Aangepast zoeken

Naar beginpagina
Naar overzicht VD AMOKs

VD AMOK
tijdschrift voor antimilitarisme en dienstweigeren
jaargang 7, nummer 5, 1998


Inhoudsopgave



Colofon

VD AMOK
Tijdschrift voor antimilitarisme en dienstweigeren
Jaargang 7, nummer 5, 1998

VD AMOK
Verschijnt 5 maal per jaar en wordt uitgegeven door Vereniging Dienstweigeraars (VD) en het Antimilitaristies Onderzoekskollektief AMOK.
Voor de inhoud van met naam ondertekende stukken zijn de auteurs verantwoordelijk.

Copyright
Overname van artikelen uit het lopende nummer is uitsluitend toegestaan na toestemming van de redactie. Overname van artikelen uit eerder verschenen nummers is toegestaan onder bronvermelding en toezending van een bewijsexemplaar aan de redactie. Deze artikelen staan op onze website www.vdamok.nl

Adres redactie en abonnementenadministratie
VD AMOK
Obrechtstraat 43
3572 EC Utrecht
tel. 06-14127779
e-mail vdamok"at"antenna.nl

Redactie
Kasper Heijting, Sylvester Hoogmoed (fotoredactie), Kees Kalkman, Karel Koster, Guido van Leemput, Stijn van der Putte

Fotografen en illustratoren
Marcel van den Bergh (HH), Nicole Claveloux, Leo de Groot, Jaco Klamer, Roberth Knoth (HH), Jos Lammers (HH), Peter Mark, Jan van der Pouw.

Vormgeving
René Oudshoorn

Drukker
Drukkerij De Dageraad, Den Haag

Verder werkten aan dit nummer mee
Hans Alles, Martin Broek, David Jan Donner, Eveline Lubbers, Theo Roncken, Fred van der Spek, Henk Spenkelink, Wendela de Vries.

Abonnementen
Een abonnement is minimaal € 14,- per jaar.
Een steunabonnement is minimaal € 18,-.
Over te maken op giro 5567607 t.n.v. VD AMOK, Utrecht.
Nieuwe abonnementen schriftelijk aanmelden. Wacht met betaling op toezending acceptgiro.
Opzegging uitsluitend schriftelijk vóór aanvang van het kalenderjaar.
Losse nummers kosten € 3,- (€ 4,- inclusief porto).

Advertenties
Tarieven en opgave bij de redactie.



Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Redactioneel -

Nieuwe uitdaging voor defensie

Een nieuwe uitdaging. Dat is de term waarmee menigeen een verrassende wisseling van baan verdedigt. De nieuwe minister van defensie De Grave staat voor zo'n uitdaging. Bekend als rekenmeester heeft hij de verantwoordelijkheid voor een hervorming van het defensieapparaat op zich genomen. Daarom zal hij in januari 1999 een 'Hoofdlijnennota' uitbrengen waarin zijn beleid uiteen zal worden gezet. Om zoveel mogelijk steun voor zijn algemene doel te werven heeft De Grave een ongewone stap gedaan. Hij wil een publieke discussie, waarop in de kranten de laatste maanden een voorschot is genomen.
De nieuwe regering, Paars II, heeft zich voorgenomen 375 miljoen gulden per jaar op defensie te bezuinigen. De Graves probleem is echter geen rekenkundige taak. Hij moet de krijgsmacht zo moderniseren dat het meekan in de nieuwe NAVO-strategie en dat de kloppende zweren van het leger, zoals de affaire Srebrenica, genezen. De kaasschaafmethode volstaat niet meer, hardere maatregelen in taakstelling en bijbehorend verkleind apparaat zijn noodzaak geworden.

Te verwachten valt dat De Grave grote voorzichtigheid met vredesoperaties in acht zal nemen. De laatste jaren manifesteerde zich een politiek-maatschappelijke stroming die het leger wil gebruiken bij het indammen van oorlog en het dempen van oorlogsellende. In de vorige regering werd zij verpersoonlijkt door VVD'er Voorhoeve en PvdA'er Pronk. Zij hadden een loffelijk streven dat in de praktijk tot meer problemen dan echte oplossingen heeft geleid en verwacht mag worden dat de NAVO, en De Grave in haar spoor, zich geleidelijk aan van dit pad wil afwenden.
Dat komt de duidelijkheid ten goede. Afgezien van wat hulp bij natuurrampen heeft de krijgsmacht geen taak bij de gevolgen van een machtsstrijd in het buitenland. Laat dat over aan artsen en bouwkundigen.
In de nieuwe defensiepolitiek zal de nadruk waarschijnlijk liggen op strategische belangen van de westerse wereld. Nederland zal daarbinnen een kleine, maar hoog-technologische plaats moeten vinden. Dat levert protest op van vakbonden voor militair personeel en van gemeenten zoals Den Helder, die afhankelijk zijn van de krijgsmacht. Ook zullen de voorstanders van humanitaire interventie niet gelukkig zijn met dit beleid.
Waarvoor wil de regering een krijgsmacht behouden? Dat is de kernvraag waarover het debat moet gaan. Een beknopt antwoord daarop is dat Nederland de belangen van de westerse wereld en het eigen internationale bedrijfsleven wil behartigen met behulp van een eigentijds visie op het gebruik van oorlog. Oorlog wordt daarin misschien als een abnormale manier van politiek handelen beschouwd (als er tenminste geen Hollandse doden vallen) maar desondanks als een uiterste vorm van acceptabele politiek. De aangepaste krijgsmacht is het militaire middel om daaraan, zij het uitsluitend in NAVO-verband, uitvoering te geven.

Ten aanzien van het billijke verzoek van slachtoffers van volkerenmoord om militaire hulp, valt te concluderen dat er sinds de kwestie van de Iraakse Koerden na de Golfoorlog in 1991, voortdurend onduidelijkheid is geweest. Onduidelijkheid over wat volkerenmoord nu precies is, onduidelijkheid over de bevoegde politieke internationale instantie die de leiding moet krijgen, onduidelijkheid over de zelfstandige rol van Nederland daarin, onduidelijkheid over de uitvoerende militaire instantie. De VN is verlamd en blijft naar te vrezen valt de komende jaren te zwak om van haar iets zinnigs te verwachten. De NAVO dient andere politieke belangen, zoals dagelijks in de praktijk blijkt. De ervaring van zeven jaar Nieuwe Wereldorde moet zijn dat er geen Nederlands defensiebeleid kan bestaan dat slachtoffers van volkerenmoord met wapens helpt. Het is en blijft daarbij wachten op grote vriend Amerika.

Nederland heeft, zo dunkt ons, om al die redenen geen krijgsmacht nodig. We menen dat de tijd rijp is dat de internationale problemen waaraan ook Nederland bijdraagt, en lijdt, op een andere wijze opgelost worden. Een groot deel van de wereld heeft onmiddellijke behoefte aan armoedebestrijding door middel van het betalen van eerlijke prijzen voor grondstoffen en arbeid. De Nederlandse regering kan daaraan bijdragen door (ook bedrijven te verplichten) aan deze behoefte te voldoen. Een leger heeft daarbij geen nut en kan in de komende tien jaar worden ontmanteld. Delen van het leger kunnen worden gebruikt bij de vorming van een grote civiele rampenbestrijdings- en heropbouwdienst. Dat is de werkelijke uitdaging voor een nieuwe defensiepolitiek.

De redactie



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Turkije - Syrië -

Turkije dwingt Syrië stap terug,
Koerden stap opzij

Turkije heeft in oktober met een korte oorlogszuchtige campagne Syrië gedwongen haar banden met de PKK-leiding officieel te verbreken en de PKK gedwongen tot een half voorbereid avontuur om naar Europa uit te wijken. Daarmee heeft ze bewezen een regionale grootmacht te zijn. Syrië was genoeg geïmponeerd om te geloven dat het militair gezien geen zin had hiervoor een oorlog te riskeren. De militaire opbouw van Turkije in de afgelopen vijftien jaar heeft successen opgeleverd, en heeft een nieuwe fase in de politiek van het Midden-Oosten ingeluid. Dit artikel geeft een eerste analyse van de gevolgen van de Turks-Syrische crisis, die op moment van afronden nog in volle gang is en zich heeft verplaatst naar de Europese regeringscentra.

De Koerdische kwestie is een nieuwe fase ingegaan. Voor de PKK heeft de conclusie dat zij niet in staat is Turkije op een militaire wijze tot concessies te dwingen, laat staan tot overgave, geleid tot een politiek die de nadruk zal leggen op internationale diplomatie en het in stand houden van de zeer grote steun die zij onder de Koerden van Turkije geniet. Daartoe heeft PKK-leider Öcalan inmiddels de vlucht naar voren genomen en Europa onder druk gezet om het initiatief te nemen in de ontwikkeling van de Koerdische kwestie.

Koerdische beweging in Turkije

In 1993 al besefte de PKK dat een onafhankelijk (socialistisch) Koerdistan, dat altijd in het programma had gestaan, niet tot de reëel uitvoerbare mogelijkheden behoorde. Daarom ruilde het dit streven in voor een federatief verband in de republiek Turkije. Daarover wenste de PKK te onderhandelen. In maart 1993 toen de PKK militair gesproken op haar sterkst was, besloten de Turkse militairen de oorlog naar nieuwe hoogtepunten te voeren. Geen middel werd onbenut gelaten, en met succes.
Begin 1998 zou PKK-leider Öcalan onder de schuilnaam Ali Firat in een Turks-Koerdisch maandblad hebben toegegeven dat de militaire weg om het politieke doel te bereiken mislukt was. Tegelijkertijd verschenen berichten in de Turks pers dat de PKK-leiding de mogelijkheden onderzocht om in het kader van een diplomatiekere handelwijze een vestigingsplaats in Europa te zoeken.
Per 1 september jl. kondigde Öcalan een eenzijdig staakt-het-vuren af dat zal gelden tot de Turkse parlementsverkiezingen, die voorzien zijn op 18 april 1999. Dit was het derde staakt-het-vuren sinds 1993. En ook dit keer gingen de Turkse strijdkrachten er niet op in. (noot 1) Sterker nog, sindsdien zijn diverse grote militaire offensieven ingezet, om de in Turks-Koerdistan aanwezige guerrillastrijders 'uit te schakelen'.
Als klap op de vuurpijl volgde op 1 oktober de oorlogsdreiging tegen Syrië, dat op 20 oktober toestemde in een overeenkomst. In deze overeenkomst wordt gesteld dat Syrië en Turkije zullen samenwerken aan de bestrijding van het terrorisme. Terrorisme is de standaardaanduiding voor alles wat op de PKK lijkt. Bovendien heeft Öcalan Syrië verlaten en is in eerste instantie naar Rusland uitgeweken. Na een mislukte poging het PKK-hoofdkwartier daar te vestigen, wordt op moment van schrijven een poging ondernomen voet aan de grond te krijgen in Italië.
Als dat lukt, is Öcalan erin geslaagd om zich geheel volgens eigen behoefte in een Europese hoofdstad te vestigen. Duidelijk is wel dat daarvoor hoog spel is gespeeld. En het zal ook duidelijk worden dat de PKK-oorlog moet worden beëindigd.

Vlucht vooruit

Het is de vraag of de PKK een grote diplomatieke nederlaag heeft geleden. Het lijkt meer op een gedwongen zijstap, die een bewijs is van de militaire problemen van de PKK (en Syrië), maar niets zegt over de steun aan de PKK door de Turks-Koerdische bevolking.
Het ontkomen aan de Syrische druk kan de PKK goed doen. Het Syrische belang om met behulp van de PKK oorlog te voeren in Turks-Koerdistan, staat op gespannen voet met de wens naar vrede en ontwikkeling van de Koerdische bevolking in Turkije. De PKK is er de afgelopen jaren niet in geslaagd om de haar sympathieke Koerdische politici, journalisten, advocaten die vermoord of vermist zijn te beschermen, laat staan de massa van de bevolking die van huis en haard is verdreven. Het opgeven van de gewapende strijd zal de zaak van de Turks-Koerdische bevolking goed doen.
Turkije heeft de Koerdische beweging op 20 oktober niet uitgeschakeld. Want waarom zou de Turkse regering overgaan tot oorlog met Syrië als de oorlog tegen de PKK in Turkije gewonnen zou zijn? De banden met de onderwereld die sinds 1996 zijn aangetoond, blijken met elke nieuwe onthulling verder in de richting van de hoogste politieke top te leiden. De conclusie dat de onderwereld Turkije bestuurt, komt met de dag dichterbij. Deze onderwereld heeft miljarden verdiend aan de oorlog, zeker sinds ze door de regering Çiller in 1993 uitgenodigd werd om met moord en verdwijning mee te doen aan de bestrijding van de Koerdische beweging. Dit heeft de Turkse staat miljarden per jaar gekost, zonder dat een effectieve controle over de politieke problemen dichterbij is gekomen. De economie is noodlijdend nu de Azië-crisis van de afgelopen zomer ook in Turkije voelbaar wordt.
De Turkse regering en de legerleiding spoeden zich ondanks de gunstige militaire situatie van crisis naar crisis. Tegen Syrië heeft het geholpen om met een vlucht vooruit aan de problemen te ontsnappen.

Kansen bij verkiezingen

Een van de redenen van de PKK om haar staakt-het-vuren af te kondigen is de zeer gunstige vooruitzichten voor de (pro-) Koerdische politieke partij HADEP bij de verkiezingen van april 1999. Uit enquêtes onder het kiezersvolk van zuidoost Turkije blijkt dat geen enkele partij van de Turkse elite ook maar enige aanhang heeft in de Koerdische gebieden. (noot 2) Dat betekent dat politiek gesproken de oorlog tegen de Koerdische nationale beweging voor de Turkse elite op een nederlaag dreigt uit te lopen. Wie uit deze crisis als winnaar naar voren zal komen is totaal onduidelijk.
Slechts twee partijen zijn in Turks-Koerdistan van belang, de islamitische partij, die momenteel Partij van de Deugd heet en de Koerdisch nationalistische HADEP. Beide partijen vallen buiten de officieel goedgekeurde Turkse staatsideologie. Probleem voor de HADEP is de kiesdrempel van 10%, maar het is zelfs niet uitgesloten dat zij deze drempel in een verbond met meerdere onafhankelijke linkse partijen in Turkije kan halen. Gemeenteraadsverkiezingen zullen in Turks-Koerdistan in ieder geval in veel grote steden moeiteloos gewonnen kunnen worden door de HADEP.
Behalve de militaire woestenij die het Turkse leger heeft geschapen, heeft het ook een politiek en sociaal onvruchtbaar gebied gecreëerd. De Turkse elite rest weinig anders dan deze bewegingen te blijven vervolgen, of eieren voor haar geld te kiezen en tot een politiek vergelijk te komen. Dat laatste is echter zeer onwaarschijnlijk. Daarom zal de Koerdische kwestie de agenda van het Midden-Oosten de komende jaren blijven bepalen.

Permanente druk

Hoewel de Syrische grond te heet onder de voeten van de PKK-leiding is geworden, is niet duidelijk of de PKK veel van haar faciliteiten in Syrië verloren heeft. Het betreft niet alleen het hoofdkwartier en kampementen, maar ook recruteringsmogelijkheden van PKK-soldaten onder de Syrisch-Koerdische bevolking en bezittingen van de partij in Syrië. Over dat laatste wordt driftig gespeculeerd in de Turkse pers sinds Öcalan op de Koerdische Med-TV liet doorschemeren dat sommige landen economisch afhankelijk zijn van de PKK. Of dat waar is is onduidelijk, maar de PKK is het Syrische regime ook tot steun. Het is bovendien de tweede keer dat Turkije en Syrië deze overeenkomst sluiten. In 1992 al werd een soortgelijke tekst overeengekomen, maar nooit door Syrië uitgevoerd. Naar verluidt verbleef Öcalan toen een drietal dagen in Griekenland om vervolgens weer terug te keren.
Turkije zal Syrië onder permanente druk moeten houden om alle aspecten van de overeenkomst van 20 oktober ook af te kunnen blijven dwingen. Het zal in de komende jaren, ondanks vrijwel permanente troepenconcentraties aan de grens, voornamelijk het wapen van de watertoevoer gebruiken. Syrië heeft veel meer water nodig uit de Eufraat dan het krijgt van Turkije. Turkije is in staat met behulp van een dammenstelsel de watertoevoer naar believen te reguleren. Daarmee is Syrië's economie afhankelijk geworden van Turkse politiek.

Regionale macht

Inmiddels heeft Turkije Libanon in de tang genomen om ook haar banden met de PKK officieel te verbreken. Het afbreken van de macht van Syrië, dat ook in Libanon een grote vinger in de pap heeft, is een groot belang van Turkije én van Israël. Deze twee landen zijn in 1996 een militaire samenwerking aangegaan, die voorzover bekend alleen militaire zaken betreft. Er is geen sprake van een officieel bondgenootschap. Er is dus geen officiële politieke doelstelling bekend.
Sinds oktober is duidelijk geworden dat Turkije de regionale machtsaspiraties die het koesterde tegen een sterke buur als Syrië kan doordrukken. Syrië beschuldigde Israël ervan de aanstichter te zijn geweest. Turkije heeft haar eigen politiek voorop gesteld, waarbij het hoogstwaarschijnlijk gebruik heeft gemaakt van Israëlische inlichtingen over Syrische militaire installaties. Eventuele bombardementen zouden niet beperkt zijn gebleven tot de kwetsbare PKK-doelen, in feite niet meer dan stenen en doek. Ook raketinstallaties als die van de Scud-C, en vliegtuigen zouden zijn aangepakt. Want daarmee zou de militaire slagkracht waarmee ook Israël kan worden bestookt zijn uitgeschakeld. Die machtige druk heeft Syrië ertoe gebracht de PKK-leiding het land uit te sturen. Het valt te verwachten dat Syrië naar mogelijkheden zal zoeken om haar machtspositie in het Midden-Oosten te versterken. (noot 3)

Inperken en terugdringen

Al sinds decennia trachten Westerse staten de macht van de Arabische wereld in te dammen. Sinds de val van de Muur is het grootschalig terugdringen van deze macht het politieke hoofddoel. De wijze waarop Irak, door met name de VS, in de klem wordt gehouden is er een sterk bewijs van. Het nieuwe van de laatste crisis is dat Turkije onafhankelijk van de VS en met stilzwijgende steun van Israël deze zet heeft gedaan. Daarmee is Turkije een actiever Midden-Oosten politiek gaan voeren. (noot 4) Eerste Turkse prioriteit is de strijd tegen de PKK, en niet wat de regeringen in andere Arabische landen riepen, de anti-Arabische prioriteit in opdracht van Israël.
In hoeverre Israël, Turkije en de VS een gezamenlijk plan hebben is onduidelijk. De hoofdbelangen van deze staten lopen parallel, maar botsen soms ook. Het onderlinge probleem voor de VS en Turkije is dat zij het niet eens zijn over de wijze waarop Irak moet worden aangepakt. De VS heeft besloten dat nu het einde van de wapeninspecties van Irak in zicht lijkt, een nieuwe anti-Saddam-coalitie in Irak zelf moet worden begonnen. Daartoe heeft het opnieuw de rivaliserende Iraaks-Koerdische partijen in de VS bijeen gebracht. De afgelopen jaren waren deze partijen onder de vleugels van Turkije gekomen. Turkije is gebaat bij verdeeldheid van de Iraakse Koerden vanwege haar anti-Koerdische politiek in eigen land; de VS is gebaat bij eensgezindheid vanwege haar anti-Saddam Hoessein politiek, waarbij het niet zonder de Iraakse Koerden kan. Turkije is erg ongelukkig met de nieuwe overeenkomst tussen de Iraaks-Koerdische partijen, die in september is gesloten. Dat was voor Turkije extra reden om Syrië en de PKK aan te pakken omdat teveel Koerdische eensgezindheid aan haar zuidgrens slechte gevolgen zou krijgen. Bovendien had de PKK één van de Iraaks-Koerdische partijen, de KDP, waarmee het ook een burgeroorlog uitvocht, een staakt-het-vuren aangeboden. Turkije vindt dat het veel te veel economische en politieke schade heeft ondervonden van de internationale anti-Irak politiek sinds 1990.
De VS is het eens met de aanpak van Syrië door Turkije, maar blijft haar eigen Irak-politiek voeren. Want behalve een nieuwe eensgezinde anti-Saddam-coalitie zal de VS bijna 100 miljoen dollar aan wapens gaan besteden in een anti-Saddam-actie. Voor de volgende Amerikaanse presidentsverkiezingen in 2000 valt er nog nieuws te verwachten van deze coalitie.

Ad hoc bondgenootschap

Het heeft er alle schijn van dat de militaire en politieke samenwerking van Israël en Turkije uitgroeit tot een gezamenlijke roll-back strategie tegen de macht van Arabische landen die in Israël en Turkije pro-westerse steunpilaren zien. Dat is een van de opvallende conclusies van de crisis die plotseling de kop opstak. Deze politiek kenmerkt zich momenteel door een ad hoc bondgenootschap in belangrijke gevallen. Het (blijvend) terugdringen van de macht van Irak en Syrië, zonder dat het daarbij tot een Koerdische staat komt of anderszins de grenzen in het Midden-Oosten verandert, is de komende jaren de gezamenlijke opdracht. Daarin schuilt ook het dilemma. Het grote probleem bij de bestendiging van deze macht is het oplossen van de binnenlandse problemen waarvan de Koerdische kwestie de sleutelkwestie blijft. Lukt dat niet, dan zal Turkije blijven leiden aan dezelfde kwaal waar ook Irak al twintig jaar last van heeft. Het zich spoeden van oorlog naar oorlogsdreiging en weer terug om zo de oplossing van binnenlandse problemen te ontlopen.

Guido van Leemput



Noot van de schrijver: Deze analyse is geschreven kort voordat Abdullah Öcalan asiel aanvroeg in Italië. Ik kon hier op het moment van de totstandkoming van het nummer slechts nog zijdelings op ingaan. Het volgende nummer van VD AMOK, dat een themanummer over de oorlog in Turkije is, zullen we hierop terugkomen.


Noten:

  1. Een opvallend verhaal werd verteld door Kani Yilmaz, hoofd van de PKK in Europa, tijdens een toespraak op een internationale conferentie over de Koerdische kwestie in Leuven, op 10 oktober jl. Yilmaz stelde dat hij - voor het eerst op een internationaal forum - onthulde dat de PKK uitgenodigd was om een staakt-het-vuren af te kondigen. Hij vertelde er niet bij door wie die uitnodiging was gedaan.
    Later bevestigde een PKK-vertegenwoordiger de uitnodiging, die, zo stelde deze man, per anonieme brief "van een Turks ministerie" bij de PKK was aangekomen. Als dat klopt dan lijkt het erop dat de PKK in de val is gelokt, of dat de meningsverschillen in de Turkse elite over de oorlog tegen de PKK niet zó groot zijn als waarop de PKK gokte.
    Terug naar tekst
  2. Te weten de Moederlandpartij van premier Yëlmaz, de Partij van het Juiste Pad van president Demirel en ex-premier Çiller, de DSP van vice-premier Ecevit, de CHP van oppositieleider Baykal, laat staan Turks-fascistische partijen als MHP.
    Terug naar tekst
  3. Volgens The Sunday Times van 25 oktober 1998 ("Nuclear missiles may target new danger nations") heeft het Britse ministerie van defensie voorgesteld de Britse strategische atoomraketten van de Trident-onderzeeërs niet langer op Russische doelen te richten, maar op Libië, Irak en Syrië. De reden daarvan is dat deze landen zich zouden toeleggen op aanschaf en fabricage van biologische en chemische wapens.
    Terug naar tekst
  4. De invasies die al sinds 1983 in Noord-Irak worden uitgevoerd zijn van een andere orde. Tot 1992 zijn deze met steun van Irak uitgevoerd in een gezamenlijk anti-Koerdisch beleid. Sinds 1992 dienen de Turkse invallen en bombardementen om de eenheid van de Iraakse Koerden te breken en de PKK te vervolgen.
    Terug naar tekst



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Kernwapens -

NIPO opinie-onderzoek naar kernwapens

In de Verenigde Naties wordt elk jaar het kernwapenbeleid van de kernwapenstaten ter discussie gesteld. Ook het NAVO-kernwapenbeleid valt daaronder. De Nederlandse regering is van mening dat dit beleid niet kan worden losgelaten, de Nederlandse bevolking denkt daar anders over blijkens een NIPO opinie-onderzoek.

Gedurende de tachtiger jaren werd tijdens de strijd tegen de kruisraketten regelmatig de mening van de Nederlandse bevolking over kernwapens getoetst. Nu de eerste acties van een nieuwe beweging tegen kernwapens worden gevoerd (de burgerinspecties van de luchtmachtbasis Volkel en de acties tegen de Trident onderzeeërs in Groot-Brittannië), is het interessant om kennis te nemen van de huidige mening van het Nederlandse publiek hierover. Het beëindigen van de Koude Oorlog negen jaar geleden heeft inderdaad het idee post doen vatten dat er geen kernwapens meer zijn in Nederland. Maar weinigen zijn op de hoogte van de voortgezette aanwezigheid van kernbommen op vliegbasis Volkel in gepantserde kelders onder de vliegtuighangars. Er wordt door de F-16 piloten van de Koninklijke Luchtmacht nog steeds geoefend voor de inzet van die kernwapens in het kader van de nucleaire strategie van de NAVO. De Nederlandse regering houdt dan ook nog steeds vast aan deze strategie. Dat bleek uit een recente stemming in het First Committee, een orgaan van de Verenigde Naties, over een motie van de zogenoemde New Agenda Coalition (onder meer bestaande uit Zuid-Afrika en Zweden) die aandrongen op snellere nucleaire ontwapening. Na intense druk door de anti-kernwapen lobby (en een bezoek van de Canadese senator Roche die in Duitsland en Nederland steun voor de motie kwam bepleitten) bleek de regering bereid om zich te onthouden van stemming.

Opinie-onderzoek

Wat vindt de Nederlandse bevolking hiervan? Uit het in september uitgevoerde onderzoek (in opdracht van de Werkgroep Eurobom en NVMP-Gezondheidszorg en Vredesvraagstukken), blijkt dat het Nederlandse lidmaatschap van de NAVO niet ter discussie staat - slecht 3% wil uit de NAVO - maar dat de Nederlanders wel een ander kernwapenbeleid van de NAVO willen, dat gericht is op het kernwapenvrij maken van Europa.
Nog slechts 12% is van mening dat kernwapens "noodzakelijk zijn voor militaire verdediging" en dat daarom "een wereld zonder kernwapens ondenkbaar is", 62% is het oneens met die stelling. De militaire noodzaak van kernwapens is in de ogen van de publieke opinie vrijwel verdwenen.
Op de vraag "vindt U dat Europa of delen daarvan kernwapenvrij moeten worden?" zegt 65% ja, 16% nee, en heeft 19% geen oordeel. De achterbannen van de paarse partijen vinden dat in vrijwel gelijke mate: VVD 59%, PvdA 73%, D'66 74%. Vrijwel iedereen (79%) die een kernwapenvrij Europa ondersteunt, wil dat "heel Europa, dus ook Rusland" kernwapenvrij wordt, 21% vindt dat één of meer kernwapenstaten hun kernwapens nog mogen houden en dat de rest kernwapenvrij moet worden. Een ruime meerderheid in de publieke opinie is dus voor het kernwapenvrij maken van de Europese landen die zelf geen kernwapens bezitten. In het debat over de uitbreiding van de NAVO heeft dat nog maar weinig aandacht gekregen.
Een stap op weg naar een kernwapenvrij Europa is de NAVO en Nederland kernwapenvrij te maken. 46% is voor het verwijderen van de kernwapens uit het wapenarsenaal van de NAVO, 31% is ertegen en 23% heeft geen mening. De laatste kernwapentaak van Nederland afstoten wil 43%, 30% is ertegen, en 27% heeft geen mening. Ook de verdeeldheid in de politieke achterbannen komt bij deze vragen weer naar boven: de PvdA en D'66 zijn in meerderheid voor, de VVD in meerderheid tegen, en het CDA is verdeeld.

Karel Koster



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Zinloos geweld -

Pacifistische pijnpunten in paars debat

Het verschijnsel zinloos geweld staat in het brandpunt van de publieke discussie in Nederland. De AVRO organiseerde begin november een themaweek, Kok sprak op een bijeenkomst in Leeuwarden over straatgeweld. In het afgelopen jaar zijn verwante thema's, zoals huiselijk geweld en televisiegeweld, telkens aan bod gekomen. De discussies lijken symptomatisch voor een ideologische verwarring waaraan de Nederlandse maatschappij, pacifisten incluis, ten prooi is. Een analyse.

Het is een opvallend kenmerk van de discussie dat de verschijnselen moeilijk te onderscheiden zijn van de percepties ervan. Het merkwaardige begrip zinloos geweld heeft een emotionele en ideologische geladenheid die de realiteit van grof straatgeweld overstijgt. De presentatie van de bevindingen uit een Intomart-onderzoek naar 'huiselijk geweld' in oktober 1998 gaf aanleiding tot een vinnige polemiek waarin de omvang van het verschijnsel, de definitie van geweld en de mate waarin mannen en jongens slachtoffer van ernstig geweld zijn, ter discussie werden gesteld. De discussie over televisiegeweld, tenslotte, bijt zich stuk op de relatie tussen fictioneel en echt geweld.

Het is geen toeval dat deze drie debatten, die op allerlei punten naar elkaar verwijzen, zo'n sterk ideologisch karakter hebben. De oude manieren van praten over maatschappelijk geweld, waar het pacifisme een voorbeeld van is, voldoen niet meer in de discussie. De dominante neo-liberale ideologie, de paarse cocktail van die oudere discoursen, creëert structureel blinde vlekken, wat het ontstaan van een nieuwe normatieve visie op ontwikkelingen in de Nederlandse maatschappij, en daarmee politiek bewustzijn, belemmert. De discussie over zinvol geweld bevestigt die dominante ideologie maar maakt tegelijkertijd iets duidelijk over de blinde vlekken ervan.

Zinvol geweld

De term 'zinloos geweld' heeft een dubbelzinnige betekenis. Enerzijds verwijst het sec naar grove openbare geweldpleging waaraan geen duidelijk (= sociaal herkenbaar) conflict ten grondslag ligt. Anderzijds heeft de term een emotionele lading en een publieke betekenis die het gebruik zelf ervan al tot een verschijnsel maken. Van diverse kanten wordt de term dan ook ter discussie gesteld: het begrip 'straatgeweld' wordt als alternatief voorgesteld, zinloos geweld wordt als pleonasme aangemerkt (is geweld niet per definitie zinloos?). Maar hiermee blijft de ideologische betekenis van de term, die de gretigheid waarmee politici en media erover spreken verklaart, buiten beeld.

Het wonderlijke begrip 'zinloos geweld' drukt iets uit van de manier waarop onze cultuur naar geweld kijkt. 'Zinloos geweld' is een spookbeeld, een ultiem kwaad, dat verraadt wat onze cultuur het meest vreest, namelijk het ontbreken van controle, in welke vorm dan ook — in de vorm van een sociologische of psychologische of economische of historische verklaring, en een daarbij passend plan van aanpak. 'Zinloos geweld' is iets wat niet in dat wereldbeeld past.

Niet alleen straatgeweld roept deze angst op, maar ook oorlogen in andere landen, bijvoorbeeld in Joegoslavië. De Duitse schrijver Hans-Magnus Enzensberger gebruikt de term 'burgeroorlog' voor beide verschijnselen. In zijn essay Oog in oog met de burgeroorlog (1993) gaat hij in op de angst voor de kwaliteit van het zinloze. Deze kwaliteit verbindt hij behalve met de verschijnselen zelf, ook met het gevoel van machteloosheid dat ze bij de Westerse televisiekijker teweegbrengen. Deze machteloosheid wordt in zijn visie versterkt, zo niet veroorzaakt, door het waanidee dat de Westerse waarden universeel geldig zouden zijn.

De macht, en de verantwoordelijkheid, om deze waarden te handhaven, berust bij de staat, de verbanden die staten aangaan, zoals de VN, en de organisaties van de staat. Het is deze macht, deze beheersing, deze veiligheid (Enzensberger spreekt cynisch over "de door macht beschermde idylles van het Westen."), die als 'zinvol geweld' aangemerkt kan worden. Geconfronteerd met burgeroorlog (het instorten van een staat) en met straatgeweld (de schending van het geweldsmonopolie van de staat), maar evengoed bij de 'instroom' van vluchtelingen, doen we een beroep op de staat om met al haar middelen, desnoods fysiek geweld, haar macht ondubbelzinnig te doen gelden. Het probleem is echter dat 'de staat' daar niet in alle gevallen toe in staat is.

Moraal

Macht is in onze maatschappij niet in de eerste plaats zichtbaar in de dreiging met fysiek geweld, maar in de manier waarop media, scholen en sociale diensten ons gedrag, onze waarden en onze mentaliteit sturen. Het is dan ook niet vreemd dat het verschijnsel van extreem straatgeweld aanleiding geeft tot psychosociale verklaringen.

Twee ogenschijnlijk tegenstrijdige beweringen in de discussie, namelijk dat straatgeweld veroorzaakt wordt door 'maatschappelijke ongelijkheid' (politicoloog Hoogerwerf) en door de 'sterk toegenomen maatschappelijke gelijkheid' (socioloog Schnabel), zijn karakteristieke voorbeelden (de Volkskrant 26-5-1998 en 24-9-1998). In Enzensbergers essay verschijnen beide beoordelingen in één verband: "In iedere gemeenschap, ook de rijkste en vreedzaamste, doen zich voortdurend gevallen voor van concrete ongelijkheid, aantastingen van het gevoel van eigenwaarde, onredelijke eisen en allerlei frustraties. Tegelijkertijd groeien de eisen juist met de formele gelijkheid en vrijheid van de burgers. Als die niet ingewilligd worden, kan tenslotte vrijwel iedereen vernederd worden." Naarmate de norm van gelijkheid maatgevender wordt voor mensen, zullen ze gevoeliger worden voor ongelijkheid. De vraag of je de ongelijkheid moet bestrijden of strenger moet opvoeden en harder moet straffen kan dan ook niet beantwoord worden.

Dit dilemma kan gezien worden als typerend voor moderne Westerse landen na de sociale revolutie van de jaren '60 en '70. De Engelse historicus Hobsbawm suggereert in zijn geschiedenis van de twintigste eeuw (Age of Extremes (1991)) dat de mentaliteit die de kapitalistische maatschappij tot nu toe draaiend heeft gehouden, niet voortkomt uit de kapitalistische ideologie die in de publieke sfeer overheerst. Hij denkt daarbij aan deugden en motivaties die vooral in de familiesetting geleerd werden, zoals bijvoorbeeld spaarzaamheid, gehoorzaamheid en trouw. Het zijn juist deze waarden die in de laatste vijfendertig jaar zijn geërodeerd.

Publicist Bas van Stokkum, redacteur van Justitiële verkenningen, stelt optimistisch dat er in plaats daarvan een nieuwe moraal is ontstaan (de Volkskrant 10-12-1997). In deze moraal, die hij afzet tegen een oude 'autoritaire' moraal, staat waardigheid centraal. In plaats van schuld te voelen bij het overtreden van regels, voelen we schaamte over de aantasting van onze waardigheid. Een illustratie hiervan zou het gedrag van de weigeryup kunnen zijn, die openlijk op alle mogelijke manieren aan de dienstplicht probeert te ontlopen, maar zijn verblijf in de gevangenis angstvallig geheim houdt voor zijn naaste omgeving.

Van Stokkum ziet de grote gevoeligheid voor vormen van geweld die vroeger geaccepteerd werden, zoals pesten op school, vernederingen door superieuren e.d., als de uiting van de angst voor de aantasting van de waardigheid, en oppert en passant dat de hoge percentages in het huiselijk geweld-onderzoek wellicht hierdoor veroorzaakt worden. In dit onderzoek is namelijk ook het omstreden begrip 'geestelijk' of 'emotioneel' geweld gebruikt.

Het probleem zou zijn dat de bijbehorende deugd, zelfcontrole, (nog) niet door iedereen kan worden opgebracht, met name niet door (allochtone) jongeren die zijn opgegroeid in een autoritair milieu (van Stokkum) en door mensen uit lagere klassen (Schnabel). Hun streven naar de bevestiging van hun 'waardigheid' krijgt, in de woorden van Schnabel, een 'geperverteerde draai,' aangezien het met fysiek geweld wordt opgeëist.

Enzensberger denkt, in de lijn van Hobsbawm, veel pessimistischer dat 'waardigheid' buiten het bereik van steeds grotere groepen burgers ligt, en dat de mensen in deze groepen voelen dat ze in wezen overbodig zijn, hetgeen een blinde, zelfdestructieve agressie teweeg zou brengen. Het is misschien het stelsel van sociale voorzieningen dat die woede in Nederland dempt.

Man en geweld

Een zeer belangrijk aspect van moraal en mentaliteit zijn seksuele identiteit en verhoudingen. Juist op dit diepliggende culturele niveau heeft de culturele revolutie van de afgelopen dertig jaar grote gevolgen gehad. TransAct-medewerker Nico van Oosten brengt dit aspect naar voren in de discussie over het seksespecifieke karakter van zinloos geweld (de Volkskrant 2-7-1998). In zijn visie is geweld "een probleem dat veroorzaakt wordt door maatschappelijke opvattingen over hoe jongens en mannen hun mannelijkheid horen te bewijzen." Dit zou verklaren waarom juist mannen hun waardigheid met geweld opeisen.

Het begrip waardigheid krijgt een seksespecifieke invulling: nog afgezien van de hoge eisen (van bijvoorbeeld produktiviteit) die aan mannen en vrouwen worden gesteld, is het voor mannen moeilijker geworden waardigheid op een traditioneel mannelijke manier in te vullen. Vrouwelijke kwaliteiten sluiten daarentegen goed aan op de dienstverleningseconomie. Juist jongens uit traditionele gezinnen met traditionele ideaalbeelden van mannelijkheid (opnieuw: allochtonen en lagere sociale milieus) die toch al weinig kans op maatschappelijk succes hebben, richten zich op 'idealen die verder weg liggen dan ooit' en zullen hun frustratie in typisch mannelijk gedrag (geweld en agressie) tot uitdrukking brengen.

Deze redenering geeft een interessante verklaring van publiek geweld, maar schiet tekort ten aanzien van geweld in de privésfeer, dat eveneens door mannen veroorzaakt wordt maar een veel structureler karakter heeft. Dit wijst erop dat mannelijkheid überhaupt een problematisch gebied is en niet slechts voor bepaalde sociologisch goed te onderscheiden groepen in een bepaald tijdsgewricht. Niet ten onrechte spreekt de Volkskrant van een 'even groot als raadselachtig probleem.'

Terugblikkend op de discussie over 'huiselijk geweld' valt vooral op dat, in tegenstelling tot debatten over zinloos geweld en mediageweld, deze discussie al snel is doodgebloed. Toch is het eigenlijk een veel groter probleem dan straatgeweld. In de woorden van onderzoekster Renée Römkens: "Het is allang bekend dat het gezin voor velen eerder een brandhaard van agressie is. Als mensen elkaar ergens kwellen — fysiek, seksueel of geestelijk — is het wel in de intieme levenssfeer, waar mensen dicht op elkaar veel tijd doorbrengen" (de Volkskrant 1-11-1997). Kortom: geweld is de normaalste zaak van de wereld.

De discussie over huiselijk geweld is veel minder vrijblijvend dan het publieke debat over zinloos geweld. De privacy, het ideaal van het gezinsleven en mensbeeld zijn in het geding. Bovendien raakt het aan de sekseverhoudingen, die verbonden zijn met belangen, verlangens, identiteiten, ons kortom in ons wezen raken. Het gaat om diepliggende (onbewust) en niet zo makkelijk te veranderen cultuurpatronen.

Wat in het getouwtrek over interpretaties van statistieken verloren is gegaan, is dat er in het Intomart-onderzoek wel degelijk een grond is voor de bewering dat mannen meer dan gedacht slachtoffer zijn van geweld. Het gaat dan met name over lichamelijk geweld tegen jonge mannen/jongens in de leeftijd 10-20. Dit geeft te denken. In deze levensfase (de pubertijd en vroege adolescentie) vinden immers cruciale ontwikkelingsprocessen plaats met betrekking tot vorming van normen en waarden, en inpassing in de volwassen maatschappij (socialisering), seksualiteit en seksuele identiteit. Geweld (en de daarmee gepaard gaande machtsverhoudingen en angsten) speelt in deze fase kennelijk een belangrijke rol en ervaringen met geweld (als dader, slachtoffer of toeschouwer) zullen ongetwijfeld hun sporen achterlaten in de vorming tot volwassen man. De algemene overtuiging dat mannen van nature agressief zijn, maar ook de veronachtzaming van de kwetsbaarheid van mannen, bevestigt deze realiteit.

Levensbeschouwelijke leegte

Fictief geweld op televisie wordt tenslotte opgevoerd als verklaring voor zinloos geweld. Dit lijkt in het licht van het voorafgaande een beetje simplistisch. Het kan even goed zijn dat de ideaalbeelden op televisie de gevoeligheid voor en onvrede over 'vernederingen' van de praktijk van het eigen leven voeden. Volgens mediapsycholoog Groeber heeft geweld op televisie ook een sociale en emotionele betekenis voor de bevestiging van sekse-identiteit, met name mannelijkheid. De schokkende beelden die dagelijks in de journaals voorbijkomen, voeden volgens Enzensberger een machteloosheid die tot onverschilligheid of tot agressie moet leiden.

De oudere cultuurvormen van religie en kunst verbeelden eveneens geweld: het Griekse nationale epos de Ilias bevat zeer intense beelden van oorlog, het lijdensverhaal van Christus wordt in de religieuze kunst in alle gruwelijke details neergezet, Hamlet is slechts een van de vele bloederige wraaktragedies in de toneelscene van de Engelse zestiende eeuw. Publieke executies waren een levensechte vorm van geweld als spektakel. In het licht van de cultuurgeschiedenis zou het ontbreken van een verbeelding of enscenering van geweld dus pas merkwaardig zijn.

Niettemin heeft het moderne mediageweld wel enkele bijzondere eigenschappen: het is intens visueel en realistisch en het is opvallend dat het ethische en het esthetische aspect los van elkaar staan. Enerzijds biedt de televisie met journaals, praatprogramma's e.d. een op beheersing gericht ethisch kader aan, anderzijds de uitbundige en schaamteloze fantasiebeelden van het amusement. We kijken op het ene kanaal naar een praatprogramma over zinloos geweld terwijl op het volgende kanaal mensen elkaar op beestachtige manier afmaken; een niet aflatende stroom van erotiserende en pornografische beelden van vrouwen trekt aan ons oog voorbij, terwijl we ons druk maken over de crisis van de mannelijkheid. Beide soorten programma's vullen elkaar aan en komen uiteindelijk voort uit dezelfde maatschappelijke context en dezelfde gevoelens van angst en machteloosheid.

Moeilijke verbindingen

De debatten cirkelen om structurele kenmerken van de moderne maatschappij waarin we leven. In die zin zijn de verschijnselen minder nieuw dan we denken. Het is niet zo dat we in 1989 plotseling een nieuwe wereld zijn binnengestapt. Het is eerder alsof we andermaal geconfronteerd worden met de structurele beperkingen van onze maatschappijinrichting, maar deze op een nieuwe manier bezien omdat de crisis zich nu op een ideologisch niveau aandient.

Het pacifisme is, zoals al die andere '-ismen', een ideologie die voortkomt uit, hoort bij die maatschappij-inrichting, en deelt daar bepaalde blinde vlekken mee. Het is snel verstrikt in het rationalistische streven om alle geweld uit te bannen dat historisch gezien gepaard gaat met de monopolisering van macht door de staat. Het wordt vaak gekenmerkt door een humanisme dat zich geen raad weet met machtsverhoudingen en geweld in de privésfeer. Het heeft een seculier karakter dat miskent dat de sociologische en psychologische of ethische talen in onze maatschappij een esthetische en spirituele diepgang missen waarin zin en waarde niet synoniem zijn met beheersing.

Het is niet toevallig dat de zo moeilijk overbrugbare scheidslijnen in de vredesbeweging ontstaan op die punten, waar anarchisten, vrouwengroepen en religieuze organisaties hun eigen weg gaan. Een vitaal, radicaal en modern pacifisme zou juist deze moeilijke verbindingen moeten opzoeken.

Stijn van der Putte



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- NAVO -

VS willen nieuwe NAVO-doctrine bepalen

Zoals alle verdragsorganisaties hanteert het Atlantische Bondgenootschap een stelsel ideeën waarin wordt vastgelegd waar men zich mee bezig houdt, een soort verklaring over de doelstellingen. Dit NAVO document, het Strategisch Concept, werd voor het laatst in 1991 herzien, vlak na het einde van de Koude Oorlog. Inmiddels is er erg veel veranderd in de internationale politiek en het concept wordt daarom ook herschreven. De NAVO zal in 1999 worden uitgebreid met een drietal nieuwe lidstaten (Polen, Hongarije en Tsjechië). Ruim daarvóór moet men het eens zien te worden over een nieuwe versie van het Strategisch Concept.

Op de vergaderingen van de NAVO-ministers die in december plaatsvinden zal een voorlopige versie van dit document op tafel worden gelegd. Daarbij zullen twee zaken aan de orde komen die voor de vredesbeweging van groot belang zijn. Het eerste is het zogenaamde out-of-area optreden van de NAVO: dat wil zeggen het interveniëren buiten het verdragsgebied. Het tweede betreft de nucleaire doctrine van de NAVO.

Over het eerste onderwerp woedt binnen de NAVO een fel debat aangaande de rechtmatigheid van een optreden zonder VN mandaat. Tot voor kort werd immers een resolutie van de Veiligheidsraad noodzakelijk geacht voor zo een optreden. Bij de crisis rond Kosovo bleek echter dat de NAVO bereid was om ook zonder VN-mandaat tot militaire actie over te gaan. In de praktijk werd dus een precedent geschapen, voordat er overeenstemming was over het beleid.

Op vragen die hierover in de Eerste Kamer werden gesteld naar aanleiding van de ratificatie van de NAVO uitbreiding (13 november jl.), antwoordde minister Van Aartsen van buitenlandse zaken dat de discussie binnen de NAVO ging om situaties waarbij de NAVO, ondanks tegenstand van een of enkele leden van de Veiligheidsraad, toch zou willen optreden. Hij zei dat hier kan worden gedacht "aan situaties waarbij bijvoorbeeld een derde staat vraagt om een vorm van bijstand, de belangen van bondgenoten buiten het verdragsgebied worden bedreigd of het ontstaan van humanitaire crises."

In het laatste nummer van het doorgaans goed geïnformeerde BASIC Reports (nr. 66) werd uiteengezet dat het vooral de Amerikaanse regering was die een dergelijke vrijheid om zonder mandaat te handelen nodig vond. President Chirac van Frankrijk waarschuwde ertegen om de NAVO om te bouwen naar een 'Heilige Alliantie' met een uitgebreid interventiemandaat. Het compromis dat inmiddels in de maak is lijkt te bestaan uit het formuleren van de wenselijkheid om met een VN-mandaat te opereren, maar ook het vastleggen van de bereidheid om eventueel zonder een dergelijke politieke rugdekking op te treden.

Nu is het zo dat ook een door de Veiligheidsraad gemandateerde operatie niet noodzakelijkerwijs zou leiden tot vreedzame oplossingen, of erger zou voorkomen. Maar een wereld waar een machtsblok zoals de NAVO met haar eigen specifieke (vooral westerse) belangen kan uitmaken waar er wordt opgetreden, is beslist een achteruitgang.

Ook het tweede punt, betreffende de nucleaire doctrine, heeft ernstige gevolgen. Hoewel er in de zomer geruchten waren dat de NAVO overwoog om haar tactische nucleaire wapens (zoals de kernbommen op vliegbasis Volkel) terug te trekken naar de VS, is inmiddels gebleken dat het bondgenootschap niets zal veranderen aan het huidige nucleaire beleid. Aan de nucleaire paragraaf in het huidige Strategisch Concept wordt vastgehouden: men handhaaft de optie om als eerste kernwapens te gebruiken en wijst pertinent elke poging om hierin verandering te brengen af. Hierover ondervraagd in hetzelfde Eerste Kamer debat, stelde minister van Aartsen dat er binnen de NAVO consensus bestaat "dat bij de aanpassing van het Strategisch Concept een wezenlijke verandering van de terminologie rondom het gebruik van kernwapens niet gewenst is....". Bovendien vertelde hij: "Zolang het risico blijft bestaan of zelfs toeneemt, dat NAVO-landen worden bedreigd met massavernietigingswapens van welke aard ook, is het prudent als afschrikking daartegen een geloofwaardige NAVO nucleaire strategie te behouden."

Voor beide punten geldt dat er sprake is van een poging om de Amerikaanse strategie over te laten nemen door de NAVO. Er zit immers een opgaande lijn in de steeds vaker voorkomende unilaterale interventies van de VS. Men is bereid om steeds driester op te treden tegen staten of niet-staten die een bedreiging vormen voor de VS, of dat lijken te vormen. Zie daarvoor achtereenvolgens de aanvallen op Afghanistan en Soedan en de bijna-aanvallen op Joegoslavië en Irak. Onderdeel van dit Amerikaanse beleid is de bereidheid om eventueel ook kernwapens te gebruiken tegen staten die dreigen met het gebruik van chemische of biologische wapens, of dergelijke wapens in bezit hebben. Om die reden is het vage antwoord van minister van Aartsen op de vraag die hierover gesteld werd, hoogst verontrustend.

De houding van de Nederlandse regering is ook geheel in tegenspraak met de koerswijziging op het punt van de nucleaire doctrine die de nieuwe Duitse regering lijkt in te zetten. De coalitie van SPD en Grünen wil in het strategisch concept een passage opnemen waarin de NAVO ervan afziet om als eerste kernwapens te gebruiken (no first use verklaring). De nieuwe Duitse positie leidt binnen de NAVO al tot oplopende spanningen.

Daarentegen lijkt de Nederlandse regering juist wel wat te zien in het overnemen van het Amerikaanse beleid in de nucleaire doctrine van de NAVO. Dat zou bijvoorbeeld inhouden dat de Nederlandse atoombommenwerpers op Volkel kunnen worden ingezet onder de al genoemde voorwaarden. Extra reden voor acties tegen die kernkoppen dus.

Karel Koster
(Bijdrage: Kees Kalkman)



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Kleine wapens -

Overzicht kleine wapens in Nederland

Geen enkele campagne tegen wapenhandel en -productie is zo effectief geweest als de campagne tegen de landmijnen. Deze campagne gericht tegen een specifiek wapen wist een groot aantal actiegroepen en NGO's aan zich te binden vanuit o.a. de vredes-, de Derde Wereld- en de mensenrechtenbeweging. Als opvolger van de landmijnencampagne zijn veel organisaties begonnen met een campagne tegen de handel in kleine wapens. Geweren en pistolen spelen een belangrijke rol bij het geweld in conflictgebieden en in zogenaamde no-go area's in steden en bovendien worden kleine wapens gebruikt voor mensenrechtenschendingen.

De Nederlandse overheid is een belangrijke speler om het vraagstuk van de kleine wapens in internationale fora aan de orde te stellen. Vorig jaar heeft Nederland tijdens het voorzitterschap van de Europese Unie een voorstel gedaan de handel in deze wapens te beperken. Nederlandse actiegroepen en NGO's zijn op nationaal niveau nauwelijks actief betrokken bij deze campagne. Dat heeft een duidelijke reden. Nederlandse bedrijven produceren geen kleine wapens en nauwelijks kleinkaliber munitie (alleen Air Munition International BV en Metaalwarenfabriek Tilburg BV (noot 1)). Voor nationaal georiënteerd anti-wapenhandelwerk op dit gebied is dus nauwelijks emplooi.

Waarde van afgegeven vergunningen voor de definitieve uitvoer van militaire goederen in 1997 per categorie, waarde in miljoenen guldens.
1997 1e helft 1998
Klein kaliber wapens ( 12,7 mm) 1,4 0,7
Totaal afgegeven vergunningen 2.438,0 649,9
% Kkw/Totaal 0,06% 0,11%

Toch zijn er wel een aantal terreinen aan te geven waar in Nederland kleine wapens een rol spelen:

Legale leveringen

Bij de eerste drie categorieën gaat het grotendeels om zaken die gedaan worden met overheidstoestemming. Al zijn illegale leveringen hier ook niet uit te sluiten. De leveringen van Oldelft in de jaren tachtig en negentig aan Irak en Jordanië zijn daar een goed voorbeeld van. Als dergelijke leveringen bekend worden zal de overheid meestal een juridische procedure starten. In uitzonderlijke gevallen zal de Nederlandse overheid zelf als smokkelaar optreden. Dit gebeurde met geheime leveranties aan de Surinaamse president Bouterse in de jaren tachtig en in de jaren negentig aan de Surinaamse legerleider Goree om hem te steunen tegen diezelfde Bouterse. Echter in de meest voorkomende gevallen gaat het hier om legale leveringen. Legaal betekent niet dat deze leveringen wèl door de beugel zouden kunnen.

Juist op het gebied van de legale handel kunnen actiegroepen en NGO's een meningsverschil met de overheid hebben over wat wel en niet wenselijk is. De levering van Garant-geweren aan de Verenigde Arabische Emiraten in 1997 kon volgens het Platform tegen Wapenhandel niet, terwijl de overheid hier wel toestemming voor gaf.

Nachtzichtapparatuur

Delft Instruments, het vroegere Oldelft, is een bekende wapenproducent in Nederland. De optische apparatuur die dit bedrijf produceert behoort voor een deel tot de handvuurwapens. Het gaat hierbij om de nachtzichtapparatuur die naast of op een geweer kan worden gebruikt. Delft Instruments leverde onder andere de technologie aan India voor de bouw van modules voor helderheidversterkers (een simpele variant van de nachtzichtapparatuur) om klanten in de Derde Wereld hiervan te voorzien. Het bedrijf heeft tevens zeer goede contacten in China.

De Nederlandse landmacht kocht onlangs het LION-infrarood nachtzichtsysteem van Signaal USFA en Delft. Een ander systeem van de bedrijven is PILAR, bedoeld om geweervuur van de tegenstander op te sporen en daar gelijk met schoten op te reageren. De Franse krijgsmacht gebruikte het systeem al in Bosnië. Beide bedrijven proberen het wapen op de internationale markt te verkopen en werken daarbij samen met DRA en GEC-Marconi Sensors in Groot -Brittannië en Thomson-CSF Optronique in Frankrijk. Bovendien is PILAR al ter verkoop geshowd op wapenbeurzen in Singapore en Santiago de Chili.

Voor wie dat wil is het niet moeilijk om nachtzichtapparatuur aan te schaffen. Het Amsterdamse Reinaert Electronics verkoopt voor Fl 1.386,50 nachtzichtapparatuur van het Duitse leger, goed voor zicht tot 300 meter.

Revisie

Revisie en onderhoud van handvuurwapens en munitie (hiervan tevens productie) voor alle drie de krijgsmachtonderdelen is in Nederland gecentraliseerd bij de Bewapenings Werkplaatsen (BW) in Den Helder. BW houdt zich bezig met onderhoud en reparatie van wapens als Diemaco, Uzi, FAL, MAG, .50, .25 mm en de Goalkeeper. Deze bewapeningswerkplaatsen zijn onderdeel van een groep marinebedrijven in Den Helder, de zogenaamde SEWACO-groep. Deze samenwerking is tot stand gekomen als onderdeel van de bezuinigingsoperaties bij de krijgsmacht. BW draait met een geringe winst en houdt zich - naast het al genoemde werk aan handvuurwapens - bezig met onderhoud aan o.a. granaten, torpedo's en artillerie. Ook andere NAVO-lidstaten maken van BW gebruik.

Uit bezuinigingsoverwegingen moeten bedrijven als BW steeds meer rationaliseren. Dat betekent o.a. het aanbieden van producten aan klanten. Deze hoeven zich niet per se te beperken tot NAVO-landen. In 1993 dreigde de acquisiteur van BW ontslagen te worden. In een brief aan de staatssecretaris van defensie beloofde hij zijn best te doen om: "Extra werk naar Den helder te krijgen." Een mooie geste aan het bedrijf dat zelf al besloten had meer marktgericht en klantvriendelijk te gaan werken. BW doet inmiddels al zaken met een niet nader genoemde klant in het Midden-Oosten en sleepte daar eind 1995 begin 1996 een forse order binnen.

Afstoting

Het Nederlandse leger heeft een deel van zijn handvuurwapens vervangen door nieuwe geweren en bovendien is een groot deel van de bezuinigingen doorgevoerd door het personeelsbestand bij Defensie in te krimpen. Hierdoor is een groot deel van de pistolen, geweren en pistoolmitrailleurs overbodig geworden. Deze wapens worden, tenzij er een 'respectabele' klant is, vernietigd. Dat betekent echter dat ze nog steeds ter verkoop worden aangeboden. De Novib pleit voor verschroting van deze wapens op nationaal en Europees niveau.


Bij de overheid in 1998 en 1999 in de aanbieding:
19981999Prijs p.s.
Browning pistool (9 mm)17.952 Fl 75,--
Karabijn M1 (0.30 inch)14.321 Fl 100,--
Garant M1-geweer (0.30 inch)3.062 Fl 100,--
FAL-geweer (7.62 mm)19.3022.333Fl 250,--
Bren-mitrailleur (7.62 mm)1.792 Fl 100,--
Uzi-Pistoolmitrailleur (9 mm)28.86610.870Fl 200,--
vernietigd worden:
Handgranaten11.800

Bronnen: Brief staatssecretaris van Defensie 8/05/91, 21 800 nr. 44. Materieelprojecten overzicht 1998.

Privé-ondernemingen

Er is een aantal winkels in Nederland waar handvuurwapens worden verkocht. Een beetje bladeren door de tijdschriften die voor de plusminus 50.000 Nederlandse sportschutters te koop zijn, maakt duidelijk dat er maar weinig niet verkrijgbaar is. Het aanbod loopt van alarmpistolen tot aan klinkende namen als FAL en Lee Enfield. Nederlandse sportschutters mogen met bijna alles schieten en de winkels bieden dat allemaal aan. Een paar van de bekendste zijn Technisch Bureau H.A. "Bob" Muller (importeur en distributeur voor de vakhandel en fabrieksagent voor de overheid) (advertentie als illustratie) en J.F.Y. die beide in de militaire pers adverteren. J.F.Y. verkoopt volgens een advertentie in Jane's nieuwe en gebruikte anti-tank wapens, machinegeweren, munitie etc. 'voor iedere beurs'. Het is ook mogelijk Nederlandse producten in het buitenland te kopen. Het Amerikaanse bedrijf Century International Arms Inc. dat alle soorten militaire en politie wapens aan de man brengt verkoopt Nederlandse .30-06 munitie. Afgelopen zomer werd de positie van deze branche onder de loupe genomen door twee leden van het bureau Vuurwapencriminaliteit van het korps Amsterdam-Amstelland. In hun artikel in het Algemeen Politieblad stellen zij dat de erkende Nederlandse wapenhandelaren wapens 'zwart-wassen,' wat wil zeggen dat ze aankopen buiten de administratie houden en met grote winst het illegale circuit insluizen. De schrijvers pleiten ervoor dat de financiële administratie van de wapenhandelaars regelmatig wordt onderzocht om hier meer zicht op te krijgen. Onlangs heeft de politie het rapport 'aanpak illegale wapens' gepubliceerd. Er moet wat aan gebeuren, "anders zitten we over een paar jaar met een situatie in Nederland waarin sprake is van steeds meer doden en gewonden bij schietincidenten en een ongelimiteerde beschikking over vuurwapens bij grotere, maar ook steeds meer bij kleinere criminelen." Het gaat bij dit soort wapengebruik vooral om het openbare ordeprobleem en minder om wapenhandel in de traditionele zin van het woord. Het is duidelijk dat de politie sinds enige tijd meer aandacht voor de kwestie heeft.

Smokkel

Smokkel via lucht- en zeehavens is waarschijnlijk de belangrijkste bijdrage van Nederland aan de export van kleine wapens. In de kwestie rond de smokkel van wapens naar Rwanda werd bij de Britse zender BBC een Nederlandse wapenhandelaar genoemd. Er is echter in het algemeen nauwelijks iets over bekend. Schiphol is recentelijk tweemaal in het nieuws geweest als doorvoerhaven voor vermoedelijke grondstoffen voor chemische wapens (naar Soedan en Israël). De Rotterdamse haven werd recentelijk gebruikt voor illegale doorvoer van wapens naar Iran. In Vlissingen werden militaire vrachtwagens bedoeld voor transport naar het toenmalige Zaïre onderschept en in de Belgische havenstad Oostende werden Nederlandse jeeps voor hetzelfde land aangehouden en terug gestuurd naar Nederland. Het gaat hier om een topje van de ijsberg. Het is natuurlijk veel gemakkelijker jeeps en vrachtwagens te traceren dan veel kleinere geweren of munitie. Voorlopig moeten we volstaan met de weinig precieze maar wel alarmerende opmerking van VVD-kamerlid Van den Doel die erop wees dat de KLM, in 1997 alleen, meer dan 1000 maal wapens heeft doorgevoerd o.a. naar de Sierra Leone, de Filippijnen, Cyprus en Libanon. "Dagelijks worden via het Nederlands grondgebied vrachten met wapens de gehele wereld rondgestuurd," aldus Van den Doel.

De Adviesraad voor Internationale Vraagstukken (AIV), waarvan o.m. oud-premier Lubbers lid is, heeft dit jaar een advies aan de regering uitgebracht waar ze pleiten voor het instellen van een nationale commissie om zeker te zijn "dat vanuit Nederland geen illegale handel en door Nederland geen doorvoer van conventionele (lichte) wapens plaats heeft." De raad verwacht "dat de instelling van een nationale commissie een efficiënter gebruik van beschikbare informatiebronnen tot gevolg zal hebben." De werkwijze van deze raad zal dan zo min mogelijk moeten werken met schimmige aanwijzingen en geheimhouding, zoals bijvoorbeeld rond de transporten naar Soedan het geval was, waar nauwelijks informatie werd gegeven. De BVD heeft al als taak - om in samenwerking met de Militaire Inlichtingen Dienst (MID) en buitenlandse partners (in het laatste jaarverslag worden Jordanië, Marokko, Rusland, de Oekraïne en Turkije met name genoemd) - Economische en Buitenlandse Zaken te informeren over proliferatie van wapens. Geheimzinnige controles kunnen er gemakkelijk toe leiden dat de strikte naleving van de wapenexportwetgeving en controle op doorvoer vooral een politieke zaak wordt: geen wapens naar extremistische groeperingen en anti-Westerse landen.

Een uitspraak van premier Kok geeft waarschijnlijk het meeste inzicht in de Nederlandse beleid de doorvoer van wapens te beperken: "Er gaat vrij veel gevaarlijks door de lucht, wat niet zou moeten," stelde hij na het bekend worden van een deel van de lading van de Israëlische El-Al Boeing. Hij weet echter niet hoe de Nederlandse regering hierover zou moeten worden geïnformeerd. Op dit moment wordt 99% van de doorvoer niet gemeld. Geeft hij hier de opsporingsdiensten (zoals de BVD, MID, Economische Controledienst ECD, de politie en douane) een brevet van onvermogen of is het onwil van de regering om de mooie woorden in daden om te zetten? Het beleid aanzienlijk verbeteren kan simpelweg door het uittrekken van enkele tientallen miljoenen guldens om in Nederland specialisten vrachten te laten controleren. Echter met een consequente aanpak van de illegale wapenhandel via de lucht- en zeehavens (bijvoorbeeld een degelijke controle van vrachtbrieven en een hoge frequentie aan steeksproefgewijze onderzoeken naar de lading) zou 'Nederland distributieland' zich in de vingers snijden. Dat levert immers vertraging van de doorvoer op en dat is in een economie waar tijd geld is geen reclame voor Nederlandse lucht- en zeehavens.

Diefstallen bij defensie en detailhandel

Diefstal van wapens uit het leger of de officiële vakhandel komt natuurlijk ook voor. Daarvan zijn een aantal beruchte voorbeelden bekend. De in de jaren tachtig in België actieve Bende van Nijvel toonde aan dat alle methoden gebruikt kunnen worden. De bende stal wapens van de Rijkswacht, wapenhandelaren in Dinant en Wavere en bij een directeur van FN-Herstal, één van 's werelds bekendste producenten van handvuurwapens. In Nederland verdwijnen elk jaar wel ergens een aantal geweren. Afgelopen voorjaar liepen twee rekruten tegen de lamp nadat ze een Diemaco-geweer hadden gestolen van een collega, op bestelling van iemand uit het illegale circuit. Niet altijd worden dieven betrapt en dan verdwijnen Nederlandse dienstwapens naar criminele milieus.

Kleine wapens een probleem

Het gaat bij kleine wapens voor een belangrijk deel om een beheersings- en openbare ordeprobleem. Defensie zal zelf paal en perk willen stellen aan de diefstallen. De overheid heeft veel meer mogelijkheden criminelen die over handvuurwapens beschikken of deze illegaal verkopen op te sporen dan welke NGO dan ook. De detailhandel en de Nederlandse sportschutters controleren is eveneens een overheidstaak. Het belangrijkste deel van de controle, namelijk op de doorvoer via lucht- en zeehavens stuit echter op een economische bezwaar.

Daar waar het legale leveranties betreft zou de Nederlandse overheid haar handvuurwapens moeten verschroten in plaats van ze te koop aanbieden. De Bewapenings Werkplaatsen moet verboden worden handvuurwapens van anderen te reviseren en Delft Instruments moet eindelijk eens aan banden worden gelegd. Nederland blaast hoog van de toren, maar heeft zelf wel wat boter op het hoofd en richt zich vooral op internationale regelgeving in de Europese Unie en de Verenigde Naties. Nederland leverde zelf overigens wel handvuurwapens, nadat ze met dit initiatief begon. Er werd geld beschikbaar gesteld om de Palestijnse politie te voorzien van 20 Amerikaanse Ingram-handvuurwapens, ter waarde van Fl 36.000 en Nederland verkocht 400 Garant-geweren aan de Verenigde Arabische Emiraten.

Het draait bij de handel in kleine wapens voor een belangrijk deel om controle. Controle op de leveranties van de overheid door het parlement en maatschappelijke organisaties en controle door politie en Economische Controle Dienst van illegale verkopen en transporten.

Martin Broek



Noot: Air Munition International BV leverde niet-dodelijke kogels aan onder andere politieonderdelen in Noord-Ierland, VS, GB, Nederland en Maleisië. Metaalwarenfabriek Tilburg BV produceert 5.56 tot 30 mm munitie.
Terug naar tekst



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Inlichtingendiensten -

De BVD, de universiteit en extreem-rechts

Het toenemend geweld tegen buitenlanders baart ook de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) zorgen. De geheime dienst gaf twee onderzoeksinstituten de opdracht een antwoord op deze vragen te vinden. De uitslag werd in het voorjaar van 1997 bekend: 'Racistisch geweld kent meestal geen politiek motief'. Acties gericht tegen allochtonen gebeuren vooral uit 'sensatiezucht' en 'frustratie'. Slechts enkele van de daders waren lid van een extreem-rechtse partij. Ook van een nadrukkelijke toename van het aantal incidenten is geen sprake. Geen reden tot paniek, lijkt de slotsom. Wie de rapporten beter leest, komt tot een heel andere conclusie. De twee onderzoeken zijn totaal verschillend qua opzet en uitvoering, en de aanbevelingen staan op essentiële onderdelen lijnrecht tegenover elkaar.

Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie deed een statistisch onderzoek naar daders van racistisch geweld. Het Willem Pompe Instituut voor Strafwetenschappen van de Universiteit van Utrecht onderzocht de voedingsbodem voor extreem-rechts. Het eerste onderzoek staat bol van de cijfers en statistieken, het tweede geeft een genuanceerd beeld van skinheads, voetbalsupporters en gabbers.
"Het woord 'Turk' komt in veel bekladdingen voor en lijkt een verzamelnaam te zijn voor allen wier aanwezigheid men ongewenst acht," ontdekte het WODC. Maar volgens het Pompe Instituut noemen gabbers allochtonen simpelweg 'Marokkanen', ook als bij doorvragen blijkt dat het in het betreffende geval om bijvoorbeeld Turken gaat.
BVD, politie en justitie moeten hun registratiesystemen verbeteren en goed bijhouden, adviseert het WODC. De richtlijn van justitie is: racistisch geweld altijd vervolgen. "De meeste overheden doen helemaal niets", concludeert het andere onderzoek, "en als zij wel wat doen werkt dat vaak contraproduktief." Het Pompe Instituut gelooft voor het doorbreken van de spanning meer in het particuliere initiatief van jongerenwerkers of diskjockeys die de juiste toon weten aan te slaan.

Incidenten

Alle aandacht van de pers ging uit naar de conclusie van het WODC: nauwelijks politieke motieven bij racistisch geweld. Waarop was dit optimistische eindoordeel gebaseerd?
Het WODC onderzocht racistische incidenten in 1994 in Nederland. Uitgangspunt waren de bij de BVD en de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) geregistreerde zaken. Dat gecombineerde bestand gaf geen volledig beeld, zo bleek uit vergelijking met de registratie in drie politieregio's. Amsterdam-Amstelland telde bijvoorbeeld zelf bijna vijf keer zoveel incidenten als de BVD m.b.t. die politieregio in de computer had. Bovendien had de BVD bijna allemaal andere gevallen gevonden. Het napluizen van een groot aantal dagbladen bevestigt het vermoeden dat de werkelijke cijfers hoger zijn dan de bestanden van de inlichtingendiensten doen geloven. Er schort nogal wat aan de registratie. De gevonden cijfers zeggen meer over hoe de politie incidenten vastlegt, dan over racistisch geweld in de realiteit.
Het WODC zet echter amper vraagtekens bij de betrouwbaarheid van het cijfermateriaal. Uitgangspunt blijft het totaal van de BVD/CRI, 1.228 incidenten. Slechts een klein deel daarvan valt onder de categorie gewelddadig: bedreigingen, vernieling en bommeldingen. De rest ging over bekladding, discriminerende taal of de verspreiding van folders.
Dan doet het WODC een schokkende ontdekking: de politie spoort nauwelijks plegers van racistische delicten op. In meer dan 96% van de incidenten gingen de daders vrijuit, in slechts 38 zaken kwam het tot een aanhouding. De onderzoekers concentreren zich op de zaken die uiteindelijk voor de rechter zijn gekomen. Omdat niemand van de benaderde daders geïnterviewd wilde worden, analyseerde het WODC de dossiers van de rechtszaken. De uitgewerkte voorbeelden gaan over incidenten gepleegd door dronken raddraaiers of gedragsgestoorde pubers. Het zijn slepende burenruzies of knokpartijen op de kermis. Met politiek gemotiveerd geweld heeft dat nauwelijks iets te maken.

Kan je op basis van deze beperkte gegevens concluderen dat het wel mee valt met georganiseerd extreem-rechts in Nederland?
"Absoluut niet," zegt Willem Hart van Kafka, een kritische groep die extreem-rechts al jaren op de voet volgt. "Over wie gaat dit onderzoek? Over degenen die zich hebben laten pakken. Dat zijn per definitie niet de slimsten, niet degenen die weloverwogen en goed voorbereid te werk gaan." Als voorbeeld noemt Hart Terneuzen, dat volgens het onderzoek op nummer één staat in de top-drie steden met de meeste gewelddadige incidenten. Vaak was het doelwit een object met politieke symboliek, bijvoorbeeld een asielzoekerscentrum. Tegelijkertijd voert het WODC Zeeland op als dieptepunt: in geen van de 96 geregistreerde gevallen kwam het tot een aanhouding. Willem Hart: "Zeeland kende, net als de andere gebieden die hoog scoren, een actieve skinhead-kern onder andere georganiseerd in het Actiefront Nationaal-Socialisten. De BVD weet dat ook. Die mensen zorgen dat ze uit handen van de politie blijven en komen daarom in dit onderzoek niet voor. Dat geeft een heel vertekend beeld."

Ook de keuze voor het jaar 1994 is van invloed op de uitslag. De gemeenteraadsverkiezingen zorgden voor een toename van het aantal racistische incidenten, vermoedde het WODC. "Voor bekladdingen kan dat waar zijn" zegt Willem Hart, "Maar voor de rest houdt de aanhang van extreem-rechtse partijen zich juist gedeisd rond verkiezingen. Betrokkenheid bij gewelddadige voorvallen kost stemmen." Ter illustratie: in 1993 rolde de politie het Nijmeegs Bevrijdings Front op, waarmee 90 zaken werden opgelost. De zeven daders waren bijna allemaal lid van of betrokken bij CP'86. Bij verschillende confrontaties tussen anti-fascistische demonstranten en extreem-rechts werden in totaal nog eens bijna 60 leden van de CP'86 opgepakt. Hart: "De keuze voor een jaar eerder of later levert meteen heel andere statistieken op."
Er is dus wel degelijk sprake van racistisch geweld gepleegd door mensen met politieke motieven. Alleen weet het WODC dat niet te vinden.

Gabbers

De vraag is of we ons dan toch zorgen moeten maken. Is er een voedingsbodem voor extreem-rechts in Nederland?
Dat valt wel mee volgens het tweede onderzoek, van het Willem Pompe Instituut. In opdracht van de BVD onderzocht Hajo Schoppen welke groepen geneigd zijn tot geweld met een racistische achtergrond: skinheads, hooligans en gabbers. Schoppen zocht hen op in hun natuurlijke omgeving. Anderhalf jaar lang was hij te vinden op voetbalvelden, bij extreem-rechtse demonstraties, op houseparties, en in cafés. Hij interviewde horecapersoneel, diskjockeys, jongerenwerkers, politieambtenaren en drugsdealers bij (gabber-)houseparties.

Soms was dat niet gemakkelijk. Gabbers waren op feesten niet altijd even aanspreekbaar. De muziek vormde een probleem. "Gabberhouse is een buitengewoon luid genre; ook het volume bereikt een onwaarschijnlijk hoog niveau." De chill-out room bood uitkomst. Een andere belemmering was het druggebruik. "Een aanzienlijk deel van de aangesprokenen reageert slechts met een vage, niet-begrijpende maar alleswetende grijns en maakt verwoede bijtbewegingen die het vrijwel onmogelijk maken de mond te openen om iets te zeggen. Anderen zeggen weliswaar iets terug, maar zonder acht te slaan op de gestelde vragen."Als je het maar vaak genoeg probeert, blijkt het toch mogelijk om gabbers op feesten te spreken en zelfs om lastige onderwerpen aan te snijden. Zo weet de onderzoeker een genuanceerd beeld te geven van verschillende groepen jongeren en hun subcultuur.

Hajo Schoppen rekent af met sociologen die verklaringen voor racisme zoeken in werkloosheid, verscheurde gezinnen of het wegvallen van kerk en vakbond. De meeste gabbers werken hard en gaan in het weekend feesten. Factoren die de directe leefomgeving van jongeren bepalen zijn veel belangrijker, zegt de onderzoeker. Racistisch geweld moet je zien als onderdeel van een 'oorspronkelijke Nederlandse identiteit'. De aanleiding tot conflicten is vaak de ruzie om (blanke, Nederlandse) meisjes, net als bij de nozems in de jaren vijftig die op de vuist gingen met jonge Indische Nederlanders. Als je aan hun meiden komt, kom je aan hun territorium. Gabbers vormen "een nieuwe blanke jongerenidentiteit binnen de dynamiek van een multi-etnische samenleving."

De ultieme bezegeling van solidariteit onder een deel van de gabbers is het Nederlandse vlaggetje op de mouw van het bomberjack. Dat vlaggetje krijgt een geheel nieuwe betekenis, een symbolische waarde voor de eigen groep. Na de ophef in de media verboden sommige scholen het dragen van de Nederlandse driekleur. Gabbers vervingen dit vlaggetje door dat van hun eigen stad. "Als we niet meer mogen zeggen dat Nederland voor de Nederlanders is, zeggen we dat Den Haag voor de Hagenaars is. Komt voor ons op hetzelfde neer." In deze betekenis zorgt het vlaggetje ook onder gabbers voor discussie. Vooral Amsterdamse gabbers vinden dat Rotterdammers hiermee te ver gaan.

Een vergelijkbaar verschijnsel doet zich voor onder fanatieke voetbalsupporters, de hooligans. Supporters die 'Wij gaan op jodenjacht' scanderen, wisten de voormalige burgemeester van Amsterdam Van Thijn flink op stang te jagen. "Dat betekent niks, zo heten Ajax-supporters gewoon," zegt een Amsterdamse politieman, deskundig op het gebied van hooligans. "Hier bij Ajax noemen al die jongens zichzelf superjoden. Het dondert niet wat hun afkomst is, of het nou Nederlanders, Surinamers, Turken of Marokkanen zijn: allemaal superjoden. Het is een verzamelnaam voor de tegenstander." Alhoewel de term een geheel eigen betekenis heeft gekregen, biedt die geuzennaam toch bescherming. Extreem-rechts en superjoden, dat bijt elkaar. De politieman vertelt hoe hij door F-siders werd gewaarschuwd voor racistische activisten op de tribune. "We lossen dit zelf wel op," zeiden ze. Vervolgens werden die gasten er gewoon uitgeramd. Letterlijk het vak uitgeslagen. Nooit meer teruggezien. Nee, verder hebben we alle problemen met supporters die je maar kan bedenken, maar die lui krijgen hier absoluut geen poot aan de grond."

Bij Feyenoord bestaat de harde kern van voetbalsupporters de laatste jaren voor een groot deel uit gabbers, een interessant potentieel voor extreem-rechts. Een bestuurslid van CP'86, en trouw supporter, kreeg desondanks weinig aansluiting. De harde kern maakte hem op niet bepaald zachtzinnige wijze duidelijk dat ze genoeg hadden van zijn politieke activiteiten. Maatregelen vanuit de club zelf tegen folderen en controle op 'foute spandoeken' maakten verder vrijwel een eind aan activiteiten van extreem-rechts. Het feit dat de aanhang net als bij Ajax steeds multicultureler is geworden speelt hierbij ongetwijfeld een grote rol.

Buurthuizen

Met de Nederlandse skinheadscene gaat het niet goed. De groep gewelddadige, racistische skins van eind jaren tachtig is klein gebleven. Na een golf van negatieve publiciteit begin jaren negentig, onder andere over de moord op de Antilliaanse Kerwin Duinmeijer, werden de skins bijna nergens meer als groep toegelaten. Hun clubblad Hou Kontakt beklaagt zich over het ontbreken van ontmoetingsruimten. Ga naar buurthuizen en jongerencentra, is het advies; die zijn bedoeld voor jongeren die geen andere plaats hebben. De afgelopen jaren hebben verschillende buurthuizen rond Amsterdam daadwerkelijk last gehad van vasthoudende skins, die zich - zoals aanbevolen door Hou Kontakt - niets van jongerenwerkers aantrokken en een plek eisten om met hun band te repeteren. Buurthuizen die de poot stijf hielden en de skinheads toegang weigerden vanwege hun songteksten en hun agressief gedrag jegens andere bezoekers, konden rekenen op pesterijen en kleine terreur bij personeelsleden thuis. Deze strategie om nieuwe ontmoetingsplaatsen te veroveren levert vooralsnog niet veel op.

De onderzoeker signaleert overeenkomsten tussen skinheads en gabbers, bijvoorbeeld in de manier van dansen: "een houterig ogende, mechanisch aandoende dans die bewust onelegant is." Hetzelfde soort jongeren dat voorheen skinhead werd, voelt zich tegenwoordig tot gabberhouse aangetrokken - zij het in veel grotere getale. Belangrijker is echter hun skinheadcultuur: de gabberhouse is van specifiek Nederlandse oorsprong. Het wordt steeds meer een uiting van een etnische groep, die zich - en dat is nieuw - welbewust organiseert in oppositie tegen allochtone groepen. Slechts een deel van de gabbers is betrokken bij vijandelijkheden tegen buitenlanders. Onder hen is de CP'86 tamelijk populair, vooral als graffiti naast White Power en het Keltisch kruis. Het overgrote deel van de gabbers is volstrekt niet geïnteresseerd in welke politieke partij dan ook. De leider van een groep gabbers uit Hoensbroek, niet vies van geweld tegen Marokkanen, moet diep nadenken over de politieke partijen die hij kent. "Het CDA! En Janmaat, dat is toch die fascist? Waarvan was die ook al weer?"

Met hun rigide standpunt ten aanzien van drugs zullen de extreem-rechtse partijen nooit veel zieltjes winnen onder gabbers. Drugs zijn immers niet weg te denken uit de gabberhousecultuur. Juist het speedgebruik ziet het Pompe Instituut als een belangrijke factor voor agressie onder de gabbers. Pillen die als XTC worden verkocht bevatten steeds meer andere stoffen, met name speed, een zeer verslavend middel. De gebruikers staan op scherp, de neiging tot geweld tegen allochtonen kan door de ontremmende werking van speed in daden worden omgezet.
Binnen de gabber-wereld bestaat ook een duidelijke stroming die zich anti-racistisch opstelt. Dat moet bevorderd worden, meent het Pompe Instituut. Met diskjockeys en housetijdschriften die zich duidelijk tegen racisme uitspreken als lichtend voorbeeld, pleit de onderzoeker voor het terugdringen van de etnische lading van de gabbercultuur. Je bent òf gabber, òf pleger van racistisch geweld - de combinatie moet onmogelijk worden.

De grote vraag is wat de BVD moet met dit soort onderzoek. Het werk van het Willem Pompe Instituut had een dusdanig sociologische invalshoek dat het hooguit voor meer inzicht heeft gezorgd in een wereld die ver van de burelen in Zoetermeer verwijderd is; van concrete aanbevelingen voor de BVD is geen sprake. Het beïnvloeden van de gabbercultuur lijkt niet in de eerste plaats een taak voor de geheime dienst, integendeel. Zelfs het in de gaten houden van voetbalsupporters, hoe gewelddadig ze ook worden, is meer een taak voor politie en justitie.

Het WODC-rapport is een ander verhaal. Het is een schande dat een onderzoek dat methodologisch zo aantoonbaar is mislukt, überhaupt is gepubliceerd. Natuurlijk kan de BVD het niet maken om een onderzoek dat al zo vaak is aangekondigd uiteindelijk binnenskamers te houden. Maar om er via een persconferentie de aandacht op te vestigen, en er bovendien in latere publikaties, zoals het jaarverslag over 1996, op terug te grijpen, dat is onbegrijpelijk en volstrekt niet acceptabel.

Deze uitstapjes van de BVD naar de universiteit waren geen succes. De vraag is wat er nog meer voor contacten liggen, en wat die hebben opgeleverd. Los daarvan is het misschien tijd voor een discussie over de vraag of wetenschappers zich moeten lenen voor onderzoek ten bate van de geheime dienst.

Eveline Lubbers
Buro Jansen & Janssen



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Kosovo -

Akkoord vriest conflict in

Het is de vraag of het akkoord tussen Milosevic en Holbrooke inzake Kosovo een bijdrage levert aan de oplossing van het conflict tussen de Albanezen en Serviërs. Het voorziet niet in een stationering van militairen, die werkelijk een einde zou kunnen maken aan de gevechten tussen de Servische politie en het Kosovo bevrijdingsleger UCK. Bovendien was de UCK, die op steun van de Albanese bevolking kan rekenen, niet betrokken bij de totstandkoming van het akkoord. Een werkelijke oplossing van het conflict in Kosovo zal mede afhangen van een actieve bemiddeling van de internationale gemeenschap tussen alle betrokken partijen en haar steun voor de opbouw van de civiele samenleving in Kosovo.

Het akkoord voorziet in de stationering van 2.000 ongewapende OVSE-waarnemers in Kosovo en in NAVO-vluchten om toe te zien op de terugtrekking van de Servische troepen. De Servische militairen en politie die al in Kosovo waren, mogen blijven. Ook dienen de Servische regering en de Albanese politieke leiding op korte termijn een begin te maken met de onderhandelingen over de status van Kosovo. Inmiddels heeft de Amerikaanse gezant Hill, namens de Contactgroep, een document aan beide partijen voorgelegd. Het voorziet in een overgangsperiode van drie jaar, waarin Kosovo een uitgebreide autonomie verkrijgt. Na drie jaar dient de bevolking in Kosovo zich via een referendum uit te spreken over de status. De huidige Albanese onderhandelaars lijken dit voorstel te accepteren als Kosovo een `entiteit' binnen de federatie Joegoslavië wordt. De Servische regering lijkt elk voorstel voor een uitgebreide autonomie af te wijzen.

Voorgeschiedenis

In de aanloop naar de oorlog in voormalig Joegoslavië heeft de kwestie Kosovo een belangrijke rol gespeeld, met name bij de versterking van de machtspositie van Milosevic en de opleving van het Servisch nationalisme. De Servische nationalisten en de staatsmedia voerden in de jaren tachtig een felle haatcampagne tegen de Albanezen, die werden beschuldigd van discriminatie, genocide, terreur en separatisme. Milosevic verweet de Albanezen de Serviërs uit Kosovo te willen verdrijven.

Door ingrijpen in de constitutie en door de instelling van de staat van beleg in Kosovo, hief het Servische regime in 1989 de autonome status die Kosovo sinds 1974 had op. Dit leidde tot een verandering van de machtsverhoudingen in voormalig Joegoslavië ten gunste van Servië. Sinds het einde van de jaren tachtig hebben de Servische autoriteiten in Kosovo op lokaal niveau bestuurlijke hervormingen doorgevoerd, waardoor ze hun greep op de besluitvorming en de economie hebben versterkt. De mensenrechten van de Albanezen worden op grote schaal geschonden. De gewelddadige onderdrukking door het Servische regime belemmert de Albanezen een normaal politiek en sociaal-economisch leven in Kosovo en regionale betrekkingen op te bouwen.

In reactie op de onderdrukking bouwden de Albanezen na 1989 een parallelmaatschappij op en organiseerden zich in een gezamenlijke politieke beweging. Ze kozen hun eigen parlement en president (Rugova) en in 1991 riepen ze via een referendum de onafhankelijke republiek Kosovo uit. De Democratische Liga van Kosovo (LDK) domineerde het politieke leven in Kosovo. Onder haar leiding verzetten de Albanezen zich vreedzaam en passief, vanuit overtuiging en pragmatisme, uit angst voor escalatie en om goodwill te kweken bij de internationale gemeenschap. De Albanezen en Serviërs in Kosovo leefden naast elkaar in een soort apartheid, waarbij de gehele Albanese bevolking door het Servische overheidsapparaat onder de duim werd gehouden.

Huidige situatie

In het afgelopen half jaar hebben de Servische leger- en politietroepen aanvallen uitgevoerd in Kosovo, die volgens de Servische regering nodig waren om de `terroristen' van de UCK uit te schakelen. De Servische troepen gebruikten echter op zo'n grote schaal geweld tegen de Albanese bevolking dat het UNHCR constateerde dat "de ontvolking van hele gebieden door het in brand steken van huizen zonder militaire noodzaak herinnert aan de etnische zuiveringen in Bosnië-Herzegowina".

Dagelijks beschoten Servische militairen en politie steden en dorpen met zware wapens. Daarbij maakten ze gebruik van artillerie, tanks en in sommige gevallen raketten. Vervolgens trokken ze de dorpen en steden binnen, plunderden, verwoestten huizen en stichtten brand. Er zijn aanwijzingen dat ook Servische paramilitairen bij deze acties betrokken waren.

Vele burgers konden (en kunnen) niet terugkeren, omdat hun huizen totaal vernield zijn. Ook zijn de minimaal 50.000 Albanese vluchtelingen die in de heuvels en bossen verbleven, door de Serviërs beschoten. Ondanks beloftes van Milosevic kregen humanitaire organisaties geen toegang tot de vluchtelingen en konden ontheemden niet terugkeren naar hun woonplaatsen.

De UCK was niet opgewassen tegen de militaire overmacht van de Servische troepen en onvoldoende in staat de Albanese burgerbevolking in de steden en dorpen te beschermen. De UCK werd grotendeels verdreven uit de gebieden die ze onder controle had. Ondanks de verliezen verklaarde de UCK zich slechts tactisch terug te trekken en de strijd voor een onafhankelijk Kosovo voort te zetten, en riep de bevolking op zich bij de UCK aan te sluiten.

UCK

In de huidige situatie is de toenemende steun voor de UCK onder de Albanese bevolking een factor van belang. De steun voor de UCK is onder meer een gevolg van een gebrek aan perspectief voor de Albanezen, zowel in politiek als in sociaal-economisch opzicht. Het passieve, geweldloze verzet heeft niet de gewenste resultaten opgeleverd, waardoor radicale groeperingen meer op de voorgrond zijn gaan treden om hun eis van een onafhankelijk Kosovo kracht bij te zetten. Hoewel de LDK en Rugova in maart jl. de verkiezingen hebben gewonnen, is hun positie verzwakt. De oppositiepartijen boycotten de tweemaal uitgestelde verkiezingen omdat die tijdens de gevechten in maart werden gehouden.

De machtsverhoudingen binnen de Albanese gemeenschap zijn dus veranderd ten gunste van degenen die een actiever en gewelddadiger verzet voorstaan. Het huidige Albanese onderhandelingsteam bestaat echter vooral uit aanhangers van Rugova. Critici zijn uit het vorige team gestapt omdat ze niet of nauwelijks bij de onderhandelingen werden betrokken. Een aantal van hen heeft een nieuwe partij opgericht. Ook Adem Demaci, de politieke vertegenwoordiger van de UCK, heeft geweigerd in de onderhandelingsgroep te gaan zitten. Sinds kort voert hij wel gesprekken met Agani, vice-president van de LDK, en met de leiding van het Albanese parlement.

Rol internationale gemeenschap

Tot voor kort wees Milosevic directe internationale betrokkenheid bij het conflict in Kosovo af, omdat hij de kwestie als een interne aangelegenheid zag. Ook in dit opzicht heeft hij de internationale gemeenschap echter voor een voldongen feit geplaatst. Hij heeft immers eenzijdig de autonome status van Kosovo in 1989 opgeheven, terwijl volgens de toenmalige grondwet toestemming van de Albanezen noodzakelijk was, en de grondwet zodanig gewijzigd dat Kosovo de facto een deel van Servië werd.

Sinds 1989 hebben de Albanese politieke leiders, onder leiding van de LDK en Rugova, geprobeerd de situatie in Kosovo onder de aandacht te brengen van de internationale gemeenschap. Hoewel de Albanezen door hun vreedzaam verzet tegen de Servische onderdrukking veel goodwill kweekten, werd hun doel, een onafhankelijk Kosovo, genegeerd. De internationale gemeenschap dacht hiermee de escalatie van het conflict te kunnen voorkomen, maar in feite nam de steun voor de radicale Albanese groeperingen juist toe, omdat het geweldloze verzet geen uitzicht bood op de gewenste onafhankelijkheid. In die zin is de internationale gemeenschap medeverantwoordelijk voor de huidige situatie in Kosovo.

Ondanks hun verschillende opvattingen zijn de EU en de VS (en de Contactgroep) het eens over een aantal beginselen: geen onafhankelijk Kosovo, maar ook geen handhaving van de huidige situatie; behoud van de territoriale integriteit van Joegoslavië (Servië en Montenegro) en een grotere mate van autonomie voor Kosovo dan voor 1989 (wat dit precies inhoudt is onduidelijk).
Er gaapt echter een kloof tussen de retoriek en de acties van de internationale gemeenschap. Dit is een gevolg van de politieke onwil en verdeeldheid binnen de Contactgroep. Deze verdeeldheid heeft Milosevic uitgebuit om het offensief in Kosovo voort te kunnen zetten. Een aantal keren heeft Milosevic de eisen van de internationale gemeenschap naast zich neergelegd. Hij negeerde onder andere de eis dat de speciale Servische politietroepen uit Kosovo teruggetrokken zouden worden. Bovendien weigerde hij internationale bemiddeling bij de besprekingen tussen de Serviërs en Albanezen.

Militair ingrijpen

Er zijn een aantal redenen te noemen om niet militair in te grijpen. De eerste is het reeds genoemde (formele) argument dat Kosovo een interne aangelegenheid is. De tweede reden is de noodzaak van een mandaat van de Veiligheidsraad. Vooral Rusland heeft zich tegen militair ingrijpen verzet. Ook heeft Rusland gedreigd de samenwerking met de Navo te beëindigen. De vraag verder is of de Navo bevoegd is om eenzijdige stappen te ondernemen.

Hoewel het positief is dat een deel van de Servische troepen wordt teruggetrokken, de humanitaire hulpverlening weer op gang komt en internationale waarnemers gaan toezien op de naleving van het akkoord, is het de vraag of het huidige akkoord een bijdrage levert aan een werkelijke oplossing van het conflict. Ook nu lijkt het beleid van de internationale gemeenschap symptoombestrijding, mede omdat het conflict in Kosovo vooral in humanitaire termen gedefinieerd wordt. De ervaring in Bosnië-Herzegovina leert dat zo'n benadering de opties voor politiek en militair ingrijpen om het geweld te stoppen en de partijen aan te zetten tot onderhandelingen, beperkt. Zonder militaire aanwezigheid van de internationale gemeenschap zullen het excessieve geweld van de Servische troepen tegen de Albanese burgerbevolking en de gevechten tussen deze troepen en de UCK echter niet stoppen.

Status Kosovo

In de afgelopen jaren zijn verschillende oplossingen voor het conflict aangedragen. Het lastigste probleem is welke status Kosovo op de lange termijn zou moeten krijgen. De opvattingen van de Albanezen en de Serviërs hierover liggen ver uiteen. Er is een voorstel om de autonomie van Kosovo binnen Servië of binnen de Federale Republiek Joegoslavië te herstellen dat om verschillende redenen door beide partijen wordt afgewezen. Het tweede voorstel is om Kosovo gedurende drie jaar onder internationaal VN-bestuur te stellen. Ook Rugova heeft dit regelmatig bepleit. De Servische regering heeft dit voorstel echter afgewezen aangezien het een inmenging in de binnenlandse aangelegenheden met zich meebrengt.
De Albanezen staan een onafhankelijk Kosovo voor op grond van het principe dat elk volk recht heeft op zelfbeschikking. Het betekent dat de grenzen gewijzigd zullen worden en dat kan een uitstraling hebben naar de aspiraties van de Albanezen in Macedonië. Als Kosovo, naast Servië en Montenegro, een derde republiek binnen de federatie Joegoslavië zou worden, worden de grenzen niet veranderd en dienen beide partijen concessies te doen. Het betekent ook dat de Joegoslavische staat drastisch herzien dient te worden wat betreft bestuur en beleid.

Conclusies

Aan beide kanten is de bereidheid geweld te gebruiken om hun politieke doelen te realiseren toegenomen. De polarisatie in Kosovo neemt toe en dit bemoeilijkt de pogingen beide partijen aan de onderhandelingstafel te krijgen. De UCK dient betrokken te worden bij het onderhandelingsproces: de UCK is een factor van belang in Kosovo en kan niet genegeerd worden.
Het ingrijpen van de internationale gemeenschap is te laat en te weinig. Er had eerder ingegrepen dienen te worden (ook militair), om het geweld tegen de burgerbevolking te stoppen en een eind te maken aan de gevechten. In de praktijk betekent dat ook de aanwezigheid van een internationale troepenmacht om de situatie te stabiliseren. In de huidige internationale verhoudingen lijkt dit echter onhaalbaar. Een militair ingrijpen vereist immers dat duidelijk is wat het politiek doel is en welke stappen ondernomen dienen te worden om dit doel te bereiken.
Het nu gevoerde ad hoc beleid laat teveel mogelijkheden voor beide partijen open om het conflict te laten escaleren. Ook is de onwil om de problemen in de gehele regio in hun samenhang aan te pakken een gevaar voor de stabiliteit op de lange termijn. Het conflict in Kosovo is voorlopig ingevroren, maar niet opgelost.

Naar mijn mening dient er tijdens een overgangsperiode van twee tot drie jaar een aantal vertrouwenwekkende maatregelen genomen te worden om de spanningen tussen de Albanezen en Serviërs te verminderen. Dat betekent ook dat er een einde gemaakt moet worden aan het geweld en de schendingen van de mensenrechten, dat het gebied gedemilitariseerd wordt en dat de situatie genormaliseerd wordt, dus dat de Albanezen weer in alle sectoren aan het maatschappelijk leven kunnen deelnemen. Daarnaast is het van groot belang dat de internationale gemeenschap de democratische oppositie en onafhankelijke media in Servië voor een lange periode ondersteunt. De oplossing van het conflict in Kosovo zal mede afhangen van het democratiseringsproces in Servië, de veranderende machtsverhoudingen in de Albanese gemeenschap in Kosovo en de actieve bemiddeling van de internationale gemeenschap.

Henk Spenkelink



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Ethiopië en Eritrea -

Een oppervlakkige vrede in een geschiedenis van geweld

In mei en juni van dit jaar ontstond een grensoorlog tussen Ethiopië en Eritrea. De verhouding tussen beide landen bleek minder onproblematisch dan werd aangenomen. Het conflict is niet slechts een incident in een duurzaam vredesproces. De geschiedenis van Tigray (Noord-Ethiopië) en Eritrea leert dat juist de afwezigheid van gewapende conflicten uitzonderlijk is.

1991 was zowel voor Ethiopië als Eritrea een nieuw begin, nadat in dat jaar de Ethiopische militaire dictatuur was gevallen. Eritrea werd een nieuwe, onafhankelijke staat, die in feite werd geregeerd door de belangrijkste bevrijdingsbeweging het Eritrean People's Liberation Front (EPLF). In Ethiopië kwam een nieuw bewind aan de macht dat voortkwam uit een van de bevrijdingsbewegingen, het Tigray People's Liberation Front (TPLF). Na deze omwenteling ontstond een hoopvolle situatie, die werd gekenmerkt door een betrekkelijke rust, die iets langer dan vijf jaar heeft geduurd. Beide landen werden voor het grensconflict beschouwd als het voorbeeld van een ideale samenwerking.
Beide nieuwe regeringen ontvingen, ondanks hun marxistische voorgeschiedenis, steun van de Verenigde Staten en werden de belangrijkste bondgenoten in de regio. Hulporganisaties zagen de regeringshoofden als een niet-corrupte, eigenzinnige voorhoede van Afrikaanse leiders die zich weinig gelegen lieten aan praal en uiterlijk vertoon, die voor een vrije markteconomie waren en waarmee te praten viel.

De Eritrese regering had echter niet het economische succes waarop zij had gehoopt. Hetzelfde gold voor de Ethiopische regering, die, terwijl haar machtsbasis versmalde, in toenemende mate een repressieve politiek voerde. Beide regeringen gingen steeds meer hun eigen buitenlandse politiek voeren en werden strikter in de controle aan hun gemeenschappelijke grenzen. Na de invoering in november 1997 van de nieuwe Eritrese munt, de Nacfa, moesten de betalingen tussen beide landen in dollars plaatsvinden. Uiteindelijk mocht Ethiopië geen gebruik meer maken van de Eritrese havens Assab en Massawa. Een overleg op hoog niveau over een grensgeschil eindigde met een schietpartij, waarbij enkele Eritrese officieren het leven lieten. De oorlog begon en het strijdtoneel verplaatste zich al snel naar gebieden waarover geen verschil van mening bestond.
De snelle verslechtering van de aanvankelijk goede betrekkingen tussen beide regeringen laat zien dat de goede betrekkingen oppervlakkig waren. Hoe kwam dat? Hiervoor gaan we niet alleen terug naar de betrekkingen tussen het EPLF en het TPLF maar ook naar de oude voorgeschiedenis van de regio, met name die van Tigray (Noord-Ethiopië) en Eritrea.

Schaarste

De Hoorn van Afrika is berucht om zijn vele langdurige en bloederige oorlogen. Alle hedendaagse conflicten in de Hoorn hebben wortels die deels terug gaan tot de koloniale periode en deels verder terug reiken. De pre-koloniale conflicten komen voor een deel voort uit omstandigheden die specifiek zijn voor de Hoorn. Sedert eeuwen kent de Hoorn volksverhuizingen die tot op heden doorgaan. Bovendien heeft de Hoorn weinig, ongelijkmatig verdeelde natuurlijke rijkdom. Er is een schaarste aan bouwland en in de laatste honderd jaar werd de regio elke tien jaar door een grote droogte getroffen. De bevolkingsgroei en de toename van de veestapel van de nomaden leidt tot competitie om de schaarse landbouwgronden. De strijd om schaarse gronden wordt vermengd met etnische, religieuze en politieke factoren.

De staat speelt een cruciale rol in de controle over en allocatie van de schaarse goederen. Hierdoor wordt de staat het brandpunt van de conflicten. Centralisatie, militarisering en autoritaire structuren kenmerken de regerende groep. De gewapende oppositie stelt daartegenover de eis van afscheiding, meer autonomie of meer invloed op de centrale staat om haar roofzucht aan banden te leggen. Dit gaat gepaard met lange burgeroorlogen, die de maatschappij niet alleen in materiële maar ook in psychologische zin ontwrichten. Een burgeroorlog legt immers de basis voor vergelding en nieuwe rivaliteit, zeker als de winnaar alles naar zich toe trekt. Dit proces is ook werkzaam in de relatie Ethiopië-Eritrea.

Banditisme

De historicus F. Braudel legt een direct verband tussen armoede, economische achteruitgang, overbevolking en onderdrukking door de heersers, en het ontstaan van banditisme en opstand. De 16e en 17e eeuwse plunderingen, gewelddadigheden in stad en land, boerenopstanden en zeeroverij waren een wraak op de staat, waar de kerk en de grootgrondbezitters bijhoorden. Ook waren zij een aanval op de verdedigers van de politieke en sociale orde, die verantwoordelijk werden gehouden voor de desastreuze achteruitgang van grote lagen van de bevolking en die met harde hand de rust en orde poogden te herstellen. Banditisme als duurzaam verschijnsel floreerde in gebieden waar de macht niet duidelijk dan wel zeer versnipperd was. Ook bestonden er roversbenden onder leiding van de adel, die deze dan voor eigen doeleinden gebruikte. (noot 1)
In het noordelijk deel van de Hoorn wordt het woord shifta voor banditisme gebruikt. Iedereen die zich verzet tegen een heerser wordt shifta genoemd. Het woord shifta komt overeen met een combinatie van de begrippen rebellie en banditisme. Het eerste begrip verwijst naar het politieke en sociale aspect van de shifta. Het tweede begrip wijst op het criminele en gewelddadige karakter ervan. (noot 2)

De 19e eeuwse shifta

De shifta was wijd verspreid in de noordelijke Hoorn. Hij ontstond in de periode 1769-1860. In deze tijd was geen enkele vorst sterk genoeg om grote delen van de adel onder controle te krijgen en te houden. Het noordelijk deel van de Hoorn was verdeeld tussen de elkaar bevechtende edelen. Er ontstonden regionale oorlogsheren, roofridders, die vochten voor een betere positie in de hiërarchie of om buit.
De shifta was in deze periode geen boerenreactie op de onderdrukking van de heersers maar veeleer een instrument van de adel, met name de minder bedeelde en ontevreden edelen, om zich een positie te verwerven. Vooral gebieden van heersers die een functie te vergeven hadden, werden geplunderd. Dit politieke motief onderscheidde deze bendes van gewone rovers. (noot 3)
Plundering was ook gebruikelijk bij de gevestigde heersers. Het was een vorm van inkomstenverwerving of belastinginning. Dit bleef overigens niet zonder reactie van de boeren. Zij verzetten zich tegen de overdreven eisen van hun heren, tegen de plundering en inkwartiering van soldaten.

De shifta na 1900

Vanaf 1900 veranderde het politieke karakter en de sociale samenstelling van de shifta. Politieke argumenten en acties tegen de onderdrukking werden zichtbaar. De shifta werd niet langer uitsluitend door de adel gedomineerd. Boeren kregen steeds vaker een leidende rol. Oorzaken voor deze veranderingen lagen in de toename van de militaire macht van de centrale overheid sinds 1900. (noot 4)
Deze toename van macht ging gepaard met centralisatie. Adellijke posities werden nu erfelijk. In het algemeen gesproken betekende de centralisatie een verminderde invloed van de lagere adel op de maatschappij als geheel maar ook op de shifta. De keerzijde van deze centralisatie was dat gouverneurs niet het recht hadden de grenzen van hun gebied te passeren, terwijl zij met een achtervolging van shifta-groepen bezig waren. Shifta-groepen vonden hierdoor vaak een veilig heenkomen in een naburig gebied.
Gedurende de Italiaanse bezetting van Ethiopië (1935-1942) ontstonden, met name in de kerngebieden van het Ethiopische vorstenhuis, guerillagroepen van twee- à drieduizend man, die patriottisme en eigenbelang combineerden. De leiders van deze shifta-groepen waren van adellijke afkomst of shifta-afkomst.
Banditisme kreeg epidemische vormen in de noordelijke en westelijke grensgebieden van Tigray, die nauwelijks door enige heerser gecontroleerd konden worden. Deze gebieden waren niet van belang voor de Britten, die Soedan beheersten, de Italianen, die de baas waren in Eritrea, en de Ethiopische heersers. Toen Haile Selassie echter in 1941 met steun van de Britten aan de macht kwam, ontstond er een opstand waaraan, naast de shifta's en dissidente elementen uit de Tigrijnse adel, 20.000 gewapende boeren deelnamen.

Massaliteit

De oorzaak voor de massaliteit van de shifta na 1900 in het noordelijke gedeelte van de Hoorn, bestaat uit een combinatie van factoren, die allen een scherpe inkomensdaling van de boeren als gemeenschappelijk effect hebben. De eerste factor is de `grote hongersnood' en de runderpest van 1888 tot 1892. Sedert het begin van de 19e eeuw was er een algehele en omvangrijke aantasting van het milieu, die direct leidde tot de economische achteruitgang van Tigray. Er was een verregaande versnippering van land door deze factoren, door de verdeling onder de zonen en door het verlies van land van boeren die hun schulden aan de kooplieden niet meer konden betalen.

Ten tweede was er in Ethiopië en Eritrea een enorme hoeveelheid wapens, die ten dele van de Europeanen gekocht of gekregen waren en deels waren veroverd. Dit leidde tot een machtsbalans die lokaal ten voordele van de shifta uitviel. Ten derde waren zowel de boeren in Tigray als in Eritrea vanaf het einde van de 19e eeuw slachtoffer van plunderingen door soldaten van omringende machten. Deze omstandigheden leidden, in combinatie met de schaarste aan land en het gebrek aan werk, tot ontvolking en tot aansluiting van boeren bij een van de vechtende partijen, als shifta of als soldaat. Aan het einde van iedere oorlog vinden de deelnemers vaak een nieuwe bron van inkomsten in banditisme. Toen Italië haar troepen na haar nederlaag in de Tweede Wereldoorlog ontbond, kwamen tussen de 100.000 en 150.000 Eritreërs zonder inkomen te zitten. Zij werden, vooral in het droge seizoen, bandieten en verhuurden zichzelf aan iedereen die betaalde. (noot 5)

De bevrijdingsbewegingen

De bevrijdingsbewegingen ontstonden na de oorlog in de hierboven geschetste context. Twee hiervan, het EPLF en het TPLF, vormen de kern van de regeringen in repectievelijk Eritrea en Tigray. De vraag is in hoeverre zij een voortzetting van de oude shifta-traditie zijn.
Het EPLF komt oorsponkelijk voort uit het Eritrean Liberation Front, een verzameling van shifta-milities uit het laagland van Eritrea die in 1956 een guerilla-oorlog tegen het Ethiopisch gezag beginnen. Het EPLF onderscheidde zich als een sterk gecentraliseerde, gedisciplineerde en marxistische organisatie, die in de beginperiode was samengesteld uit intellectuelen, hooglanders en mensen uit een stedelijke omgeving. Het ontwikkelde zich tot de belangrijkste rivaal van de moederorganisatie en bracht haar, na een periode van samenwerking, in 1980-1981 een beslissende nederlaag toe. Het EPLF voerde een dienstplicht in, wat voor veel Eritreërs een aanleiding was om naar Soedan te vluchten, en veroverde vervolgens vrijwel geheel Eritrea. Het veranderde haar marxistische toonzetting in een wat meer nationalistische, maar het centralisme bleef. Het huidige Eritrea is een duidelijke partijstaat, waarin organisatie op ethische of religieuze basis verboden is.

De TPLF begon haar bestaan in 1975 in het westelijk deel van het zeer arme Tigray van 1975, dat geteisterd werd door een omvangrijke shifta. Het front zag zichzelf in lijn van de massale opstand tegen Haile Selassie van dertig jaar daarvoor. Ook het TPLF had verbindingen met shifta-leiders en voormalige soldaten, maar niet in die mate als het Eritrean Liberation Front. De TPLF-leiders kwamen uit de stedelijke middenlaag als studenten en onderwijzers. De eerste TPLF-mensen kregen hun militaire opleiding bij het EPLF. De TPLF had net als de EPLF rivalen die dieper geworteld waren in de shifta-traditie en verbonden waren met de lokale adel. Om de omvangrijke aanhang van boeren bij deze organisaties aan zich te binden, temperde het TPLF haar nationalisme en speelde in op de oude anticentralistische gezindheid in Tigray. Daarnaast voerde het landhervormingen door en stelde het de doodstraf op plundering. In de tweede helft van de jaren '80 is het TPLF zich steeds meer gaan zien als een voorhoede voor heel Ethiopië.

Conclusies

De Hoorn kent een traditie van meer dan 200 jaar om problemen, conflicten en rivaliteiten met gewapend geweld te benaderen. De shifta en andere vormen van langdurige, gewapende strijd veroorzaken nieuwe problemen, die op hun beurt weer leiden tot nieuwe gewapende conflicten. De shifta en het soldatenleven zijn belangrijke inkomstenbronnen van het noordelijk deel van de Hoorn dat veel te lijden heeft gehad onder de verarming en onder sterke staatsrepressie. Dit verklaart het succes van de shifta maar ook van het TPLF en het EPLF.
Het plunderen, dat onderdeel was van de shifta, is echter meer en meer in onbruik geraakt. De bevrijdingsbewegingen zijn in staat gebleken andere bronnen van inkomsten aan te boren vanwege de Oost-West rivaliteit. Daarnaast is er meer met een ideologie gewerkt die een rechtvaardiging van de gewapende strijd inhoudt en een perspectief daaraan heeft verbonden. De organisaties zijn zich meer en meer als een deel van een grotere gemeenschap gaan zien en zoeken een winst in de toekomst in plaats van op korte termijn.
De rivaliteit tussen het EPLF en het TPLF, die teruggaat op de burgeroorlog, is echter niet opgelost en speelt nu op regeringsniveau. De huidige Ethiopische regering, waarin het TPLF een leidende rol heeft, kon nauwelijks een andere beslissing nemen dan Eritrea haar onafhankelijkheid te geven, aangezien het EPLF-leger zeer sterk is. Deze onafhankelijkheid was binnen het TPLF echter controversieel. In Tigray ziet men de Eritrese afscheiding met lede ogen aan, daar dit gebied in hoge mate van Eritrea afhankelijk is.
Beide bevrijdingsbewegingen hebben in hoge mate alleen de controle over de staat en dus over de schaarse bronnen van het land. De regeringen van beide landen kunnen rekenen op een grote binnenlandse steun voor een oorlog tegen het buurland, in een situatie waarin vergroting van de binnenlandse steun nodig is. In het licht van de bovenstaande punten kunnen we concluderen dat elk conflict weer een aanleiding voor nieuwe oorlog tussen beide landen kan zijn.

Hans Alles



Noten

  1. Braudel F. The Mediterranean and the Mediterranean World in the Age of Philips II. London 1973. pp. 734-756.
    Terug naar tekst
  2. Crummey D. "Banditry and resistance: noble and peasant in the 19th century Ethiopia." In: Banditry, rebellion & social protest in Africa. ed. Crummey D. London 1986. p. 134.
    Terug naar tekst
  3. Caulk R. "Bad men of the borders: shum and shefta in northern Ethiopia in the 19th century." In: International Journal of African Historical Studies, 17, 2 (1984). pp. 201-227.
    Terug naar tekst
  4. Fernyhough T. "Social mobility and dissident elites in Northern Ethiopia: the role of bandits 1900-69." In: Banditry, Rebellion & Social Protest in Africa. ed. Crummey D. London 1986. p. 153.
    Terug naar tekst
  5. Alles H. Banditisme en zelfbeschikking, 100 jaar sociale strijd in de Hoorn van Afrika. Amsterdam 1988. p. 26.
    Terug naar tekst



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Column -

Spektakel

Door de woelingen van mei 1998 en van november 1998 is Indonesië weer meer in de aandacht van de Nederlandse media en de Nederlandse politiek gekomen. Men is dan wel kritisch over het ondemocratische karakter van het bewind van de, nu vervangen, Soeharto. Toegegeven: de arrestaties en de verdwijningen van oppositieleden, het gewelddadige optreden van leger en politie, de bezetting en de annexatie van Oost-Timor worden gehekeld. Maar er wordt tot mijn grote verbazing niet of nauwelijks gerept van de massamoorden van 1965, waarop het regime Soeharto was gebaseerd.

Er werden toen een half miljoen à één miljoen communisten en zogenaamde communisten koelbloedig afgeslacht. Talrijke anderen werden, meestal voor zeer lange tijd, geïnterneerd. In de meer dan dertig jaren van het regime Soeharto heeft het zijn ontstaanswijze dan ook niet verloochend. Zijn wrede dictatuur, met moordcommando's, martelingen en alles wat daarbij hoort, werd nauwelijks kritisch bekeken door de buitenwereld. Een kleine uitzondering was de weigering om de Indonesische annexatie van Oost-Timor te erkennen. Daar kwam na 1974, toen Portugal het fascisme en het kolonialisme afschafte, links aan de macht. Deze, wel zeer nabije, ideologische bedreiging van Soeharto leidde tot de gewelddadige verovering en vervolgens annexatie en onderdrukking van dit gebied. In dit proces werd zo ongeveer de halve bevolking uitgemoord.

Maar verder? Nauwelijks één woord van kritiek op het Indonesië van Soeharto. Integendeel. De betrekkingen werden steeds inniger. Het Nederlandse bedrijfsleven kreeg weer ruim baan in de voormalige Nederlandse kolonie. Nederland leverde op grote schaal wapens aan Soeharto. De levering van oorlogsschepen (korvetten) die de bezetting van Oost-Timor moesten veiligstellen, werd door minister van der Stoel nota bene voorgesteld als een middel om het illegale vissen door Japanners in Indonesische wateren te bestrijden!

En niet te vergeten: de enorme bedragen aan ontwikkelingshulp. Bij een situatie als die in Indonesië zou hulp aan verzetsbewegingen tegen de wrede dictatuur passend geweest zijn. Maar juist Soeharto werd er door gesterkt. Hij was dan ook zeer dankbaar (tot hij de gefluisterde kritiek van Pronk al te ver vond gaan). Hoogtepunten van intimiteit waren de officiële bezoeken: dat van Soeharto aan Nederland en dat van Beatrix aan Indonesië. De innigheid werd bijkans klef.

Tegen deze achtergrond past het stellen van de vraag wat de frequente aanroeping van de mensenrechten door de Nederlandse regering (vooral wanneer het Nederland onwelgevallige regimes betreft) eigenlijk voorstelt. De Soeharto kliek gaat nu, in grote lijnen, op de oude voet verder. Ik voorspel dat Nederland zal blijven profiteren.

Fred van der Spek



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Brief uit Bolivia -


Brief uit....
..Bolivia

Olie op het vuur van de drugsoorlog

Het bericht over mijn terugkeer uit Nederland doet snel de ronde: ik heb nog niet uitgepakt of Jorge belt me op. Jorge is een ex-studentenleider die sinds een paar jaar met de colonos in de Chapare, Bolivia's grootste coca-producerende gebied, werkt. De agrarische faculteit van de staatsuniversiteit van Cochabamba (UMSS) heeft daar ook eigen terreinen, in Valle Sajta.

De Chapare is inmiddels wereldwijd berucht als een van de grotere brandhaarden van de drugsoorlog in Zuid-Amerika. Maar de UMSS ziet zich in de laatste maanden in het middelpunt geplaatst van een heel andere strijd, die zich afspeelt in de schaduw van de conflicten rondom de uitroeiing van cocavelden: de jacht op oliehoudende grond.

Deze betrokkenheid begon redelijk onschuldig. Jorge vertelt me dat de bevolking rondom een boorput van de oliemaatschappij MAXUS de universiteit vroeg om haar drinkwater te onderzoeken. De analyses bleken de milieuvriendelijke propaganda van MAXUS zwaar tegen te spreken. De boeren klaagden deze situatie publiekelijk aan. Vervolgens werd duidelijk dat ook bij Valle Sajta olie in de grond zit. De UMSS kon niet meer onder een direct conflict uit, want de Boliviaanse overheid had in 1995 zonder medeweten van de bevolking concessies uitgegeven over uitgebreide delen van de Chapare, onder meer aan de MAXUS. In maart bezette personeel van de UMSS een boorput van de MAXUS. Liever dan te bemiddelen koos de overheid partij: met een aantal anderen werd Jorge beschuldigd van 'narcoterrorisme' en door justitie voortvluchtig verklaard. Legereenheden die vanwege de drugsoorlog blijvend in de Chapare gestationeerd zijn, werden ingezet om de boorput te ontzetten. Het conflict suddert echter door en in september komt het tot een nieuwe, dit keer meer diplomatieke, confrontatie. De MAXUS laat arrogant weten niet met de UMSS in discussie te zullen gaan en het probleem direct met de Prefectura (de regionale overheid) op te lossen. Jorge is nu begonnen alle getallen over oliewinsten en wat daarvan in de regio Cochabamba wordt afgedragen op een rijtje te zetten. Hij hoopt op die manier de regionale autoriteiten voor zich te winnen. "Je moet weten", zegt hij "dat de huidige Minister van Economie ook de vertegenwoordiger van de MAXUS in Bolivia is. Er wordt al druk op de Prefectura uitgeoefend om de UMSS haar terreinen afhandig te maken."

Cochabamba, Theo Roncken


Noot: In Bolivia zijn tegen de veertig internationale oliemaatschappijen actief. De grootste zijn: Mobil, Texaco, Chevron, Amoco, Shell, Maxus, en Esso.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina




Recensies Recensies Recensies
Recensies Recensies Recensies
Recensies Recensies Recensies






We have to sit down
Women, war and peace in Southern Sudan

M. Pol
S.L. : Pax Christi Netherlands
1998




N.Charles & H.Hintjens
Gender, ethnicity and political ideologies
London & New York : Routledge
1998



Tot voor kort werd het doodnormaal gevonden als in een vluchtelingenkamp, bevolkt door duizenden vrouwelijke gezinshoofden, het handjevol aanwezige mannen de contacten onderhield met hulporganisaties. Mannen werden gezien als de vertegenwoordigers van hun gemeenschap en 'dus' de aangewezen personen om de noden van het kamp vast te stellen. Dat ze meestal geen flauw benul hadden van wat er nodig is voor het bereiden van een maaltijd en het verzorgen van kinderen kwam noch bij henzelf, noch bij donororganisaties op. Door de toegenomen aandacht binnen ontwikkelingssamenwerking voor gender [de sociale en culturele betekenissen die aan het sekseverschil worden toegekend, red] in conflictsituaties worden vrouwen tegenwoordig niet meer zo snel over het hoofd gezien. Er is een groeiend bewustzijn van de enorme inzet waarmee vrouwen het dagelijks leven in stand houden onder extreem moeilijke omstandigheden. Daarnaast worden vrouwen steeds meer gezien als tegenkrachten voor het (mannelijk) oorlogsgeweld. Dat neemt soms bijna mystieke vormen aan, zoals in de slotverklaring van de VN-vrouwenconferentie van 1995, waarin vrouwen de rol van 'draagsters van een vredescultuur' wordt toegeschreven.

Bij Pax Christi verscheen dit voorjaar We have to sit down, het verslag van een onderzoek onder vrouwen in Zuid-Soedan. De schrijfster zegt dat het boek vooral is bedoeld om Zuid-Soedanese vrouwen met elkaar te laten kennismaken. In een land met een vrouwelijk analfabetisme van 90% is een boek daarvoor wellicht niet de meest voor de hand liggende vorm. Maar men moet ergens beginnen en het streven is lovenswaardig, te meer daar op diverse momenten tijdens het onderzoek blijkt dat gebrek aan communicatiemiddelen een belemmering vormt voor de Soedanese vrouwen om zich te organiseren.

Na een korte inleiding over de politieke achtergrond van het conflict geeft het boek een beschrijving van het leven van de vrouwen, hun problemen, hun manier om met verdriet en trauma's om te gaan en vooral hun pogingen om vredesgroepen op te zetten. Het boek vlecht op knappe wijze veldonderzoek, theorie en beleidsrapporten in elkaar. Er wordt een realistisch en niet al te rooskleurig beeld van de vredespogingen van de vrouwen gegeven.

Vrouwen zijn een vrij machteloze groep in een samenleving waar macht is gebaseerd op geweld. De vredesgroepen kunnen daar weinig aan veranderen. Bovendien worden ze geteisterd door onderlinge ruzies en gebrek aan bijna alles, en zijn er, zoals altijd bij thema's waar donoren dol op zijn, ook groepen opgezet met geen ander doel dan de initiatiefneemsters een goed salaris te verschaffen. Toch geven de basisgroepen een beetje hoop in een uitzichtloze situatie, en de bewondering voor het kleine groepje dappere meiden dat koppig tegen de stroom in blijft zwemmen groeit al lezende. Het boek eindigt met uiterst praktische aanbevelingen voor NGO's, Soedanese leiders en Soedanese vrouwengroepen.

Bij gender en bij etniciteit spelen dezelfde soort processen. Beiden zijn een 'constructie', een kunstmatige manier om een verschijnsel af te bakenen. In beide gevallen gaat het om de indeling van mensen in groepen en het toeschrijven van eigenschappen en gedragskenmerken aan die groepen. Zowel gender als etniciteit spelen een belangrijke rol bij mobilisatie en motivatie in oorlogstijd en lenen zich uitstekend voor manipulatie. In oorlogstijd wordt graag gebruik gemaakt van de ideologie van de heldhaftige man, de vrouw die beschermd moet worden, en van (vermeende) tegenstellingen tussen etniciteiten. Dat is niet alleen het geval in niet-westerse samenlevingen. In het boek Gender, ethnicity and political ideologies, dat is gebaseerd op een conferentie in 1993, worden niet alleen voor de hand liggende voorbeelden van conflicten in Joegoslavië en Israël-Palestina aangehaald, maar wordt bijvoorbeeld ook de visie op vrouwelijkheid van het Franse Front National besproken. Er wordt ontrafeld hoe beelden van vrouwelijkheid worden ingezet om een scheiding aan te brengen tussen etniciteiten waarbij 'wij' de goeden zijn en 'zij' de slechten.

Verhoudingen in de privésfeer roepen hevige emoties op die bij uitstek geschikt zijn om voor politieke doelen aangewend te worden. In de visie van het Front National bijvoorbeeld is de grotere vrijheid van Franse vrouwen in vergelijking met migrantenvrouwen een voorbeeld van de superioriteit van de Franse cultuur. Overigens heeft het FN wel moeite om dit beeld van de 'vrije' Franse vrouw op een lijn te brengen met zijn boodschap dat vrouwen thuis bij man en kinderen horen.

Het boek bevat zowel theoretische hoofdstukken als praktijkvoorbeelden van ideologische manipulatie. Ook wordt ingegaan op de vraag waarom veel vrouwen zich aangetrokken voelen tot het islamitisch fundamentalisme, terwijl dit toch een zeer vrouwonvriendelijke politieke stroming is. Het geeft, kortom, een zeer breed beeld van de relatie tussen gender, etniciteit en politieke ideologieën en is daardoor een uitstekende inleiding in het onderwerp.
WdV



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina





Wapenhandel
Samenstelling: Martin Broek

Voor meer informatie over Nederlandse wapenhandel en -industrie: ga naar www.stopwapenhandel.org



Nederland en de jachtvliegtuigen

De defensie-industrie van Nederland gaat meewerken aan de ontwikkeling en bouw van een nieuw jachtvliegtuig, de Joint Strike Fighter (JSF). De komende kwart eeuw zal de JSF het belangrijkste jachtvliegtuig zijn dat wereldwijd geproduceerd wordt. De verwachtingen bij de Nederlandse defensie-industrie zijn groot. Men verwacht dat er minstens vijf miljard gulden aan ontwikkelings- en productiewerk voor de Nederlandse wapenboeren in zal zitten. Om de luchtvaartindustrie alvast een steuntje in de rug te geven zal Defensie ¦50 miljoen bijdragen en Economische Zaken ¦100 miljoen.

Er is nog niet besloten of Nederland zelf het vliegtuig aan zal schaffen, maar de ¦150 miljoen die nu wordt uitgetrokken doet al een politiek van voldongen feiten vermoeden. De aanschaf van deze opvolger van de F-16 zal zo'n slordige ¦13 miljard gaan kosten.
Delft Instruments doet mee aan de Europese versie van het jachtvliegtuig voor de volgende eeuw, de EFA. Nadat het bedrijf in 1997 (samen met Signaal USFA, de Frencken Groep en het Nationale Luchtvaart Laboratorium) betrokken was bij het ontwerp van een speciale vliegbril, die voor de piloten van de F-16 werd ontworpen, werd begin 1998 bekend dat de bril ook zal worden gebruikt door de vliegers van de EFA. Delft verwacht ongeveer 600 van de brillen te gaan verkopen die een klein TV-tje bevatten dat allerlei beelden op het netvlies van de vlieger laat zien waardoor hij beter kan vechten, en tegelijkertijd zijn gewone uitzicht behoudt.

Eind jaren tachtig gaf Nederland 60 NF-5 vliegtuigen - de voorloper van de F-16 - aan Turkije. Onlangs schonk Turkije weer 20 NF-5 vliegtuigen aan Macedonië. Of het hier gaat om de Nederlandse vliegtuigen is niet bekend, ook Noorwegen en de Verenigde Staten leverden dit type destijds aan Turkije.



Nederlands wapenexportbeleid

In april 1998 beloofde de regering het parlement een openbare rapportage betreffende wapenexporten te gaan publiceren. Oktober jl. was het zover en werd het overzicht over 1997 en de eerste helft van 1998 gepubliceerd. In tegenstelling tot eerdere uitgelekte versies haalde deze eerste openbare rapportage nauwelijks de pers. Het was al voorspeld door PvdA Tweede-Kamerlid Apostoulou: als de stukken niet meer geheim zijn, zal de pers er minder oog voor hebben.

Toch zijn de rapporten wel interessant. Zo wordt voor de eerste keer verslag gedaan van exporten naar NAVO-landen. Tot nu toe was alleen bekend dat de exporten naar de zestien NAVO-lidstaten ongeveer de helft van het totaal bedroegen. Nu is duidelijk dat Turkije een belangrijke klant is. In 1997 nam dit land qua grootte de vierde plaats in (¦176 miljoen) en in de eerste helft van 1998 de derde (¦81,4 miljoen). Een andere wijziging ten opzichte van de vertrouwelijke rapporten is dat ook een uitsplitsing van het totaal per wapencategorie wordt gegeven. Er zijn twee hoofdcategorieën: 1) Wapens en munitie en 2) Overige militaire goederen. Deze zijn beide onderverdeeld in tien subcategorieën, zoals 'tanks', 'pantservoertuigen', 'groot kaliber wapens', 'klein kaliber wapens', 'munitie en explosieven' en 'militair oefenmaterieel'. Sommige categorieën bieden weinig duidelijkheid. Wat is bijvoorbeeld militair oefenmaterieel? Gaat het hier om simulatieapparatuur voor relbestrijding of om mijnenbestrijdingsapparatuur? Een ander gebrek is dat de twee lijsten niet worden gecombineerd. Op die manier bieden de lijsten alleen verknipte informatie, waar je weinig mee aan kan.

Ten slotte biedt het uitgebreidere rapport over 1997 basis-informatie over de Nederlandse defensie-industrie. De belangrijkste goederen die deze produceert zijn in afnemend belang gerangschikt: 'maritieme toepassingen', 'infrastructuur', 'elektronica en informatica' en 'luchtvaart en ruimtevaarttechnologie'. Er zijn in Nederland ongeveer 150 bedrijven die zich bezig houden met defensieproductie, er werken ongeveer 143.000 mensen, waarvan 12.000 zich bezig houden met militaire productie.

In de eerste helft van 1998 valt op dat Chili na de Verenigde Staten de grootste afnemer van Nederlandse wapens is en dat Taiwan en Israël voor een redelijk fors bedrag aan Nederlandse wapens ontvangen. Het blijft opmerkelijk dat Turkije, Taiwan, China (¦1,2 miljoen, tegen dit land loopt een wapenembargo van de EU), India (¦1,8 miljoen), Saoedi-Arabië (¦4,8 miljoen) en Chili wapens van Nederland ontvangen. In de recentelijk door de Europese Unie aangenomen richtlijnen betreffende wapenexporten staat dat deze lidstaten geen exportvergunningen af zullen geven als er een duidelijke risico is dat de ontvanger de goederen zal gebruiken tegen een ander land of met gebruikmaking van militaire macht een territoriaal conflict zal ondersteunen. Bij alle hiervoor genoemde landen is sprake van claims op buurlanden. Bovendien levert Nederland wapens aan rabiate schenders van de mensenrechten, zoals Turkije en Indonesië.

Overzicht eerste helft 1998
(miljoenen guldens)
1 Verenigde Staten 125,8
2 Chili 124,0
3 Turkije 81,4
4 Duitsland 70,9
5 ? ?
6 Taiwan 23,0
7 Verenigd Koninkrijk 15,3
8 Denemarken 13,0
9 Indonesië 9,6
10 Griekenland 8,4
Totaal alle exporten 649,9



Tanks naar Chili

Eind 1997 sloot Nederland een overeenkomst met Chili over de levering van 200 Leopard tanks. Het is al weer 25 jaar geleden dat tanks tijdens de coup van Pinochet het vuur openden op het presidentiële paleis.
De Rotterdamse Droogdok Maatschappij (RDM) tekende voor het opknappen van de Leopards. Financieel was de waarde van de levering niet zo heel groot in omvang; de tanks stonden te koop voor ¦100.000 per stuk en daar kwamen nog opknapkosten bij. In totaal leverde Nederland in 1998 voor ¦124 miljoen wapens aan Chili, maar de RDM deed dit jaar nog meer zaken met het land, te weten het opknappen van artillerie van het Chileense leger (zie VD AMOK jrg 7, nr. 2).

In Vrij Nederland beschreven Colijn en Rusman de controle die voormalig dictator Pinochet op militair gebied nog steeds heeft; de tanks worden - evenals het opgeknapte geschut - via zijn bedrijf aan de Chileense landmacht geleverd. Een aardige manier voor Pinochet om zijn positie te versterken. Pinochet verklaarde in maart 1998 bij zijn benoeming als senator voor het leven dat hij met zijn generaalsvriendjes "alle verworvenheden van het militaire regime zou verdedigen."

Hoezo en tegen wie moet de Chileense staat zich eigenlijk met 200 extra tanks verdedigen? Het land neemt een arrogante houding in tijdens het overleg met buurland Bolivia over een belangrijke route naar zee die Bolivia tijdens de Pacific Oorlog (1879-1883) verloor. Verder speelt de aanval van noorderbuur Peru op Ecuador (1995) misschien een rol. Als Peru Ecuador aan kan vallen, waarom dan niet ook Chili? De levering van de 200 tanks betekent echter dat Chili in één klap meer tanks had dan al haar buurlanden, waaronder het veel grotere Argentinië. Bolivia heeft helemaal geen tanks en Peru heeft 50 werkende exemplaren.

In 1997 werd in veel artikelen gewezen op de dreigende wapen-wedloop in Zuid-Amerika. Nederland doet daar lekker aan mee en levert aan een van 's werelds beruchtste dictators het wapen waarmee hij voor het oog van de wereld de macht greep.

Bron: Vrij Nederland 24 oktober 1998



Europese luchtvaartindustrie zeurt

Aan beide zijden van de Atlantische Oceaan mekkert de militaire luchtvaartindustrie over haar kansen op de markt. Zo wordt aan beide zijden aangedrongen op maatregelen ter bevordering van de positie van deze industrie met verwijzing naar de krachtige positie van de andere partij. Er zijn verschillende redenen om deze treurverhalen te nuanceren. Zo zijn er de cijfers van de lobby-organisatie van de Europese militaire luchtvaartindustrie (AECMA). Deze club meldde voor de jaren 1996 en 1997 een stijging van de winst van om en nabij de 11%. Het gaat hier vooral om exporten buiten de Europese Unie.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina





Korte berichten
Samenstelling: Kees Kalkman



De spion in het parlement Het Belgische Vast Comité van Toezicht op de Inlichtingendiensten heeft een onderzoek verricht naar de activiteiten van de diensten ten aanzien van parlementsleden van de groene partijen Agalev (Vlaanderen) en Ecolo (Wallonië). Het onderzoek van het controlecomité lekte in juni uit naar de Belgische pers, onder andere naar De Morgen.

Al eerder was uit de beantwoording van een parlementaire vraag van Van Dienderen (Agalev) in 1996 gebleken dat de Belgische Veiligheid van de Staat (hun BVD) zich niet interesseerde voor de vredesbeweging als zodanig, maar wel voor 'extremistische groeperingen'. Als voorbeeld werd gegeven "de publikaties van de organisatie het Forum voor Vredesactie en de acties die het ondernomen heeft in december 1995 te Kleine Brogel [de Belgische nucleaire vliegbasis - KK]." Op een andere vraag van Van Dienderen, eveneens in 1996, antwoordde de minister van Landsverdediging: "De ADIV [Belgische militaire inlichtingendienst - KK] heeft dossiers van mensen, al dan niet van pacifistische bewegingen, die zich hebben laten opmerken door hun acties tegen de militaire infrastructuur."

Uit het onderzoek van het comité bleek dat de termen 'pacifisme' en 'ecologistisch fundamentalisme' in oktober 1996 voorkwamen op de lijst van gevolgde bewegingen van de militaire inlichtingendienst (onderwerpslijst). Deze bewegingen worden door het bureau Subversie van de sectie Contra Inlichtingen (CI) van de dienst in de gaten gehouden. Daarentegen maakte de 'lijst van onderwerpen en sleutelwoorden' van de Veiligheid van de Staat van 14 oktober 21996 geen gewag van milieupacifisten noch van Agalev of Ecolo.

Wat betreft persoonsdossiers bleek uit de door de diensten verstrekte gegevens dat van de vijftien parlementsleden van Agalev en Ecolo er tien waren waarvan de militaire inlichtingendienst een individueel dossier bijhoudt. Daarvan waren er zeven geopend voor de betrokkenen verkozen waren. De dossiers bevatten stukken uit open bronnen op een uitzondering na. De drie andere dossiers bevatten alleen stukken uit open bronnen (persartikelen, uittreksels uit het Staatsblad) betreffende antimilitaristische en antinucleaire standpunten van de betrokkenen.

Voorzover het Comité uit de verstrekte gegevens kon beoordelen ging het daarbij niet om het eigenlijke parlementaire werk. De geraadpleegde dossiers bevatten echter geen inventaris en de stukken waren niet genummerd, zodat er geen controle op volledigheid mogelijk was.

De Veiligheid van de Staat houdt over acht van de betrokken parlementariërs een dossier bij. Daarvan waren er zeven geopend voor de betrokkene gekozen was. Die dossiers handelden over openbare activiteiten van deze personen binnen bepaalde bewegingen. Een dossier werd geopend op het moment waarop de betrokkene parlementslid werd. Het dossier gaat over feiten en standpunten van de betrokkene buiten het parlement. De dossiers bevatten geen stukken na 1991, met uitzondering van een parlementaire vraag van de betrokkene, waarop de dienst een antwoord moest formuleren. Ook hier was er geen inventaris, maar de stukken waren genummerd. Overigens bestaat er bij de Veiligheid van de Staat wel een dossier over Agalev/Ecolo, met in hoofdzaak persartikelen over de activiteiten van de partijen. Het laatste verslag in dit dossier is van 1988.

Het is natuurlijk de vraag of dit echt alle dossiers zijn die bij alle afdelingen van de diensten aanwezig zijn. Of zouden de diensten in hoofdzaak hun knipselarchief ter inzage hebben gegeven? Intrigerend is ook de vraag of de ene parlementariër waarover door de Veiligheid van de Staat direct bij zijn aantreden een dossier werd geopend dezelfde is als degene over wie de militairen al een stuk uit een geheime bron hadden bewaard.
In elk geval zou het nuttig zijn als ook in Nederland eens een dergelijk onderzoek verricht zou worden.
KK

Bronnen:
De Morgen, 22 juni 1998
Vast Comité van Toezicht op de Inlichtingendiensten, Activiteitenverslag 1998



MAI en militarisme

Dat het Multilateral Agreement on Investment (MAI) een be-dreiging vormt voor elke vorm van sociaal en milieubeleid zal inmiddels duidelijk zijn. Dat MAI tegelijkertijd een stimulans kan zijn voor de militaire industrie is minder bekend. In een artikel van de Canadese groep End the Arms Race worden enkele neveneffecten beschreven die betrekking hebben op wapenhandel en vrede en veiligheid.
Het MAI voorziet in absolute vrijhandel, door regeringen te verbieden om bepaalde bedrijfstakken te steunen en om economische beperkingen op te leggen uit het oogpunt van algemeen belang. Uitzondering vormen echter activiteiten die verband houden met nationale veiligheid. Specifiek betreft dit overheidsuitgaven voor militaire ontwikkeling en productie, militaire aankopen, en steun voor militaire bedrijven.
Staatssteun aan bijvoorbeeld een noodlijdende scheepswerf mag niet door veerboten te laten bouwen, maar wel door een opdracht voor de bouw van fregatten te geven. Zo ontstaat een situatie waarin militaire produktie het enig overgebleven toegestane terrein voor economisch stimuleringsbeleid is.
Ook bij high-tech onderzoek kan de militaire sector uitkomst bieden: het is in veel gevallen mogelijk zulke kennis op te bouwen door - in eerste instantie - te investeren in militair onderzoek. Dat daarmee een militarisering plaatsvindt van de economie is evident.
De mogelijkheid om wapenexport via wettelijke maatregelen te verbieden wordt onder het MAI-verdrag aanzienlijk beperkt. Export van militaire goederen kan alleen verhinderd worden indien deze een bedreiging zou vormen voor de militaire veiligheid van een land. Ook wapenembargo's tegen een bepaald land zijn niet meer mogelijk, met uitzondering van wapenembargo's ingesteld door de Verenigde Naties.
WdV



Bron: Staples. S., Protecting War. Militarism and the Multila-teral Agreement on Investment
www.peacewire.org



Refusing to bear arms: het voorlopig einde van het CONCODOC project

Tijdens de driejaarlijkse bijeenkomst van de WRI in Porec in Kroatië werd het eindprodukt van het CONCODOC-project gepresenteerd: het rapport Refusing to bear arms, a worldwide survey on conscription and conscientious objection to military service.
Het rapport, waaraan twee en een half jaar is gewerkt door de VD'ers Bart Horeman, Marc Stolwijk en Anton Luccioni, is het meest omvangrijke wereldwijde overzicht van dienstweigeren dat ooit gemaakt is. Per land wordt beschreven wie er dienstplichtig zijn, hoe zij gerecruteerd worden en of er legale mogelijkheden bestaan om de dienstplicht te weigeren. Daarnaast wordt ingegaan op de strafmaat voor dienstplichtontduikers en dienstweigeraars en hoe deze in de praktijk behandeld en gestraft worden.
Het eindrapport bevat 177 landenrapporten, inclusief een bijgewerkte versie van de 34 Europese landenrapporten die in november 1997 al in een eerste deel van Refusing to bear arms gepubliceerd werden. Dit eerste deel is bijzonder goed ontvangen, met name door mensen die op internationaal vlak werken aan het recht op dienstweigeren en door advocaten die zich inzetten voor asiel voor vluchtelingen.
De WRI is bezig een vervolgproject op te zetten om te zorgen dat de in het rapport verzamelde informatie geactualiseerd wordt. Daarnaast zal begin 1999 het rapport op Internet gepubliceerd worden, als onderdeel van de website van de WRI.(BH) Voor de bestelwijze van het rapport zie de achterzijde van dit nummer van VD AMOK.



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina


- Berichten van de basis -

Berichten van de basis

Vrijwilligers voor Askere Gitme gevraagd

1) Askere Gitme, de werkgroep van Turkse en Koerdische dienstweigeraars van Stop de oorlog in Turkije, groeit gestaag. In 1999 wil Askere Gitme enkele discussieweekeinden houden. Onderwerpen zijn: waarom dienstweigeren; hoe te denken over bevrijdend (PKK-)geweld; wat is antimilitarisme; steun aan dienstweigeraars in Turkije, e.d. Om deze weekeinden doorgang te kunnen laten vinden zoekt Askere Gitme vrijwilligers met vakkundige ervaring in het organiseren en begeleiden van dergelijke weekeinden. De weekeinden worden inhoudelijk door Turkstaligen geleid. Je hoeft dus geen Turks te spreken, maar je moet wel verstand hebben van didactische aspecten en groepsdiscussies. Voor meer informatie: Stop de oorlog in Turkije, Postbus 94802, 1090 GV Amsterdam tel 020-4284061, fax 020-4284062.

2) Als je op een ander vlak mee wilt werken als vrijwilliger van Askere Gitme, bijvoorbeeld als kantoormedewerker of als onderzoeker, kun je ook terecht op bovenstaand adres.



Steun Turkse dienstweigeraar

Op zondag 6 december 1998, kort na het ter perse gaan van dit nummer, loopt de gevangenisstraf van Osman Murat Ülke wegens dienstweigering af. Onduidelijk is wat er met Osman zal gebeuren. Mogelijkheid één is dat hij met een buskaartje naar zijn kazerneonderdeel in Eskesehir wordt gestuurd. In dat geval gaat Osman naar huis, naar Izmir, want hij laat zich niet het leger insturen. De tweede mogelijkheid is dat Osman onder gewapende begeleiding naar zijn legeronderdeel wordt teruggestuurd. In dat geval komt hij in een duivelse spiraal terecht omdat hij dan opnieuw dienst zal weigeren en opnieuw naar de gevangenis zal worden gestuurd. Dienstweigeren kan niet in Turkije, je wordt net zo lang teruggestuurd totdat je gaat of je blijft desnoods levenslang in de gevangenis.

Stop the War in Turkey (SOT)
P.O. Box 94802, 1090 GV, Amsterdam, The Netherlands
Ph: +31-20-4284061 Fax: +31-20-4284062



Kosovo Avond

Op 1 februari 1999 organiseert de werkgroep Vrede en Ontwapening van de FNV een avond over de situatie in Kosovo.

Inleider: Dhr. J.P. Feddema statenlid en buitenland specialist van GroenLinks.
Hans Feddema bezoekt regelmatig Kosovo als cultureel antropoloog van de Vrije Universiteit van Amsterdam.
De avond wordt gehouden in het kantoor van de FNV, Verbeekstraat 6b (achter het GAK kantoor aan de Plesmanlaan), in Leiden. De avond begint om acht uur en de toegang is gratis.

Iedereen is welkom, dus kom wel

Met vredesgroet,
Panc Batelaan
FNV Vrede en Ontwapening
Morssingel 35
2312 AZ Leiden
Tel/fax 071-5141296




VD AMOK zoekt:
REDACTEUR (M/V)

Takenpakket
- Onderhouden van contacten met auteurs van artikelen
- Redigeren van teksten
- Bijwonen van vergaderingen

De werkzaamheden concentreren zich in vijf periodes van twee weken per jaar.
Voor informatie:
redactie VD AMOK 06-14127779 (vragen naar Kees Kalkman).





Onlangs verschenen......

Refusing to bear arms
A worldwide survey on conscription and conscientious objection to military service

Refusing to bear arms geeft het antwoord. Refusing to bear arms is de enige allesomvattende internationale publicatie op het gebied van dienstplicht en dienstweigeren. Het brengt informatie over alle sleutelbegrippen met betrekking tot militaire dienstplicht samen in een rapport.

Deze wereldwijde studie is een project van War Resisters' International, a netwerk-organisatie van meer dan 80 vredesorganisaties. Naast de reeds bestaande data van de WRI heeft het project informatie verzameld van zowel regeringen als non-gouvernementele organisaties in zoveel mogelijk landen. Vervolgens zijn experts in de landen zelf gevraagd commentaar te leveren op de concept rapporten. Zoveel mogelijk is geprobeerd naast de officiële lezing van de wetten ook de bestaande praktijk te beschrijven.

Refusing to bear arms is een verzameling van 177 landenrapporten in een losbladige uitgave. Deze opzet maakt het mogelijk om elk landenrapport apart te actualiseren zodra nieuwe informatie beschikbaar komt. Ook laat het ruimte voor de gebruiker om zelf aanvullende informatie in te voegen.
Refusing to bear arms is een handboek, ontworpen als een naslagwerk. Het is met name bedoeld voor groepen die zich met dienstweigeren bezig houden en voor advocaten die zich bezighouden met asielzaken.

Het rapport kost £40 (£25 voor non-profit organisaties) en kan besteld worden bij:
WRI, 5 Caledonian Road, London N1 9 DX, Engeland
fax +44 171 2780444
email warresisters"at"gn.apc.org



Naar begin artikel
Naar Inhoudsopgave
Naar beginpagina