. Als redenen voerden de Amerikanen aan: polarisend gedrag, mismanagement en het bepleiten van een niet passende rol voor de OPCW. Bustani zelf is er van overtuigd dat hij weg moest omdat hij een obstakel was voor de invasie in Irak. Hij kreeg na een procedure bij het administratieve tribunaal van de VN schadevergoeding en het restant van zijn salaris.

In oktober van dit jaar heeft de OPCW de Nobelprijs voor de Vrede gekregen.

Bronnen:
Wikipedia-artikel OPCW;
Caroline de Gruyter en Hans Steketee, Ondiplomatieke ontlading bij de OPCW. NRC 12 oktober 2013;
Marlise Simons, To Ousted Boss, Arms Watchdog Was Seen as an Obstacle in Iraq. New York Times, 13 oktober 2013.


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

Overzicht chemische wapens

Chemische wapens zijn chemische stoffen, die ontworpen zijn om mensen te doden of ernstig te schaden en gebruikt worden als munitie (weaponized). Het kan gaan om projectielen, patronen, mijnen, containers en raketten die gevuld worden met de chemische stof.

Chemische wapens kunnen worden ingezet als oorlogswapen of als middel voor een terroristische aanslag. Ze gelden samen met kernwapens, biologische wapens en stralingswapens als massavernietigingswapens. Militairen kunnen zich met gasmaskers en speciale pakken beschermen tegen chemische aanvallen. Bij niet op een chemische aanval voorbereide burgers ligt dat anders. De schrik die het middel aanjaagt heeft dan nog een groter effect dan het aantal slachtoffers alleen. Dit maakt chemische wapens bij uitstek tot een middel van terreur.

Er kan onderscheid worden gemaakt tussen verschillende klassen chemische wapens. Militaire planners delen ze in naar de biologische effecten die ze hebben:

  1. Zenuwgassen (nerve agents)

    Deze verstoren het functioneren van het zenuwstelsel, veelal met dodelijke afloop. De meeste horen tot de organofosforverbindingen. Sommige insecticiden bevatten dezelfde stoffen maar met minder giftige eigenschappen. In wapens hebben ze meestal de vorm van een vloeistof. Vanwege de extreme giftigheid worden ze nogal eens opgeslagen als bestanddelen, die nog gemengd moeten worden om het wapen op te leveren. Zo zijn ze gemakkelijker te hanteren.

    De eerste zenuwgassen werden geproduceerd in Duitsland in de jaren dertig van de vorige eeuw. Ze worden aangeduid door een serie codeletters die met een G beginnen. Het oudste gas was tabun of GA. Daarop volgden sarin (GB) en soman (GD).

    Eind jaren veertig begon Engeland met de productie van een nieuwe serie zenuwgassen, de V-serie. Het bekendst is het chemische wapen VX, het meest dodelijke.

    In de recente geschiedenis zijn zenuwgassen ingezet door Irak tegen Iraanse militairen en de Koerdische bevolking tijdens de Iran-Irak-oorlog (1980-1988), door de Japanse sekte Aum Shinrikyo in de metro van Tokio en de stad Matsumoto en onlangs in de Syrische burgeroorlog (door welke partij is nog steeds niet helemaal duidelijk).

  2. Blaartrekkende gassen (blister agents)

    Deze veroorzaken pijnlijke blaren op de huid, niet altijd met dodelijke afloop. Het bedoelde militaire gebruik was de vijandelijke troepen incapabel te maken of te dwingen onhandige beschermende uitrusting te dragen (speciale pakken en gasmaskers), waardoor hun gevechtskracht zou afnemen. De meest bekende zijn de verschillende mosterdgassen, als vloeistof gekleurd van bleekgeel tot donkerbruin en met een zwakke geur van mosterd, ui of knoflook.

    Deze gassen zijn op grote schaal ingezet tijdens de Eerste Wereldoorlog en veroorzaakten toen de meeste chemische slachtoffers. Hevige pijn, littekens, schade aan de longen en blindheid horen bij de gevolgen. Ook tijdens de Iran-Irak-oorlog werd mosterdgas gebruikt.

  3. Verstikkende gassen (choking agents)

    Deze werken rechtstreeks op de longen door inademen, met als gevolg ademnood en mogelijk blijvende schade. Voorbeelden zijn chloor, ammoniak en fosgeen. Het zijn in het algemeen gassen met een opvallende kleur, die ook de omringende lucht kleuren.

    Tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn ze veel ingezet. De eerste succesvolle chemische aanval in die oorlog, bij Ieper in 1915, was met chloorgas. Het chloorgas werd later door fosgeen vervangen, dat meer slachtoffers maakte.

  4. Zuurstofverdringende gassen (blood agents)

    Deze werken in op de zuurstofopname in het bloed via de longen, in hoge concentratie volgt de dood binnen een paar minuten. Voorbeelden zijn blauwzuurgas en het Zyklon-B, waarmee in de Duitse concentratiekampen in de Tweede wereldoorlog werd gemoord. Omdat het gas uiterst vluchtig is, is het minder geschikt voor militaire situaties, maar des te effectiever in afgesloten ruimtes.


Bronnen:
Congressional Research Service (CRS), Chemical Weapons: A Summary Report of Characteristics and Effects (pdf). Dana A. Shea, 13 september 2013 R42862;
Federation of American Scientists (FAS), Chemical Weapons Information.

Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina