Aangepast zoeken

VD AMOK
archief VredesMagazines

Onderzoeksdossier VD AMOK 'Openheid over Irak'
De weg naar oorlog is geplaveid met leugens

verschenen in het tijdschrift VredesMagazine
nummer 1, jaargang 1, 2007



Inhoudsopgave

Mededeling voor de abonnees

Dit VredesMagazine is het tweede blad dat we dit jaar samen met een aantal andere vredesclubs gemaakt hebben. Het eerste was Hollanditis.nu dat in het voorjaar verscheen. Dit nummer is een proefnummer voor een gemeenschappelijk tijdschrift. Samen met Hollanditis.nu en de twee verschenen VD AMOK nummers vormt het de lopende jaargang van VD AMOK.

Onze inbreng in de gezamenlijke redactie bestaat onder meer in het produceren van dit onderzoeksdossier. We zijn benieuwd naar jullie reacties. We hopen door te gaan met verdere samenwerking. Let op de omroepberichten.

Redactie VD AMOK


Colofon

VredesMagazine nr. 1, 4e kwartaal 2007
Uitgave van de vereniging VredesMedia waarin samenwerken:
Haags Vredesplatform (HVP), Humanistisch Vredesberaad (HVB), Vereniging Pais, Samenwerkingsverband Stop de Wapenwedloop, Antimilitaristies Onderzoekskollektief VD AMOK, Women’s International League for Peace and Freedom (WILPF) afdeling Nederland.
Financieel mede mogelijk gemaakt door Vrouwen voor Vrede.
In Vredesmagazine zijn de tijdschriften Kernwapens Weg!, VD AMOK en de dikke nummers van Vredeskoerier ’t Kan Anders opgegaan. De dunne nummers van Vredeskoerier ’t Kan Anders blijven 4x per jaar verschijnen.

Redactie
Koos de Beus, Kees de Boer, Kees Kalkman, Reynold Klooker (eindredacteur), Bernadette van Pilanen, Anke Polak , Janne Poort-van Eeden, Elly Rijdes, Jan Schaake, Guido Schokker, Egbert Wever

Redactieadres
Obrechtstraat 43 3572 EC Utrecht tel. 030 8901341
e-post info@vredesmagazine.nl

Aan dit nummer werkten naast de auteurs mee
Mark Akkerman, David-Jan Donner, Chris Geerse, Nelly Koetsier

De auteur is verantwoordelijk voor de inhoud van een geplaatst stuk. De tekst van artikelen mag worden overgenomen op voorwaarde van bronvermelding. Copyrights van foto’s en tekeningen berusten bij de desbetreffende fotograaf /illustrator.

Fotoredactie
Hans Bouton, Anne Vaillant

Medewerkende fotografen en illustratoren
Joop Blom, Karin van Haasteren, Francien Hollander, Dolf Kruger/Nederlands Fotomuseum, Andy Laithwaite, Len Munnik, Boyd Noorda, Marian Schut, Bert Spiertz, Femke Teeling

Vormgeving
René Oudshoorn

Drukker
Drukkerij Mezclado, Tilburg

Abonnementen
Interesse of aanmelding voor een abonnement op Vredesmagazine kan kenbaar gemaakt worden bij de redactie van Vredesmagazine of bij een deelnemende organisatie.
Een jaarabonnement op VredesMagazine (4 nummers) kost 10 euro. U kunt een abonnement nemen via info@vredesmedia.nl of 015 7850137

Giften
Bedragen die abonnees overmaken boven het verschuldigde abonnementsgeld worden beschouwd als gift voor het werk van de in VredesMagazine samenwerkende organisaties.

Contact VredesMedia
Vlamingstraat 82, 2611 LA Delft, 015 7850137
info@vredesmedia.nl, www.vredemedia.nl


Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

Taai en onredelijk verzet tegen openheid

Bij het onderzoek naar de manier waarop Nederland de oorlog met Irak is ingerommeld, gaat het vooral om twee problemen:

1. De vraag of er van Irak een zodanige bedreiging uitging, dat een oorlog noodzakelijk was om dit gevaar weg te nemen. Het kernpunt is of Irak in het bezit was of op korte termijn kon komen van ‘massavernietigingswapens’ – nucleaire, biologische of chemische ladingen en de middelen om deze te transporteren.

2. De vraag of een dergelijke oorlog ook volgens internationaal recht legitiem zou zijn, gezien het feit dat er geen uitdrukkelijke actuele resolutie van de VN-Veiligheidsraad voorhanden was om het gebruik van geweld te rechtvaardigen.

Heeft de Nederlandse regering het parlement alle relevante feiten ter beschikking gesteld om tot een afgewogen oordeel te kunnen komen? Mocht dat niet het geval zijn, dan rijst de vraag naar de motieven van de regering. Voor de hand ligt dat men de eigen positie in het debat niet heeft willen ondermijnen door nuanceringen aan te brengen, gebaseerd op feiten die de regering wel degelijk bekend waren. Zo’n werkwijze staat wel op gespannen voet met de informatieplicht die de regering naar het parlement toe heeft.

Daarnaast kan het ook zijn dat de regering voor zijn (in tweede instantie alleen politieke) steun aan de oorlog andere redenen heeft gehad dan de argumenten die openlijk naar voren zijn gebracht. Te denken valt aan regime change in Irak, terwijl het officieel alleen ging om ontwapening. Ook is het mogelijk dat motieven een rol gespeeld hebben die eigenlijk buiten de hele kwestie Irak staan zoals het behoud van de Atlantische band en de ambities van de Nederlandse regering om zijn minister van Buitenlandse Zaken De Hoop Scheffer kandidaat te stellen voor het ambt van secretaris-generaal van de NAVO.

Er moet worden bedacht dat in de praktijk bij een dergelijke beslissing binnen de politieke elite vaak een combinatie van verschillende motieven een rol speelt, motieven die lang niet allemaal in de ‘strategische communicatie’ naar buiten worden aangegeven. De neoconservatief Wolfowitz heeft het als volgt uitgedrukt: "De waarheid is dat om redenen die veel te maken hebben met de regeringsbureaucratie in de VS, we uitkwamen bij de ene kwestie waar iedereen het over eens was, de massavernietigingswapens als kernmotief." (Vanity Fair, 9 mei 2003)

In de Nederlandse context is ook de binnenlandse politiek nog van belang geweest, vooral omdat die in de loop van de cruciale periode veranderde onder invloed van een regeringscrisis en nieuwe verkiezingen. Terwijl het CDA in 2002 in eerste instantie over rechts regeerde met VVD en LPF leek begin 2003 een coalitie met de PvdA in zicht te komen.

Ten slotte dringt zich langzamerhand vraag op waarom er bij het CDA en zijn premier zoveel weerstand bestaat tegen een op zich normaal parlementair onderzoek of enquête naar de Nederlandse houding in de aanloop van de oorlog tegen Irak. Dit taaie en tegen elke redelijkheid ingaande verzet, dat ten slotte de PvdA-fractie in de Tweede Kamer er zelfs toe heeft gebracht bij voorbaat af te zien van een elementair parlementair recht, laat natuurlijk dubieuze motieven vermoeden.

Mogen we een gokje wagen? De regering heeft het motief voor steun aan de oorlog en de juridische rechtvaardiging naar buiten toe fraaier voorgesteld dan de eigen diensten en ambtenaren verantwoord vonden. Balkenende heeft zich verlekkerd laten inpakken door Blair. Dat alles zou in een enquête naar buiten komen en weer worden weggemasseerd. Maar dat de militaire steun aan de oorlog om opportunistische binnenlandspolitieke motieven werd omgezet in politieke steun, dat moet vooral verborgen blijven.

Kees Kalkman


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

Een vuile oorlog ingerommeld?

Wat er in de loop van de tijd door ijverige journalisten is onthuld over de voorgeschiedenis van de politieke steun aan de oorlog in Irak.

1. Een ambtelijke brainstorm

Op 9 augustus 2002 wordt op het Ministerie van Buitenlandse Zaken onder leiding van minister De Hoop Scheffer, een brainstormsessie gehouden over Irak. Volgens het KRO-programma Reporter van 25 maart 2007, dat op basis van anonimiteit heeft gesproken met een topambtenaar, zijn alle aanwezigen het eens: "Er komt oorlog en Nederland zal de Verenigde Staten steunen. Politiek én militair." In een ambtelijke nota tien dagen later (waaruit Reporter citeert) wordt het allemaal wat meer omfloerst uitgedrukt: "De uitspraken die de VS-autoriteiten sindsdien [na de speech van President Bush over de ‘as van het kwaad’] hebben gedaan hebben dit land inmiddels op het hoogste niveau gecommitteerd tot het bewerkstelligen van een zgn. regime change in Irak." Juridisch ligt een actie die gericht is op regime change echter lastig. "Het verdient dan ook aanbeveling dat Nederland uit blijft gaan van de noodzaak van de ontmanteling van de Iraakse MVW [massavernietigingswapens]. In die benadering zou ‘regime change’ een mogelijk gevolg van militaire actie kunnen zijn, niet een doel. Een dergelijke actie moet worden gemotiveerd door de vaststelling dat dit land in gebreke blijft de relevante VN-resoluties na te leven."

2. De militaire spionageberichten

De Nederlandse militaire inlichtingendienst MIVD heeft als taak bedreigingen met massavernietigingswapens tegen de veiligheid van Nederland of Nederlandse troepen in het buitenland in kaart te brengen. De dienst hield Irak al sinds jaar en dag in de gaten. In het jaarverslag over 2001 wordt als belangrijkste gevaar gezien "beëindiging van het VN-sanctieregime." In dat geval kan worden verwacht dat Irak "zal doorgaan met zijn programma’s voor de ontwikkeling van niet-conventionele wapens". De dienst analyseert dat dit komt omdat de conventionele militaire kracht van Irak dermate is verzwakt dat het land geen partij meer is voor de buurlanden.

Ook in het jaarverslag over 2002 is nergens sprake van een acute dreiging. Inzake de mogelijkheid dat Irak in het verleden zelfstandig een eenvoudig kernwapen had kunnen ontwikkelen wordt de redenering van het internationale atoomagentschap IAEA gevolgd, dat Irak daarvoor "zonder sanctieregime" vijf tot zeven jaar nodig had gehad. Wat betreft biologische en chemische wapens wordt gesteld dat het "mogelijk is dat Irak nog over een restant strijdmiddelen beschikt". Ten aanzien van de overbrengingsmiddelen wordt geconstateerd dat Irak "alleen met omvangrijke buitenlandse hulp in staat zou zijn geweest een ballistische raket met een bereik van 1000 km of meer te ontwikkelen."

De jaarverslagen van de MIVD zijn voor het publiek vrijgegeven in de vorm van geschoonde versies. In zijn baanbrekende publicatie ‘Hollandse Oorlogslogica’ (NRC Handelsblad 12 juni 2004) doet Joost Oranje verslag van zijn op eigen bronnen gebaseerde inzage in meer geheime documenten. Zo wordt in een vertrouwelijke notitie van de Directie Algemene Beleidszaken (DAB) van het ministerie van defensie van 1 augustus 2003 – op een moment dat er al veel meer twijfels waren gerezen over het bestaan van Iraakse massavernietigingswapens – een kanttekening geplaatst bij een brief van Minister van Buitenlandse Zaken De Hoop Scheffer van 4 september 2002, waarin deze stelt dat er geen twijfel is dat Irak na het vertrek van de wapeninspecteurs (UNSCOM) in 1998 is doorgegaan met de ontwikkeling van biologische en chemische wapens. De MIVD stelt dat hierbij "een kritische noot op zijn plaats is. (...) De MIVD heeft steeds gesteld dat Irak over de mogelijkheid beschikte om de productie op korte termijn te hervatten en dat moest worden aangenomen dat Irak sinds het vertrek van de wapeninspecteurs een grotere vrijheid van handelen heeft gekregen, maar er is niet in concrete bewoordingen gesteld dat Irak de productie van chemische en biologische middelen na het vertrek van UNSCOM in 1998 zou hebben hervat." In een andere geheime defensienotitie van 23 juli 2003 stelt de MIVD: "De MIVD is, ondanks het feit dat er beperkt andere bronnen voorhanden waren, regelmatig tot andere conclusies gekomen dan de Amerikaanse en Britse leiders presenteerden."

Deze belangrijke nuanceringen zijn destijds niet (en ook nu nog niet) door de regering aan het parlement gemeld. Verder valt op dat Joost Oranje van zijn bronnen documenten heeft gekregen van geruime tijd na het begin van de oorlog, waarin wordt teruggeblikt op de periode vòòr de oorlog.

3. Blair en Balkenende bellen

Eind augustus 2003 ontstond groot misbaar in de Tweede Kamer toen via een onthulling in de Engelse Financial Times bleek dat premier Balkenende in september 2002 van de Britse premier Blair vertrouwelijke informatie had ontvangen over de Iraakse massavernietigingswapens die hij niet had gedeeld met zijn collega-ministers. Ook Minister van Buitenlandse zaken Jaap de Hoop Scheffer had dit uit de krant moeten vernemen. In een brief aan de Tweede Kamer stelde Balkenende hierover dat hij op 13 september 2003 een telefoongesprek met premier Blair had gevoerd waarin deze hem had toegezegd om Britse informatie over het Iraakse arsenaal te delen. Vervolgens werd op 25 en 26 september door de coördinator van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (de secretaris-generaal van Algemene Zaken) informatie ontvangen ("achterliggende geheime rapporten" in de woorden van De Hoop Scheffer). Het zou gaan om twee documenten van elk vijf bladzijden die "een deel van de materie" omvatte die in het Britse rapport van 24 september (het rapport met de achteraf volkomen onjuist gebleken claim dat Irak binnen 45 minuten massavernietigingswapens kon inzetten) aan de orde kwam.

4. De twijfels van de juristen

Begin januari 2003 wordt premier Blair er door zijn hoogste juridische adviseur, Lord Goldsmith, op gewezen dat zonder (tweede) Veiligheidsresolutie een oorlog met Irak onwettig is. Maar vijf dagen voor het begin van de oorlog gaat Goldsmith (naar velen vermoeden onder zware druk) om en komt met een nieuw advies. Dat bestaat eruit dat de (eerste) resolutie 1441 in combinatie met eerdere resoluties waaronder die van de wapenstilstand in 1991 voldoende is om oorlog te legitimeren. Joost Oranje schrijft in de NRC dat een samenvatting van het advies een dag later naar Den Haag wordt gestuurd, net op tijd om door premier Balkenende in het Kamerdebat over politiek steun aan de oorlog gebruikt te worden. Volgens Balkenende is het een "sluitende juridische redenering". Maar bij de directeur Juridische Zaken van het ministerie van defensie bestaan grote twijfels. In een eerdere interne notitie van 28 januari 2003 behandelt hij drie opties: 1) zelfverdediging komt niet in aanmerking, want Irak dreigt niemand aan te vallen en het verband met het internationale terrorisme is te vaag; 2) het activeren van oude resoluties (de Goldsmith-variant) wordt verworpen omdat "zorgvuldige lezing" laat zien dat alleen de Veiligheidsraad zelf bevoegd is om de gevolgen van schending van eerdere resoluties vast te stellen; 3) een nieuwe mandaterende resolutie. De hoogste defensiejurist concludeert dat alleen in het derde geval een aanval op Irak legitiem is.

5. Overste Blom op het podium gehesen

De eerste persconferentie na het begin van de oorlog tegen Irak van de Amerikaanse bevelhebber Franks op 22 maart 2003 in Qatar: "I am pleased to be joined today by (..) Lieutenant Colonel Jan Blom from the Netherlands." Blom wordt op de foto gezet samen met zijn Britse, Australische en Deense collega’s. Heeft Nederland niet alleen politiek maar ook militair deelgenomen aan de oorlog? De aanwezigheid van overste Blom vraagt een verklaring. Het VPRO-radioprogamma Argos denkt op basis van eigen onderzoek dat Nederland wel degelijk militair heeft deelgenomen aan de ‘Coalition of the willing’. Nederlandse F-16 vliegtuigen hebben verkenningsmissies boven Irak gevlogen en Nederlandse commando’s hebben samen met Deense special forces verkenningen uitgevoerd.
(KK)


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

Parlementaire enquête Irak nog ver weg

De discussie is niet verstomd in Nederland, maar klinkt niet luid. Zij was de afgelopen jaren gevoed door onthullingen van anonieme ambtenaren die via onderzoeksjournalisten lieten merken dat achter de schermen anders over de dreigende oorlog werd gedacht dan we officieel mochten weten. Het was de anonieme boetedoening van ambtenaren die graag in functie willen blijven. Verder zijn de afgelopen zomer er wel opinieleiders in binnen- en buitenland geweest, die zich meldden om te bekennen dat ze zich vergist hadden, indertijd. Zowel de invloedrijke Canadese historicus-politicus Michael Ignatief, als onze eigen columniste Elsbeth Etty en VVD-politicus Arend Jan Boekestijn, hebben toegegeven dat het een misrekening was. Sorry. En, helaas, blijft het daarbij. Van een gedragsverandering is bij deze goedpraters nog niet veel te merken.

Eerste Kamer

In de lente van dit jaar is een grote handtekeningenactie gehouden onder de titel "Openheid over de oorlog in Irak". Daarbij zijn 137.000 handtekeningen opgehaald die begin juli aan de voorzitter van de Eerste Kamer zijn aangeboden. Tenslotte had de Tweede Kamer al negen keer over dit thema gedebatteerd en blijkt de discussie daar vast te zitten in fractiediscipline en regeergeilheid van de meerderheid van de Kamerleden. Er was tot voor kort weinig aanleiding te veronderstellen dat de verhoudingen in de Eerste Kamer anders zouden liggen dan in de Tweede Kamer, maar sinds dit voorjaar is er een nieuwe Eerste Kamer. Daar heeft oud-minister van Binnenlandse Zaken, Klaas de Vries, prominent voorstander van een Irak-onderzoek, de rijen van de PvdA-fractie versterkt. De Vries moet beschikken over kennis van de veiligheidsdiensten ten aanzien van massavernietigingswapens van binnenuit. Het toeval wil namelijk dat hij minister van Binnenlandse Zaken was in de jaren 2000- 2002. Met spanning wordt daarom uitgezien naar nieuwe ontwikkelingen en de opstelling van de PvdA-fractie in de Eerste Kamer.

Voldoende

De Eerste Kamer wijdde in juli een groot debat aan de politiek-juridische grondslagen voor Nederlandse deelname of steun aan interventieoorlogen. Dat debat kwam niet tot veel diepte over de manier waarop de Nederlandse regering in 2003 de oorlog ‘politiek steunde’, zoals dat toen heette. In die periode waren PvdA en CDA in verregaand overleg over een nieuwe regering. De onderhandelingen over die regering liepen spaak, maar PvdA en CDA kwamen wel samen schriftelijk tot de conclusie dat het beroep op resolutie 1441 als feitelijke grondslag voor de interventie geaccepteerd moest worden.

In maart 2007 kwam er een regering waarin CDA en PvdA wel samen zitting hebben. In de regeringsverklaring is een passage opgenomen over de noodzaak van een ‘adequaat volkenrechtelijk mandaat’. Deze passage leidde in zowel Eerste als Tweede Kamer tot debat, waarbij het ging om zowel de vorige oorlog, namelijk die tegen Irak, als over eventuele volgende oorlogen, bijvoorbeeld tegen Iran. Want een "adequaat volkenrechtelijk mandaat" is iets anders dan een "volkenrechtelijk mandaat". Een adequaat volkenrechtelijk mandaat is iets dat voldoende wordt geacht. Het is het zes minnetje onder de volkenrechtelijke mandaten en zou alleen daarom al niet de toets van Balkenende’s kritiek moeten kunnen doorstaan. Het tegenovergestelde is het geval. In de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor 2008 wordt deze redeneertrant doorgetrokken in een nieuwe beleidslijn. De regering heeft afstand genomen van het multilateralisme. Dat is jargon voor beslissingen over oorlog en vrede via de voltallige Veiligheidsraad. In plaats daarvan bepleit zij ‘relevant multilateralisme’. Dat betekent dat de regering bepaalt wat van haar gading is in de besluiten van de Veiligheidsraad. In feite gaat het om het steunen van de eenzijdige Amerikaanse politiek en dat is een onheilspellend teken voor de naaste toekomst.

Onthullingen noodzaak

De crises over Kosovo en Iran in het komende jaar zullen laten zien wat dit beleid voor gevolgen zal hebben. Dan moet blijken wat de garanties waard zijn die PvdA-toppers Bos en Tichelaar aan het CDA zouden hebben ontfutseld. Dat is de belofte die Jacques Tichelaar tijdens het debat over de regeringsverklaring begin maart heeft gedaan; in de toekomst zal het niet gaan zoals in het geval van Irak in 2003. Als we minister Verhagen goed hebben begrepen hoeven we daarvan niet veel te verwachten. Hij vindt bovendien dat hij het parlement niet hoeft te informeren over de kennis van inlichtingendiensten over de Iraakse massavernietigingswapens en de verschillende adviezen die de regering in de winter van 2002 – 2003 heeft gehad. Dat is precies wat er wél nodig is om vast te stellen wat er achter de schermen gebeurt als een stel politici een oorlog wil doordrukken. De Eerste Kamer zal dat debat binnenkort voeren. Dat is de laatste kans voor de Nederlandse politiek om zijn verantwoording te nemen voor het fatsoenlijk functioneren van onze democratie.

Guido van Leemput

Noot: Zie voor volledig verslag van het debat in de Eerste Kamer – de brief van de ministers van Buitenlandse Zaken en van defensie van 22 juni 2007 inzake een adequaat volkenrechtelijk mandaat bij de uitzending van militairen (30800-V, nr. B, pdf, 51 KB) en de Handelingen Eerste Kamer van het debat op 9 en 10 juli 2007: Stenogram plenaire vergadering Eerste Kamer 9 juli 2007 (Word document) en Stenogram plenaire vergadering Eerste Kamer 10 juli 2007 (Word document).


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

Parlement summier ingelicht over militaire missies

Twijfel over de werkelijke motieven en het achterhouden van relevante informatie rond de inzet van de Nederlandse krijgsmacht heeft al een langere geschiedenis. En dat geldt ook voor de grote weerstand zoiets achteraf te willen onderzoeken.

Bij de eerste oorlog onder de op 11 september 1991 door Bush senior uitgeroepen ‘Nieuwe Wereldorde’ sprak PvdA-kamerlid Piet de Visser al de legendarisch geworden woorden dat we ‘een oorlog ingerommeld’ waren. Het debacle van Srebrenica kon pas na een langdurig en pijnlijk politiek proces waarbij media en pressiegroepen steeds meer eigen onderzoeksresultaten en geruchten naar buiten brachten (een beetje vergelijkbaar met wat thans over Irak en Afghanistan gaande is) eindelijk onderwerp worden van een parlementair onderzoek, naast het al langer lopende historisch onderzoek door het NIOD. Dat parlementaire onderzoek van de commissie Bakker richtte zich met name op de betrokkenheid van het parlement bij de besluitvorming over militaire missies: de inhoudelijke en organisatorische voorbereiding van de besluitvorming, de informatievoorziening aan de Tweede Kamer hierover en op (het gebrek aan) evaluatie van crisisbeheersingsoperaties.

Vijf jaar later moest al weer een nieuwe commissie aan het werk om de parlementaire betrokkenheid bij de inzet van Nederlandse militairen te onderzoeken, die zouden mee rouleren in EU battle groups en de NATO Response Force. De uitkomsten van deze commissie Van Baalen liggen al weer enige tijd te wachten op een reactie van de regering.

Dit najaar bracht de Rekenkamer een rapport uit over de lessen die getrokken worden uit parlementaire onderzoeken. De commissie Bakker vormt één van de onderzochte onderzoeken. De Rekenkamer heeft gekeken in hoeverre de aanbevelingen zijn verwerkt in de besluitvorming over de allereerste militaire missie naar Afghanistan (in 2001) en naar de Irak (in 2003). Het gaat dus niet om de Nederlandse steun aan beide invasies, maar om de Nederlandse deelname aan de stabilisatiemachten die later operationeel werden. De Rekenkamer is op zich wel positief over de verwerking van de aanbevelingen van de commissie Bakker. Toch merkt de Rekenkamer op dat de informatie over de motieven van de regering om tot een bepaalde militaire inzet te besluiten erg summier met de Kamer wordt gedeeld – waarbij de achterliggende motieven buiten beschouwing worden gelaten. De Rekenkamer merkt verder op dat de regering niet-realistische verwachtingen heeft van de invloed die ze (nog) kan uitoefenen in het internationale besluitvormingstraject – zo blijkt ook weer in de huidige discussie over de vooronderstellingen van de Uruzganmissie eind 2005. (Ook bij de allereerste ISAF-missie waren de rules of engagement nog niet vastgesteld toen de Kamer reeds met de missie moest instemmen.)

De Rekenkamer meldt dat haar is gebleken dat Nederland weinig tot geen invloed heeft op het mandaat en de duur van de internationale militaire operatie als geheel en stelt vervolgens dat "als een operatie niet of niet langer zou voldoen aan de Nederlandse voorwaarden, [de regering kan] besluiten om geen bijdrage te leveren of – indien de operatie al aan de gang is – de Nederlandse bijdrage [kan] heroverwegen, waarbij terugtrekking de uiterste consequentie kan zijn." Dat is ‘verantwoordelijk gedrag’ en ‘rekenschap afleggen’.

Over die verantwoordelijkheid en rekenschap achteraf, valt nog wel wat meer te zeggen. Dan niet om de politieke verantwoording en het falen van de politiek eens kritisch tegen het licht te houden als het gaat om de achterliggende motieven en internationale constellatie, maar juist om een evaluatie van de reeds uitgevoerde militaire operaties. Nog maar pas heeft het parlement aangedrongen op dergelijke evaluaties. Wie de daarmee opgeleverde stukken leest en vergelijkt met de wijze waarop bijvoorbeeld ontwikkelingsorganisaties het effect van hun activiteiten en de daarmee gemoeide gelden moeten evalueren, kan de militaire evaluaties nauwelijks serieus nemen. Een waar gemis. Niet alleen om achteraf rekenschap af te leggen, maar juist ook om (ook als politiek) te leren van eerdere missies. Wat nu een effectieve operatie is en hoe de financiële middelen op een verantwoorde wijze wordt besteed.

Hopelijk kan de Rekenkamer hier ook eens naar kijken.

Jan Schaake, algemeen secretaris Kerk en Vrede


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

Dwalende kernwapens

De mysterieuze verplaatsing van zes Amerikaanse kernkoppen

Een incident waarbij een B-52 bommenwerper geladen met zes kruisraketten met kernkoppen dwars over de Verenigde Staten vloog en vervolgens urenlang onbewaakt op een landingsbaan stond leidt momenteel tot verregaande speculaties. Hebben de VS door de geld en energie opslorpende oorlogen in Afghanistan en Irak het onderhoud aan hun kernwapenarsenaal dusdanig verwaarloosd dat de nucleaire veiligheid nu gevaar loopt? Of is er een nog veel duisterder scenario denkbaar?

Op 29 augustus jl. werden op de Amerikaanse luchtmachtbasis Minot, in Noord Dakota zes W80-1 kernkoppen (elk met een nucleair vermogen van 10 Hiroshima bommen) gemonteerd op evenzovele kruisvluchtwapens (type AGM-129 Advanced Cruise Missile) en onder een vleugel van een B-52 bommenwerper gehangen. Onder de andere vleugel hingen zes oefenwapens met namaakkoppen. Deze bommenwerper vloog op 30 augustus een afstand van 1760 kilometer dwars over de VS naar de luchtmachtbasis Barksdale in Louisiana, waar ze vervolgens naast de landingsbaan geparkeerd werd. Na bijna 10 uur zou luchtmachtpersoneel de aanwezigheid van de nucleaire kruisvluchtwapens hebben geconstateerd en dit hebben doorgegeven aan de hogere bevelsstructuur, wat betekende dat ook president Bush werd gewaarschuwd. Deze gebeurtenissen werden in een communiqué (gepubliceerd op 6 september jl.) officieel erkend door de Amerikaanse luchtmacht, nadat eerder die dag het nieuws al uitgelekt was via luchtmachtpersoneel naar het blad Military Times. Na een officieel onderzoek door de luchtmacht werden op 19 oktober 70 personeelsleden gestraft dan wel ontheven uit hun functie. De luchtmacht had al eerder erkend dat er sprake was van een ‘fout’.

Het officiële verhaal werd netjes afgedrukt in de Nederlandse pers. In het AD (22 oktober 2007) werd de onafhankelijke nucleaire expert Hans Kristensen aangehaald. Deze was van mening dat "er sprake was van slijtage in de voorschriften voor het omgaan met kernwapens". Een andere deskundige, de voormalige lieutenant-commander Stormer van de Amerikaanse Marine, hield een vergissing voor zeer onwaarschijnlijk. Het Amerikaanse opperbevel beweert al jaren dat de procedure voor het inzetten van kernwapens, de command and control regels, uiterst zorgvuldig worden nageleefd. Daarin wordt elke stap die het grondpersoneel neemt om een kernwapen uit de opslagplaats te nemen en gereed te maken voor een missie, gedetailleerd voorgeschreven. Bovendien wordt de verplaatsing van elk kernwapen gecontroleerd via een electronic tag, een op het kernwapen bevestigd zendertje waardoor de locatie van de bom op afstand kan worden bijgehouden. De verplaatsingen worden geregistreerd in het Nuclear Management Information System. Dat systeem is bovendien gedupliceerd.

Maar er is meer. De procedure voor het verplaatsen van kernkoppen is ook onderworpen aan bevelen die volgens vaste protocollen worden uitgevaardigd: command and control zorgt er voor dat een kernwapen alleen op bevel kan worden verplaatst en ingezet. Bij elke stap van die inzetprocedure zijn speciaal opgeleide technici betrokken die altijd in paren werken. Op die manier kan de één de ander tegenhouden, mocht die iets willen uithalen met het kernwapen.

Het geheel van maatregelen staat ook wel bekend als nuclear surety – nucleaire zekerheid. Uit documentatie die op Volkel luchtmachtbasis gevonden is, waar Amerikaanse kernwapens voor Nederlands NAVO gebruik zijn opgeslagen, weten we dat er regelmatig sprake is van nuclear surety inspecties, oefenprocedures waarbij overtredingen nauwgezet worden geregistreerd en gestraft. Zo’n afwijking kan bijvoorbeeld bestaan uit het onbevoegd over een streep op de grond stappen die de veiligheidszone rond het kernwapen markeert.

Er is nog meer bekend over de procedures: de kruisvluchtwapens die met kernkoppen zijn uitgerust, hebben rode tekens. Bovendien is er een klein raampje om het mogelijk te maken voor grondpersoneel om te controleren of er een kernbom gemonteerd is. Dit onderscheidt de nucleair uitgeruste kruisvluchtwapens van de oefenwapens. De nucleaire systemen wegen ook meer dan de oefenwapens.

Daarnaast zijn er uitgebreide procedures voor het bewapenen van een vliegtuig, waar de bemanning bij betrokken moet worden. Dat was het geval op de vertrekbasis Minot en de bestemming Barksdale. Beide zijn de thuisbasis voor eventuele nucleaire missies van B-52 bommenwerpers. Dat betekent dat het personeel goed bekend is met de nucleaire procedures.

Om de door de luchtmacht genoemde fout te maken, zouden dus de registratiesystemen van de kernwapens moeten zijn uitgeschakeld; de kernwapens zouden dan op de kruisvluchtwapens zijn gemonteerd door het grondpersoneel, die niet zouden hebben geweten dat het om kernwapens ging, of het wel wisten maar dachten dat het om een bona fide verplaatsing ging. Dat laatste zou dan uitzonderlijk zijn, omdat verplaatsingen van kernkoppen sinds een reeks ongelukken in de zestiger jaren uitsluitend met transportvliegtuigen plaatsvinden (type C-17 en C-130), gescheiden van de kruisvluchtwapens. Dus niet op bommenwerpers. Vervolgens zou al het grondpersoneel betrokken bij de verplaatsing niet hebben gemerkt dat er kernwapens werden verplaatst, en de vliegtuigbemanning zou ook haar eigen procedures hebben veronachtzaamd. Een alternatieve verklaring zou zijn dat men niet wist dat er kernkoppen werden verplaatst, ondanks de bekende verschillen. Maar dan moet er verklaard worden waarom de herkenningstekens waren verwijderd en de elektronische registratiesystemen uitgeschakeld dan wel genegeerd. De enige magere steun voor de ‘vergissingstheorie’ is dat zowel nucleaire als oefenladingen in hetzelfde depot waren opgeborgen. Maar ook die theorie vereist de uitschakeling van de elektronische volgsystemen.

Kortom: een keten van fouten, onachtzaamheden en verwarring kan geconstrueerd worden, maar wordt uitermate onwaarschijnlijk als alle veiligheidsprocedures op een rijtje worden gezet.

Om die reden dwingt de logica om een andere theorie onder ogen te zien die, wellicht onbewust, gesteund wordt door de verklaring van de luchtmacht. Daarin staat immers dat de kernwapens te allen tijde onder haar controle waren. Als dat zo is, en de voorschriften niet op de boven beschreven wijze zijn veronachtzaamd, dan rest alleen de optie van opzet. De procedures zijn in dat geval gevolgd, omdat er langs de bevelsstructuur bevelen kwamen voor het nucleair bewapenen van de B-52 bommenwerpers. De grote vraag is dan op welk niveau dat gebeurd is. Ging het om het omzeilen van de bestaande hiërarchie, of het gebruik maken daarvan? En wie was de bevelgever? Instructies voor de verplaatsing van een nucleair bewapende bommenwerper moeten van het hoogste politiek niveau komen, om evidente redenen. Vandaar de uitgebreide speculatie op het internet dat er een atoomaanval in stelling werd gebracht: vanuit die redenering was het een korte stap naar de mogelijkheid van een nucleaire aanval op Iran. Barksdale is immers de vertrekbasis van luchtmachtvluchten naar het Midden Oosten: wellicht wilde men deze vlucht verstoppen tussen de honderden andere dagelijkse vliegbewegingen. Dat was natuurlijk niet noodzakelijk geweest als de politieke leiding er op kon vertrouwen dat het personeel alle bevelen zou uitvoeren. Maar een atoomaanval staat in een klasse op zichzelf. Is het misschien mogelijk dat een gedeeltelijke camouflage van de vlucht noodzakelijk was om het eigen personeel te misleiden? Het feit dat de nucleaire missie bekend werd doordat grondpersoneel het nieuws doorgaf aan de pers, duidt er op dat iemand in de luchtmacht zeer bezorgd was over de dolende kernkoppen.

Karel Koster


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

Irak – een Nederlandse chronologie


2002


26 maart
De NAVO-ambassadeurs krijgen een vertrouwelijke presentatie van de Amerikaanse onderminister van Buitenlandse Zaken Armitage over de voortgaande productie van massavernietigingswapens door Irak.

9 augustus
Brainstorm op het Ministerie van Buitenlandse Zaken over Irak.

19 augustus
Ambtelijke nota over "Irak: Nederlandse positie"

4 september
Minister van Buitenlandse Zaken De Hoop Scheffer schrijft aan de Tweede Kamer: "Het lijdt weinig twijfel dat Irak beschikt over massavernietigingswapens. […] De dreiging die daarvan uitgaat is reëel en wordt, naarmate de tijd verstrijkt, steeds ernstiger."

5 september
In de Tweede Kamer zegt De Hoop Scheffer: "Maar de legitimatie voor het optreden van de internationale gemeenschap ligt voor mij nagelvast in de kwestie van de massavernietigingswapens. (...) het gaat om het bezit van deze wapens en om de enorme dreiging die ervan uitgaat."

13 september
Speech van President Bush voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.
Balkenende spreekt telefonisch met premier Blair over massavernietigingswapens in Irak.

24 september
Het Britse rapport "Irak’s Massavernietigingswapens" verschijnt. Een sceptische minister van defensie Korthals krijgt tijdens een informele NAVO-top een geheime briefing door de CIA over Irak.

25 september
Premier Balkenende ontvangt geheime "eyes only" informatie van Britse inlichtingendiensten.

november
De onderzeeër Walrus duikt op in Dubai.

8 november
Resolutie 1441 wordt aangenomen in de Veiligheidsraad.

10 november
Een interne analyse van de directie Noord-Afrika, Midden Oosten/Golfstaten van het ministerie van Buitenlandse Zaken stelt over resolutie 1441: "Dat impliceert niet per definitie dat het gebruik van geweld is toegestaan."

20 en 21 november
Balkenende en De Hoop Scheffer zijn op de NAVO-top in Praag.

21 november
Brief van de Ministers van defensie en van Buitenlandse Zaken waarin wordt vermeld dat de Amerikaanse regering Nederland verzocht heeft bij te dragen aan de planning ten behoeve van een mogelijk militair optreden tegen Irak.

5 december
Gesprek minister De Hoop Scheffer met de Amerikaanse onderminister van Buitenlandse Zaken Grossman over de militaire planning.


2003


Begin van het jaar
De regering benoemt een werkgroep (Stuurgroep 1441), bestaande uit ambtenaren van bijna alle ministeries, die de lopende zaken rond de Irak-crisis gaat coördineren.

Begin januari
Lord Goldsmith, wijst Blair erop dat een oorlog op basis van alleen resolutie 1441 onwettig is.

22 januari
Verkiezingen in Nederland

27 januari
Balkenende krijgt een telefoontje van Bush. Hij is behoedzaam en ondertekent de solidariteitsbrief van acht Europese regeringsleiders niet.

5 februari
Presentatie Powell in de Veiligheidsraad.

10 februari
Minister De Hoop Scheffer schrijft de Tweede Kamer: "Veel van wat door Powell naar buiten wordt gebracht is reeds langer in inlichtingenkringen bekend en is in lijn met hetgeen uit Nederlandse inlichtingenbronnen is gebleken."

12 februari
Minister Kamp zegt in de Tweede Kamer: "Als die [de massavernietigingswapens] verdwijnen, hoeft daar niets te gebeuren. Er wordt dan niets aangevallen. De vlag kan dan in top."

19 februari
Minister Kamp zegt in de Tweede Kamer: "De massavernietigingswapens moeten worden ingeleverd en als dat gebeurt, hoeft er geen actie te worden ondernomen."

15 maart
In het Verenigd Koninkrijk komt de verzekering naar buiten, dat een oorlog tegen Irak rechtmatig is. Deze stelling is gebaseerd op een nieuw advies van Lord Goldsmith.

18 maart
Premier Balkenende verklaart in de Tweede Kamer: "De essentie is echter de ontwapening van een agressor die massavernietigingswapens in zijn bezit heeft."

19 maart
Start van de oorlog tegen Irak.

22 maart
Overste Blom treedt op bij een persconferentie van generaal Tommy Franks in Qatar.

6 juni
Minister De Hoop Scheffer verklaart in de Tweede Kamer in antwoord op Kamervragen van Koenders (PvdA): "De regering heeft gezien de reële dreiging die uitging van het bezit door Irak van massavernietigingswapens, zelf vanaf het eerste begin militair ingrijpen niet willen uitsluiten."

23 juli
De MIVD zegt in een analyse die deel uitmaakt van een vertrouwelijke defensienota: "Dezelfde informatie van onze Amerikaanse zusterdienst kan binnen de Amerikaanse en Nederlandse politiek tot verschillende conclusies leiden. Andere belangen spelen hierbij een rol."

25 juli
Minister Kamp zegt in een interview in het NRC Handelsblad dat de MIVD-rapporten over Iraakse massavernietigingswapens zeker niet openbaar gemaakt zullen worden.

1 augustus
Vertrouwelijke notitie van de Directie Algemene Beleidszaken (DAB) van het ministerie van defensie aan minister Kamp. Onder het kopje ‘informatievoorziening Tweede Kamer’ gaat het stuk in op mededelingen die aan het parlement zijn gedaan en op de vraag of die overeenkomen met de zienswijze van de MIVD. De MIVD blijkt meerdere malen kanttekeningen bij beweringen van ministers te hebben geplaatst.

25 augustus
In de Financial Times verschijnt een bericht waarin staat dat Nederland een conceptversie van het Britse rapport zou hebben ontvangen voor de publicatie van het rapport op 25 september 2002.

10 september
Balkenende geeft uitleg in de Tweede Kamer. Hij zou op 25 september 2002 een brief gekregen hebben van Blair, met geheime informatie van Britse veiligheidsdiensten, met het uitdrukkelijke verzoek dit als ‘eyes only’ te beschouwen. Hij heeft gevolg gegeven aan dit verzoek en hierover dan ook niet aan andere ministers bericht. Pas toen De Hoop Scheffer zelf naar aanleiding van het artikel uit de Financial Times contact met hem opnam, werd hij door Balkenende ingelicht.


2004


9 januari
De Verenigde Staten trekt een team van 400 personen, die op zoek waren naar massavernietigingswapens in Irak, terug.

28 januari
Wapeninspecteur David Kay getuigt voor de Senate Armed Services Committee dat hij geen bewijs heeft gevonden van de aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak noch van het bestaan een actief wapenontwikkelingsprogramma.

15 april
Uitzending Zembla over ‘De waarheid van de wapeninspecteurs’, waarin hoofd van de wapeninspecteurs Hans Blix zegt dat Nederland wel degelijk had kunnen weten dat Irak’s massavernietigingswapens geen bedreiging vormden. Alle kritiek op de beweringen van de Amerikaanse en Britse regeringen lagen ter inzage.

(Kees Kalkman op basis van gegevens Mark Akkerman)


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina

Bibilografie Openheid over Irak

Rapporten

Australië

Parliamentary Joint Standing Committee on ASIO, ASIS and DSD
Inquiry into Intelligence on Iraq’s Weapons of Mass Destruction (WMD)
december 2003

Verenigd Koninkrijk

Select Committee on Foreign Affairs
The decision to go to war in Iraq (pdf, 1 MB)
3 juli 2003

Intelligence and Security Committee
Report on Iraqi Weapons of Mass Destruction – Intelligence and Assessments (pdf, 600 KB)
9 september 2003

Lord Hutton
Report of the Inquiry into the Circumstances surrounding the Death of Dr. David Kelly C.M.G.
28 januari 2004

Committee Privy Counsellors (Butler-commissie)
Review of Intelligence on Weapons of Mass Destruction
14 juli 2004
http://www.butlerreview.org.uk/report/report.pdf

BASIC Occasional Paper (Ian Davis en Andreas Persbo)
After the Butler Report: Time to Take on the Group Think in Washington and London
Juli 2004

Verenigde Staten

Senate Select Committee on Intelligence
Report on the US Intelligence Community’s Prewar Intelligence Assessments on Iraq (pdf, let op: 24 MB)
9 juli 2004

House Permanent Select Committee On Intelligence
Letter From House Committee to CIA Director Criticizing Iraq War Data
25 september 2007
http://www.washingtonpost.com/ac2/wp-dyn/A36817-2003Oct2
Brief van leidende senatoren uit deze commissie aan CIA-directeur Tenet met kritiek op het gebruik van indirecte en fragmentarische informatie met te veel onzekere elementen om tot de conclusie te komen dat Irak massavernietigingswapens had. Gepubliceerd in de Washington Post.

Commission on the Intelligence Capabilities of the United States Regarding Weapons of Mass Destruction
Report to the President of the United States
31 maart 2005
http://www.wmd.gov/report/wmd_report.pdf

Carnegie Endowment for International Peace
Carnegie Endowment Report
WMD in Iraq: Evidence and Implications (pdf, 2 MB)
Januari 2004

Special Advisor to the DCI
Comprehensive Report on Iraq’s WMD (Weapons of Mass Destruction)
30 september 2004
‘Dulfer-rapport’

Senator Carl Levin
Report of an Inquiry into the Alternative Analysis of the Issue of an Iraq-al Qaeda Relationship (pdf, 198 KB)
21 oktober 2004

Judiciary Committee Democratic Staff
The Constitution in Crisis – The Downing Street Minutes and Deception, Manipulation, Torture, Retribution, and Coverups in the Iraq War, and Illegal Domestic Surveillance. (pdf, let op: 27 MB)
December 2005
Minderheidsrapport van de Democratische fractie in het Huis van Afgevaardigden over de misleiding van parlement en bevolking tijdens de voorbereiding van de oorlog met Irak.

BASIC Special Report (David Isenberg en Ian Davis)
Unravelling the Known Unknowns: Why no Weapons of Mass Destruction have been found in Iraq (pdf, 837 KB)
Januari 2004

BASIC Special Report (David Isenberg)
See, Speak and Hear No Incompetence: An analysis of the Findings of The Commission on the Intelligence Capabilities of the United States Regarding Weapons of Mass Destruction (pdf, 404 KB)
Oktober 2005

Boeken, brochures en artikelen

Rowan Scarborough, Rumsfeld's War - The Untold Story of America's Anti-Terrorist Commander, Regenery Publishing 2004, 253 pg. ISBN: 0-8952-6069-7
Conservatieve medewerker van de Washington Times stelt op basis van documenten dat Bush al in februari 2002 een geheime richtlijn voor de Nationale Veiligheidsraad ondertekende, die de doelen vaststelde voor een oorlog tegen Irak.

John Prados, Hoodwinked: The Documents that Reveal How Bush Sold Us a War, The New Press 2004, 400 pg. (paperback) ISBN: 978-1-56584-902-0
Verzameling brondocumenten met commentaar over de verkoop van de oorlog met Irak aan het Amerikaanse publiek

John Kampfner, Blair’s Wars, Free Press, 2004 (updated), 384 pg. ISBN-10: 0-743-24830-9 ISBN-13: 978-0-7432-4830-3
Politieke redacteur van de New Statesman onthult dat Blair probeerde te verhinderen dat het White House onderzoek ging doen naar het ontbreken van massavernietigingswapens in Irak.

Glen Rangwalda en Dan Plesch, A Case to Answer, Spokesman Books 2004, 96 pg. ISBN: 978 0 85124 7045
Onderzoek naar de mogelijkheid om Blair in staat van beschuldiging te stellen wegens misleiding met betrekking tot de oorlog tegen Irak

Labour & Trade Union Review Pamphlet
David Morrison, Iraq: Lies, Half-truths and Omissions, Bevin Books, mei 2004

Joost Oranje, Hollandse oorlogslogica, NRC Handelsblad 12 juni 2004

Huub Jaspers, Geheime Nederlandse steun aan de oorlog van Bush, VD AMOK 2005 nr. 4

Bob Drogin en John Goetz, How US Fell under the spell of ‘Curveball’, Los Angeles Times 20 november 2007

Ester Gould, Waakhond of schoothond, een onderzoek naar de Nederlandse berichtgeving over de steun van het kabinet Balkenende aan de oorlog in Irak (pdf, 421 KB), Universiteit van Amsterdam, Journalistiek en Media, 2007

Harry van Bommel en Guido van Leemput, Onverantwoord goedgelovig of welbewust misleidend? De Nederlandse steun aan de oorlog in Irak: een reconstructie, Socialistische Partij 2007

Websites

National Security Archive
National Security Archive Electronic Briefing Book No. 80
Iraq and Weapons of Mass Destruction (Ed. Jeffrey Richelson)
Updated - February 11, 2004

IraqDossier.com
Kritische website over het Britse regeringsdossier van september 2002 over de massavernietigingswapens van Irak

Openheid over Irak, nú
Onafhankelijke burgerbeweging die zich inzet voor onderzoek naar de Nederlandse steun aan de oorlog tegen Irak.

Samenstelling: Kees Kalkman met een bijdrage van Mark Akkerman


Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina