Aangepast zoeken

Naar beginpagina
Naar overzicht VD AMOKs

VD AMOK
tijdschrift voor antimilitarisme en dienstweigeren
jaargang 14, nummer 4, 2005


Inhoudsopgave



Colofon

VD AMOK
Tijdschrift voor antimilitarisme en dienstweigeren
Jaargang 14, nummer 4, 2005

VD AMOK
Verschijnt minstens 4 maal per jaar en wordt uitgegeven door Stichting VD AMOK.
Voor de inhoud van met naam ondertekende stukken zijn de auteurs verantwoordelijk.

Copyright
Overname van artikelen uit het lopende nummer is uitsluitend toegestaan na toestemming van de redactie. Overname van artikelen uit eerder verschenen nummers is toegestaan onder bronvermelding en toezending van een bewijsexemplaar aan de redactie. Deze artikelen staan op onze website www.vdamok.nl

Adres redactie en abonnementenadministratie
VD AMOK, Obrechtstraat 43, 3572 EC Utrecht
tel. 030-8901341, e-mail vdamok"at"antenna.nl

Redactie
Kees Kalkman, Karel Koster, Guido van Leemput, Tjark Reininga, Barbara Smedema, Egbert Wever

Fotoredactie
Mustapha Bah, Joop Blom, Hans Christian Bouton

Fotografen en illustratoren
Joop Blom, fotosectie EIRENE Internationaal, Stichting Zelfbeschikking West-Sahara, Sven Torvinn (HH)

Vormgeving
René Oudshoorn

Drukker
Drukkerij De Dageraad, Den Haag

Verder werkten aan dit nummer mee
Martin Broek, Peter Custers, Hassan Dawasse, Erik Haverkort, Huub Jaspers, Jan Schaake, Frank Slijper, Fred van der Spek, Fennie Stavast, Julian Volz

Abonnementen
Een abonnement is minimaal € 14,- per jaar.
Een steunabonnement is minimaal € 18,-.
Over te maken op giro 5567607 t.n.v. VD AMOK, Utrecht.
Nieuwe abonnementen schriftelijk aanmelden. Wacht met betaling op toezending acceptgiro.
Opzegging uitsluitend schriftelijk vóór aanvang van het kalenderjaar.
Losse nummers kosten € 3,- (€ 4,- inclusief porto).

Advertenties
Tarieven en opgave bij de redactie.

Sluitingsdatum volgend nummer
1 maart 2006



Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Redactioneel -

Oeroezgan, het waagstuk Afghanistan

De regering Balkenende staat onder druk van de NAVO en de Tweede Kamer bij de beslissing tot het sturen van een nieuwe missie naar Afghanistan. De fractie van regeringspartij D66 liet enigszins voor haar beurt weten dat zij de missie niet zal steunen. Na maanden van discussies achter de schermen, hebben de minister van Buitenlandse Zaken en Defensie, Bot en Kamp, hun beslissing om ruim 1200 Nederlandse militairen naar Afghanistan te sturen toch aan de Kamer voorgelegd. In de Tweede Kamer is - op moment van schrijven- een discussie ontstaan over de status van de ingestuurde brief.

De regering wil heel erg graag dat Nederland troepen naar Afghanistan stuurt, omdat de Amerikanen dat nodig hebben en de NAVO dat heel graag wil. De NAVO moet gered worden. In de meeste NAVO-landen is er erg weinig belangstelling om dit Amerikaanse klusje op te knappen. De Amerikaanse legerleiding is bezig met een contra-guerrillaoorlog door Afghanistan. Zolang deze operatie Enduring Freedom blijft voortbestaan heeft een vredes- of stabiliseringsoperatie geen kans op succes. Het aantal soorten opstandelingen lijkt eerder toe dan af te nemen. Waren in 2001 eerst al-Qaidalieden en Talibaanmannen het doel van de oorlog, inmiddels zijn dat ook allerlei krijgsheren en vooral drugsproducenten. Drugsbestrijding is de grote opdracht geworden. In de provincies waar de Amerikanen de opstandelingen van diverse pluimage hebben bedwongen, worden zij vervangen door 'vredestroepen' die voor stabiliteit moeten zorgen zodat een nieuw Afghaans bestuur kan worden gevestigd. Voor de zomer van 2006 is het zuidelijke deel van Afghanistan gepland om over te doen aan NAVO-legers. Het gaat om provincies rond de stad Kandahar, vanouds een centrum van radicaal-islamitische politiek in Afghanistan. De enige landen die geneigd zijn aan deze operatie deel te nemen zijn de bereidwillige bondgenoten Groot-Brittannië, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland. Ook Nederland, dat wordt uitgestuurd naar de provincie Oeroezgan, het enige continentaal-Europese land dat wil meedoen aan de operatie. De toestand in dat deel van Afghanistan is precair. In november lekte een geheim rapport van de Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst (MIVD) uit. De MIVD rapporteerde dat het te gevaarlijk is om een vredesmissie in Oeroezgan uit te voeren. Het uitlekken van dit rapport is maatgevend voor de omwil die er in de Nederlandse samenleving bestaat om mee te doen. Uit opiniepeilingen blijkt dat een meerderheid van de bevolking tegen de missie is, maar slechts een minderheid het de moeite waard vindt om de regering erover te laten vallen. Toch is dat wat nodig is om de regeringspartijen en de NAVO duidelijk te maken dat met de oorlog tegen het terrorisme een heilloos pad wordt gevolgd.

Om te voorkomen dat de Tweede Kamer wordt vermorzeld onder de harde pro-Amerikaanse politici van de regering en onder de NAVO-druk, is het nodig om luid en duidelijk te maken dat de gepeilde meerderheid van de bevolking ook echt bestaat. Ook in het leger zelf wordt gemord en is er gerommel over deze zinloze politiek. Onder laaggeplaatste militairen is het duidelijk dat ze gebruikt worden voor een pro-Amerikaanse politiek die, en dat is het belangrijkste, niet voldoende oplevert. Er komt geen eind aan. Het is een aantal moeders van uit te zenden militairen die verzet aantekenen tegen het besluit om te gaan. Eerder al, tijdens de uitzending naar Irak, bleek hoe gevoelig minister Kamp is voor het oordeel van het thuisfront of de achterban. Bijeenkomsten met familieleden van de militairen worden buitengewoon serieus genomen. Dit verzet kan als een politieke boemerang gaan werken als de uitzending doorgaat, en er bovendien veel Nederlandse doden en gewonden zullen vallen. Dat risico is groter dan het in Irak was. Dat te voorkomen lijkt ook de reden van het lek van het MIVD-rapport. Dat is ook het politieke risico voor de regeringspartijen in een aankomende periode van anderhalf jaar waarin drie verkiezingen staan gepland. Dat is ook de reden dat Kamp en Bot grote partijen als de PvdA in dit zinkend schip van de NAVO willen lokken. Zodat ze altijd kunnen zeggen, we waren niet de enigen die deze beoordelingsfout hebben gemaakt. Dit zijn allemaal redenen om een luid en duidelijk nee te laten horen.

De redactie



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Speciale troepen -

Geheime Nederlandse steun aan de oorlog van Bush

Of het nu gaat om de val van Srebrenica, de rechtvaardiging van de NAVO-bombardementen op Kosovo, de geheime Amerikaanse steun aan Albanese rebellen in Macedonië of omstreden wapenleveranties aan Indonesië – het VPRO-radioprogramma Argos heeft een reputatie opgebouwd als het gaat om onderzoeksjournalistiek ten aanzien van defensievraagstukken. Op 14 mei 2004 berichtte Argos over geheime operaties van Nederlandse commando's in Afghanistan en Irak. Belangrijkste onthullingen: Nederland gaf – in tegenstelling tot wat officieel verkondigd werd – méér dan alleen 'politieke steun' aan de Irak-oorlog, en de geheime inzet van Nederlandse special forces lijkt ingegeven door buitengewoon zware verliezen onder hun Amerikaanse collega's. Argos-medewerker Huub Jaspers presenteerde dit onderzoek tijdens de Global Investigative Journalism Conference dit jaar in Amsterdam.

Van juli 2003 tot april 2005 werd een onderdeel van 1.200 Nederlandse militairen onder de naam SFIR (Stabilisation Force IRaq) ingezet in Irak. SFIR vertrok twee maanden na de val van Saddam Hoessein, waarbij de Nederlandse regering nadrukkelijk vaststelde dat SFIR geen deel uitmaakte van de Brits-Amerikaanse bezettingsmacht maar een Stabiliseringsmacht vormde in de betrekkelijk rustige provincie Al Moethanna. Tijdens de missie van SFIR werden twee Nederlandse soldaten gedood en verschillende Irakezen werden door Nederlandse troepen gedood bij doorlaatposten of tijdens patrouilles.

Al maanden voor SFIR begon waren de Nederlandse strijdkrachten – landmacht, luchtmacht en marine – betrokken bij de oorlog tegen Saddam – op kleine schaal en in het diepste geheim. Tot de val van Bagdad beweerde de Nederlandse regering dat Nederland de oorlog tegen Saddam 'politiek maar niet militair' steunde. In het VPRO-programma Argos van 14 mei 2004 werd verslag gedaan van de geheime Nederlandse steun voor de oorlog van Bush. PvdA buitenlandwoordvoerder Bert Koenders gaf als commentaar: "Als jullie bevindingen kloppen heeft de regering een groot probleem." Zijn collega Bert Bakker van D66 verklaarde: "Het gaat niet alleen maar om het parlement, het gaat ook om een groot deel van de regering dat hier vaak niets vanaf weet."

Clandestiene F-16 vluchten boven Irak

Ons onderzoek begon in de herfst van 2002 toen we informatie kregen uit verschillende anonieme bronnen. In een aantal gevallen kenden we die bronnen al langer en waren we vanaf het begin overtuigd dat hun informatie klopte. In andere gevallen kenden we de bronnen niet en waren eerder sceptisch. We begonnen de informatie en de bronnen te verifiëren.

De eerste tip die we kregen van iemand die we nog niet kenden was dat de Nederlandse F-16's die voor operatie Enduring Freedom vlogen vanaf luchtmachtbasis Manas in Kirgizië, verkenningsvluchten uitvoerden boven Irak om het VS-leger te voorzien van inlichtingen. We konden het eerst niet geloven, maar onze informant hield voet bij stuk en verschafte ons interessante details, onder meer over een noodlanding. Op Internet vonden we een website van een Nederlandse soldaat die betrokken was bij Enduring Freedom. Die site wijdde een aparte pagina aan de noodlanding. We vonden daar details die overeenkwamen met het verhaal van onze informant. Op de site was te lezen dat sommige details verwijderd waren. Dat maakte ons natuurlijk nieuwsgierig. We kwamen achter het telefoonnummer van de beheerder van de site. Hij vertelde ons dat het ministerie van defensie hem opdracht had gegeven om bepaalde details van de site te halen. Toen we naar de reden vroegen aarzelde de soldaat. Het gesprek werd abrupt afgebroken toen we begonnen over de voorbereidingen van de oorlog tegen Irak. Vervolgens belden we het ministerie van defensie en vroegen waarom de gegevens van de website moesten worden verwijderd. We kregen geen bevredigend antwoord. Toen we het ministerie vroegen of Nederlandse F-16's of piloten verkenningsvluchten boven Irak hadden uitgevoerd werd dat ontkend. Maar het ministerie overtuigde ons niet. Uiteindelijk lukte het ons naam en telefoonnummer van een van de betrokken F-16 piloten te vinden. Toen we hem belden werd hij woedend. "Goed dat ik je naam weet," schreeuwde hij. "De inlichtingendiensten zijn hier al mee bezig." Daarna werd de verbinding verbroken.

Nadat we dit verhaal hadden uitgezonden werden er onmiddellijk vragen gesteld in het parlement. De vragen werden al na vijf dagen beantwoord: de regering ontkende alles. Maanden later kwamen we erachter dat de regering tegelijkertijd na overleg met kamervoorzitter Frans Weisglas een zeer select gezelschap kamerleden vertrouwelijk op de hoogte van geheime activiteiten van in Kirgizië gestationeerde Nederlandse F-16's. De minister belde hierover met drie leden van de parlementaire commissie voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, de zogeheten 'Commissie Stiekem' Opmerkelijk is dat het niet ging om de commissie als zodanig, maar om de leden van de commissie. Op dat moment was dit de meest vertrouwelijke manier waarop de regering het parlement kon informeren. Het wees er ook op dat de zaak in de ogen van de minister na onze uitzending erg urgent was. Ik kan niet onthullen hoe ik aan de informatie over deze gang van zaken kom. Wel kan ik de namen noemen van de kamerleden die in april 2003 de 'Commissie Stiekem' vormden en die door de minister vertrouwelijk werden geïnformeerd: Maxime Verhagen (CDA), Wouter Bos (PvdA) en Jozias van Aartsen (VVD). Overigens werd de Tweede Kamer ook vertrouwelijk geïnformeerd over activiteiten van de Walrus-onderzeeër en inlichtingenoperaties door Nederlandse commando's in Irak en Afghanistan – dit naast de openbare informatie die de regering hierover verstrekte aan de volksvertegenwoordiging.

De F-16 vluchten waren niet de enige militaire bijdrage van de Nederlandse regering aan de voorbereidingen voor de oorlog tegen Saddam. Zo was in de herfst van 2002 een Nederlandse Walrusonderzeeër betroken bij een inlichtingenoperatie in de Golfregio. In eerste instantie bevestigde staatssecretaris van defensie Cees van der Knaap op 21 november publiekelijk voor een camera van RTL TV dat de missie van de Walrus deel uitmaakte van de voorbereidingen voor de oorlog tegen Saddam. Maar later noemde het ministerie dit een 'slip of the tongue' en ontkende de uitleg van de staatssecretaris. Een dag voor de uitspraak van Van der Knaap had premier Balkenende na een bespreking met president Bush aan de vooravond van de NAVO-top in Praag publiekelijk aangegeven dat de Nederlandse regering overwoog een militaire aanval op Irak te steunen. Minister van Buitenlandse Zaken Jaap de Hoop Scheffer (de huidige secretaris-generaal van de NAVO) deed soortgelijke uitlatingen.

Een typisch Nederlands compromis

In de dagen en weken die volgden op de bijeenkomst in Praag werd het duidelijk dat de bereidheid van de Nederlandse regering om toe te treden tot de Coalition of the willing politieke problemen opleverde.

Ten eerste werd het steeds duidelijker dat twee leidende landen van de EU, Duitsland en Frankrijk de oorlog niet zouden steunen. Traditioneel is Nederland, dat zichzelf ziet als de 'grootste van de kleine NAVO-landen' niet alleen één van de trouwste bondgenoten van de VS, maar ook één van de voortrekkers van de Europese integratie. De dreigende splitsing binnen de EU was dus een groot probleem in de ogen van de Nederlandse politieke elite.

Ten tweede was het zeer twijfelachtig of de meerderheid van de Nederlandse bevolking blij zou zijn met de Nederlandse deelname aan de oorlog. De algemene verkiezingen zouden op 22 januari 2003 worden gehouden en dat leverde met name voor het CDA een probleem op.

Ten derde was de verwachting dat de sociaal-democraten bij de verkiezingen versterkt terug zouden komen en dat het CDA gedwongen zou zijn een nieuwe regering te vormen met de PvdA. De PvdA had duidelijk verklaard de oorlog van Bush tegen Saddam niet te willen steunen. Het was een typisch Nederlands compromis van het CDA om na de verkiezingen tijdens de moeizame onderhandelingen met de sociaal-democraten aan te bieden dat Nederland de oorlog van Bush en Blair 'politiek maar niet militair' zou steunen.

Een vooraanstaande Britse militaire expert, Julian Lindley French vertelde me dat in die tijd binnen internationale defensiekringen een grap de ronde deed: "De Nederlanders wachten met de vorming van een regering tot de oorlog voorbij is. Dan hoeven ze niet te kiezen of ze meedoen of niet." Het is nooit helemaal duidelijk geworden of Wouter Bos en de zijnen het compromis van de christen-democraten hadden geaccepteerd. De onderhandelingen mislukten en het CDA ging in zee met de VVD en D66. De nieuwe regering bleef bij het compromis van politieke maar geen militaire steun tot mei 2003 toen Bagdad en Tikrit, het laatste bolwerk van Saddam, waren gevallen. De regering begon haar werk op 27 mei en besloot tot de uitzending van SFIR, een Stabilisatiemacht van 1.200 militairen naar een betrekkelijk vreedzame provincie in het zuiden van Irak. In juli 2003 kwamen de eerste SFIR-militairen aan in Irak.

Een Nederlandse overste treedt op met generaal Tommy Franks

Drie maanden eerder, op 22 maart 2003, stond een Nederlandse officier op het podium tijdens de eerste persconferentie van CENTCOM commandant generaal Tommy Franks, de opperbevelhebber van Operatie Iraqi Freedom in Qatar. De oorlog was twee dagen eerder begonnen. Voor het wereldwijde TV-camerafront stelde hij overste Jan Blom voor – naast luchtmaarschalk Brian Burridge (Groot-Brittannië), brigadegeneraal Maurie McNarn (Australië) en vice-admiraal Per Tidemand (Denemarken). De deelname van de Nederlandse officier leidde tot opschudding bij de publieke opinie en het parlement in Nederland. Waarom was een Nederlandse officier op het podium gevraagd? De Britten, de Australiërs en de Denen waren openlijk betrokken bij de operatie. Andere naties, die ook met troepen deelnamen, stonden niet op het podium. "Dit was niet gebeurd als de Nederlanders niet rechtstreeks militair betrokken waren bij Operatie Iraqi Freedom," vertrouwde een hoge inlichtingenofficier mij op basis van anonimiteit toe. De Nederlandse regering ontkende elke militaire deelname en beweerde dat de aanwezigheid van de Nederlandse overste op een misverstand berustte.

Geheime missies van de Nederlandse special forces

De formule 'politieke maar geen militaire steun' kon de militaire missies die werden uitgevoerd ter ondersteuning van de oorlog van Bush niet ongedaan maken: een inlichtingenoperatie van een Nederlandse onderzeeër in de Golf, verkenningsvluchten boven Irak door Nederlandse F-16's en ten slotte de clandestiene operaties van de Nederlandse special forces van het Korps Commandotroepen (KCT) uit Roosendaal.

Argos kreeg uit verschillende bronnen informatie over deze special forces operaties. In januari vertelde een voormalig officier van de special forces ons dat Nederlandse special forces zich voorbereidden in Oman. Van een Westeuropese inlichtingenofficier hoorden we een verhaal over een Deens inlichtingenrapport dat was uitgelekt naar andere NAVO-bondgenoten. Het was een operatieverslag van 4 maart 2003 over een lange afstand verkenningspatrouille van Deense special forces in Irak. Het verslag sprak van "attached parts NL forces". Volgens onze bron kon dit erop wijzen dat Nederlandse special forces onder Deens commando betrokken waren bij lange afstand verkenningspatrouilles van Deense special forces in Irak. Uit verschillende bronnen, waaronder een bron die dicht in de buurt van de Britse SAS zat, kregen we informatie over Nederlandse special forces die betrokken waren bij de opening van een tweede front in het noorden van Irak, nadat de Turkse regering had geweigerd zijn grondgebied ter beschikking te stellen voor de opmars van coalitietroepen. De operatie werd volgens onze bronnen geleid door 720th Special Tactics Group van 5th American Special Forces Group.

BBC-verslaggever John Simpson was op dat moment bij de Amerikaanse troepen in Noord-Irak en werd wereldnieuws toen zijn konvooi in april 2003 zwaar werd getroffen door friendly fire. Simpson werd gewond en zijn tolk werd gedood. In ons programma van 14 mei 2004 vertelde Simpson van Amerikaanse special forces te hebben gehoord dat Britse en andere special forces van bondgenoten de Amerikanen in Noord-Irak hielpen. Later had Simpson gehoord dat hierbij ook Nederlandse special forces hoorden.

Het ligt in de aard van de special forces operaties dat ze in de grootste geheimhouding worden verricht, daarom was het ons duidelijk dat het erg moeilijk zou zijn om officiële bevestiging van een en andere te krijgen. De Nederlandse regering weigerde bijvoorbeeld onze vraag te beantwoorden of er een officieel verzoek van de Amerikaanse regering was gekomen om Operatie Iraqi Freedom met special forces te ondersteunen. Maar van de woordvoerder van de Deense minister van defensie kregen we te horen dat Den Haag in november 2002 exact hetzelfde verzoek van Washington gekregen had als Kopenhagen. De Amerikanen hadden bij beide NAVO-bondgenoten steun gevraagd op een viertal terreinen: luchttransportcapaciteit, korvetten, onderzeeërs en special forces.

Kerngroep ministers beslist

In het geval van Afghanistan stichtte minister Kamp grote verwarring in de Tweede Kamer over het steunverzoek dat Nederland gekregen had. Tijdens een Kameroverleg op 4 november 2003 antwoordde hij op vragen van Marijke Vos van GroenLinks dat de Amerikanen Nederland wel informeel hadden gesondeerd maar niet formeel hadden verzocht om militaire steun. Dit corrigeerde de minister twee weken later middels een brief: de Amerikanen hadden toch wel degelijk ook een formeel steunverzoek aan Nederland gericht. Toen we dit voorlegden aan professor Rob de Wijk van Instituut Clingendael in Den Haag wees hij ons er zonder omwegen op dat dit betekende dat de Nederlandse regering al bij het informele verzoek positief moest hebben geantwoord. Sonderen doen de VS immers om uit te sluiten een blauwtje te lopen bij een formeel verzoek. "Zo werkt het," aldus De Wijk.

Dan volgt in de brief een zin die wederom aan exegese moet worden onderworpen: "Dit heeft destijds echter niet geleid tot een voorstel aan de ministerraad." De indiener van de desbetreffende vraag, Kamerlid Marijke Vos, las in deze zin – zoals vermoedelijk de overgrote meerderheid van haar collega's – een afwijzing van het Amerikaanse verzoek door Nederland. Achteraf moet Vos toegeven dat dit helemaal niet in de brief van de minister staat. Om dit te begrijpen moet men weten dat voor de inzet van commando's bij speciale operaties in augustus 2000 een speciale procedure is afgesproken, waarbij niet per se de hele ministerraad hoeft te worden betrokken maar een kerngroep van het kabinet kan beslissen – zonder op dat moment de rest van het kabinet en het parlement te informeren. "Als je goed naar die procedure kijkt en dan nog eens deze zin daarnaast legt, dan zou het mogelijk kunnen zijn dat minister Kamp heeft bedoeld dat er wel degelijk een voorstel is besproken in die kerngroep van ministers, die deelgroep van de ministerraad. En het zou zelfs kunnen betekenen dat er wel Ja is gezegd op het verzoek van de Amerikanen. Alleen wij hebben dat indertijd anders geïnterpreteerd. Wij hebben gedacht: ze hebben gewoon Nee gezegd tegen de Amerikanen." Aldus Marijke Vos.

Terug naar Irak. Naar aanleiding van onze uitzending schreef minister Kamp op 2 april 2003 in een brief aan de Tweede Kamer: "Er hebben geen Nederlandse militaire eenheden deelgenomen aan operaties op het grondgebied van Irak." Op het eerste gezicht lijkt dit een ontkenning van de feiten waarover Argos berichtte. In werkelijkheid laat deze formulering zelfs de deelname van Nederlandse commando's aan operaties op het grondgebied van Irak open, omdat die commando's niet per se als complete Nederlandse eenheden opereren. Dat was overigens ook wat onze bronnen ons hadden verteld: kleine groepen Nederlandse commando's hadden samen met commando's van andere landen lange afstand verkenningen uitgevoerd in Irak. Deze kanttekening bij de brief van de minister lijkt misschien muggenzifterig, maar dit soort operaties zijn uiterst geheim en dan luistert elk woord in een officiële mededeling nauw.

In januari 2004, meer dan een half jaar na de val van het regime Saddam Hoessein en bijna een half jaar nadat de Nederlandse SFIR missie operationeel was geworden in Zuid-Irak, had Argos een interview met minister van defensie Henk Kamp. Toen mijn collega's Gerard Legebeke en Sanne Boer op het ministerie in Den Haag aankwamen werden ze aangeklampt door een hoge ambtenaar. "Ik wil wel met jullie afspreken dat jullie de minister geen vragen stellen over die vermeende geheime operaties in Irak, waar jullie afgelopen voorjaar over hebben bericht." Het interview ging over de toekomst van de Nederlandse krijgsmacht en niet over Irak, dus die afspraak was makkelijk gemaakt. Maar onze nieuwsgierigheid naar de Nederlandse betrokkenheid bij de oorlog tegen Saddam werd wel extra aangewakkerd door deze ambtelijke interventie. Waarom was het ministerie zo bang dat de minister naar deze aangelegenheid zou worden gevraagd? Zou het moeilijk zijn voor hem het te ontkennen?

Enorme verliezen van special forces

We hebben ook de achtergrond van de Amerikaanse verzoeken aan verschillende bondgenoten om special forces naar Irak en Afghanistan te sturen onderzocht. Hebben de Amerikaanse special forces te kampen met zware verliezen? Het was niet gemakkelijk om concrete informatie hierover te vinden. Het Pentagon deelde ons mee geen cijfers te kunnen verschaffen. Ook de expert op het gebied van Amerikaanse special forces, Tim Brown van Globalsecurity.org had geen cijfers. Hij legde ons uit dat het Pentagon de hoogte van de verliezen aan special forces geheim houdt. Brown zei dat in sommige gevallen doden die tijdens gevechten waren gevallen werden gecamoufleerd, bijvoorbeeld als opleidingsongelukken. "Ze zeggen dan gewoon: ze waren aan het oefenen en hun helikopter stortte neer," aldus Brown.

We vonden na uitgebreid zoeken een website met cijfers over alle Amerikanen die in de oorlogen in Irak en Afghanistan zijn gesneuveld, uitsluitend gebaseerd op officiële mededelingen van het Pentagon en de Amerikaanse strijdkrachten. In sommige gevallen werd behalve de namen van de gevallenen hun special forces achtergrond vermeld. Maar een groot aantal special forces gesneuvelden worden niet vermeld als special forces. Dus zochten we door met de individuele namen in honderden websites: lokale kranten en organisaties, persoonlijke websites, veteranenorganisaties, militaire sites etc.

Een vroegere officier van de special forces wilde ons helpen op basis van anonimiteit. Met zijn hulp kwamen we erachter dat meer dan 50% van de gesneuvelde Amerikaanse militairen in Afghanistan en bijna 10% van die in Irak special forces waren. Het werd duidelijk dat de verliezen van de Amerikaanse strijdkrachten dramatisch waren toen we naar de gewonden keken. Hier hadden we geen cijfers en geen namen. Maar van het Amerikaanse militair hospitaal in Landstuhl (Duitsland) kregen we totaalcijfers voor alle Amerikaanse militairen die vanwege ernstige militaire redenen naar dit hospitaal waren geëvacueerd vanuit Afghanistan en Irak. De totaalcijfers tot 20 april 2004, de dag dat we het hospitaal in Landstuhl bezochten, waren meer dan 2.300 voor Afghanistan en meer dan 11.400 voor Irak. De voormalige special forces officier die ons hielp bij de interpretatie van de cijfers, zei dat het verantwoord was aan te nemen dat het percentage special forces onder de gewonden gelijk zou zijn aan dat onder de doden. Zo konden we berekenen dat de totale verliezen van Amerikaanse special forces in Afghanistan en Irak tussen de herfst van 2001 en het voorjaar van 2004 meer dan 2.200 moest bedragen. Om exact te zijn, onze berekening kwam uit op 114 gedode Amerikaanse special forces en 2.112 die naar het hospitaal in Landstuhl waren geëvacueerd.

We konden geen officieel commentaar krijgen op deze berekening. Maar defensie-expert professor Rob de wijk van Clingendael was bereid een kritische blik op onze bevindingen te werpen. Hij legde uit: "Dat is een gigantisch aantal, temeer omdat het aantal Special Forces in de wereld niet zo groot is. Op alle bondgenoten wordt op dit ogenblik druk uitgeoefend om Special Forces te leveren. Wat dat betreft is jullie berekening van de verliezen echt een openbaring. Want het betekent dat het een verklaring is waarom de Amerikanen dat doen. De verliezen zijn gewoon veel te groot."

Toen het NOS Journaal later op basis van enkele notities in het justitiële dossier in 'de zaak Erik O.' berichtte dat Nederlandse speciale eenheden diverse keren zijn ingezet bij speciale militaire operaties in het buitenland leidde dat tot een golf van publiciteit en een spoeddebat in de Tweede Kamer. Daarbij kwam de regering zwaar onder vuur te liggen. Niet zozeer omdat ze Nederlandse militairen in het geheim mee had laten doen aan deze acties met soms dodelijke afloop, maar omdat de 'staatsgeheime' informatie hierover was uitgelekt naar de media. Het ministerie van defensie spande een kort geding aan tegen het NOS Journaal om de uitzending van het item te verbieden. Pas nadat het Journaal had toegezegd de plaatsen van inzet en de betreffende data weg te laten uit het bericht, mocht het item van de rechter worden uitgezonden.

Huub Jaspers
Argos, VPRO
 

De geheime gemeenschap van de special forces

Een dag na het spoeddebat in de Tweede Kamer over geheime buitenlandse operaties door Nederlandse speciale eenheden maakte Argos een vervolguitzending over de rol van Nederlandse commando's in Irak en Afghanistan. Daarin lieten we de voormalige special forces-officier die ons bij de research voor de uitzending van 14 mei had geholpen, uitleggen hoe het kan dat buitenlandse militaire bronnen op de hoogte zijn van de deelname van kleine groepen Nederlandse commando's aan uiterst geheime operaties. Omdat de officier anoniem moest blijven, typten we zijn woorden letterlijk uit en lieten we ze naspreken door een VPRO-lezer.

"Special forces vormen een hechte gemeenschap, ook internationaal. We kennen elkaar. We komen elkaar tegen in onze opleiding, bij gezamenlijke internationale oefeningen die twee of drie keer per jaar worden gehouden en ook bij militaire operaties zelf als we echt worden ingezet. Om een voorbeeld te geven: in Kosovo zit een special forces groep voor gevaarlijke arrestaties. Daarin zitten permanent specialisten uit verschillende landen, die dus intensief contact met elkaar hebben.

Nederland heeft de afgelopen tien jaar aan verschillende special forces operaties op de Balkan deelgenomen. Elk land heeft zo zijn eigen specialiteiten. De Fransen zijn bijzonder goed als het gaat om het overwinnen van hindernissen, de Duitsers zijn goed in de planning van een operatie, de Nederlanders zijn goed in verkenning, enzovoorts.

Van die specialiteiten wordt ook gebruik gemaakt in onze opleiding, die zeer intensief is en meerdere jaren duurt. (...) Als je deelneemt aan een internationale oefening die bijvoorbeeld twee weken duurt, ga je daarna soms nog een week samen parachute springen. Daarbij is er dan ook veel ruimte voor gezellig samen zijn en uitwisseling van ervaringen."



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Afrika -

West-Afrika: Europese veiligheid als exportproduct

Een van de argumenten die de linkse oppositie inbrengt tegen de sterke voorkeur van het kabinet om de Nederlandse krijgsmacht vooral, al dan niet in het kader van de Amerikaanse oorlog tegen het terrorisme, op te laten treden in Afghanistan of Irak, is dat humanitaire vredesmissies in Afrika een veel hogere prioriteit zouden moeten hebben. Zolang Nederlandse militairen in Zuidwest-Azië zitten en Nederlandse ontwikkelingsprojecten in Afrika, kan van geïntegreerd buitenlands beleid geen sprake zijn. Sterker nog: met name Afghanistan dreigt, dankzij de militaire aanwezigheid, steeds hoger op het prioriteitenlijstje van ontwikkelingssamenwerking te komen.

Militaire vredesmissies in Afrika voldoen bovendien bijna vanzelf aan twee andere voorkeuren van de linkse oppositie: de voorkeur om ook met enige regelmaat vredesmissies in VN-verband uit te voeren en om daarbij ook eens vaker gebruik te kunnen maken van het in de loop van de afgelopen jaren opgetuigde Europese Veiligheids- en DefensieBeleid (EVDB) waarbinnen heuse battle groups zijn geformeerd die met name geschikt zijn voor optredens op het Afrikaanse continent. Sowieso lijkt het Gemeenschappelijk Buitenlands en VeiligheidsBeleid (GBVB) van de Europese Unie zich steeds meer op het Afrikaanse continent te richten.

Hoe ziet dat Europese Afrikabeleid er dan uit? En hoe verhoudt het zich tot het Amerikaanse Afrikabeleid dat ik onder de titel "Olie, honger en de oorlog tegen het terrorisme in West-Afrika" in het vorige nummer van VD AMOK (jaargang 14, no 3) beschreef? Net als in dat artikel zal ik me vooral richten op West-Afrika. Weliswaar komen de conflicten in de (grotere) Hoorn (Ethiopië / Eritrea, Zuid-Soedan en Darfur) of in het Grote-Meren-gebied (Oeganda, Rwanda en Congo) tegenwoordig meer in het nieuws en liggen ze bovendien in de prioriteitsregio's van de Nederlandse regering, maar de eigen Europese bemoeienissen laten zich het beste kennen in de zgn. ECOWAS-regio in West-Afrika.

West-Afrika als voorbeeld

De verminderde aandacht voor de oorlogssituatie in West-Afrika is volkomen ten onrechte. De interne oorlog die in 1989 in Liberia begon, sloeg al snel (1991) over naar het buurland Sierra Leone en houdt, ruim 15 jaar later, ook de buurlanden Guinée en Ivoorkust in zijn greep. Volgens sommige analisten hebben ook de gewapende conflicten in Guinee Bissau, Gambia en Senegal met deze strijd te maken. Daarmee leidt een oorlog die alles met het bezit van grondstoffen te maken heeft, maar een vruchtbare voedingsbodem vindt in de vele etnische geschillen en spanningen in deze regio, tot een zich steeds verder uitbreidende geweldspiraal die een regelrechte bedreiging vormt voor deze uitermate kwetsbare regio.

De 15 landen in West-Afrika hadden zich in 1975 reeds aaneengesloten in de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS). ECOWAS werd onmiddellijk na het uitbreken van de interne oorlog in Liberia, in 1989, te hulp geroepen door de toenmalige president Doe. ECOWAS stelde een Standing Mediation Committee in dat al snel via onderhandelingen tot een wapenstilstand wist te komen. De naleving daarvan werd gecontroleerd door een door ECOWAS ingestelde Military Observer Group ECOMOG. Deze West-Afrikaanse troepenmacht bestond voor 90% uit Nigerianen, waarmee uitdrukking wordt gegeven aan de dominante rol die Nigeria in deze regio en in de regionale samenwerkingsverbanden speelt. Niet zelden wordt Nigeria afgeschilderd als regionale grootmacht en de (militaire) kracht ECOWAS als de Pax Nigeriana.

In een vergelijking tussen het optreden van ECOWAS in het Liberiaanse conflict en de EU, twee jaar later, in het Joegoslavische conflict, komt Stephanie Anderson tot de conclusie dat ECOWAS aanvankelijk succesvoller was. Liberia was lid van ECOWAS, rebellenleider Taylor werd gesteund door ECOWAS-leden Ivoorkust en Burkina Faso terwijl Nigeria Liberiaans president Doe steunde. En ondanks deze interne verdeeldheid en het feit dat het om één van de eigen lidstaten ging, slaagde ECOWAS erin om op eigen kracht zowel een staakt-het-vuren overeen te komen als een gewapende monitoringmissie naar de bestandslijn te sturen. Vergelijk dat maar eens met het EU-optreden aangaande Joegoslavië. Waar het ECOWAS-optreden echter op stuk liep was enerzijds de partijdigheid van de door Nigeria geleide ECOMOG-missie waardoor deze al snel aan de kant van president Doe meevocht tegen Taylor en anderzijds het niet kunnen voorkomen dat het conflict oversloeg naar Sierra Leone.

In 1993 schoten de Verenigde Naties ECOMOG (later ECOMIL) in Liberia te hulp met de United Nations Observer Mission in Liberia (later de United Nations Mission in Liberia - UNMIL); al snel vergezeld met een soortgelijke missie in Sierra Leone en onlangs ook in Ivoorkust. De twee laatste VN-missies werden krachtig ondersteund door de voormalige kolonisators Groot-Brittannië en Frankrijk. De Verenigde Staten lieten het in deze regio volledig afweten, ondanks herhaald aandringen van beide Westerse bondgenoten om als semi-kolonisator van Liberia orde op zaken te stellen in de bron van alle ellende. Even, bij de Afrika-reis van Bush in 2003, leek het alsof de VS inderdaad zouden ingrijpen, maar de voor de Liberiaanse kust samengetrokken marine-macht vertrok alweer na drie maanden (net zolang als de Nederlandse deelname aan de VN-operatie in Liberia datzelfde jaar).

Om alle verschillende VN-activiteiten en de samenwerking met ECOWAS in deze regio te coördineren, maar vooral om het overslaan van het gewapend conflict naar andere landen in deze regio te voorkomen, heeft de VN in november 2001 UNOWA, de United Nations Office in West-Africa, in het leven geroepen. Vanuit dit regiokantoor is de VN o.a. betrokken bij de strijd tegen kleine wapens (zoals het bekende voorbeeldproject in Mali) en probeert ze met de betrokken regeringen en andere actoren die risico's voor het uitbreken van nieuwe, onderling samenhangende gevechten in kaart te brengen en maatregelen te nemen. Het zich op preventie en wederopbouw richtende werk van dit regiokantoor is voor de VN uniek te noemen. Het vormt daarom een voorbeeld dat navolging verdient.

Europese veiligheidspolitiek voor Afrika

Ook de Europese Unie verwijst graag naar ECOWAS als het gaat om ontwikkeling, vrede en stabiliteit in Afrika. Enerzijds vormt ECOWAS een goede kopie van het Europese project zelf en daarmee een welkom voorbeeld van hoe dit 'Europese model' zich ook naar andere landen laat exporteren (zoals Mark Leonard ons wil laten geloven in zijn recent verschenen boek 'Waarom Europa de 21e eeuw zal domineren'). Anderzijds wordt het model andere Afrikaanse regio's graag ten voorbeeld gehouden, hoe Afrikaanse regeringen zelf de verantwoordelijkheid nemen voor het bevorderen van vrede en stabiliteit in de eigen regio. De vorming van ECOWAS-achtige regionale samenwerkingsverbanden in de rest van Afrika vormt dan ook een belangrijke doelstelling van het Europese Afrikabeleid.

In de lijn van het Africa Action Plan van de G8, werd het Brits voorzitterschap van de Europese Unie in december 2005 afgesloten met de resolutie "The EU and Africa: towards a strategic partnership". Uitgangspunt is een Afrikaans 'ownership' van (in deze volgorde!) vrede en veiligheid, mensenrechten en goed bestuur, ontwikkelingshulp en duurzame economische ontwikkeling, regionale integratie en handel, waarbij de EU op zijn beurt behulpzaam en ondersteunend wil zijn. Achter de woorden 'werken via Afrikaanse instituties' gaat echter meer drang en dwang schuil, dan zo op het eerste gezicht lijkt.

Het feit dat in West-Afrika al 30 jaar een economisch, politiek en militair samenwerkingsverband functioneert, geldt namelijk niet zonder meer voor de rest van het Afrikaanse continent. Daar zijn landen veelal bij verschillende regionale samenwerkingsverbanden aangesloten die elkaar ook nog eens gedeeltelijk overlappen. Overigens geldt zelfs in West-Afrika dat naast ECOWAS verschillende verdergaande samenwerkingsverbanden bestaan, zoals bijvoorbeeld de muntunie van Franstalige Westafrikaanse landen. De Europese Unie probeert, met name via de Economic Partnership Agreements (EPA's), tegen alles wat van onderop is gegroeid in, te komen tot een viertal regionale samenwerkingsverbanden in Afrika, naast de landen van de Arabische Liga waarmee ze samenwerkt in het kader van de Europees-Mediterrane dialoog. Daarnaast leidt de Europese prioriteit voor militaire veiligheid tot een militarisering van de Afrikaanse (sub)regionale structuren.

Zoals gezegd staat vrede en veiligheid voorop in het Europese Afrikabeleid. Daartoe is het afgelopen jaar binnen het Europees Veiligheids- en DefensieBeleid (EVDB) een Africa Action Plan geformuleerd, bestaande uit 11 actiepunten, zoals technisch advies bij het opzetten van operaties, het beschikbaar stellen van EU-documenten die de Afrikaanse Unie of subregionale-organisaties als voorbeeld kunnen dienen, de ondersteuning en opleiding van Afrikaanse militaire eenheden, ondersteuning van ontwapenings- en veiligheidssectorhervormingsoperaties (DDR en SSR) en intensieve samenwerking via liaisonkantoren met vergelijkbare VN- en Afrikaanse subregionale kantoren. Hoewel nog steeds met trots wordt verkondigd dat de operatie Artemis (een militaire operatie van een half jaar in 2003 in Congo) de eerste echte, op zichzelf staande Europese militaire operatie was, lijkt dit ook de laatste operatie te zijn waarbij de EU eigen troepen naar Afrika uitzendt. In Darfur, en mogelijk ook in Somalië en Eritrea, zal de EU Afrikaanse militaire missies ondersteunen, maar geen eigen troepen meer sturen. En dat, terwijl aan de vorming van de zgn. Europese battle groups die vanaf 2007 paraat zullen zijn, altijd het model van optreden in Afrikaanse conflicten ten voorbeeld is gegeven.

Naast dit Africa Action Plan van het EVDB, dat vooral bestaat uit de uitzending van Europese militaire en civiele adviseurs bij Afrikaanse militaire operaties, heeft de Europese beleidsfilosofie inmiddels ook vorm gekregen in de African Peace Facility (APF) van de Europese Unie. Deze 'vredesfaciliteit', die gericht is op de ondersteuning van militaire operaties die uitgevoerd worden door de Afrikaanse Unie of een van de subregionale organisaties, wordt echter niet uit de budgetten van het EVDB gefinancierd maar uit het Europese budget voor ontwikkelingssamenwerking. Het gaat daarbij om activiteiten die veel verder gaan dan wat ook in de Nederlandse situatie uit de pot voor ontwikkelingssamenwerking word betaald, zoals door militairen uit te voeren wederopbouwactiviteiten, maar ook om medische faciliteiten, communicatie-apparatuur en toelagen voor de (Afrikaanse) militairen die op missie zijn.

Veiligheid en ontwikkeling

Deze vermenging van ontwikkelingsbeleid en vrede en veiligheid staat niet op zichzelf. Vaak wordt verwezen naar de in december 2003 uitgebrachte European Security Strategy die als basis moet dienen voor een coherent Europees buitenlandbeleid waar niet alleen het Gemeenschappelijk Buitenlands en VeiligheidsBeleid van de Europese Raad aan moet voldoen, maar ook het ontwikkelings-, handels- en conflictpreventiebeleid van de Europese Commissie. In dat opzicht nam de veiligheidsstrategie al een voorschot op de integratie van dit beleid zoals de Europese Grondwet dat trachtte te institutionaliseren in een Europese Minister voor Buitenlandse Zaken die niet alleen het internationaal optreden van de Europese Raad maar dat van de Europese Commissie moest coördineren. Door deze coördinerende rol toe te schuiven aan de huidige functionaris voor het Europees veiligheidsbeleid, viel al te verwachten dat bijvoorbeeld het ontwikkelingsbeleid ondergeschikt wordt gemaakt aan die veiligheid.

Het is niet voor niets dat Europese ontwikkelingsorganisaties afgelopen jaar aan de bel trokken, onder andere met de door de kerkelijke koepel APRODEV uitgebrachte notitie "Whose security? - integration and integrity in EU politics for security and development", waarin wordt onderbouwd dat het EU-beleid aangaande Afrika meer gedomineerd wordt door zorgen over de Europese veiligheid dan over de veiligheid van de Afrikaanse bevolking. De Europese Unie, maar dat geldt voor de Westerse landen in het algemeen, zijn steeds meer geneigd om de bedreigingen van veiligheid vooral te zoeken in falende staten die vrij spel geven aan terrorisme, regionale conflicten met veel burgerslachtoffers en vluchtelingenstromen en die de toegang tot energiebronnen en andere grondstoffen uitermate onzeker maken.

Naast of tegenover dit Westerse veiligheidsbegrip staat een Zuidelijk veiligheidsbegrip dat de bedreigingen vooral zoekt in de schaarste van de meest basale bestaansmiddelen en in epidemische ziektes zoals HIV/AIDS. Dit Zuidelijke veiligheidsbegrip is vooral gediend met het wereldwijde commitment aan de Millenniumontwikkelingsdoelen die niet alleen een sterke reductie van actuele noden zoals honger en ziekte voorstaan, maar ook de ontwikkeling van structurelere maatregelen zoals goed en toegankelijk onderwijs. In de VN-documenten, waaronder die van het UN Development Program UNDP, blijven beide 'veiligheidsbegrippen' netjes naast elkaar bestaan en worden zelfstandige maatregelen ter bevordering van de Westerse èn van de Zuidelijke veiligheid bepleit. In vrijwel alle Westerse documenten worden beide veiligheidsbegrippen onder één noemer gebracht en dat is zonder uitzondering, alle lippendienst aan de noodzakelijke ontwikkeling van het Zuiden ten spijt, die van het Westerse veiligheidsbegrip.

Zonder vrede, veiligheid en stabiliteit is ontwikkeling niet mogelijk. Zo heet het in tal van Westerse beleidsdocumenten of het nu de EU, de G8 of de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) is. In al deze rapporten wordt gewezen op de statistische samenhang tussen armoede en conflict en wordt ervoor gepleit om naast, en soms in plaats van, ontwikkelingswerkers eerst militairen of militair adviseurs te sturen. Pas als er stabiliteit is kunnen ontwikkelingsprojecten tot een succes gemaakt worden, heet het. Dit is echter een flagrante omkering van zaken. Zolang de grondoorzaken van de diverse conflicten, zoals gebrek aan economisch perspectief of de absurde eigendomsverhoudingen als het om grondstoffen en productiemiddelen gaat, maar ook de opvang van talloze vluchtelingen of arbeidsmigranten in Afrikaanse landen, niet adequaat worden aangepakt, zullen militaire of politionele veiligheidsmaatregelen niet helpen. Ontwikkeling en veiligheid moeten gebaseerd zijn op rechtvaardige structuren en op vermogens om op vreedzame wijze met conflicten om te gaan.

Hoewel het platte eigenbelang in het Europese Afrikabeleid minder onverholen is geformuleerd dan in dat van de Verenigde Staten, zullen we, vooral als Europese vredesbeweging, ook alert en kritisch moeten zijn ten aanzien van dit Europese beleid. Op het eerste oog lijkt het zich vooral te richten op humanitair optreden en menselijke veiligheid in Afrika, maar de analyses en doeleinden van dit Europese beleid gaan veelal toch voorbij aan de werkelijke bedreigingen voor veiligheid en ontwikkeling in Afrika. Om als Europese vredesbeweging echt alert en kritisch te blijven, tegen alle mooie Europese bewoordingen in, is het van belang om structurele contacten te onderhouden met netwerken van Afrikaanse vredes- en ontwikkelingsorganisaties, zoals bijvoorbeeld WANEP, het West African Network for Peacebuilding dat juist ook op zoek is naar partnerorganisaties in de rest van de wereld, onder andere via het Europees Centrum voor ConflictPreventie (ECCP) en de International Fellowship of Reconciliation (IFOR) waarbij het is aangesloten.

Jan Schaake
Jan Schaake is algemeen secretaris van Kerk en Vrede, de Nederlandse afdeling van IFOR



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Globalisering en oorlog -

Herstrukturering als verwoesting in Ivoorkust

Achtergronden van de burgeroorlog in Ivoorkust: de desastreuze gevolgen van het beleid van Wereldbank en IMF, en over ongelijksoortige ruil als uitdrukking van de huidige binnenlandse crisis in Ivoorkust.

De burgeroorlog in Ivoorkust is een voorbeeld van de verbanden die er bestaan tussen globalisering en de hedendaagse oorlogen in Afrika. De oorlog brak uit in de tweede helft van 2002, en heeft ertoe geleid dat het land in twee stukken is verdeeld. Het noordelijke, bosrijke gedeelte wordt beheerst door de rebellen; in het zuidelijke deel, waar de productie van 's lands belangrijkste exportproduct, cacao plaatsvindt, blijft de landelijke regering onder leiding van president Gbagbo de scepter zwaaien. De burgeroorlog is vooraf gegaan door twee decennia van structurele aanpassingsprogramma's, en door vergaande liberalisering van de handel in cacao. Als gevolg van de oorlog is cacao veranderd van een bron van relatieve welvaart in een exportproduct dat gebruikt wordt om militaire campagnes te financieren.

Success story

De Ivoorkust stond jarenlang bekend als een voorbeeld van succesvolle postkoloniale economische ontwikkeling, primair stoelend op uitbreiding van de cacaoteelt. Voor de formele onafhankelijkheid van het land in 1960 bedroeg de productie van cacao naar schatting 60 duizend ton. Begin negentiger jaren was de productieomvang het vijftienvoudige, zo'n 850 duizend ton. (noot 1) En hoewel 's lands staat als gevolg van de internationale prijsval voor cacao begin negentiger jaren duidelijk in de problemen geraakte, zijn productie en export ook in het vorige decennium blijven groeien. (noot 2) Het land is veruit de grootste cacaoproducent ter wereld, met een veel groter volume aan exporten dan Brazilië, Ghana en andere Zuidelijke cacao-exporteurs.

De gouden tijden van de cacao-productie lagen in de tweede helft van de jaren zeventig toen de internationale prijs van cacao op een historisch hoog peil lag. In 1977 was dit 3.500 Britse pond per ton. (noot 3) In het kielzog van de prijsstijgingen van ruwe olie (1973), was net als voor andere grondstoffen die voornamelijk in Zuidelijke landen worden geproduceerd, sprake van een tijdelijke prijsstijging rond cacao. Sinds eind jaren zeventig is de prijs van cacao gestaag gedaald. (noot 4)

Net als voor andere Afrikaanse landen, die na hun formele onafhankelijkheid sterk afhankelijk zijn gebleven van de export van een enkele of een paar landbouwgrondstoffen of ertsen, begon de crisis voor Ivoorkust rond 1980 met een fiscale en betalingsbalanscrisis, ten dele veroorzaakt door de blijvende effecten van ongelijke ruil.

Om de rol van de internationale financiële instellingen te verklaren, moet vermeld worden hoe de verkoop en export van cacao in de periode na onafhankelijkheid door de staat waren georganiseerd. Een centrale rol werd gespeeld door een staatsbedrijf dat de naam droeg van Caisse de Stabilisation, of kortweg de Caisse. Dit bedrijf trad niet zelf op als opkoper van cacaobonen, maar had niettemin een beslissende invloed op de binnenlandse handel in, en op de export van, cacao. De Caisse verleende toestemming aan plaatselijke handelaren om cacaobonen op te kopen, en bepaalde ook de hoogte van de prijs die aan de producenten moest worden betaald. Daarnaast stelde de Caisse ook de prijs vast, die exporteurs moesten aanhouden, en verleende toestemming tot verscheping van cacao naar het buitenland. Dit systeem bracht met zich mee, dat de Caisse in goede tijden, als de internationale prijs van cacao hoog lag, een financiële reserve opbouwde waarmee publieke investeringen werden gedaan, – maar ook dat de Caisse in magere tijden bijsprong en via leningen gesloten met bankinstellingen de prijs op peil hield. (noot 5)

Aanval op de Caisse

De Wereldbank en IMF hebben herhaaldelijk en schromeloos misbruik gemaakt van de tegenvallers die de Caisse de Stabilisation en de staat moesten incasseren, om hun standaardstructurele aanpassingsprogramma's en liberalisering van de markt aan Ivoorkust op te leggen. De eerste keer dat dit gebeurde was begin jaren tachtig, toen Ivoorkust zoals gezegd last had van een internationale prijsval rond cacao. Hoewel privatisering kon worden afgewend, moest de toenmalige president, Houphouet-Boigny, ermee akkoord gaan dat salarissen van staatsfunctionarissen verminderd werden en dat staatscorporaties een deel van hun staf moesten ontslaan. Een tweede ronde van ingrepen volgde een decennium later, in 1990, toen de Caisse met grote financiële tekorten kampte. Ditmaal probeerde de regering op voorspraak van WB/IMF een salarisvermindering van liefst 40 procent door te voeren, maar die maatregel moest onder druk van massale protesten van ambtenaren worden omgebogen. (noot 6) Ook ditmaal kon privatisering van de staatscorporaties die de spil van het economische systeem in Ivoorkust vormden, nog worden afgewend.

Eind jaren negentig kreeg het Ivoriaanse systeem echter een nieuwe klap te verduren: ditmaal, in 1999/2000, moest Houphouet-Boigny er onder druk van de Wereldbank en het IMF toe overgaan om de Caisse te ontmantelen. Daarmee kreeg een kleine groep van multinationale ondernemingen die de internationale handel in cacao beheersen vrij spel. Zoals Ekoue Amaizo stelt: privé-monopolies namen het roer over van de staatsmonopolies. (noot 7) Gevolg was dat machtige bedrijven prijzen gingen opleggen aan de cacaoproducenten, die in grote meerderheid kleine boeren zijn. Behalve de positie van de staat werd dus ook die van de kleine cacaoproducenten verzwakt. Volgens Ekoue Amaizo werd hun inkomen in enkele jaren tijd gehalveerd. Commentatoren in Franse bladen als Le Monde en Le Monde Diplomatique hebben sinds het uitbreken van de burgeroorlog herhaaldelijk geopperd, dat de gedwongen liberalisering de hoofdoorzaak vormt voor de ineenstorting van de Ivoriaanse staat.

Franse invloed en burgeroorlog

Aparte aandacht moet geschonken worden aan de rol van Franse bedrijven in de economie van Ivoorkust en in de huidige burgeroorlog. Frankrijk slaagde erin om na de onafhankelijkheid een sleutelrol te blijven vervullen in de economie van Ivoorkust, zoals de befaamde econoom Samir Amin in zijn studie over het land nu bijna veertig jaar terug liet zien. (noot 8) Hoewel er in de landbouwsector sprake was van het ontstaan van een inheemse bourgeoisie, bleven Franse bedrijven onder meer de importen en exporten van goederen beheersen.

Daarnaast hebben Franse bedrijven ook een stempel gedrukt op de industriële ontwikkeling van Ivoorkust. Volgens een bericht in Le Monde van vlak na het uitbreken van de burgeroorlog, was de omvang van de directe Franse investeringen toen zo'n 3 miljard Euro. (noot 9) Er is de afgelopen jaren druk gespeculeerd over de vraag hoe Franse en Amerikaanse multinationals zich hebben opgesteld tegenover de interne politieke crisis van Ivoorkust die in 2002 bloot kwam te liggen. Volgens aanhoudende geruchten zouden zij geïnteresseerd zijn geweest in verdere destabilisering van de staat, en zouden om die reden de rebellenbeweging hebben gefinancierd. (noot 10)

Het voorspel tot de burgeroorlog in Ivoorkust, net als bij de eerdere oorlog in Sierra Leone, wordt in ieder geval gevormd door een verzwakking van de staat als gevolg van structurele aanpassingsprogramma's die op last van Wereldbank/IMF zijn doorgevoerd. Een tweede verband tussen de burgeroorlog en globalisering ligt in de vorm van internationale handel, die tijdens de burgeroorlog is ontstaan.

VN-experts hebben in een recent rapport over Ivoorkust gewezen op het feit dat de inkomsten uit cacao de oorlogsinspanningen van de regering voeden. Enerzijds wijzen zij op de heffingen die met het oog op een militair offensief tegen rebellen in het noorden van het land aan cacaoboeren zijn opgelegd. Anderzijds stellen de VN-experts dat gelden uit de reguliere heffingen op cacaoproductie, die meer dan een vijfde van de waarde van de cacaoproductie omvatten, stilzwijgend worden weggesluisd en zo gebruikt worden voor aankoop van wapens. (noot 11) En hoewel de feiten die hierover tot nu toe naar buiten zijn gebracht nog geen sluitend beeld geven, ligt het in de context van de burgeroorlog die er in Ivoorkust woedt erg voor de hand dat de regering de cacao-exporten gebruikt om buitenlandse wapenaankopen mogelijk te maken.

Overigens verdient het vermelding dat de belasting van de cacaoproductie voor oorlogsdoeleinden ook tot ontduiking leidt. Zo maakt een recent artikel in Le Monde gewag van een aanzienlijke smokkel van cacaobonen naar buurlanden van Ivoorkust, waaronder naar de haven Accra in Ghana, en naar de haven Lome in Togo via Burkina Faso. Daarbij zou het om een omvang van wellicht 200 duizend ton cacaobonen gaan, bijna een zesde van de totale cacao-export van Ivoorkust. (noot 11) Ook van de illegale inkomsten uit cacaoproductie zou weer een deel besteed worden aan de aankoop van wapens, kennelijk als reactie op de onveiligheid die er in Ivoorkust alom heerst. Volgens Le Monde is men in de 'cacao-ring', het centrale gebied van cacaoproductie in het zuidwestelijke deel van Ivoorkust, bezig zich te wapenen met machetes en geweren. (noot 12)

Niet alle gegevens over de voorgeschiedenis en de 'vormgeving' van de burgeroorlog in Ivoorkust zijn al opgegraven. Toch is er al voldoende over de economische neergang van het land bekend, en over de desastreuze wijze waarop die door Wereldbank en IMF bestreden is, om de stelling te rechtvaardigen dat het land in oorlog is geraakt als uitvloeisel van globaliseringsbeleid. Terwijl internationale instellingen anno 2005 onvermoeibaar doorgaan om vrijhandel en liberalisering van markten te bepleiten, is duidelijk dat juist dat beleid in concrete gevallen tot oorlog heeft geleid. Bovendien is de uitkomst van op exportgerichte economische strategieën, zoals die decennialang door Wereldbank en IMF zijn bevorderd, dat oorlogvoerende partijen in Afrikaanse landen hun toevlucht nemen tot ongelijksoortige ruil. Dat betekent dat zij hun natuurbronnen aan het buitenland verkwanselen in ruil voor middelen van verspilling, om wapenaankopen op de wereldmarkt te doen. En hoewel de Wereldbank en IMF niet bewust op die vorm van ruil aan hebben gestuurd, vindt ongelijksoortige ruil wel zijn oorsprong in hun desastreuze economische beleid.

Dr.Peter Custers, 20 november 2005
Peter Custers is theoreticus rond wapenproductie en wapenhandel en campagnevoerder XminY Solidariteitsfonds

Voetnoten:

  1. zie Robin Dand, The International Cocoa Trade (Woodhead Publishing Ltd, Cambridge, Verenigd Koninkrijk, 1995), p.58; voor productiegegevens, zie ook Mathurin Gbetibouo en Christopher L.Delgado, ' Lessons and Constraints of Export Crop-Led Growth: Cocoa in Ivory Coast' (in: William Zartman en Christopher Delgado, The Political Economy of Ivory Coast (Praeger Publishers, New York, USA, 1984, p.115);
    terug naar tekst
  2. zie ICCO (International Cocoa Organisation), 'Information on the Effects of Liberalisation on Ivory Coast's Cocoa Market' (September, 2003 – www.icco.org); vgl Africa Confidential, 'Côte d'Ívoire. The Nightmare Scenario' (27 september, 2002 – www.africa-confidential.com);
    terug naar tekst
  3. Richard Crook, 'Politics, the Cocoa Crisis, and Administration in Côte d'Ívoire' (The Journal of Modern African Studies, 28.4, 1990, p.49);
    terug naar tekst
  4. ibid;
    terug naar tekst
  5. voor de geschiedenis van de Caisse de Stabilisation, zie o.a. Richard Crook (199), op.cit., p.655-656, 'The Marketing System'; en Robin Dand (1995), op.cit., p.89-90;
    terug naar tekst
  6. zie Richard Crook (1995), op.cit., p.666-669;
    terug naar tekst
  7. Yves Ekoue Amaizo, 'Ce Qui Paralyse Le Pouvoir Ivoirien' (Le Monde Diplomatique, januari 2003, p.20);
    terug naar tekst
  8. Samir Amin, Le Developpement du Capitalisme en Côte d'Ívoire (Parijs, Frankrijk, 1967); andere bronnen voor de rol van buitenlands kapitaal in Ivoorkust: Lynn Krieger Mytelka, 'Foreign Business and Economic Development' (in William Zartman en Christopher Delgado (1984), op.cit.; en ICCO (2003), op.cit.;
    terug naar tekst
  9. Le Monde, redactioneel, 'Pour la Côte d'Ívoire' (Le Monde, 26-27 januari, 2003, p.11);
    terug naar tekst
  10. zie Yves Ekoue Amaizo (2003), op.cit.;
    terug naar tekst
  11. zie Jean-Philippe Remy, 'Côte d'Ívoire. Le Sang du Cacao' (Le Monde, 22 oktober, 2005, p.13);
    terug naar tekst
  12. ibid.
    terug naar tekst


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Proliferatie -

Debat over de dreigende oorlog met Iran

Op zaterdagmiddag 10 december kwamen een dertigtal belangstellenden naar de Rode Hoed in Amsterdam om met internationale sprekers te discussiëren over de mogelijke oorlogsdreiging tegen Iran. De bijeenkomst was georganiseerd door het politieke organisatie- en communicatiebureau Alternative View.

Als eerste nam het woord Hans-Christof Graf von Sponeck, de voormalige VN-coördinator voor humanitaire zaken in Irak. Hij trok de vergelijking tussen de huidige crisis rond Iran en de aanloop in 1998 en 1999 naar de oorlog met Irak. Hij vond de overeenkomsten opvallend, signaleerde de verborgen agenda van de grote mogendheden en waarschuwde voor de 'geïnstitutionaliseerde desinformatie door regeringen'. Het resultaat van sancties tegen Iran zal zijn dat de repressie tegen de binnenlandse vijand aldaar (de oppositie) wordt opgevoerd. Zo dreigt de bevolking – net als in Irak – dubbel te worden gestraft. Eerst door een slecht regime en vervolgens nog eens door de drukmiddelen van buitenaf. Von Sponeck riep op tot het publiceren van een document dat expliciet de vergelijking trekt tussen Irak en Iran, het misbruik van de VN aan de kaak stelt en de gevolgen van sanctiebeleid schetst.

Daarna gaf Andreas Persbo, onderzoeker bij het Londense informatiecentrum over ontwapening Vertic, een gedetailleerd exposé over wat we nu eigenlijk weten over de stand van de Iraanse nucleaire technologie. Hij benadrukte dat Iran volgens het non-proliferatieverdrag het volste recht heeft om zich met civiele nucleaire technologie bezig te houden. De mogelijkheden van het atoominspectiebureau IAEA moeten ook niet verkeerd worden beoordeeld. Ze kunnen niet zomaar op elke willekeurige plek op zoek gaan naar kernwapens, maar alleen bepaalde van tevoren afgesproken sites controleren. Het is eerder te vergelijken met een alarminstallatie dan met een slot op de deur. Niettemin achtte hij het op basis van zijn gegevens onwaarschijnlijk dat Iran een geheim gehouden kernwapenfabriek heeft (zoals bijvoorbeeld Israël had en heeft). Als de geplande verrijkingsinstallaties voor uranium eenmaal volledig in bedrijf zijn – niet eerder dan over twee jaar – dan zou Iran vanaf dan per jaar 14,5 kilo hoog verrijkt uranium kunnen produceren, d.w.z. in weer twee jaar genoeg voor één bom. Maar als ze daaraan begonnen zou dat binnen een maand bekend zijn.

Ten slotte behandelde Dan Plesch, onderzoeker aan de universiteit van Londen de reële oorlogskansen tegen Iran. Volgens hem zijn deze groter dan door de media meestal ingeschat worden. De regering Bush koerst duidelijk aan op regimeverandering in Iran. Er is – zo denken ze – geen groot bezettingsleger nodig. De Amerikaanse luchtmacht en marine hebben overcapaciteit genoeg om de strategische infrastructuur van Iran te vernietigen. Ze hebben bovendien een institutioneel belang om zichzelf in de oorlog tegen de as van het kwaad op de voorgrond te dringen uit angst irrelevant te lijken. Met 100 vliegtuigen kunnen nu al 5000 doelen tegelijk worden aangevallen. Beide kanten lijken nu ingesteld op een collision course. Daarbij is inzet van kernwapens van de kant van de VS niet uit te sluiten. Om een nucleaire bunker in een berg te vernietigen moet je de berg opblazen. Dan hebben we het over zware kernwapens, aldus Plesch.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Iraakse verkiezingen -

Iraakse verkiezingen in Utrecht

In een kleurrijke sfeer gingen de Irakezen in Nederland naar de stembus om een nieuw parlement te kiezen. Omcirkeld door muziek en dans, en goed beveiligd, hoopten ze dat de democratie nu echt gevestigd zou worden zonder de Amerikaanse bezetting.

foto Iraakse verkiezingen in Utrecht Van 13 december tot 15 december 2005 was de Kromhoutkazerne in Utrecht het hoofdstembureau in Nederland. Buiten dansen en zingen Koerdische jongeren. Ook is er veel vlagvertoon en gezang. Maar of het er beter van gaat worden in Irak, daar zijn de stemmen zeer verdeeld over. In elk geval hoopt vrijwel iedere Irakees in Nederland daarop, al was het maar dat ze de familie in Irak tijdelijk op kunnen zoeken.

De veiligheidsmaatregelen zijn streng. Er wordt goed gecontroleerd op identiteit en metalen voorwerpen. Alleen de "onuitwisbare" inkt gaf een smet. De paarse inkt zou het vijf dagen moeten volhouden, maar als je de gemerkte vinger in een chloorachtige vloeistof doopte bleek de inkt er toch meteen eraf te kunnen.

foto Iraakse verkiezingen in Utrecht In Nederland was lijst 730 van de Koerdische alliantie favoriet samen met lijst 555 van de sji'ietische Verenigde Iraakse alliantie. Dat is niet verrassend, de sji'ieten zijn verreweg de grootste groep in Irak. De definitieve uitslag komt waarschijnlijk pas in januari 2006.

Hassan Dawasse
foto's: Joop Blom

Klik op onderstaande foto's om naar de fotopagina te gaan.

foto 1 Iraakse verkiezingen in Utrecht foto 2 Iraakse verkiezingen in Utrecht foto 3 Iraakse verkiezingen in Utrecht foto 4 Iraakse verkiezingen in Utrecht foto 5 Iraakse verkiezingen in Utrecht foto 6 Iraakse verkiezingen in Utrecht

foto 7 Iraakse verkiezingen in Utrecht foto 8 Iraakse verkiezingen in Utrecht foto 9 Iraakse verkiezingen in Utrecht foto 10 Iraakse verkiezingen in Utrecht foto 11 Iraakse verkiezingen in Utrecht

Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

- Afrika -

West-Sahara: de laatste kolonie in Afrika

Vanaf 1975 zucht het volk van West-Sahara onder de bezetting door Marokko van een groot deel van zijn grondgebied (de voormalige Spaanse Sahara). Er verblijven meer dan 180.000 vluchtelingen in barre omstandigheden langs de grenzen van West-Sahara, afhankelijk van internationale hulpverlening en in afwachting van terugkeer naar hun land. West-Sahara is de laatste kolonie in Afrika en het gebied moet nog altijd gedekoloniseerd worden.

Marokko weigert elke politieke oplossing en lapt alle resoluties van de Veiligheidsraad aan zijn laars. Onlangs is de Nederlandse diplomaat Van Walsum als persoonlijk afgezant van Kofi Annan begonnen aan zijn werk. Zonder druk vanuit de internationale gemeenschap en ook vanuit Nederland op Marokko zijn ook zijn pogingen tot mislukken gedoemd.

Volksopstand in West-Sahara

Sinds mei 2005 protesteert de Saharaanse bevolking openlijk en massaal tegen de Marokkaanse repressie en voor een referendum en onafhankelijkheid. Zij doet dit op vreedzame wijze door middel van sit-ins en demonstraties, met leuzen, vlaggen en spandoeken. De Marokkaanse bezettingsmacht reageert hierop met veel geweld: politie en leger slaan elke demonstratie uit elkaar, vallen huizen binnen, arresteren hele families, bedreigen mensenrechtenactivisten en slaan ze in elkaar. Leger en politie zijn alom aanwezig en de Saharaanse wijken zijn omsingeld. Vanuit Marokko zijn extra ordetroepen, oproerpolitie en andere politie-eenheden aangevoerd. Zo wordt onder de ogen van de VN-missie in West-Sahara, MINURSO, de Saharaanse bevolking mishandeld en geterroriseerd terwijl die opkomt voor het recht dat de MINURSO geacht wordt te implementeren: het recht op zelfbeschikking via de organisatie van een referendum.

Geen persvrijheid

In feite heerst de staat van beleg. De Marokkaanse bezetter probeert verslaggeving door buitenlandse journalisten te voorkomen. Zo werd een journalist van El-Jazeera die een legerhelikopter boven de stad El Aaiun had gefilmd en die de mensenrechtenactiviste en voormalig politiek gevangene Aminatu Haidar wilde interviewen, gedwongen het land te verlaten.

Niet alleen de buitenlandse pers wordt het werk moeilijk gemaakt, ook diverse buitenlandse parlementsleden, die zich ter plaatse wilden informeren, werden bij herhaling verhinderd West-Sahara in te reizen.

In oktober dit jaar viel de eerste Saharaanse dode van deze volksopstand. Op zaterdag 29 oktober is een Saharaanse man, Lembarki Hamdi Salek Mahyub, op straat aangehouden en zwaar mishandeld door een politie-eenheid van de Groupes Urbains de Securité (GUS). Zijn enige misdrijf was dat hij zwaaide met de Saharaanse nationale vlag. In het gebouw van de Gerechtspolitie werd hij opnieuw afgeranseld. Laat in de nacht is hij naar een ziekenhuis overgebracht. Zondagmiddag verklaarden de artsen hem dood, zonder de plaats en oorzaak van het overlijden aan te geven. De Marokkaanse autoriteiten hebben de familie van Lembarki verboden enige uitlatingen te doen over zijn dood. Het lichaam van Lembarki is door de Marokkaanse autoriteiten nog steeds niet vrijgegeven om begraven te worden. Waarschijnlijk is dit uit vrees voor massale demonstraties.

Beïnvloeding van het referendum

In november dit jaar is de Nederlandse journalist Sietske de Boer erin geslaagd bezet West-Sahara te bezoeken. Zij heeft met mensenrechtenactivisten gesproken. Zij bezocht ook Marokkanen die door wijlen koning Hassan II naar het gebied zijn overgebracht met als doel als 'Saharanen' deel te nemen aan het referendum. Speciaal voor deze mensen heeft de Marokkaanse staat een sociaal vangnet opgezet. Zij wonen gratis in speciale kampen en ontvangen de meest noodzakelijke voedingsmiddelen van de Marokkaanse staat. (De radioreportage die Sietske De Boer maakte is te beluisteren op de website van het radioprogramma 'De Ochtenden'.

Gevangen in Marokko

Er zijn inmiddels vele activisten opgepakt. Sommigen zitten in de beruchte Zwarte Gevangenis van El Aaiun, anderen zijn overgebracht naar gevangenissen in Marokko. Overbrenging naar Marokko heeft als doel contact tussen gevangenen onderling, met hun familie en met hun advocaten moeilijk te maken. De gevangenen zitten tot nu toe zonder correcte processen vast. Processen worden regelmatig uitgesteld. Amnesty International en Human Rights Watch hebben inmiddels oproepen gedaan voor eerlijke processen.

Op 2 december jl. is in Tan Tan (Zuid-Marokko) de Saharaan Abba Cheich Embarek Ould Ali door een Marokkaanse politieagent doodgeslagen. De reden was dat hij een afpersingsbedrag niet kon betalen.

Plunderingen van natuurlijke rijkdommen

Zelfs met betrekking tot bezette gebieden zijn er nog internationale rechtsregels geformuleerd waaraan een bezetter zich moet houden. Dit heeft onder andere betrekking op bescherming van natuurlijke rijkdommen. Het internationale netwerk Western Sahara Resource Watch (WSRW) zet zich in voor het behoud van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied voor gebruik door haar legitieme eigenaar – het volk van West-Sahara. De deelnemers in het netwerk baseren zich op het alom geldende principe van de permanente soevereiniteit van volkeren over hun natuurlijke hulpbronnen. Dit is vastgelegd in: VN-resolutie 1803 XVII (14 december 1962), artikel 1 en 2 van het Internationale Convenant van Mensenrechten (1966) en het Handvest betreffende de economische verplichtingen van Staten (1974). Hiervan luidt artikel 16 punt 2: "Geen enkele staat heeft het recht om investeringen te stimuleren of te doen die een obstakel zouden kunnen vormen voor de bevrijding van een grondgebied dat met geweld is bezet".

Fosfor

De natuurlijke rijkdommen van West-Sahara waren een belangrijke reden voor Marokko om het gebied te annexeren. Rond 1975 was fosfaat een zeer gewilde grondstof. In West-Sahara was deze grondstof gemakkelijk te winnen (het lag vlak onder de oppervlakte) en de fosfor was van hoge kwaliteit. De fosfaatexploitatie is nog steeds van belang, hoewel de prijs van fosfaat op de wereldmarkt aanzienlijk is gedaald.

Vis

De wateren voor de Saharaanse kust behoren tot de meest visrijke ter wereld. Grote scholen vissen zwemmen zich als het ware klem tussen de Saharaanse kust en de Canarische Eilanden. Ook hier nemen niet alle overheden en bedrijven het zo nauw met het internationale recht. Zo heeft de Europese Commissie onlangs een visserijverdrag met Marokko gesloten dat Europese vissers toegang verschaft tot Saharaanse visgronden. Verschillende bedrijven profiteren hiervan, waaronder Nederlandse. Een viertal Nederlandse visserijbedrijven, aangesloten bij de beroepsorganisatie Pelagic Freezer Trawler Association (PFA), zijn waarschijnlijk betrokken of betrokken geweest bij de illegale visserij in Saharaanse wateren. De PFA was in 2004 niet bereid tot een gesprek met de Nederlandse Stichting Zelfbeschikking West-Sahara. De exacte visplaatsen van deze bedrijven blijven daardoor raadselachtig.

Olie

Al lange tijd wordt verondersteld dat er exploiteerbare olievoorraden in West-Sahara zijn. Op 6 en 7 oktober 2005 hield Erik Hagen namens WSRW een pleidooi tijdens een bijeenkomst van de Dekolonisatiecommissie van de VN. Hij zei onder andere het volgende: "Misschien vormt olie wel het belangrijkste onderdeel van de Marokkaanse economische plannen. De Marokkaanse staatsoliemaatschappij, bijvoorbeeld, is glashelder over haar voornemen om de olie-exploratie te versnellen. In haar strategiedocument voor 2005-2009 verklaart zij dat de gebieden voor de Saharaanse kust onderwerp zullen zijn van een intensief onderzoeksprogramma met als doel de aanwezigheid van exploiteerbare olievoorraden aan te tonen. Het Amerikaanse olieconcern Kerr-McGee (KMG) bevestigt dit door bekend te maken dat zij plannen heeft om in West-Sahara naar olie te boren ondanks het feit dat de VN in 2002 heeft verklaard dat verdere exploratie illegaal is." KMG is op dit moment het enige westerse bedrijf dat actief is in de illegale Saharaanse olie-exploratie. Een aantal andere bedrijven, waaronder de Franse oliegigant Total, het Noorse TGS-Nopec en het Nederlandse Fugro, hebben zich – onder andere onder druk vanuit Polisario en WSRW – teruggetrokken uit het gebied.

Druk op aandeelhouders KMG wordt verhoogd

WSRW, een coalitie vanuit meer dan twintig landen, roept nu alle aandeelhouders van KMG over de wereld op haar aandelen in het bedrijf van de hand te doen. Stichting Zelfbeschikking West-Sahara maakt deel uit van de coalitie en wendt zich tot de Nederlandse aandeelhouders. Dit betreft Pensioenfonds ABP, ING Investment Management, DSM Pension Services, Shell Pensioensfonds BV en Fortis Investment Management.

KMG heeft zijn exploratiecontract (olie) met de Marokkaanse staat onlangs opnieuw verlengd, tot april 2006. Western Sahara Resource Watch houdt dit bedrijf dus in het vizier.

Er zijn inmiddels belangwekkende ontwikkelingen geweest op het aandeelhoudersfront. Zo hebben zeer onlangs 4 van de 5 Zweedse aandeelhouders van KMG hun aandelen van de hand gedaan: First AP-fund, Seventh AP-fund, Handelsbanken en Ohman Fund.

Het Noorse ministerie van Financien heeft in juni het Petroleum Fund verplicht de aandelen KMG te verkopen. Dit gebeurde nadat de ethische commissie van het Petroleum Fund zelf KMG's activiteiten als "een zeer ernstige schending van de fundamentele ethische normen" beschouwde. Zij zouden namelijk de Marokkaanse claims op het gebied kunnen versterken en aldus bijdragen aan ondermijning van het VN vredesproces. Momenteel worden bedrijven aangepakt die fosfaat importeren afkomstig uit de fosfaatmijnen bij Bou-Craa.

Het spreekt voor zich dat deze internationale medeplichtigheid aan de plunderingen in West-Sahara voor Marokko voordelen oplevert. Enerzijds in harde valuta omdat Marokko betaald wordt voor concessies in West-Sahara, anderzijds omdat het een politiek signaal is: de Marokkaanse weigering om zich te houden aan het internationale recht en VN-resoluties levert geen problemen op.

Marokko en Nederland

In 2005 werd in Nederland veel aandacht besteed aan de viering van 400 jaar betrekkingen tussen Marokko en Nederland. Bij alle activiteiten rond dit thema werd een belangrijk aspect systematisch vergeten: de illegale bezetting van West-Sahara. Sterker nog: de Marokkaanse autoriteiten hebben het voor elkaar gekregen dat de organisatie in alle opzichten meeging met de Marokkaanse visie dat West-Sahara de zuidelijke provincie van Marokko vormt.

Dat de Marokkaanse regering er in Marokko in slaagt een andere visie te onderdrukken is tot daar aan toe. In Nederland verscheen bij de openingstentoonstelling '5000 jaar Marokkaanse cultuur' in de Nieuwe Kerk te Amsterdam een catalogus met een kaart van Marokko. Oorspronkelijk was de grens met West-Sahara met een stippellijn aangegeven. Onder zware Marokkaanse druk heeft de organisatie vervolgens besloten de grens met een sticker te verdoezelen.

Een reizende fototentoonstelling over Nederlandse en Marokkaanse jongeren geeft op het inleidende paneel de oppervlakte van Marokko aan, inclusief West-Sahara. Deze tentoonstelling hing onder andere in de Openbare Bibliotheek van Groningen en in het gemeentehuis van Almere. Dit zijn organisaties waarvan correcte informatie mag worden verwacht, maar ze gaan in tegen het officiële Nederlandse standpunt dat de annexatie van West-Sahara niet erkend wordt. Hieruit blijkt dat de Marokkaanse overheid nog altijd een grote invloed heeft in de Nederlandse samenleving.

Rol van progressieve organisaties

Nederlandse progressieve organisaties, met name FNV, PvdA, GroenLinks en SP, hebben de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in het binnenhalen van allochtone kaderleden, onder andere van Marokkaanse origine. Hierbij werd niet altijd evenveel aandacht besteed aan de ideologische bagage die deze nieuwe leden met zich meebrachten. Het is ook verwarrend dat veel progressieve Marokkaanse Nederlanders inzake West-Sahara een nationalistisch standpunt innemen. Door gebrek aan informatie over het conflict in West-Sahara zien deze organisaties niet altijd de noodzaak in van een discussie over dit onderwerp met hun nieuwe leden.

Solidariteit met West-Sahara in Nederland

De Stichting Zelfbeschikking West-Sahara is betrekkelijk klein. Maar dit is niet de voornaamste reden waarom de solidariteit met de Saharanen in Nederland zo beperkt is. De media besteden weinig aandacht aan West-Sahara. De Marokkaanse regering heeft nog altijd een groot propagandabudget, een goede propagandastrategie en adviseurs die de Europese mentaliteit goed kennen. Daarnaast staan economische belangen een fermer Nederlands standpunt in de weg. Ten slotte nemen veel Marokkanen, ondanks hun lidmaatschap van progressieve organisaties, met betrekking tot West-Sahara een nationalistisch standpunt in waar ze door hun collega-leden maar zelden op worden aangesproken.

We hopen dat de dappere volksopstand in West-Sahara ook in Nederland de aandacht krijgt van de media die zij verdient. Internationaal recht wordt meestal pas toegepast bij voldoende druk van voldoende 'gewone' mensen.

Erik Haverkort en Fennie Stavast
Erik Haverkort en Fennie Stavast zijn bestuursleden van Stichting Zelfbeschikking West-Sahara


chronologie
mei 1973 Oprichting Saharaanse bevrijdingsbeweging Front Polisario.
16 oktober 1975 Uitspraak Internationaal Gerechtshof:
- Spaanse Sahara was voor de kolonisatie geen terra nullius;
- Marokko kan geen volkenrechtelijke aanspraken maken op West-Sahara;
- De oorspronkelijke bevolking heeft recht op zelfbeschikking.
november 1975 Groene Mars: 350.000 Marokkanen dreigen onder leiding van toenmalig koning Hassan II West-Sahara binnen te vallen. Het resultaat is dat Spanje gaat onderhandelen met Marokko over de overdracht van het gebied.
14 november 1975 Spanje, Marokko en Mauritanië sluiten het geheime Akkoord van Madrid: Spanje zal gecompenseerd worden na overdracht van West-Sahara aan Marokko en Mauritanië.
Januari/februari 1976 Marokko bombardeert Saharaanse burgers met fosfor en napalm – begin van de oorlog met Polisario. Er ontstaat een Saharaanse vluchtelingenstroom.
27 februari 1976 Uitroeping van de Democratische Arabische Republiek Sahara (DARS).
1979 Vredesakkoord tussen Mauritanië en Polisario, Mauritanië ontruimt het zuiden van West-Sahara, Marokko annexeert vervolgens ook dit gebied.
1980 Marokko begint met de aanleg van een verdedigingswal dwars door West-Sahara, bekend als 'de muur'.
1984 Mauritanië erkent de DARS.
1988 Marokko en Polisario accepteren vredesvoorstel van de VN en OAE over referendum zelfbeschikking.
september 1991 Staakt-het-vuren tussen Marokko en Polisario. De VN stelt MINURSO in (VN-missie voor een referendum in West-Sahara) en begint met organisatie referendum.
1992 Het referendum wordt voor de eerste keer uitgesteld.
1997 Marokko en Polisario sluiten het Akkoord van Houston: afgesproken wordt de organisatie van het referendum voort te zetten. Marokko blokkeert een paar weken later het vredesproces door een lijst met 65.000 zogenaamde stemgerechtigden te presenteren.
januari 2004 Marokko weigert in te stemmen met het laatste VN-vredesplan, terwijl Polisario hier wel mee instemt. De VN verlengen het mandaat van MINURSO.
2005 Nederlandse diplomaat Peter van Walsum wordt de nieuwe speciale afgezant van VN secretaris-generaal Kofi Annan.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Massavernietigingswapens -

Een dikke witgewassen deken van bedrog

Het heeft iets ironisch om, terwijl New York Times' verslaggever Judith Miller in de gevangenis mag afkoelen vanwege haar weigering om haar bronnen bekend te maken in een zaak die in laatste instantie samenhangt met de oorspronkelijke Amerikaanse speurtocht naar Irak's massavernietigingswapens (MVW's), The WMD Mirage te bespreken. Dit boek is namelijk geredigeerd en ingeleid door een andere journalist van de Times, Craig R. Whitney, die met dezelfde speurtocht bezig is.


'The WMD Mirage: Iraq's Decade of Deception and America's False Premise for War'
onder redactie van en ingeleid door Craig R. Whitney
New York : Public Affairs
April 2005
671 pagina's
ISBN 1586483617
US$ 16,95

Al verdient Whitney niet met Miller te worden vergeleken (denk aan de Miller's beruchte onethische berichtgeving over de oorlog in Irak), toch zullen nijvere presentatoren en politieke analisten merken dat zijn nieuwe journalistieke onderneming er niet op gericht is de cirkel van desinformatie en propaganda waarvan zij een onderdeel is in te perken. Oppervlakkig gezien is Whitney's publicatie – die her en der ook op het internet te vinden is – een omvangrijke (zij het kronkelende en zielloze) poging om een complexe bureaucratische doolhof voor de gewone lezer toegankelijk te maken. In feite is het een nieuwe commerciële verpakking van de opvatting van het politieke establishment van de Verenigde Staten over de jacht op de Iraakse MVW's en operatie Iraqi Freedom.

Als verzameling citaten (en enkele volledige teksten) uit belangrijke documenten van de Verenigde Naties, regeringsrapporten van de VS en speeches van president George W. Bush en de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell (oorspronkelijk gepubliceerd tussen 2002 en 2004) reproduceert het boek de kijk van de Amerikaanse regering op de MVW-affaire. Centraal daarin staat de te late en subliem geregisseerde erkenning van vergissingen die uiteindelijk aan de Amerikaanse inlichtingendiensten worden toegeschreven – en de daarmee samenhangende ontlastende verklaringen ten aanzien van de regering Bush, die goeddeels als slachtoffer van onjuiste informatie wordt neergezet.

Dat Irak illegaal kon beschikken over chemische, biologische en nucleaire MVW's – of vergevorderde programma's had om die te ontwikkelen – was een centraal argument van de regering Bush. Irak´s MVW's, in combinatie met de veronderstelde banden van de regering met al-Qaida, waren de voornaamste redenen voor de VS om de Iraakse president Saddam Hoessein als bedreiging af te schilderen en voor de inspanningen om van hem af te komen. Beide argumenten zijn na de invasie in Irak door veldonderzoek ontkracht – en Whitney laat met zeer uiteenlopende teksten zien hoe dit MVW-drama zich heeft ontvouwd.

Whitney's boek bestaat uit vijf delen, elk voorzien van een inleiding van zijn hand. Op zijn best geeft Whitney in zijn inleidingen een samenvatting van de genoemde teksten, zonder voldoende onafhankelijke kritische beoordeling. In de slechtste gevallen weerspiegelen zij de propaganda van de Amerikaanse regering door vast te houden aan een uiterst selectieve geschiedschrijving van de banden van de VS met Irak en met Saddam Hoessein.

Zo houdt Whitney – in zijn inleiding tot deel V – vast aan de gecorrigeerde officiële opvatting dat Saddam "beslist geen onschuldig slachtoffer was van een fout Amerikaans beleid" (p. 330). Het tegendeel is het geval. Tot op zekere hoogte was Saddam juist een bijproduct van fouten in de Amerikaanse buitenlandse politiek. Zijn banden met de VS gaan ten minste terug tot 1963, toen de Iraakse premier generaal Abd al-Karim Qasim bij een Ba'athistische coup werd vermoord. Richard Sale van United Press International heeft beschreven hoe in de nasleep van die coup "de CIA de met machinegeweren uitgeruste Iraakse Nationale Garde lijsten bezorgde met namen van vermeende communisten, die vervolgens gevangen werden gezet, ondervraagd en uiteindelijk geëxecuteerd." Sale heeft ook bericht dat – volgens Adel Darwish, medeauteur van Unholy Babylon: The Secret History of Saddam's War (1991) – deze massamoorden door Hoessein werden geleid.

Dat Saddam tot de Golfoorlog van 1991 werd geholpen, en soms gebruikt, door de VS is goed gedocumenteerd en is bekend bij alle serieuze publicisten en politici. De hoogtepunten van deze relatie zijn:

Geen van deze punten komt in Whitneys commentaren of in de teksten die hij presenteert aan de orde. Ook ontbreekt onderzoek naar de rol van neo-conservatieve politici en belangrijke leden van de regering Bush bij de presentatie en de selectie van inlichtingen over Irak, en vermelding van het ongekend grote aantal informatielekken met kritiek op de beslissing van de regering Bush om Irak aan te vallen. Het lijkt Whitney te ontgaan dat deze twee factoren elkaar aanvullen bij het hele verhaal over de mislukte Amerikaanse zoektocht naar Iraks MVW's.

Hoewel ze essentieel zijn om te begrijpen hoe "Amerika's valse voorwendsels" voor de operatie Iraqi Freedom zijn ontstaan, kunnen veel details niet makkelijk op een simpele manier worden besproken door de beleefde (en vaak medeplichtige) leden van het Amerikaanse politieke establishment (en niet alleen de rechtervleugel). Terwijl de journalisten het spelletje veelal meespelen, verraden Amerikaanse politici het bestaan van imperialistische neigingen in Amerika's politieke onderbewuste en cultuur, door te weigeren zich objectief en vanuit de optiek van mondiale ethiek met bovengenoemde vragen bezig te houden – uit angst uit de pas te lopen met hun kiezers. Daarom is het niet verwonderlijk dat het Senate Select Committee de gezamenlijke inlichtingendiensten beschuldigt van de "collectieve veronderstelling dat Irak een actief en in belang toenemend programma uitvoerde om massavernietigingswapens te verkrijgen", zonder zelfs maar te vermelden dat deze vooronderstelling al was verankerd in het denken van topmensen van het Witte Huis van de regering Bush, lang voordat ze daarin benoemd werden (p. 207).

Voorafgaand bestuurlijk vooroordeel

Als ondertekenaars van het Project for the New American Century (PNAC, opgericht in 1997) waren Dick Cheney, Donald Rumsfeld, Paul Wolfowitz, I. Lewis Libby, Elliott Abrams, Paula Dobriansky, Peter Rodman, Robert Zoellick, R. James Woolsey, John Bolton, William Schneider Jr., Richard Armitage en Zalmay Khalizad verantwoordelijk voor een brief van 26 januari 1998 waarin voor president Bill Clinton het "enige aanvaardbare beleid" tegenover Irak werd geschetst. Deze brief, die te vinden is op de website van The Indy Voice, stelde dat zo'n beleid "de mogelijkheid moest uitsluiten dat Irak massavernietigingswapens zou kunnen gebruiken of met het gebruik ervan zou kunnen dreigen". De brief betoogde verder: "Op korte termijn betekent dit de bereidheid tot militaire actie, nu de diplomatie overduidelijk faalt. Op lange termijn betekent het dat Saddam Hussein en zijn regime afgezet moeten worden. Dat moet het doel worden van Amerika's buitenlands beleid."

In een andere brief aan Bush, gepubliceerd op 20 september 2001 – negen dagen na de terroristische aanslagen op de Twin Towers in New York – betoogde PNAC: "Mogelijk heeft de Iraakse regering op een of andere manier steun verleend aan de recente aanval op de Verenigde Staten. Maar zelfs als er geen bewijs is van directe betrokkenheid van Irak bij deze aanvallen, moet iedere strategie die gericht is op de uitroeiing van het terrorisme en zijn sponsors gepaard gaan met een vastberaden poging om Saddam Hussein de macht in Irak te ontnemen. Gebeurt dat niet, dan betekent dat een vroegtijdige en wellicht doorslaggevende capitulatie in de oorlog tegen het internationaal terrorisme."

PNAC had die tweede brief eigenlijk niet hoeven te schrijven. Volgens Paul O'Neill, die tot hij begin 2003 werd ontslagen, Bush' minister van Financiën was en die een permanent lid was van de Amerikaanse Nationale Veiligheidsraad, begon Bush direct nadat hij zijn ambt aanvaard had met het beramen van een invasie van Irak.

In The Price of Loyalty (2004) wijst Ron Suskind, oud-journalist van de Wall Street Journal, op basis van uitvoerige gesprekken met O'Neill en diverse andere functionarissen die de vergadering van de Nationale Veiligheidsraad hebben bijgewoond, op diverse memo's met informatie over vroege plannen voor de invasie en bezetting van Irak. Een document van het Pentagon, Foreign Suitors for Iraqi Oilfield Contracts (gedateerd 5 maart 2001), bevat zelfs een kaart van mogelijke concessies voor olieboringen in Irak en spreekt, volgens Suskind, "over aannemers uit dertig tot veertig landen, overal ter wereld, en wie van hen geïnteresseerd zijn in de olie uit Irak".

Wat vergeet Whitney verder en waarom?

  1. De rol van het Office of Special Plans (OSP), een onderdeel van het Bureau voor het Nabije Oosten en Zuid Azië van het ministerie van defensie. Dit bureau is op gezag van minister van defensie Donald Rumsfeld door Wolfowitz (toen plaatsvervangend minister van defensie) en Douglas Feith (onderminister van defensie voor beleid) opgezet – aanvankelijk als een informeel overleg binnen het Pentagon. Onder leiding van Abram Shulsky werd OSP opgedragen om – in de woorden van Rumsfeld – te "zoeken naar informatie over Iraks vijandige bedoelingen of zijn banden met terroristen".
  2. Diverse verslagen en gelekte inlichtingen wekken echter de suggestie dat dit bureau was opgericht om de CIA, de DIA (militaire inlichtingendienst) en het State Department (Ministerie van Buitenlandse Zaken) te omzeilen, omdat deze weigerden de alarmistisch informatie over Irak te leveren die het Witte Huis nodig had om zijn plannen voor een invasie te onderbouwen. Na veel kritiek – zowel op de geheimzinnigheid als op de onwettige bemoeienis met inlichtingen – kreeg OSP in juli 2003 in technische zin een nieuwe opdracht en werd herdoopt tot het Bureau voor de aangelegenheden in het noordelijk deel van de Golf.
  3. OSP vertrouwde voor informatie over Irak op Iraakse bannelingen, in het bijzonder op het Iraaks Nationaal Congres (INC) en zijn leider Ahmed Chalabi. Journalistieke verslagen en gelekte informatie wekken echter de indruk dat Chalabi en het INC door de CIA na 1996 als bron van informatie niet meer werden vertrouwd en ook niet werden gezien als effectief verzet tegen Saddam Hussein. Toen al was duidelijk geworden dat het INC geen echte inlichtingen kon geven en als verzetsorganisatie niet van belang was.

Het wantrouwen van de CIA was zo groot dat Judith Miller, in een onderhandse kritiek op de CIA, op 24 januari 2003 in een artikel in de Times schreef: "Tot voor kort stonden medewerkers van de CIA zo vijandig tegenover overlopers die door het INC uit Irak waren gehaald, dat ze weigerden met hen te spreken en de informatie die zij meebrachten zelfs in diskrediet probeerden te brengen." Miller citeerde Richard Perle, op dat moment een invloedrijke beleidsadviseur van het Pentagon: "Maar uiteindelijk was de informatiestroom zo belangrijk en overstelpend dat [de CIA] die niet langer kon negeren." Hierbij is van belang dat het INC voor het verzamelen van inlichtingen vanaf het moment dat Bush aan de macht kwam ondanks verzet van de CIA maandelijks 340.000 dollar ontving – eerst van het State Department, later van het Pentagon – en dat bedrag maandelijks bleef ontvangen tot mei 2004.

De Irak Groep van het Witte Huis (WHIG), werd in augustus 2002 door Andrew Card opgezet om – volgens een bericht van Barton Gellman en Walter Pincus van de Washington Post van 10 augustus 2003 – "de strategie te bepalen voor iedere stap in de confrontatie met Bagdad". Deze WHIG organiseerde een task force voor 'strategische communicatie' die speeches en rapporten moest voorbereiden waarin de informatie over Irak's massavernietigingswapens, zoals de Post aantoonde, enorm werd overdreven en vertekend.

Een zogenaamde 'afdeling voor strategische ondersteuning' kwam – volgens een bericht van Barton Gellman van de Washington Post – "voort uit een schriftelijk bevel van Rumsfeld om een eind te maken aan diens bijna volledige afhankelijkheid van de CIA voor wat bekend staat als menselijke inlichtingenbronnen." Vooral opgezet als een instrument om de CIA te omzeilen, opereerde deze eenheid op het moment dat de Post dit bericht bracht al "twee jaar in het geheim – in Irak, Afghanistan en andere landen". Het bericht in de Post meldt verder dat "twee ervaren leden van de Commissie voor de Inlichtingendiensten van het Huis van Afgevaardigden, een democraat en een republikein, zeiden (over deze eenheid) geen details te kennen voordat zij voor dit artikel werden geïnterviewd."

De woede van de inlichtingengemeenschap

O'Neill's beschuldiging – dat Bush de invasie van Irak begon te plannen op het moment dat hij zijn functie aanvaardde – lag in het verlengde van een reeks informatielekken op hoog niveau en dissidente commentaren (waarvan vele concrete details opleverden over hoe Bush' Witte Huis de selectie, interpretatie en verspreiding van inlichtingen over Irak beïnvloedde).

De details laten duidelijk zien dat de inlichtingengemeenschap zich allesbehalve op zijn gemak voelde bij en zeker niet instemde met de door de regering Bush ingeslagen weg inzake de War on terrorism en Irak. Whitney heeft het lef te vertellen dat het "verhaal van het falen van de Amerikaanse inlichtingendiensten inzake Irak volledig te vinden is in het rapport van een onderzoekscommissie die door de president zelf benoemd is: de Commission on the Intelligence Capabilities of the United States Regarding Weapons of Mass Destruction (p. xi). Door cruciale details te negeren, dwingt Whitney ons in feite twee valse beweringen uit het rapport van de Senaatscommissie kritiekloos te accepteren.

  1. "De Commissie heeft geen enkel bewijs gevonden dat regeringsfunctionarissen hebben geprobeerd analisten te overreden, beïnvloeden of onder druk te zetten om hun oordeel over Iraks massavernietigingswapens te veranderen." (p. 239)
  2. "De Commissie heeft geen bewijs gevonden dat de bezoeken van de vice-president aan de [CIA] pogingen waren om analisten onder druk te zetten, werden opgevat als pogingen om analisten onder druk te zetten door mensen die deelnamen aan de informatiebijeenkomsten over Iraks programma van massavernietigingswapens, of analisten onder druk gezet heeft om hun oordeel aan te passen." (p. 239).

Whitney komt dus niet eens toe aan de erkenning van het bestaan van enige manipulatie door de regering, laat staan dat hij deze doorprikt. Daarmee houdt hij zich al helemaal verre van de bespreking van politieke ethiek, soevereiniteit, imperialisme, de geschiedenis van de Amerikaanse buitenlandse betrekkingen en de verhouding tussen de media en de inlichtingendiensten. Juist deze thema's zijn zeer belangrijk voor iedere serieuze en betekenisvolle analyse van de rol van de Verenigde Staten in de wereldpolitiek en het binnenlandse beleid, met name met het oog op terrorisme.

Hier moet vermeld worden dat waar de regering Bush de valse Amerikaanse voorwendselen voor de oorlog in Irak verweten mag worden – voorwendselen die de regering zelf intussen openlijk en consistent als onbelangrijk heeft voorgesteld (en vervangen door het al even valse voorwendsel democratie te willen verspreiden) – de vroegere (en nog steeds voortgaande) propagandistische en gewelddadige activiteiten van de CIA haar in de ogen van het publiek tot een gemakkelijk doelwit maken.

Rad voor ogen

Al met al heeft het Amerikaanse politieke establishment, samen met de gemakzuchtige solidariteit van de meeste media, het land opnieuw in een positie gebracht, waarin het verdwaald lijkt in de mist van zijn eigen propaganda. En het is – zelfs voor ingewijde Amerikanen – ongelooflijk moeilijk waarheid en leugen te onderscheiden. De centrale vraag voor de naar imperialisme neigende Verenigde Staten moet niet zijn hoe zij andere landen moet besturen en opvoeden, maar hoe zij haar eigen bevolking – en zelfs haar ambtenarij – eerlijk en naar waarheid moet informeren. De schimmige zoektocht naar massavernietigingswapens is, in die zin, illustratief voor de wijze waarop de VS zichzelf een rad voor ogen draait, en vastbesloten lijkt dat ook in de komende jaren te blijft doen.

De ironie van de bespreking van een boek als dit zit hem dan ook niet zozeer in een specifiek gezichtspunt, verband of moment in de tijd, als in de ironie zelf. De ironie is eerder verweven in vele lagen incestueuze politieke verzinsels die steeds opnieuw worden verknipt, tot op de dag van vandaag, door een aantal nauw met elkaar verbonden figuren in het Amerikaanse – en soms Engelse – establishment.

Daarbij voegen Whitney's sterk conformistische bijdragen aan dit boek een extra laag aan de verzinsels toe; in zijn commentaar aanvaardt hij de binnenskamerse kritiek die Bush' Witte Huis met zoveel succes en in tal van vormen heeft gecultiveerd. Waar Whitney als verslaggever – en nu redacteur – van een machtig orgaan als de New York Times toegang moet hebben tot een breed spectrum van informatiebronnen en gezichtspunten, maakt zijn onwil om verder te kijken dan de gevestigde kritiek van het establishment hem tot een gewillige exponent van dat establishment. Er stond, en staat, voor Whitney te veel op het spel om de zwaktes van dit boek als toevalligheden af te doen.

Piyush Mathur (Institute on Globalization and the Human Condition van McMaster University, Canada)
Eihab M. Abdel-Rahman (Engineering Science and Mechanics van Virginia Tech, USA).


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Column -

Spektakel

De geheimhouding van en over de Amerikaanse CIA (Central Intelligence Agency) gaat zo ver dat we het moeten doen met losse brokken informatie, die langs informele wegen de serieuze media bereiken. Vooral de Washington Post heeft de laatste tijd heel wat gepubliceerd.

Zo zouden er geheime CIA gevangenissen in Polen en Roemenië zijn. Ook wordt er gemeld dat Amerikaanse inlichtingendiensten Europese vliegvelden gebruiken om terreurverdachten te verplaatsen naar landen waar martelen is toegestaan. Volgens een kritische groep advocaten is er sprake van duizenden CIA vluchten. Het beruchte Britse eiland Diego Garcia in de Indische Oceaan wordt beschouwd als de uitverkoren plaats voor het houden van talloze gevangenen. Ook Guantanamo Bay in de Amerikaanse enclave op Cuba wordt veel genoemd als grossier in het martelen van politieke gevangenen.

De New York Times van 16 december jl. schrijft dat Bush na 11 september 2001 de opdracht gaf tot het, zonder gerechtelijk bevel, afluisteren en schaduwen van verdachten van terreur en dat de leden van het National Security Agency beseffen dat zij hiermee illegale handelingen uitvoerden.

Nu wordt binnenkort in Nederland besloten over het zenden van een militaire missie van ruim 1000 man naar de woelige provincie Uruzgan in Afghanistan. Er komt daar een intensieve samenwerking met de Amerikaanse troepen in dat land. Je zou denken dat de Nederlandse regering zich zal afvragen of deze connectie niet al te compromitterend voor Nederland is, gezien de massale mensenrechtenschendingen door de VS. Maar neen, de Nederlandse regering stelt de eis dat de Nederlandse troepen voldoende beschermd worden door de Amerikanen. Niet tegen hen blijkbaar!

Mij lijkt het dat voor het karakteriseren van deze houding van Nederland de historisch beladen term collaboratie de meest passende is.


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Toen en toen -


VeeDee
december 1985

Werkweigerwoede

"Op 11 april van dit jaar kwamen de ministers van Defensie en Justitie met een voorstel voor een totaalweigerregeling. Als meest akseptabele oplossing zagen beide bewindslieden het invoeren van een extra gewetenstoetsing. Nadat dienstweigeraars erkend zijn als gewetensbezwaarden kunnen zij in een aanvullende procedure hun eventuele bezwaren tegen de vervangende dienst laten toetsen. Bij erkenning worden zij vrijgesteld van vervangende dienstplicht. Een ietwat vreemde regeling voor totaalweigeraars die reeds principiëel de eerste gewetenstoetsing afwijzen. (..) Het totaalweigeren valt niet te regelen wanneer de overheid geen fundamentele diskussie wil voeren over het militarisme in onze samenleving.

Ook de kerkelijke vredesbeweging Pax Christi meende te moeten reageren op het voorstel van beide ministers: "Aangezien het essentieel voor burgerlijke ongehoorzaamheid is dat men ten overstaan van de rechter zijn daden mag verantwoorden en de bereidheid moet bestaan de daarvoor bestemde straf te ondergaan pleit Pax Christi niet voor het straffeloos maken van de daad van totaalweigeren (..)." schrijft Jan ter Laak aan de Tweede Kamer.

Hoewel Pax Christi gelijk heeft wanneer zij stelt dat het protestkarakter van het totaalweigeren vervalt wanneer bestraffing achterwege blijft, gaat zij met deze stellingname voorbij aan de motieven van totaalweigeraars. Hun doel is het militarisme aan de kaak te stellen, niet de martelaar uit te hangen in de gevangenis.

Toch is de stellingname van Pax Christi niet verrassend. Het Pax Christi-bestuurslid Droesen heeft in zijn funktie van Officier van Justitie bij de Utrechtse rechtbank op dit gebied reeds een twijfelachtige reputatie opgebouwd in dienstweigerkringen. Hij heeft zijn eigen definitie van burgerlijke ongehoorzaamheid. Burgerlijk ongehoorzamen moeten volgens hem flink gestraft worden omdat anders het protestkarakter vervalt. De dader moet dus een martelaar worden. Niet elke werk- of totaalweigeraar is blij met deze definitie. Maar wanneer zij deze mening uitspreken is Droesen meedogenloos. Zo beet hij in maart 1984 twee werkweigeraars die vrijspraak prefereerden boven een straf toe dat "(…) aan elke misdaad een kaartje hangt. De daad krijgt pas kracht als er een forse straf op staat. Anders is er geen voldoening."

(..)

Tot slot valt er nog op te merken dat het standpunt van Pax Christi uitstekend past in de christlijke traditie om martelaars te zoeken. Het christendom is immers groot geworden door het martelaarschap van één persoon. Waarom heeft Pax christi niet voorgesteld om totaalweigeraars te kruisigen?"

Martin Gerritsen



AMOK
december 1985

AMOK leeggeroofd

"Zoals jullie hebben gehoord of gelezen, hebben politie en justitie op 19 november en grootscheepse inval gedaan in ons kantoor in Utrecht. Een van onze medewerkers [Roger Vleugels] is daarbij gearresteerd, evenals een toevallig aanwezige radiojournalist. Deze journalist werd enkele uren later weer vrijgelaten. Onze medewerker zit op het moment waarop we dit schrijven, 22 november 1985, nog steeds vast.

Gedurende een onderzoek van twee uur werden er drieëndertig verhuisdozen vol met archiefmateriaal meegenomen door de politie. (..) Ook is ons fotoarchief, ledenadministratie en boekhouding verdwenen. Dit alles gebeurde op grond van verdenking van "inbraak en diefstal in vereniging, heling en openbaarmaking van staatsgeheimen."

De inval bij AMOK heeft het een en ander te maken met de hele reeks inbraken en onthullingen die de afgelopen vier jaar door Onkruit en andere aktiegroepen zijn gedaan. We hoeven hier maar te denken aan de publikaties uit de buit van het Provinciaal Militair Commando, de civiele verdedigingsbunkers te Katwijk en Noordwijk en het Contra Inlichtingen Detachement (C.I.D.) in utrecht. AMOK heeft in het juninummer van 1985 informatie gepubliceerd die afkomstig is van het C.I.D. Dit deden overigens andere media ook. In het maartnummer 1985 publiceerde AMOK, evenals de Volkskrant, delen uit een geklassificeerd rapport van de Luchtmacht Inlichtingendienst (LUID) dat over de vredesbeweging gaat. Deze publikaties leidden destijds niet tot politie-ingrijpen, maar wel was dit een van de aanleidingen voor een spoeddebat in de Tweede Kamer over de dubieuze praktijken van de Nederlandse inlichtingendiensten. Daarbij werd minister de Ruyter voor de zoveelste keer gedwongen om te beweren dat de vredesbeweging niet bespioneerd werd door de geheime diensten.

(..)

Door ons onderzoek en dokumentatie kunnen wij een lastige horzel zijn, die niet alleen informatie verstrekt aan de pers en andere media, maar ook aan de radikale beweging."

AMOK sekretariaat

Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


Recensies Recensies Recensies

Recensies Recensies Recensies
Recensies Recensies Recensies




Die kommende Kriege
Ressourcen, Menschenrechte, Machtgewinn – Präventivkrieg als Dauerzustand?

Andreas Zumach
Keulen : Kiepenheuer & Witsch
2005
pp. 223
ISBN 3-462-03641-6

Voor Andreas Zumach – internationale correspondent voor onder meer de Berlijnse krant Tageszeitung en gestationeerd in Genève – staat de strijd om verdeling van natuurlijke rijkdommen zoals olie en aardgas centraal bij de toenemende oorlogsdreiging. Hij begint dan ook met te wijzen op twee berichten uit juni 2005, het moment dat hij zijn boek afsloot.

Allereerst overschreed de prijs voor een vat ruwe olie (159 liter) voor het eerst in de bijna 150 jaar de grens van 60 dollar. Tegelijkertijd bereikte de literprijs voor benzine aan de Duitse pomp de recordhoogte van 1,25 euro. Dat is de helft van de prijs van 5 mark die de Duitse Groenen op hun congres in Maagdenburg in 1998 wilden vaststellen als noodzakelijke voorwaarde voor een fundamentele koerswijziging in ecologische richting. Een voorstel dat vervolgens schielijk werd ingetrokken met het oog op woedend geschreeuw van alle andere partijen en vrijwel het hele Duitse medialandschap. Sinds 1998 heeft de strijd om olie en gas zich steeds verder toegespitst en bepaalt in toenemende mate de internationale politiek.

Alvorens de komende oorlogen te behandelen – in de ogen van Zumach zijn ze nog te verhinderen – heeft hij het over de vorige tegen Irak. Hij zet de toon, door vast te stellen dat nog maar zelden een politieke leugenkampanje de internationale discussie zo lang en intensief heeft beheerst als die over de veronderstelde massavernietigingswapens van Irak.

Iedereen weet het nu – de wapens waren er niet. Zumach stelt dat dat voor wat betreft de periode 1991 tot en met 1998 eigenlijk al in de slotrapportages van de inspectieorganen UNSCOM en IAEA was vervat. Maar die rapporten waren op instigatie van de vijf permanente leden van de Veiligheidsraad geheim gebleven. De officiële reden: de inspecteurs waren voor verdere activiteiten afhankelijk van de talloze meest Westerse bedrijven die voor en na 1991 militaire zaken met het Irak van Saddam Hoessein hadden gedaan. De namen van deze bedrijven en de trucs om hun smerige zaakjes te verhullen staan in de geheime rapporten vermeld. Dat bood de ruimte voor de bovengenoemde leugenkampanje en de oorlog met zijn desastreuze gevolgen.

Zumach noemt deze oorlog de tot nu toe zwaarste klap voor het volkerenrecht. Nooit eerder werd een inbreuk op het geweldverbod tussen staten uit het VN-Handvest zo berekenend en met zoveel minachting voor de wil van de overweldigende meerderheid van de VN-leden bedreven. Toch zijn de Europese regeringen terughoudend met kritiek op de Amerikaanse doctrine van de preventieve oorlog die ten grondslag ligt aan deze wandaad. Terecht stelt Zumach dat dit het gevolg is van de zondeval van landen als Frankrijk en Duitsland bij het precedent tijdens de NAVO-luchtoorlog tegen Servië/Montenegro van 1999 over Kosovo. In dit verband haalt hij een weinig bekend rapport van de parlementaire NAVO-vergadering uit het jaar 2000 aan dat de verantwoordelijkheid voor de verscherping van het conflict in Kosovo zonder aarzelen bij de 'bevrijdingsbeweging' UCK legt. Dit is eigenlijk Zumachs specialiteit: met een document uit hun eigen kring de propaganda van de grote mogendheden ondermijnen.

Zumach is niet principieel tegen militaire interventie in het geval van (dreigende) genocide. Hij haalt de voorbeelden van Rwanda en Darfour (Soedan) aan als voorbeelden waar interventie niet op grote internationale bezwaren zou zijn gestuit. Zijn kritiek is juist dat door het selectieve gebruik van het humanitaire motief door grote mogendheden voor eigen belangen het humanitaire motief voor interventie in diskrediet is gekomen.

In deze geest behandelt hij ook de oorlog tegen Afghanistan. Hij geeft toe dat het recht van staten op zelfverdediging sinds 11 september 2001 volgens de meeste experts is opgerekt zodat het niet alleen geldt bij een aanval door een staat, maar ook bij een aanslag die door een (terroristische) groepering vanuit het grondgebied van een staat wordt uitgevoerd. Maar voor de uitbreiding van die zelfverdediging tot een oorlog met het doel het Talibanbewind omver te werpen was een resolutie van de Veiligheidsraad nodig geweest. De 'zelfverdediging zonder grenzen' blijft in het volkenrecht omstreden.

Ten aanzien van Iran betreurt het boek dat het 'EU-trio' (Frankrijk, Duitsland en Engeland), dat met Teheran onderhandelt over diens nucleaire ambities, zich op sleeptouw heeft laten nemen door de VS door te eisen dat Iran ook geheel zal afzien van civiele uraniumverrijking. Deze positie wordt door de Iraniërs, die zich herinneren dat de VS en Engeland in de jaren vijftig de nationalisatie van de olie middels een coup tegen een democratisch gekozen regering verhinderden, terecht als neokoloniaal gezien. Deze taktiek is tot mislukken gedoemd. Is een door de VS begonnen oorlog dan onvermijdelijk? Zumach schetst een scenario waarin zowel een gewapende botsing als proliferatie verhinderd wordt door de problematiek in een breder regionaal kader te plaatsen in combinatie met veiligheidsgaranties voor Iran.

Wat betreft Noord-Korea acht hij een Amerikaans militair initiatief minder waarschijnlijk. Voor Noord-Korea hebben de VS geen realistische militaire strategie. De Amerikaanse inlichtingen over de Koreaanse onderaardse kerninstallaties zijn nog minder concreet dan die over Iran. Wel bestaat het gevaar van een militaire confrontatie tussen Noord-Korea en Japan waar men steeds zenuwachtiger wordt over de Koreaanse raketproeven boven Japan.

Na te zijn ingegaan op de wereldenergiepolitiek die ten grondslag ligt aan de nieuwe oorlogen zet de auteur zich in het slothoofdstuk af tegen het in Europa populaire concept van het multipolaire machtsconcept waarbij Europa zich door een eigen militarisering van de VS moet emanciperen.

Voor degenen die de publicitaire activiteiten van Zumach al jaren volgt (hij is spaarzaam ook in de Nederlandse media te zien en horen) bevat dit boek geen grote nieuwe onthullingen, maar een nuttige samenvatting van zijn analyses. Voor degenen die een bondige, maar kritische en feitenrijke inleiding willen op de internationale veiligheidsproblematiek is het beslist aan te bevelen.
(KK)


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina



Wapenhandel
Samenstelling: Frank Slijper

Voor meer informatie over Nederlandse wapenhandel en -industrie: ga naar www.stopwapenhandel.org


Thales middelpunt van corruptie-onderzoeken

Al maanden gonsde het van de geruchten, maar vlak voor kerst meende ook de Franse Justitie voldoende aanleiding te hebben de hoofdkantoren van Thales eens flink te doorzoeken. Aanleiding: een vraaggesprek in Le Monde met Michel Josserand, een voormalige directeur van Thales, die daarin een boekje opendeed grootschalige, georganiseerde corruptie bij het bedrijf. Thales is het internationale wapenconcern met productie in vooral Frankrijk en Groot-Brittannië, maar ook Nederland, waar het oude Hollandse Signaal onder de naam van Thales Nederland 's lands grootste wapenproducent is.

Volgens Josserand had Thales een geheim intern systeem opgezet om steekpenningen te betalen. De inhoud van het fonds zou twee procent van de jaaromzet, in 2004 ruim 10 miljard euro, bedragen. Daarbij zou het gaan om smeergeld voor contracten in onder meer Griekenland, Argentinië en Azië.

Thales heeft de beschuldigingen steeds weersproken en wijst erop dat Josserand zelf vanwege fraude bij het bedrijf is ontslagen. Bovendien zegt het zich strikt te houden aan internationale maatregelen, zoals van de OESO om corruptie tegen te gaan. Thales heeft daarom Le Monde aangeklaagd wegens laster. De klacht treft ook Josserand zelf, die bovendien naar zijn baan bij EADS, waar hij op het moment van het interview werkte, kan fluiten. EADS, dat veel met Thales samenwerkt meldde kort na het interview ontslag te overwegen.

Alle ontkenningen ten spijt heeft Thales de verdenking wel tegen zich met een serie lopende corruptieschandalen in verschillende landen. Het bedrijf is nog altijd het middelpunt van onderzoek naar de betaling van steekpenningen rond een omstreden Taiwanese miljardenorder voor fregatten, begin jaren negentig. De affaire kostte marine kapitein Yin Ching-feng in 1993 het leven; de man werd naar alle waarschijnlijkheid vermoord uit angst dat hij zijn mond voorbij zou praten. Spil in de smeergeldoperatie, Andrew Wang, die als lokale agent van Thales 500 miljoen dollar aan de verkoop zou hebben verdiend, vluchtte na de moord naar Zwitserland, waar nu een uitleveringsverzoek uit Taiwan onder de hamer ligt. Verder lopen in Frankrijk, Liechtenstein en Zwitserland zelf onderzoeken in de fregatten zaak, ook naar de betrokkenheid van oliegigant Elf.

Dit jaar kwam Thales eveneens veelvuldig in de internationale pers in een smeergeldzaak die vice-president Jacob Zuma in Zuid-Afrika zijn carrière kostte. Zuid-Afrikaanse aanklagers onderzoeken in verband daarmee momenteel twee lokale filialen van Thales.

Bronnen:
Gérard Davt en Fabrice Lhomme, "La chute d'un cadre brillant dénoncé par sa hiérarchie", Le Monde, 27 september 2005;
"Thales Faces Corruption Allegations From Former Executive", AFP, 26 september 2005;
"Thales firms in Zuma indictment", bbc.co.uk, 4 november 2005;
Urs-Peter Inderbitzin, "Swiss demand guarantee against death penalty before giving Taiwan corruption case papers", AP, 28 april 2005

 

Joris Driepinter vs. Abu Mussab Al-Zarqawi?

Het nieuwste wapen in de oorlog tegen het terrorisme heet Joris Driepinter. Melkunie Campina heeft de concurrentie de loef afgestoken en mag het komende jaar voor bijna zeven miljoen dollar melk en andere zuivel leveren aan de Amerikaanse land- en luchtmacht. De melkproducten worden afgenomen door het Defense Supply Center Philadelphia European Region (DSCPE), het in Mainz, Duitsland gevestigde logistieke centrum van de Amerikanen. Het DSCPE bevoorraadt Amerikaanse troepen die in Europa, het Midden-Oosten en Afrika gelegerd zijn.

Bron: U.S. Department of Defense Contracts, 14 December 2005.
 

Chili voedt militaire ambities met Nederlandse wapens

Het Nederlandse ministerie van defensie mag Joep van den Nieuwenhuyzen met terugwerkende kracht dankbaar zijn. De sjacheraar mag dan wel in ongenade zijn gevallen bij de Staat vanwege legio wanprestaties, daar staat tegenover dat sinds de man in 1997 samen met dictator Augusto Pinochet de handtekening zette onder een contract voor de levering van tweehonderd door de RDM opgeknapte Leopard 1 tanks, en de Chileense belangstelling voor Nederlandse tweedehandsjes steeds warmer is geworden. Had Chili een koningshuis gehad, dan had defensie zich met recht hofleverancier mogen noemen. In 2001 bestelde Chili nog eens een portie afgestoten Leopards, in 2004 gevolgd door een contract voor vier fregatten. Na de orders van marine en landmacht kwam daar in december nog een contract bij van de Chileense luchtmacht. Achttien F-16's vliegen binnenkort de oceaan over.

De wapenhandel gaat gepaard met een komen en gaan van defensieministers en andere hoogwaardigheidsbekleders naar Den Haag, of omgekeerd naar Santiago. Buiten de NAVO vindt met geen enkel land zo intensief militair contact plaats.

Die inspanningen vertalen zich in ieder geval goed in harde valuta als je bekijkt wat er in de wapenhandel met Chili omgaat. Voor het rollend materieel is zo'n 70 miljoen euro betaald, terwijl de fregatten 290 miljoen euro opleveren. Daarnaast zijn bij Boeing voor ruim veertig miljoen euro Harpoon raketten besteld om de Nederlandse fregatten mee te bewapenen.

De F-16 order komt volgens de Chileense krant El Mercurio uit op 150 miljoen euro. Daarmee haalt Chili binnenkort Zuid-Korea in als grootste exportbestemming buiten de NAVO; alleen naar de VS, Griekenland en Duitsland gaat meer militair materieel.

De Nederlandse orders staan overigens niet op zich. Ook andere landen verdienen grof geld met de exploderende Chileense wapenaankopen. Frankrijk heeft begin december de eerste van twee nieuwe Scorpène onderzeeërs afgeleverd en Londen sloot in september een contract ter waarde van 300 miljoen euro voor de overname van drie fregatten van de Britse marine. Bij Airbus (het consortium van EADS en BAE Systems) bestelde Chili deze zomer drie A400M transportvliegtuigen voor de luchtmacht. Naast de Nederlandse tweedehands F-16's heeft Chili eerder al tien nieuwe exemplaren bij Lockheed Martin besteld.

Chili financiert deze massale wapenaankopen vooral met opbrengsten uit de verkoop van koper. De Chileense koperwet garandeert dat tien procent van de koperopbrengsten ten goede komt van de aankoop van nieuw wapentuig. De flink gestegen koperprijs genereerde in 2005 een budget van naar schatting bijna 600 miljoen euro.

Zo lang de koperprijs niet daalt zal Chili voorlopig blijven doorkopen. Daar doet het feit dat Chili als eerste Latijns Amerikaanse land een vrouw – de voormalige defensieminister Michelle Bachelet – als president heeft gekozen niets aan af. Vreemd genoeg lijkt in Nederland amper iemand zich druk te maken over de enorme stroom wapens die aan Chili wordt verkocht.

Want hoewel de Chileense dictatuur gelukkig lang voorbij is en de meeste overblijfselen ervan, waaronder Pinochet, min of meer buiten spel gezet zijn, kenmerkt de Chileense samenleving zich nog altijd door een extreem onevenwichtige inkomensopbouw. Naast een relatief kleine deel van de bevolking dat het bijzonder goed heeft, bestaat een massale verarmde onderklasse: 85 procent van de bevolking heeft onvoldoende inkomen om in de eerste levensbehoeften te kunnen voorzien, in aanmerking genomen dat onderwijs en gezondheidszorg grotendeel geprivatiseerd en dus niet gratis zijn. Het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking is de helft van dat van Portugal, toch niet de rijkste EU lidstaat. Waarom niet al die honderden miljoenen kopergeld besteed voor het overbruggen van die inkomenskloof en het investeren in werkgelegenheid en betaalbaar en goed toegankelijk onderwijs en gezondheidszorg in plaats van ongebreidelde wapenaankopen?

Daarnaast is het glashelder dat de Chileense wapenaankopen door buurland Peru met argusogen bekeken worden. Daags nadat bekend werd dat Chili Nederlandse fregatten ging kopen liet Lima bezorgde geluiden horen. Ook speelt een oud grensconflict tussen Chili en Peru op nu Lima in november een wet aannam waarin het een betwist stuk zee opeiste. Peru is vooral op marinegebied de laatste jaren flink gaan investeren in nieuw materieel, terwijl dat land aanzienlijk minder te besteden heeft. Een nieuwe gaswet heeft echter onlangs voor de komende twintig jaar ruim 2 miljard euro gereserveerd voor wapenaankopen – een dikke 100 miljoen euro per jaar.

Control Arms, de internationale coalitie met onder meer Amnesty International en Oxfam/Novib, waarschuwde in een rapport van 2004 al voor de dreigende wapenwedloop in Zuid-Amerika, met Chili als motor. In antwoord op vragen vanuit de Tweede kamer over de fregattenverkoop antwoordde de regering in maart 2005 echter: "Naar opvatting van de regering is [...] de verkoop geen bedreiging voor de stabiliteit in de regio."

Bronnen:
"Patricio Gonzáles, "Adquisición de F-16 se haría oficial antes de segunda vuelta", El Mercurio.com, 13 december 2005;
Peter Gelauff, "Verkiezingen in Chili", Noticias, 14 juli 2005;
Jose Higuera, "Chile's rise in copper fortunes allows arms buys", JDW, 18 mei 2005;
Martin Arostegui, "Peru, Chile builds up defenses", AFP/The Washington Times, 30 maart 2004


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina



Korte berichten
Samenstelling: Kees Kalkman

Nederland neemt de leiding bij Enduring Freedom

Nederland heeft op 12 december het commando overgenomen van het marine onderdeel van de internationale anti-terrorisme operatie Enduring Freedom tegen al-Qaida en consorten. De vloot – Task force 150 – omvat drie Nederlandse schepen (commandofregat en vlaggeschip Zeven Provinciën, het bevoorradingsschip Amsterdam en de duikboot Bruinvis) en vaartuigen van Frankrijk, Duitsland, Engeland, de VS en Pakistan. De thuisbasis is het kleine maar strategische gelegen Oost-Afrikaanse land Djibouti aan de monding van de Rode Zee.

Commandant Hank Ort zal tien tot vijftien schepen onder zijn bevel hebben die worden ingezet in de Arabische Zee. Het operatiegebied omvat bijna vier miljoen vierkante kilometer en strekt zich uit van het Suezkanaal, via de Afrikaanse kust bij Kenia tot Pakistan. Ort nam het commando over van de Fransen..

Task Force 150 richt zich op de bestrijding van maritiem terrorisme en de beveiliging van economische knooppunten..

Bron: www.defensie.nl
 

VS-medeplichtigheid bij inval Oost-Timor aangetoond

Dertig jaar na de Indonesische invasie in Oost-Timor zijn er diplomatieke telegrammen en memoranda vrijgegeven die nader bewijs leveren voor de medeplichtigheid van de VS, Engeland en Australië bij de gebeurtenissen die leidden tot de gewelddadige 24 jaar durende bezetting van de voormalige Portugese kolonie. Aangenomen wordt dat daarbij alleen al de eerste vijf jaar zo'n 200.000 Oosttimorezen de dood vonden als direct of indirect gevolg van de verovering.

De zeventig nu door het onafhankelijke National Security Archive verkregen en gepubliceerde documenten laten zien dat er voorkennis over invasie was bij de regeringen van de drie landen en dat ze de onderneming in het geheim aanmoedigden.

Een zeer geheim eyes only (alleen maar kijken) memorandum voor de toenmalige Minister van Buitenlandse Zaken van de VS, Henry Kissinger, uit maart 1975 zet het berekenende pragmatisme uiteen waarmee de inval door het Indonesië van Soeharto, bijna negen maanden van te voren werd geaccepteerd. Het memo van de toenmalige Amerikaanse ambassadeur David Newsom had het over "aanmerkelijke belangen [van de VS] in Indonesië en geen in Timor".

Kissinger negeerde consequent de voorbereidingen van de invasie. Toen Indonesië in oktober 1974 begon met geheime militaire operaties in Oost-Timor zei hij tegen zijn staf: "Ik mag toch wel aannemen dat jullie over dit onderwerp echt je bek houden?" De grootste zorg van de Amerikaanse leiders was dat een controverse zou leiden tot een wapenembargo van het Congres tegen Indonesië. In 1976 suggereerde Newsom zelfs dat in dat geval Indonesië kon worden geholpen om alternatieve wapenleveranciers te vinden.

De overval in 1975 was niet de snelle en schone actie waarop Washington en zijn bondgenoten hadden gehoopt. Het Indonesische leger onderdrukte het verzet bloedig en moest een langdurige contraguerrilla aangaan tegen delen van de onafhankelijkheidsbeweging Fretilin. Pas in 1999 kregen de Timorezen onafhankelijkheid na een referendum onder toezicht van de VN.

Inmiddels is er een omvangrijk rapport van een Oosttimorese onderzoekscommissie naar de mensenrechtenschendingen tussen 1975 en 1990 verschenen, dat oproept tot herstelbetalingen door de VS, Engeland en Australië wegens medeplichtigheid en het leveren van wapens aan Indonesië.

Uiteindelijk werden pas in de jaren negentig onder druk van mensenrechtenbewegingen en het Congres de militaire relaties tussen de VS en Indonesië verbroken vanwege de voortdurende misdaden van het Indonesische leger in Oost-Timor en Atjeh. Kort geleden is er in het kader van de strijd tegen het terrorisme juist weer een einde gekomen aan het Amerikaanse embargo op wapenexporten, nadat al eerder het verbod op niet-dodelijke militaire export en dat op militaire training waren opgeheven.

Bronnen:
International Herald Tribune, 2.12.2005
Taipei Times, 7.12.2005

 

Bestormers van Pine Gap riskeren gevangenisstraf

Vijf vredesactivisten die zijn binnengedrongen in de supergeheime militaire afluisterbasis in Pine Gap in Centraal-Australië lopen gevaar om tot vijftien jaar gevangenisstraf te worden veroordeeld. De basis is een gezamenlijke installatie van Australië en de VS in de buurt van Alice Springs. De activisten zijn lid van de groep Christians against all terrorism. Een van hen is Donna Mulhearn die vorig jaar korte tijd ontvoerd werd in de Iraakse stad Fallujah waar ze heengegaan was om zich als menselijk schild op te stellen tegen de aanvallende Amerikaanse militairen.

Een woordvoerster van de Northern Territory politie verklaarde dat drie mannen en twee vrouwen naar aanleiding van de actie in staat van beschuldiging waren gesteld, terwijl een andere vrouw voor moet komen wegens verzet tegen de politie. Volgens de woordvoerster hadden de activisten gaten in het buitenste en binnenste hek van de basis geknipt. Ze worden beschuldigd van schade toebrengen aan rijkseigendom, onwettige aanwezigheid op een overheidsterrein en onrechtmatig binnendringen op een verboden plaats. Ook schade toebrengen aan overheidseigendommen kan nog ten laste worden gelegd.

De woordvoerder van de groep, Sean O'Reilly, zei dat ze een burgerinspectie hadden uitgevoerd in verband met de betrokkenheid van Pine Gap bij de voortgaande oorlog in Irak en dat minister van defensie Robert Hill geweigerd had hun officieel toegang te verlenen. O'Reilly: "We kunnen de Amerikaanse en Australische regeringen niet toestaan de rol van Pine Gap bij de voortgaande oorlog in Irak nog langer te verbergen. Duizenden Iraakse burgers zijn gedood in deze oorlog die illegaal verklaard is door de VN. Door de Pine Gap installatie te huisvesten wordt Australië medeplichtig aan deze misdaden."

Bron: Sidney Morning Herald, 9.12.2005
 

Noren boren olie aan in Koerdistan

De Koerdische regionale regering in Irak heeft aangekondigd dat de Noorse maatschappij DNO olie heeft aangeboord uit de Takwe bron in de provincie Dohoek in de buurt van de Turkse grens. De centrale regering toonde zich verbaasd: ze waren formeel nog niet ingelicht en zouden de zaak naar hun juridische adviseurs verwijzen. De verdeling van de olievondsten in Irak zaait al geruime tijd verdeeldheid, waarbij de soennitische Arabieren bang zijn dat de sji'ieten in het zuiden en de Koerden in het noorden hun eigen contracten afsluiten en ze worden afgesneden van de olierijkdom.

Eerdere Iraakse regeringen hebben het recht van het regionale bestuur betwist om zelf eenzijdig contracten af te sluiten. Soennitische woordvoerders kondigden diplomatiek en politiek verzet aan tegen de deal. Het verschil van mening gaat over de interpretatie van artikel 109 van de Iraakse grondwet dat de federale regering het recht geeft om olie en gas van de 'bestaande' velden te exploiteren in samenwerking met de regio's en de opbrengst te verdelen over de provincies naar rato van hun bevolkingsgrootte. De verdeling van de verantwoordelijkheid voor exploratie en produktie in nieuwe velden komt daarbij niet ter sprake.

Koerdische leiders hebben in het verleden aangegeven dat de bronnen in nieuwe velden in het noorden onder controle staan van de regionale regering. Sinds het opheffen van de sancties na de aanval op Irak van 2003 is deze in onderhandeling met een aantal gegadigden waaronder enkele Turkse firma's. In juni 2004 werd een gezamenlijke produktie-overeenkomst afgesloten met de Noorse DNO, die nu dus is geëffectueerd. 90% van Irak is nog niet onderzocht op de aanwezigheid van oliereserves. De Koerdische ontwikkelingsmaatschappij schat dat de regio Koerdistan potentieel zo'n 45 miljard vaten olie kan leveren.

Bron: Financial Times, 2.12.2005
 

Strategisch Commando verklaart wereldwijde aanvalscapaciteit

Het Strategisch Commando (STRATCOM) van de VS heeft aangekondigd dat het nu de operationele capaciteit heeft om in korte tijd doelen over de hele wereld aan te vallen met nucleaire of conventionele wapens. Afgelopen maand had het Commando al de mogelijkheid geoefend om een kernoorlog te voeren tegen een fictief land, waarvan werd aangenomen dat het Noord-Korea moest voorstellen.

Volgens STRATCOM werd de norm voor de wereldwijde aanvalscapaciteit gehaald tijdens de jaarlijkse oefening Global Lightning. Daarbij werd onder meer de CONPLAN 8022 operatie voor een wereldwijde aanval getest. Volgens Hans Kristensen van de Natural Resources Defense Council is CONPLAN 8022 een nieuw aanvalsplan dat preventieve nucleaire oorlogsvoering tegen installaties voor massavernietigingswapens overal ter wereld omvat. Kristensen publiceerde het persbericht van STRATCOM op zijn website.

Militair onderzoeker William Arkin schreef op zijn blog (column) in de Washington Post dat het scenario voor de geheime oefening onder meer het antwoord omvatte op een aanval met een vuile stralingsbom op Alabama door het fictieve land Purple of daarmee verbonden terroristen. Volgens Arkin werd nauwelijks verhuld dat de Noordoost Aziatische staat Purple stond voor Noord-Korea.

Volgens majoor Jeff Jones van STRATCOM waren er verschillende scenario's – allemaal fictief. De wereldwijde aanvallen kunnen gedaan worden met lange afstandsbommenwerpers, nucleaire onderzeeërs of op het land gestationeerde ballistische raketten.

Het nieuwe commando is pas op 9 augustus opgericht. Volgens Arkin kan onder STRATCOM van alles vallen van elektronische oorlogsvoering tot binnendringen in computernetwerken, commando-operaties en het gebruik van een kernwapen dat diep in de grond binnendringt. Bij CONPLAN 8022 was er volgens hem sprake van twee scenario's: voorkomen van een nucleaire aanval door een klein land en een aanval op de veronderstelde infrastructuur voor massavernietiging van een tegenstander. Arkin denkt dat CONPLAN 8022 in zijn definitieve vorm dateert uit 2003 "waarmee voor het eerst een preventieve en offensieve aanvalscapaciteit tegen Iran en Noord-Korea werd opgesteld."

Bron: Global Security Newswire, 2.12.2005

Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Berichten van de basis -

Berichten van de basis


 

Rechtszaak tegen anti-kernwapenactivisten op 20 december

P E R S B E R I C H T van Akties Tegen Kernwapens, Onkruit en het Vredesaktiekamp

Den Bosch, 16 december 2005 - Op dinsdag 20 december, om 8.45 uur, moeten elf anti-kernwapenactivisten van Akties Tegen Kernwapens, Onkruit en het Vredesaktiekamp voor de politierechter in Den Bosch (Leeghwaterlaan 8) verschijnen wegens een aktie op de Vliegbasis Volkel op 6 augustus 2005 De activisten en hun advocaten, Meindert Stelling en Nico Steijnen, zullen deze rechtszaak eens te meer aangrijpen om duidelijk te maken dat akties tegen de aanwezigheid van Amerikaanse kernwapens op deze basis gerechtvaardigd zijn en dat de staat in dit geval de echte misdadiger is.

Op 6 augustus, exact 60 jaar nadat op Hiroshima voor het eerst een atoombom gegooid werd, begaven de activisten zich op Vliegbasis Volkel, waar zij met spandoeken het dak bezetten van een gebouw dat in gebruik is bij de daar gestationeerde Amerikaanse eenheid. Ook werden er druiven en vijgen geplant als symbolen voor de vrede. De elf werden na enige tijd aangehouden door de bewaking van de basis en zaten vervolgens tweeenhalve dag vast.

Voor deze aktie moeten zij nu voor de rechter verschijnen om zich te verantwoorden voor het zich begeven op verboden terrein en voor het maken van een gat in het hek om dit terrein te kunnen betreden. De activisten zijn echter van mening dat niet zij maar de Nederlandse staat in dit geval de eigenlijke misdadiger is, aangezien de aanwezigheid van de kernwapens op Volkel en het Nederlandse kernwapenbeleid een flagrante schending van internationaal recht inhoudt. Gesteund door een advies van het Internationaal Gerechtshof en uitspraken van het Neurenberg-tribunaal, voelen de activisten zich dan ook verplicht tegen deze schending in aktie te komen.

Bij eerdere rechtszaken is nagenoeg elke keer gebleken dat niet alleen het Openbaar Ministerie, maar ook de rechters zich verlengstukken van de staat tonen en zich door hun uitspraken medeplichtig maken aan zeer ernstige misdaden. Recentelijk werd de Italiaanse activist Turi Vaccaro nog tot 6 maanden gevangenisstraf veroordeeld wegens het onklaar maken van twee F16's, die hierdoor enige tijd niet meer voor kernwapeninzet gebruikt konden worden. De activisten en hun advocaten zullen in hun verdediging dan ook niet alleen het beleid van de staat onder vuur nemen, maar ook de steun die dit misdadige beleid van de rechterlijke macht krijgt aan de orde stellen.

De zitting op 20 december werd al na korte tijd afgebroken omdat de rechtbank weigerde in te gaan op een zogeheten 'preliminair verweer' van de verdediging en vervolgens werd gewraakt.

Adres Ploegschaaraktivist;
Turi Vaccaro
P.I. 'De Boschpoort'
Nassausingel 26
4811 DG Breda

 

Conferentie Leren van de oorlog
woensdag 1 feb 2006, 11:00-16:00 uur, Amsterdam

Bijeenkomst door St. Vredeseducatie, met lezing over democratie en respect, evaluatie van project Vredesfabriek, presentatie van proj. Respect en Je eigen monument. En hapjes, drankjes, broodjes en vrij bezoek Verzetsmuseum.. Verzetsmuseum, Plantage Kerklaan 16.
Org: Stichting Vredeseducatie.
Info: 030-2723500.
E-mail: vrede"at"xs4all.nl.

 

Bijeenkomst Wijken voor Geweld? Kiezen voor lokale actie
zaterdag 4 feb 2006 - Amsterdam - 10:30-16:00

Over de bijdrage vanuit het Platform voor een cultuur van Vrede en Geweldloosheid aan het 'Actieplan tegen Geweld' van de overheid. Inleidingen over de achtergronden van geweld op straat en in de woonwijken en geweldloze initiatieven om daar iets tegen te doen. Mozes en Aaronkerk, Waterlooplein.
10 euro, incl. lunch (minima 5 euro).
M.h.o.o. de komende gemeenteraadsverkiezingen.
Org: Platform Vredescultuur.
Info: 030-2316666.
E-mail: platform"at"vredescultuur.nl.

 

Plenaire vergadering Platform tegen de 'nieuwe' oorlog

zo 22 jan 2006 - Utrecht - o.v.

Aanleiding voor een plenaire vergadering zijn de recente ontwikkelingen mbt. de inzet van Nederlandse militairen in Afghanistan. Voor vertegenwoordigers van bij het Platform aangesloten organisaties.
Org: Coordinatiegroep Platform tegen de 'nieuwe' oorlog.
Info: 030-8901341 (Jan Schaake).
E-mail: o43"at"kerkenvrede.nl.

 

Vredestrimestersymposium China: supermacht in opkomst

di 24 jan 2006 - Eindhoven - 13:30-17:00

Technische Universiteit (TU/e), Auditorium,. zaal 5.
Org: Vredescentrum van de TU/e.
Info: 040-2474546.
E-mail: vredescentrum"at"tue.nl.

 

Internationale Solidariteitsactie voor Mehmet Tarhan

In Den Haag, Parijs, Londen, Berlijn, New York en vele andere steden werden vrijdag 9 december acties gehouden voor de Turkse dienstweigeraar Mehmet Tarhan. Hij is veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf en wordt in de gevangenis mishandeld. In Den Haag is een petitie aangeboden bij de Turkse ambassade.

Meer info: www.wri-irg.org/co/turkcampaign-en.htm


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina